Moeder klaagt over het feit dat gezinsvoogd onvoldoende handelt in belang van haar dochter, onzorgvuldig communiceert, afspraken niet nakomt en zich intimiderend opstelt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College,

heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,

mr. M. Stammes, lid-jurist,

mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

mevrouw [naam], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

de heer [naam], hierna te noemen: beklaagde.

Beklaagde laat zich bijstaan door mr. [naam], Achmea Rechtsbijstand.

1 Het verloop van de procedure

Op 8 januari 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 31 december 2014 met 47 bijlagen van klaagster. Klaagster diende haar klacht eerder, op 30 december 2014 en 31 december 2014, in bij het College van Toezicht NVMW. NVMW geleidde het klachtschrift op 8 januari 2015 door naar SKJ. Per brief d.d. 3 februari 2015 wordt aan beklaagde verweer gevraagd. Beklaagde verzoekt om uitstel voor het indienen van het verweerschrift. Het College verleent per email van 11 maart 2015 uitstel tot 24 april 2015. Op 22 april 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 22 april 2015. Klaagster ontvangt een afschrift.
Het College besluit dat het wenselijk is om partijen in zitting bijeen te horen en verzoekt partijen om op 21 mei 2015 daartoe te verschijnen.
De hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en een afgevaardigde van een rechtsbijstandsverzekeraar. De moeder en zus van klaagster zijn aanwezig als toehoorder. Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting uitspraak gedaan.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw) in opdracht van de Stuurgroep Professionalisering Jeugdzorg in de periode 2012 tot en met september 2014 de registratie van jeugdzorgwerkers heeft opgezet en uitgevoerd. BAMw heeft op 1 oktober 2014 het register van jeugdzorgwerkers overgedragen aan de op 13 maart 2013 opgerichte stichting, ‘Stichting Kwaliteitsregister Jeugd’ (SKJ). De stichting, houder van het Kwaliteitsregister Jeugd, is op 17 november 2014 door de Minister erkend (Staatscourant 33806, 28 november 2014). De stichting stelt zich onder meer ten doel dat de geregistreerde professionals zich binden aan de voor hun beroepsgroep geldende professionele standaard en om uitvoering te geven aan tuchtrechtspraak ten aanzien van de geregistreerden.
Het College stelt vast dat jeugdzorgwerkers die bij BAMw in de periode van 2012 tot en met september 2014 werden geregistreerd zich door deze registratie aan het stelsel van tuchtrecht onderwierpen, onder meer gevormd door een Beroepscode voor de jeugdzorgwerker en een reglement voor de tuchtrechtspraak, zoals dat door het College van Toezicht en het College van Beroep van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers werd toegepast.

Het College stelt vast dat de professionele normen voor de jeugdzorgwerker eind 2010 in de algemene ledenvergadering van de NVMW en van Phorza, de voormalige vereniging voor sociale, (ortho)pedagogische en hulpverlenende werkers zijn vastgesteld en zijn uitgegeven als ‘Beroepscode voor de jeugdzorgwerker’ in augustus 2012. Het College stelt vast dat beklaagde derhalve redelijkerwijs van het bestaan en de inhoud van de voor haar beroep geldende normen op de hoogte kon zijn bij aanvang van zijn registratie op [datum] 2013.
Het College stelt vast dat beklaagde zich derhalve vanaf [datum] 2013 heeft onderworpen aan het stelsel van tuchtrecht zoals dat op dat moment voor haar/zijn beroepsuitoefening gold. Het College stelt vast dat BAMw de voortzetting van de registratie van beklaagde als jeugdzorgwerker op 1 oktober 2014 aan de registerstichting, welke zich op dat moment het ook voor beklaagde kenbare doel stelde om tuchtrechtspraak toe te passen op geregistreerden, heeft overgedragen.

Het College stelt concluderend vast dat het College zich ontvankelijk kan achten om het handelen van beklaagde op geleide van de klacht van klaagster te toetsen aan de algemene tuchtnorm.

Het College stelt vast dat de bevoegdheid om als College op te treden berust op art. 13 van de statuten van de registerstichting welke statuten op 8 oktober 2014 zijn gepasseerd. Klaagsters klacht werd ontvangen op 31 december 2014. De leden van het College werden op 1 januari 2015 benoemd conform de in de statuten geldende voorschriften.

