Een ouder zonder gezag heeft een beperkte rechtspositie in het kader van een ondertoezichtstelling. Gezinsvoogden hebben naar deze ouder zorgvuldig en respectvol gehandeld.

A., hierna te noemen: appellant

versus

B., hierna te noemen: verweerster-a, en C., hierna te noemen verweerster-b,
beiden vertegenwoordigd en bijgestaan door mevrouw mr. L. Goei.

Samenstelling van het College van Beroep SKJ
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden in de volgende samenstelling:

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;

mr. A.P. van der Linden,

mevrouw J. Blaauw, jeugdzorgwerker

W. Scholtus, jeugdzorgwerker

W. Veldhuis, jeugdzorgwerker.

1 Verloop van de procedure tot aan het beroep

Bij klaagschrift van 22 maart 2014 heeft appellant bij het College van Toezicht van de NVMW (hierna: CvT NVMW) een klacht ingediend over verweersters, jeugdzorgwerkers bij  [naam instelling](thans [instelling]). Het CvT NVMW heeft de klachten gevoegd behandeld en beoordeeld.
Bij brieven van 13 mei 2014 hebben verweersters gereageerd op de klacht.

Het CvT NVMW heeft op 31 oktober 2014 uitspraak gedaan. Het CvT NVMW oordeelde alle klachtonderdelen ongegrond. Bij brief van 19 november 2014 is door NVMW aan appellant en verweersters bericht dat SKJ vanaf 17 november 2014 als beroepsinstantie dient te gelden.
Appellant is van de uitspraak in hoger beroep gegaan.

2 Ontvankelijkheid van het beroepschrift en van het beroep; bevoegdheid College van Beroep SKJ

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroepschrift en van het beroep overweegt het College van Beroep SKJ, hierna: het college, als volgt.
Het beroepschrift d.d. 7 november 2014 is bij het college binnengekomen op 4 december 2014. Het college heeft vastgesteld dat het beroep tijdig is ingediend bij het CvT NVMW en dat het de noodzakelijke gegevens en de gronden van het beroep bevat. Omdat het CvT NVMW op 17 november 2015 nog niet tot inhoudelijke behandeling was overgegaan mocht het college zich bevoegd achten het beroep te ontvangen en te behandelen. Het college verklaart het beroepschrift derhalve ontvankelijk.
Met betrekking tot zijn bevoegdheid overweegt het college als volgt.
Het college is door de ministeriële erkenning van SKJ per 17 november jl. bevoegd om klachten in beroep tegen jeugdzorgwerkers te behandelen, voor zover de registratie van de in beroep betrokken jeugdzorgwerker dateert van voor of vanaf 17 november 2014. De registratie in het register SKJ van verweerster-a dateert van [datum] 2013 en van verweerster-b dateert van [datum] 2013.
Het college is derhalve bevoegd om het beroep te behandelen.

3 De procedure in beroep

Bij beroepschrift van 7 november 2014 heeft appellant beroep aangetekend tegen de uitspraak van het CvT NVMW in de gevoegde behandeling van de zaak 14.05T en de zaak 14.06T. Bij brief van 2 januari 2015 heeft verweerster-a gereageerd op het beroepschrift. Bij brief van 2 januari 2015 heeft verweerster-b gereageerd op het beroepschrift.
Het beroepschrift en beide verweerschriften in beroep worden geacht te zijn ingelast in deze procedure.

Het College van Beroep SKJ, hierna: het college, heeft besloten, hiertoe bevoegd op grond van art. 5 van het Tuchtreglement, om het beroepschrift en de verweerschriften, gezien de samenhang, gezamenlijk te behandelen. Tegen het besluit van het college, daartoe bevoegd op grond van art. 19 lid 1 Tuchtreglement, om de beide zaken schriftelijk af te doen heeft appellant bezwaar gemaakt. Het college heeft naar aanleiding van het bezwaar van appellant besloten om een hoorzitting te houden. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2015 in aanwezigheid van appellant en verweersters en hun gemachtigde.

