Appellant is van mening dat de jeugdzorgwerker onvoldoende kwaliteit geleverd heeft en wenst toetsing door het tuchtcollege. Alle grieven worden ongegrond verklaard.

Het College van Beroep van SKJ, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot;
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent het door
de heer A., hierna te noemen: A., ingediend beroep tegen:

mevrouw B., hierna te noemen: B.
Als gemachtigde van verweerster is opgetreden mevrouw [gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure tot aan het beroep

Bij klaagschriften van 28 februari, 14 maart, 20 maart en 28 april 2014 heeft A. bij het College van Toezicht NVMW, hierna ook te noemen: het CvT, klachten ingediend over B., jeugdzorgwerker bij Jeugdbescherming […], hierna te noemen: JB […]. Het CvT heeft de klachten bij brief van 26 maart 2014 niet ontvankelijk verklaard, omdat de registratie van B. in het beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk Werkers (BAMw) op dat moment nog niet voltooid was. Bij brief van 27 maart 2014 is A. hiertegen bij het College van Beroep NVMW in beroep gegaan. Nu B. ten tijde van de beoordeling van het beroep met terugwerkende kracht per [datum] 2013 geregistreerd is, heeft het College van Beroep NVMW op 16 april 2014 de beslissing van het CvT van 26 maart 2014 vernietigd en de klacht ter beoordeling terugverwezen naar het CvT.

Bij brief van 21 oktober 2014 heeft B. gereageerd op het klaagschrift van 28 april 2014. Bij brief van 25 november 2014 heeft B. gereageerd op de door appellant ingediende klaagschriften van 28 februari, 14 maart en 20 maart 2014. De klaagschriften en verweerschriften zijn besproken op de hoorzitting op 29 januari 2015.

Het CvT heeft op 9 maart 2015 uitspraak gedaan. De klachtonderdelen I tot en met IV zijn ongegrond verklaard. A. is tegen deze beslissing in beroep gegaan.

2 De procedure in beroep

Bij beroepschrift van 28 april 2015, door het College ontvangen op 1 mei 2015, heeft A. beroep aangetekend tegen de uitspraak van het CvT van 9 maart 2015. Op 15 juli 2015 heeft het College van B. een verweerschrift d.d. 14 juli 2015 ontvangen. Op 3 september 2015 heeft het College verzocht om nadere informatie over het tijdvak waarin de gedragingen zich hebben afgespeeld. Op 5 september 2015 is een aanvulling van A. ontvangen, waarin hij verwijst naar de in eerste aanleg ingebrachte brieven. A. heeft daarbij aangegeven dat de klachten tot op heden actueel zijn. Op 21 september 2015 is van B. een aanvulling d.d. 17 september 2015 ontvangen.

Gezien de samenhang van zaken, heeft de voorzitter van het College besloten om de zaken 15.001B en 15.002B gevoegd te behandelen op de hoorzitting. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016 in aanwezigheid van A., B. en [gemachtigde] als de gezamenlijke gemachtigde van C. en B.. C. in zaak 15.001B kon wegens gezondheidsredenen niet op de hoorzitting verschijnen. De ter zitting overgelegde pleitnotities van A. zijn aan het dossier toegevoegd.

3 De ontvankelijkheid van het beroepschrift en de bevoegdheid van het College

De beroepstermijn liep tot acht weken na de dag van verzending van de uitspraak van het CvT, te weten tot 5 mei 2015. Op 1 mei 2015 is het beroepschrift van appellant door het College ontvangen. Het beroepschrift is tijdig ingediend en het bevat de noodzakelijke gegevens en de gronden van het beroep. Het beroepschrift is aldus ontvankelijk. Het verweerschrift is ook tijdig ingediend en bevat de gronden van het verweer. Het College is door de ministeriële erkenning van SKJ per 17 november 2014 bevoegd om klachten in beroep tegen bij SKJ geregistreerde jeugdzorgwerkers te behandelen.