Het College acht zich derhalve bevoegd om de klacht van klaagster te behandelen.

Het College stelt vast dat het onderhavige klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Het klachtschrift, voor zover het ziet op handelen van beklaagde dat plaatsvond tijdens de registratieperiode, is derhalve ontvankelijk.
Op grond van het vorenstaande, ook in onderling verband beschouwd, komt het College tot het oordeel dat zij bevoegd is een oordeel te geven over de inhoud van de klacht van klaagster en dat klaagster ontvankelijk is.

Bij een toewijzen van – een onderdeel van – de klacht zal het College echter niet kunnen toekomen aan het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 3 van het Tuchtreglement nu dit reglement op het moment van registratie van beklaagde niet bekend was gemaakt.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

De samenleving van klaagster en haar partner is geëindigd op 6 december 2010. Zij hebben een dochter [dochter], geboren in 2008. Op 27 september 2012 is een ondertoezichtstelling uitgesproken. De ondertoezichtstelling is verlengd en duurt voort tot op heden.

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat het volgende.

De klacht van 30 december 2014

Beklaagde heeft klaagsters privacy onvoldoende dan wel niet gewaarborgd. De brief van [de GI] die deze klacht ondersteunt is bijgevoegd. Beklaagde heeft video-opnames bekeken op 10 juli 2014, zonder toestemming aan klaagster te vragen. Beklaagde heeft niet eerst de protocollen van [de GI] nageslagen voordat hij videobeelden bekeek die door vader gemaakt zijn. Hierdoor is inbreuk gemaakt op de privacy van klaagster. Beklaagde heeft niet zorgvuldig gehandeld omdat het beleid van de GI voorschrijft dat voor het maken van beeldopnames andere wettelijke regels gelden.

De klacht van 31 december 2014

1 Beklaagde en gedragsdeskundige (mevrouw [naam gedragsdeskundige]) handelen onvoldoende in het belang van [dochter]

a) Klaagster heeft diverse keren haar zorgen over minderjarige [dochter] uitgesproken bij beklaagde. Een voorbeeld hiervan is een voet van vader tussen de benen van [dochter]. Klaagster heeft niet ervaren dat de gezinsvoogd actie heeft ondernomen naar aanleiding van de zorgen van klaagster. Beklaagde handelt hierdoor niet in het belang van [dochter]. Klaagster verwijst naar bijlage 34 en 43.

b) Mevrouw [naam gedragsdeskundige] heeft een rapportage opgesteld in de periode van september 2013 tot en met november 2013 (bijlage 13). Klaagster vindt dat er niet in het belang van [dochter] wordt gehandeld nu er later over geschreven wordt. Het gaat bijvoorbeeld om de wenselijkheid van een vertrouwenspersoon van [dochter] (bijlage 19b).

c) Op 27 augustus 2013 stuurt beklaagde een concept veiligheidsplan. Ondanks de zorgen van klaagster is dit plan nooit definitief geworden (bijlage 40).

2 Beklaagde en gedragsdeskundige komen afspraken niet na

a) Van de vier klachtgesprekken met [de GI]  is, tegen de afspraak in, slechts één verslag gemaakt door [de GI] (bijlage 23 a en bijlage 29).

b) Het voormalige Plan van Aanpak bevat veel aannames (bijlage 19).
Tijdens het klachtgesprek van 22 november 2013 is afgesproken dat beklaagde en klaagster een afspraak zouden maken om het Plan van Aanpak aan te passen. Dit is niet gebeurd. Wel is er een nieuw Plan van Aanpak. Dit nieuwe plan van augustus 2014 is net zoals het vorige plan van 3 augustus 2013 niet met klaagster opgemaakt en gecommuniceerd en bevat nog steeds veel aannames (bijlage 19B).

c) Tijdens het klachtgesprek van 14 november 2014 is afgesproken dat er onderwerpen besproken zouden worden (bijlage 24).

d) Tijdens het klachtgesprek van 14 november 2014 is afgesproken dat er één keer in de twee weken gesprekken zouden volgen waarbij de samenwerking tussen klaagster en beklaagde aan de orde zou komen. In de praktijk heeft er echter maar één dergelijk gesprek plaatsgevonden.