4 De feiten

Appellant is biologisch vader van I. (geb. [datum] 2010). De moeder van I., mevrouw T., is belast met het eenhoofdig gezag over I. Bij de aanvang van de procedure in beroep loopt nog een procedure bij het gerechtshof [plaatsnaam] over erkenning en gezag over I.

[instelling] is van 19 augustus 2011 tot 8 oktober 2014 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (ots) over I. Verweersters fungeerden als jeugdbeschermer voor het gezin van mevrouw T.

Verweerster-a was in de ots de eerste contactpersoon. Verweerster-b was de tweede contactpersoon tot en met februari 2014.
Mevrouw T. is op 1 augustus 2014 met haar gezin, waaronder dochter I., verhuisd naar […]. Mevrouw T. heeft verweerster-a niet op de hoogte gesteld van de voorgenomen verhuizing. Verweerster-a heeft dit via derden vernomen. Zij heeft vervolgens de Centrale Autoriteit ingeschakeld. Deze laatste heeft de […] […] Autoriteit verzocht onderzoek te doen naar de situatie van de kinderen. I. is naar een basisschool in […] gegaan en uit de opgevraagde rapportage blijkt, dat zij het redelijk tot goed doet. [instelling] heeft voor uitgebreide schriftelijke overdracht gezorgd. Op 8 oktober 2014 is de termijn van de ots geëxpireerd, waarbij conform de wettelijke regeling de Raad voor de Kinderbescherming is geïnformeerd. Na afloop van de ots zijn door [instelling] geen begeleide bezoeken meer georganiseerd. Wel heeft [instelling] geprobeerd beide ouders te motiveren voor bezoeken van appellant aan I. in een vrijwillig kader onder professionele begeleiding. Dit is niet van de grond gekomen: thans loopt geen bezoekregeling.

Appellant heeft indertijd klachten ingediend bij de klachtencommissie van [instelling] en heeft een kortgeding procedure gevoerd bij de rechtbank [plaatsnaam]. In beide procedures is hij in het ongelijk gesteld. Thans lopen nog procedures in hoger beroep bij het gerechtshof [plaatsnaam] tegen de – door de rechtbank [plaatsnaam] uitgesproken – afwijzing van het verzoek tot de erkenning van I. door appellant, alsmede tegen de afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag van appellant en de moeder over dochter I.

5 De klachten

Appellant beklaagt zich over het volgende.

5.1

Er heeft geen netwerkscreening plaatsgevonden in de uitvoering van de ots van I. noch ten behoeve van de omgang.

5.2

Het is appellant niet duidelijk of er in de ots met de methode ‘Signs of Safety’ is gewerkt.

5.3

Het sociale netwerk van I., waartoe appellant zichzelf en zijn moeder rekent, is niet benut tijdens de ots en bij de omgang.

5.4

Er is geen familienetwerkberaad geweest gedurende de ots.

5.5

Dossierinzage wordt consequent geweigerd.

5.6

Contactjournaals worden consequent geweigerd.

5.7

De uitvoering van de ots en zorg zijn niet periodiek geëvalueerd.

5.8

Er is geen sprake van een plan van aanpak.

5.9

De omgangsregeling met I. wordt aan appellant opgedrongen en wordt door appellant schadelijk geacht voor het contact tussen hem en I.

5.10

Betrokkenheid van een extern deskundige tijdens de omgang wordt consequent geweigerd.