Het CvT heeft beslist dat B. ten tijde van de behandeling van de klachten van A. (met terugwerkende kracht) geregistreerd was in BAMw en als zodanig onderworpen aan het tuchtrecht van de NVMW, zodat het college de klacht in behandeling kon nemen. De registratie van B. in het beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk Werkers (BAMw) heeft indertijd met terugwerkende kracht plaatsgevonden op [datum] 2013. Volgens B. staat ze echter pas op [datum]  2014 geregistreerd als jeugdzorgwerker in het BAMw register, omdat zij toen haar pasje kreeg en bericht ontving over de plaatsgevonden registratie.

Het College van Beroep oordeelt als volgt. Bij BAMw is gebruikelijk geweest dat na de aanvraag tot registratie het enige tijd duurde voordat alle gegevens voor die registratie door het BAMw register waren verzameld; zodra dit het geval was, werd de registratie met terugwerkende kracht tot de datum van aanvraag verleend. De datum van de aanvraag kan ook thans in redelijkheid worden aangehouden omdat de aanvrager vanaf die datum registratie wenste en daarmee ook alle gevolgen die aan die registratie zijn verbonden. De door A. ingediende klachten zijn dus ontvankelijk.

4 De feiten

A. is de vader van vier minderjarige kinderen. A. en de moeder van de kinderen zijn gescheiden, de moeder heeft sinds 19 april 2013 het eenhoofdig ouderlijk gezag. Sinds 2 augustus 2011 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van JB […]. In december 2012 zijn de kinderen uit huis geplaatst en ondergebracht in een gezinshuis. Bij de mondelinge behandeling is gebleken, dat de kinderen inmiddels weer teruggeplaatst zijn bij de moeder. A. heeft eenmaal per week, gedurende anderhalf uur, begeleide omgang met de kinderen.

5 De beoordeling van het beroep

5.1 Door registratie bij SKJ onderwerpen jeugdprofessionals zich aan de voor hun beroepsgroep geldende professionele standaard en aan het tuchtrecht. Het tuchtrecht beoogt enerzijds dat een geregistreerde jeugdprofessional wordt beoordeeld op zijn professionele handelen. Anderzijds heeft het tuchtrecht als doel dat naast de jeugdprofessional de hele beroepsgroep van deze toetsing kan leren en zichzelf kan verbeteren. Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar gaat het om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2 A. kan zich niet vinden in de uitspraak van het CvT zoals gedaan op 26 maart 2015 en voert daartegen zevenentwintig grieven aan.
Alvorens toe te komen aan de grieven en de beoordeling daarvan, heeft het College de volgende kwestie met A. besproken: wat beoogt hij nu precies met deze procedure en de vele andere door hem gevoerde procedures te bereiken? Hij heeft immers telkens moeten ervaren, dat hij bij gerechtelijke procedures en klachtenprocedures in het ongelijk wordt gesteld.
A. heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in dit verband naar voren gebracht dat hij en zijn ex-partner als ouders van de kinderen een subliem voorbeeld dienen te geven. A. stelt dat hij niet het exclusief recht heeft om de kinderen alleen op te voeden, hij zou dat samen met de moeder van zijn kinderen willen doen. Wat hem betreft zonder dat andere instanties eraan te pas komen. A. wil de omgang met zijn kinderen graag bij hem thuis laten plaatsvinden. Helaas weigert de moeder ieder contact, waardoor de ouders niet samen met elkaar om de tafel kunnen zitten. A. heeft JB […] daarom om hulp gevraagd om ervoor te zorgen dat de communicatie tussen de ouders weer op gang komt, maar JB […] heeft geen enkele vorm van hulpverlening ingeschakeld. Daardoor is er de afgelopen jaren niets veranderd, ook al loopt er al die tijd een ondertoezichtstelling.
A. is van mening dat B. en C. onvoldoende hebben gedaan om tot een vruchtbare samenwerking met hem en zijn ex partner te komen en om daarvoor hulpverlening in te zetten. Daarmee hebben B. en C. onvoldoende kwaliteit geleverd en wenst A. dat hun handelen door het tuchtcollege getoetst wordt.

Ten aanzien van de grieven I – VI en XIV – XIX: ondeugdelijke gegevensverstrekking

5.3 Volgens A. heeft het CvT ten onrechte overwogen dat het ouderlijk gezag en toestemming van de ex-partner als criterium dient te worden genomen bij een verzoek om inzage inzake persoonsgegevens die betrekking hebben op hem. Daarnaast heeft het CvT ten onrechte aangenomen dat de ex-partner geen toestemming zou hebben verleend, ten onrechte overwogen dat B. door het houden van een 30-minutengesprek per kwartaal is vrijgesteld van haar wettelijke plichten conform de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna te noemen: Wbp) en ten onrechte heeft nagelaten om de klachten deugdelijk inhoudelijk te behandelen door af te dwalen naar de Wet op de Jeugdzorg.
Wat betreft het Plan van Aanpak stelt A. dat het CvT ten onrechte zonder onderbouwing heeft aangenomen dat B. een recent en geëvalueerd Plan van Aanpak zou hebben opgesteld en dat B. het Plan van Aanpak met hem bespreekt.

Ter zitting verklaart A. dat de kern van dit klachtenonderdeel is dat hij inzage wil in hetgeen over hem in het Plan van Aanpak wordt geschreven en dat hij dit bij elke nieuwe versie van het Plan van Aanpak wil blijven ontvangen, ook al zegt B. dat het stukje niet veranderd is. Op die manier kan A. controleren wat over hem wordt geschreven en kan hij zijn reactie daarop geven, zodat de rechtbank de stukken samen met zijn opmerkingen kan ontvangen. A. verklaart voorts dat hij weet dat hij geen recht heeft op inzage in de gegevens over de kinderen en moeder, daar gaat het hem ook niet om.

5.4 B. benadrukt in haar verweerschrift dat bij een verzoek om inzage onderscheid dient te worden gemaakt tussen (persoons)gegevens die betrekking hebben op degene die inzage vraagt en (persoons)gegevens die betrekking hebben op een ander. A. is een ouder zonder gezag en heeft dus geen recht op inzage in het dossier van zijn kinderen, tenzij hiervoor toestemming door de moeder als ouder met gezag en de kinderen, voor zover 12 jaar of ouder, wordt gegeven. B. heeft met de moeder van de kinderen gesproken en zij heeft te kennen gegeven geen toestemming te geven aan A.

Voorts benadrukt B. dat appellant wel recht op inzage heeft in de gegevens die hem zelf betreffen. A. heeft tot aan de wijziging van het gezag naar moeder, inzage gekregen in het dossier van de kinderen inclusief de contactjournaals. Vanaf de datum dat appellant geen gezag meer heeft, is aan appellant geen inzage meer gegeven in het dossier van zijn kinderen. B. heeft van A. nooit een rechtstreeks aan haar gericht verzoek ontvangen om inzage in gegevens die hem zelf betroffen. A. heeft de verzoeken om inzage aan de teamleider gericht, waardoor B. daarvan niet op de hoogte was. Naar aanleiding van de klachten die tegen B. en haar collega zijn ingediend, heeft A. eind oktober 2014 inzage gekregen in contactjournaals en beslisjournaals van de afgelopen anderhalf jaar die op hem betrekking hebben. Tevens ontvangt appellant nu elke maand de contactjournaals die op hem betrekking hebben.

Ten aanzien van zijn kritiek op het 30-minutengesprek merkt B. op dat het gaat om het gesprek dat eens per kwartaal plaatsvindt over het verloop van de omgangsregeling. Tijdens de begeleide omgang wordt door haar of een collega aantekeningen gemaakt over het verloop van de omgang. Deze aantekeningen worden verwerkt in een observatieverslag dat A. ontvangt. B. stelt zich op het standpunt dat voldoende terugkoppeling plaatsvindt over hetgeen tijdens de begeleide omgangsregeling aan aantekeningen wordt gemaakt. B. betreurt dat A. al het handelen van haar en haar collega’s als negatief ervaart en het daarom moeilijk is om tot een constructieve samenwerking te komen.