6 Beoordeling van het beroep

In zijn beroepschrift beklaagt appellant zich allereerst over de gang van zaken bij het CvT NVMW.
Appellant heeft groot bezwaar tegen het feit dat het CvT NVMW in zijn einduitspraak slechts overweegt dat hij in zijn klaagschrift en ook ter zitting niet of onvoldoende heeft duidelijk gemaakt en niet of onvoldoende heeft gemotiveerd dat verweersters in strijd met normen uit de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker zouden hebben gehandeld. Tijdens de hoorzitting met het CvT NVMW heeft appellant uitdrukkelijk gevraagd of dit college problemen had om zijn klachten aan deze beroepscode te relateren. Het CvT NVMW heeft daarop volgens appellant niet gereageerd. Als de klachten niet duidelijk waren had, volgens appellant, het CvT NVMW hem om aanvullende informatie kunnen vragen. Tenslotte bestond voor het CvT NVMW ook nog de mogelijkheid de klachten ambtshalve aan te vullen, zodat deze onbevredigende uitkomst van de procedure in eerste aanleg zou zijn voorkomen.

Het college overweegt hierover het volgende.
Appellant heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de uitspraak van het CvT NVMW.
De procedure in beroep geeft aan partijen de kans om eigen fouten en onvolkomenheden te herstellen; de procedure biedt een tweede, feitelijke, instantie waardoor ook eventuele onvolkomenheden die in eerste instantie procedureel hebben plaatsgevonden kunnen worden hersteld.

Voorts overweegt het college dat de klachten van appellant in de context van zijn toelichting in beroep voldoende duidelijk maken waarom in de visie van appellant verweersters in gebreke zijn gebleven; bovendien heeft hij nog een opsomming gegeven van de volgens hem geschonden normen van de beroepscode.

Het college gaat hieronder over tot de behandeling van de door appellant gepresenteerde klachten.

6.1

In klacht 5.1 en 5.3 beklaagt appellant zich erover dat geen netwerkscreening heeft plaatsgevonden en dat het sociale netwerk van zijn dochter niet is benut tijdens de ots en bij de omgang. Met netwerkscreening bedoelt appellant onder meer het screenen van zijn moeder (oma van I.) en zijn eigen (thuis)situatie. Tot het sociale netwerk van zijn dochter I. behoren immers ook zijn moeder en hijzelf.
Deze klachten treffen echter geen doel. Het college stelt vast dat in het kader van de ots van I. door [instelling] niet is overwogen om tot een uithuisplaatsing van I. over te gaan. Eerst als jeugdbescherming een uithuisplaatsing overweegt heeft het zin om bedoeld netwerk te screenen of in te zetten. Immers het doel van die screening en het inzetten van dat netwerk is om een uithuisplaatsing in het eigen netwerk te realiseren.

Het college stelt voorts vast dat verweersters, in het belang van I., vele pogingen hebben gedaan om samen te werken met klager.
Er zijn aan het college geen feiten of omstandigheden bekend geworden die het college bij deze klachtonderdelen tot het oordeel moeten brengen dat verweersters tekort zijn geschoten in de verplichting die artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna: de beroepscode), inhoudende dat de jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt en daartoe samenwerkt met diens sociale omgeving, aan de jeugdzorgwerker oplegt.

Klacht 5.1 en 5.3 zijn derhalve ongegrond.

6.2

In klacht 5.2 brengt appellant naar voren dat volgens het jaarverslag van [instelling] van 2012 medewerkers volgens de methode Signs of Safety behoren te werken. Het is appellant niet duidelijk geworden of dit gebeurt en zo ja, op welke manier.
Het college overweegt hierbij als volgt.

Bij een ots is sprake van een gezagsbeperkende maatregel; de ouder met gezag wordt in dat gezag beperkt. De ouder met gezag is in de ots de eerste belanghebbende en het optreden van de gezinsvoogdijinstelling is dan ook in de eerste plaats gericht op ondersteuning en versterking van de opvoedkundige rol van de met gezag belaste ouder.
Conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft een ouder zonder gezag, niet zijnde juridisch ouder, zoals appellant, een zeer beperkte rechtspositie in het kader van een ots. Appellant heeft na de verbreking van het contact de relatie met de moeder (dochter I was toen ongeveer een half jaar oud) nauwelijks een rol gespeeld of kunnen spelen in het leven van I.