Ten aanzien van de klachten over het Plan van Aanpak merkt B. het volgende op. Voor alle vier de kinderen is een Plan van Aanpak opgesteld. De ondertoezichtstelling is gericht op het bieden van hulp aan de ouder met gezag en het Plan van Aanpak richt zich op de invulling hiervan en niet op de omgangsregeling met A.. A. wordt als ouder zonder gezag dan ook niet betrokken bij de opstelling van het Plan van Aanpak, heeft geen recht op inzage hiervan en het plan wordt ook niet met hem besproken. B. geeft hierbij te kennen dat A. beschikt over de passages uit de Plannen van Aanpak die betrekking hebben op hem zelf. Niet gesteld kan worden dat stukken die betrekking hebben op A. hem zijn onthouden.

Ter zitting benadrukt B. dat de moeder mondeling haar toestemming voor inzage door A. heeft geweigerd, ze weet alleen niet of deze verklaring op papier staat. JB […] gebruikt daar geen formulier voor, dat is anders indien de toestemming wel wordt verleend. Indien B. de verklaring toch op papier heeft, zal ze deze aan A. doen toekomen. Voorts verklaart B. dat zij niet steeds bij een gewijzigd Plan van Aanpak het ongewijzigde deel over A. aan hem opstuurt. Ze volstaat met de mededeling dat het deel over hem ongewijzigd is gebleven. Nu ter zitting blijkt dat A. het toch belangrijk vindt dat hij dit op papier krijgt, zal ze dat deel steeds letterlijk aan hem doen toekomen.

5.5 Het College stelt vast dat er Plannen van Aanpak zijn opgesteld voor de minderjarige kinderen van A.. A. heeft echter geen inzage in de gegevens uit het Plan van Aanpak die betrekking hebben op zijn ex-partner en de kinderen, vanwege het ontbreken van het gezag en het ontbreken van toestemming van de moeder van de kinderen. Niet ter discussie staat dat A. recht heeft op inzage in de gegevens over hem zelf.

Wat betreft de verzoeken om inzage overweegt het College dat het voldoende aannemelijk is geworden dat deze verzoeken zijn doorgeleid aan de teamleider of de juridische afdeling en dat de verzoeken niet aan de gezinsvoogd zijn gericht maar aan de stichting. Het College acht zich daarom niet bevoegd om op dit punt te oordelen.

Het College overweegt voorts dat verweerster discussies over de toestemming van de ex-partner zou kunnen voorkomen, als zij aan A. een schriftelijke verklaring daaromtrent zou overleggen. Ook een letterlijke verstrekking van de gegevens betreffende appellant zou in deze situatie de voorkeur hebben. Het gaat hier om een aanbeveling van het College en niet om verwijtbaar handelen van B.. Voor wat betreft de overige grieven van dit onderdeel concludeert het College dat deze niet zijn komen vast te staan. Het College verklaart de grieven I tot en met VI en XIV tot en met XIX ongegrond.

Ten aanzien van de grieven VII – XIII: niet gedragen als een waardig en professioneel gezinsvoogd

5.6 A. stelt dat het CvT ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake zou zijn van feiten en objectiveerbare gronden en dat sprake zou zijn van hulpverlening die ‘goed genoeg’ is. B. is volgens A. niet bevoegd om jeugdhulp te verstrekken. Ook heeft het CvT ten onrechte zonder onderbouwing aangenomen dat er sprake zou zijn van nieuwsgierig en actief gedrag van B., dat B. adequaat heeft gehandeld in deze kwestie en de deur van de gedragsdeskundige ‘platloopt’, dat sprake is van intervisie bij B., dat de begeleide omgangsregeling rustig zou verlopen en dat B. deskundig handelt.

Ter zitting verklaart A. dat het erom gaat dat B. onvoldoende heeft gedaan om tot een vruchtbare samenwerking te komen met hem en zijn ex-partner en zich onvoldoende heeft ingespannen om (externe) hulpverlening in te zetten om tot een verbeterde communicatie tussen de ouders te komen.

5.7 B. geeft in haar verweerschrift te kennen dat de uitspraken van A. niet nader zijn onderbouwd. Veel klachten hebben betrekking op de wijze waarop A. zaken beleeft en B. weet dan ook niet wat A. met bepaalde uitspraken bedoelt. B. is er in ieder geval op gericht om te streven naar een goede samenwerking met A. en zorgvuldig te handelen. Indien nodig, voert B. overleg met haar collega’s en een gedragsdeskundige. Ten aanzien van overleg en intervisie, merkt B. op dat het nemen van beslissingen in teamverband geenszins betekent dat zij onvoldoende kundig zou zijn om haar werkzaamheden op een goede wijze uit te voeren. Het overleg met collega’s en de gedragsdeskundige is erop gericht om samen tot een goede afweging te komen over te nemen beslissingen zoals de invulling van de omgangsregeling tussen A. en zijn kinderen. Alles wat over A. wordt besproken, komt terug in de contactjournaals en brieven die hij ontvangt.
Voor wat betreft het verloop van de omgangsregeling en de beschuldigingen daaromtrent, merkt B. op dat zij steeds gericht blijft op een goede samenwerking, maar dat het moeilijk is om tot een constructieve samenwerking te komen door de vele klachten en procedures die A. aanspant.
Ten aanzien van het verlenen van jeugdhulp merkt B. op dat een gecertificeerde instelling inderdaad geen jeugdhulp mag verlenen. Het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel valt echter niet onder de definitie van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet. Verweerster is als uitvoerder van de beschikking van de rechtbank betrokken bij de omgangsregeling tussen A. en de kinderen en daar horen ook evaluaties van de omgangsregeling bij.

Ter zitting verklaart B. dat er veel is gedaan om de communicatie tussen ouders te verbeteren. Zo is de Eigen Kracht Conferentie ingeschakeld, maar bleek het netwerk van moeder uitgeput en bleek het netwerk van vader evenmin ingeschakeld te kunnen worden. Ook is Omgang Ondersteuning Noord-Veluwe (OONV) ingeschakeld maar vastgelopen, omdat de vrijwilligers niet konden ingrijpen wanneer A. de ouderproblematiek bij de moeder neerlegt en de kinderen met deze problematiek belast.
B. benadrukt dat het gaat om een groot visieverschil met A. over de ondertoezichtstelling en de uitvoering daarvan.

5.8 Het College stelt vast dat de uitspraken en belevingen betreffende dit klachtenonderdeel onvoldoende overtuigend door A. met feiten zijn onderbouwd, het zijn en blijven veronderstellingen en aannames. Uit hetgeen schriftelijk en ter zitting door partijen naar voren is gebracht, kan het College niet concluderen dat B. zich op voornoemde punten onvoldoende heeft ingezet. Integendeel, het benaderen van deskundigen en collega’s voor overleg geeft juist blijk van professioneel handelen. Aangezien het door A. in de grieven VII tot en met XIII gestelde niet is komen vast te staan, verklaart het College deze grieven ongegrond.

Ten aanzien van de grieven XX – XXV: geven van verkapte aanwijzingen

5.9 A. stelt dat het CvT ten onrechte heeft overwogen dat een schriftelijke aanwijzing pas een aanwijzing is conform artikel 1:263 BW, als dat onweerlegbaar door B. kenbaar wordt gemaakt. A. stelt voorts dat het CvT ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake zou zijn van een actie terwijl duidelijk het woord ‘actie’ is vermeld, dat het CvT ten onrechte heeft overwogen dat sprake zou zijn van gemaakte afspraken tijdens mediation en dat sprake zou zijn van een uitbreiding van de geldende omgangsregeling, althans de mogelijkheden daartoe. Daarnaast heeft het CvT ten onrechte overwogen dat de rechter aan B. de opdracht zou hebben gegeven dat in het kader van de omgangsregeling allerlei verkapte aanwijzingen zouden kunnen worden gegeven.