Vanuit die positie ligt het niet voor de hand dat appellant feitelijk veel zicht heeft gekregen op de werkmethodiek van [instelling]. Het gaat daarbij ook te ver dat verweersters zich tegenover appellant zouden moeten verantwoorden over de door hen al of niet gebruikte werkmethodieken. Dat is alleen anders indien verweersters gebruik zouden hebben gemaakt van een werkmethodiek die strijdig is met hun beroepscode. Dat is gesteld noch gebleken zodat de tweede klacht daarmee faalt.
Klacht 5.2 is derhalve ongegrond.

6.3

In klacht 5.4 stelt appellant dat ten onrechte het familienetwerkberaad niet is ingezet voor de ots en ook niet voor de omgang.
Op zichzelf volkomen terecht heeft appellant aangevoerd dat sinds enige tijd en in het bijzonder vanaf 1 januari 2015 de familie en de sociale omgeving aan het begin van de ots in de gelegenheid worden gesteld om zelf een plan van aanpak op te stellen. De focus bij een familienetwerkberaad ligt bij het activeren van het netwerk van het gezin om mee te denken en mee te werken bij het oplossen van de gezamenlijk geconstateerde problemen.

Ook hierbij merkt het College op dat een familiegroepsplan (of de eigen kracht conferentie) start bij de ouder(s), die met het gezag is/zijn belast. Als een gezin na scheiding uiteen is gevallen bestaat op zich genomen de mogelijkheid dat ook de niet met gezag belaste ouder bij een familiegroepsplan wordt betrokken. Een voorwaarde hierbij is dat de communicatie tussen de met gezag belaste ouder en de andere ouder zó goed is dat inschakeling van die ouder niet contraproductief werkt. Het college stelt vast dat van een dergelijke, goede, communicatie tussen appellant en de moeder van I. geen sprake is. Het college kan verweersters volgen in hun afweging dat het niet in het belang van I. was wanneer zij appellant zouden betrekken bij het familienetwerkberaad. Verweersters hebben aldus handelend uitvoering gegeven aan de opdracht vervat in art. A van de beroepscode, inhoudende dat de jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt, zodat de klacht faalt.
Klacht 5.4 is derhalve ongegrond.

6.4

Klacht 5.5 heeft betrekking op de omstandigheid, dat verweerster-a na een aanvankelijke toezegging inzage in het dossier van de ots heeft geweigerd. In de lezing van verweerster-a heeft zij dit gedaan na consultatie van de jurist van [instelling] die zich op het standpunt stelde dat appellant niet gerechtigd was tot inzage in het (gehele) dossier van de ots. Verweerster-a begreep heel goed dat deze gang van zaken voor appellant frustrerend was. Zij heeft dan ook haar excuus voor de gang van zaken aan appellant aangeboden. De situatie was voor alle betrokkenen verwarrend omdat de Raad voor de Kinderbescherming aan appellant wel dossierinzage had toegestaan.

Overigens heeft appellant volgens verweersters wel dossierinzage gehad doch beperkt tot de inzage van die stukken die betrekking hebben op hemzelf. Documenten die betrekking hadden op anderen, zoals zijn ex-partner en zijn dochter I., konden niet aan hem worden verstrekt dan na schriftelijke toestemming van de met gezag belaste ouder. Deze toestemming is door de moeder van I. niet gegeven.
Het college heeft begrip voor de omstandigheid dat de gang van zaken frustrerend is geweest voor appellant. Verweerster-a heeft daarvoor ook haar excuus aangeboden.
Het college stelt vast dat verweerster-a, aldus handelend en door appellant inzage te geven in de stukken die betrekking hebben op hemzelf, heeft gehandeld als een zorgvuldig handelend jeugdzorgwerker betaamt.
Klacht 5.5 is derhalve ongegrond.

6.5

Klacht 5.6 houdt in dat aan appellant kopieën van de contactjournaals consequent worden geweigerd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft appellant aangegeven dat inmiddels verbetering is ingetreden in die zin dat inmiddels de betreffende contactjournaals wel in kopie aan hem zijn afgegeven.
Naar het oordeel van het college is de klacht daarmede opgelost en deze behoeft dan ook geen verdere bespreking.
Klacht 5.6 is derhalve ongegrond.

6.6

In klacht 5.7 brengt appellant naar voren dat evaluaties van zorg en omgang periodiek dienen plaats te vinden, tenminste eenmaal in de zes maanden, en dat dit niet is gebeurd.
Naar het oordeel van het college dient evaluatie van de ots in de eerste plaats te geschieden met de met het gezag belaste ouder; voor deze is het plan van aanpak immers bedoeld.
Volgens verweersters is appellant steeds op hoofdlijnen op de hoogte gehouden met betrekking tot de ontwikkeling van zijn dochter, waarbij verweersters geen volledige opening van zaken konden geven met betrekking tot de situatie rond de moeder van I., die immers tegenover verweersters geen toestemming had gegeven om appellant inzage te verstrekken in haar persoonsgegevens. Deze gang van zaken is niet weersproken door appellant, die zich echter op het standpunt heeft gesteld dat hij recht had op volledige dossierinzage.
Het college stelt vast dat appellant, stellend dat hij recht heeft op volledige dossierinzage, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Aan de niet met gezag belaste ouder komt immers ingevolge art. 377 c boek 1 BW enkel informatie op hoofdlijnen toe over diens minderjarige kind.

Het college stelt vast dat verweersters hebben gehandeld zoals het zorgvuldig handelend verweersters betaamt nu zij blijk geven van een juiste opvatting van de informatieplicht van de jeugdzorgwerker jegens de niet met gezag belaste ouder, welke opdracht vervat is in art. F van de beroepscode.
Klacht 5.7 is derhalve ongegrond.

6.7

In de achtste klacht beklaagt appellant zich dat er geen sprake is van een geldig indicatiebesluit.
Het college stelt vast dat de moeder van I. een indicatie voor een vorm van hulpverlening heeft verkregen en dat appellant bij de verkrijging van de indicatie geen partij is.
Deze klacht is derhalve niet ontvankelijk.
Klacht 5.8 is derhalve niet ontvankelijk.

6.8

De negende klacht heeft betrekking op het feitelijk mislukken van de omgangsregeling.
Het college stelt het volgende vast. In deze procedure is volstrekt duidelijk geworden dat de omgang tussen appellant en I. niet goed is verlopen. Verweerster-a geeft aan dat de omgang vanaf het begin feitelijk niet goed van de grond is gekomen. Dit is zowel te wijten aan het gedrag van appellant als het gedrag van de moeder van I. Appellant heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zonder enige terughoudendheid toegegeven dat hij zich eisend opstelt aangezien dat gedrag volgens hem het beste werkt in relatie met [instelling].
Ook de inzet van de moeder van I. liet te wensen over.

Het op zich minimale, begeleide, contact van een uur per maand is volgens verweerster-a twee keer niet doorgegaan door toedoen van appellant en twee keer door toedoen van de moeder van I. Er waren ook fricties betreffende de plaats van het contact. Appellant kon zich niet goed de impact op I. voorstellen wanneer die over een behoorlijke afstand moest reizen voor het contact. Ook had appellant zijn eigen eisen met betrekking tot de begeleiding van de omgang. Uitgangspunt voor de inzet van verweersters is steeds het welzijn van I. geweest.
Het college stelt vast dat na het vertrek van moeder en I. naar […] door [instelling] nog wel is geprobeerd om op minnelijke wijze omgang tot stand te brengen, zo mogelijk met begeleiding van een instantie ter plaatse in […], maar dat dit niet van de grond is gekomen.