Ter zitting verklaart A. dat hij de kinderen niet belast met ouderproblematiek. Het probleem zit volgens hem bij de moeder, zij werkt niet mee. Als de slechte communicatie tussen ouders zou kunnen worden doorbroken, zou er volgens hem zelfs co-ouderschap kunnen plaatsvinden. Door het feit dat B. willens en wetens alleen met hem in gesprek gaat en niet een hulpverlener inschakelt, overtreedt zij de regels. JB […] mag immers niet zelf de hulpverlening uitvoeren, daar dient een externe partij voor te worden ingeschakeld. Inmiddels is er hulpverlening opgestart, maar daar wil A. verder geen uitspraken over doen.

5.10 B. verklaart dat de in de verslagen genoemde ‘doel, actie en evaluatie’ betrekking heeft op adviezen/aandachtspunten omtrent de omgangsregeling tussen A. en zijn kinderen, met het streven om de omgangsregeling op een prettige wijze te laten verlopen. Het is aan A. om te bepalen wat hij met de adviezen/aandachtspunten doet. Wel kan JB […] de rechtbank verzoeken om de omgangsregeling voor de duur van de ondertoezichtstelling te wijzigen als bijvoorbeeld door de houding van appellant de belangen van de kinderen worden geschaad. B. begrijpt niet waarom A. zich zo blijft verzetten tegen de handvatten en tips die hem op grond van de begeleide omgangsregeling worden aangereikt en betreurt dat het tot op heden nog niet is gelukt om met hem tot een constructieve samenwerking te komen.

B. geeft ter zitting te kennen dat A. tijdens de omgangsmomenten belastend voor de kinderen handelt, onder andere omdat de kinderen niet worden aangesproken op hun gedrag wanneer dat nodig is. De kinderen gaan soms over grenzen en hun vader is ten onrechte van mening dat de gezinsvoogd degene is die hen daarop moet aanspreken. Er zijn na de laatste rechtszitting met een groter regelmaat dan voorheen evaluaties uitgevoerd, maar er blijft een enorm visieverschil.

A. ziet niet in dat de bal mede bij hem ligt, hij zou tijdens de omgang moeten laten zien dat hij niet belastend voor de kinderen handelt.

5.11 Het College stelt zich samen met B. op het standpunt dat het CvT terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van het geven van een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:258 BW oud/1:263 BW nieuw. Het klopt dat de artikelen niet bepalen dat een schriftelijke aanwijzing aan een bepaalde vormvereiste moet voldoen, maar aan A. als ouder zonder gezag kan geen schriftelijke aanwijzing worden gegeven. Hetgeen daarnaast in de grieven XX tot en met XXV door A. gesteld wordt, is niet komen vast te staan. Het College verklaart de grieven XX tot en met XXV ongegrond.

Ten aanzien van de overige grieven XXVI – XXVII: verzoeken aan het College

5.12 A. verzoekt het College om het handelen van B. bovenal te toetsen aan de opgestelde aanbevelingen KOM en de instructies IJZ, omdat dit nadere uitwerkingen betreffen van de beroepscode. A. verzoekt voorts het College om uitspraak te doen dat het geven van een schriftelijke aanwijzing nimmer betrekking kan hebben op 1) de naleving van de door de gecertificeerde instelling geboden jeugdhulp, omdat het bieden van jeugdhulp door de gecertificeerde instelling bij wet verboden is en 2) de ouder zonder gezag.

5.13 Voor wat betreft de schriftelijke aanwijzing verwijst het College naar hetgeen hierover bij de vorige grieven is overwogen. Het College overweegt voorts dat het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm, weergegeven in de beroepscode en de richtlijnen voor de jeugdprofessional. De stelling dat het College dient te toetsen aan de door appellant genoemde aanbevelingen en instructies, faalt. De grieven XXVI en XXVII acht het College dan ook ongegrond.

6 De uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Beroep van SKJ tot de conclusie dat alle grieven ongegrond dienen te worden verklaard. De bestreden beslissing van het College van Toezicht blijft dus in stand.

Aldus gegeven op 5 april 2016 in de genoemde samenstelling.

Mr. P.A.J.Th. van Teeffelen
Voorzitter

Mevrouw mr. L.N. Tabak
Secretaris