Het College stelt vast, mede op grond van de uitvoerige mondelinge behandeling, dat verweerster-a uitvoering heeft gegeven aan de opdracht vervat in art. A van de beroepscode door te doen wat in haar vermogen lag om te komen tot een goed functionerende omgang, die na een behoorlijke start zeker zou zijn uitgebreid maar dat die door een gebrek aan medewerking van beide ouders en door de opvolgende verhuizing van moeder en dochter naar […] tot op heden is mislukt.
Ook deze grief faalt dus.

Klacht 5.9 is derhalve ongegrond.

6.9

In de tiende klacht stelt appellant dat hem ten onrechte een deskundige is geweigerd om hem te begeleiden bij de omgangsregeling terwijl hij daartoe recht heeft.
Het college is van oordeel dat uit geen enkel wettelijk voorschrift valt af te leiden dat appellant bij de omgang met zijn dochter recht heeft op een deskundige die hem daarbij begeleidt. Het college stelt vast dat verweersters niettemin hebben bewerkstelligd dat aan deze wens van appellant tegemoet werd gekomen. Een gedragskundige van [instelling] heeft appellant tweemaal bij een omgangscontact begeleid.
Het college stelt vast dat de keuze voor deze inzet getuigt van een respectvolle bejegening van appellant als ‘ouder met een eigen opvoedvisie’ en dat verweersters daarmee hebben gehandeld conform art. E van de beroepscode.

Ook deze klacht faalt.

Klacht 5.10 is derhalve ongegrond.

In zijn beroepschrift brengt appellant nog in het bijzonder naar voren dat verweersters naar hem respectloos hebben gehandeld, dat niet betrouwbaar en open met hem werd gecommuniceerd, dat niet met hem werd samengewerkt en afspraken niet werden nagekomen.

Daaromtrent hebben verweersters aangevoerd dat appellant zich in de contacten met hen met regelmaat op een onprettige manier opstelde, dat zijn berichten en correspondentie werden ervaren als beledigend, manipulerend en bedreigend, dat hij dreigde met het openbaar maken van de naam van verweersters en dat hij stukken op de sociale media wilde zetten. Hij dreigde met klachtenprocedures, zowel tegen [instelling] als tegen verweersters persoonlijk, wanneer een van beide verweersters niet te werk zou gaan zoals hij dat eiste en hij gebruikte scheldwoorden. Inhoudelijke gesprekken over I. bleken al snel niet meer mogelijk en in de uitvoering van de ots heeft [instelling] al spoedig specifieke maatregelen moeten nemen om de uitvoering mogelijk te maken. De teamleider werd de vaste contactpersoon voor klachten en verzoeken van appellant. Verweerster-a kon zich daardoor inhoudelijk richten op de hulpverlening aan het gezinssysteem waarin I. opgroeide.
Appellant heeft deze gang van zaken bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in beroep niet, althans onvoldoende weersproken. Verweerster-a heeft overtuigend naar voren gebracht dat zij in combinatie met een tweede contactpersoon, teamleider en gedragskundige van [instelling] alles in het werk heeft gesteld om het mogelijk te maken te komen tot een vorm van contactherstel tussen appellant en zijn dochter en dat zij ondanks het optreden van appellant steeds respectvol naar hem toe is gebleven. Het contact met appellant is echter al in een vroeg stadium verstoord geraakt.

Het college stelt vast dat verweerster-a en verweerster-b hebben gehandeld zoals het een zorgvuldig handelend jeugdzorgwerker ingevolge de beroepscode betaamt.

Het college merkt tenslotte nog op dat ook in algemene zin ter zitting in het beroep geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waaruit het college de conclusie zou moeten trekken dat verweersters in strijd zouden hebben gehandeld met enig onderdeel van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker.

7 Uitspraak

Het College komt na bovenstaande overwegingen tot de volgende uitspraak.
De klachten 5.1 tot en met 5.7, 5.9 en 5.10 zijn ongegrond en klacht 5.8 is niet ontvankelijk.

Uitspraak aldus gedaan op 4 mei 2015 in de genoemde samenstelling.

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,

voorzitter

mevrouw mr. C. Abbing,

secretaris