e) Klaagster heeft ondanks gemaakte afspraken die gemaakt zijn op 11 oktober 2013 (bijlage 27) geen betrokkenheid ervaren van mevrouw [naam gedragsdeskundige].

f) Beklaagde heeft ondanks verzoeken van klaagster geen contactjournaals opgestuurd van ieder contact tussen klaagster en beklaagde. Dit is tijdens het klachtgesprek van 11 oktober 2013 wel afgesproken (bijlage 23a en bijlage 7).

g) [de GI] heeft er op 10 oktober 2013 voor gekozen om de omgangsregeling tussen [dochter] en vader versneld op te bouwen en dat [dochter] bij vader mocht overnachten. [de GI] gaf hiervoor als reden aan dat gedragsdeskundige mevrouw [naam gedragsdeskundige] geen reactie had ontvangen van de rechter-commissaris op de vraag of [de GI] een versnelde omgangsregeling moest inzetten of dat de beschikking moest worden opgevolgd. Er was volgens klaagster echter afgesproken dat [dochter] pas bij vader zou overnachten als de behandeling bij instelling [instelling] zou zijn opgestart (bijlage 22a en bijlage 27a). Beklaagde is onzorgvuldig geweest met het doorgeven van afspraken. Daarnaast heeft [de GI] zich verscholen achter het uitblijven van een reactie van de rechter-commissaris (bijlage 22B).

h) Op 20 december 2013 heeft vader in een email aangegeven zich terug te trekken als zorg- en omgangsvader (bijlage 11a, pagina 1, mail 1). Beklaagde gaf aan dat hij zich intern moest beraden (bijlage 36, pagina 1, mail 1). Beklaagde heeft op 6 februari 2014 aangegeven dat met klaagster overlegd moest worden voordat de bezoekregeling zou worden hervat (bijlage 38, pagina 3, mail 1). Er is geen overleg met klaagster geweest. Beklaagde mailt op 19 februari 2014 dat de bezoekregeling weer opgepakt dient te worden (bijlage 38, pagina 8, mail 2).

i) Op 21 augustus 2014 ontving klaagster via de email een Plan van Aanpak. Dit Plan van Aanpak is niet met klaagster besproken. De fouten van het Plan van Aanpak 2013 stonden er nog in.

j) Op 27 augustus 2014 ontving klaagster weer een Plan van Aanpak. Ook dit plan is niet met klaagster besproken en er stonden dezelfde fouten in als in het plan van 2013.

k) Klaagster heeft op haar brief nooit een reactie ontvangen van mevrouw [naam gedragsdeskundige].

3 Beklaagde en gedragsdeskundige communiceren onvoldoende zorgvuldig

a) De bevestiging van de vakantieplanning stuurt de gezinsvoogd pas enkele dagen (drie tot vijf dagen) voordat de vakantie begint. Een voorbeeld hiervan is te vinden in bijlage 11D, pagina 16.

b) Tijdens het klachtgesprek van 11 oktober 2013 zijn afspraken gemaakt over douchen en bellen als [dochter] bij vader is. Beklaagde heeft deze afspraken niet opgenomen in het gespreksverslag. Beklaagde geeft geen duidelijkheid en brengt geen structuur aan (bijlage 23B, 25 en 26).

c) Mevrouw [naam teammanager] komt niet inhoudelijk terug op de afhandeling van klachten die klaagster heeft ingediend (bijlage 27b).

d) Beklaagde geeft in een email aan dat hij bij iedere correspondentie van klaagster of vader, de ander in de CC zet (bijlage 26, pagina 3). Klaagster kan zich hier totaal niet in vinden vanwege de wet op de privacy en deze manier van communiceren onrust zaait (bijvoorbeeld de email over de ‘voet tussen het been’ bijlage 26, pagina 2).

e) Op 21 mei 2014 had klaagster via de mail contact met beklaagde over de meivakantie. Op 26 mei 2014 is pas duidelijk geworden dat vader en klaagster overeenstemming hadden over de meivakantie. Op 26 mei 2014 kwam klaagster er achter dat beklaagde op vakantie was. Klaagster vindt het onzorgvuldig dat beklaagde niet had meegedeeld dat hij op vakantie ging en dat dit er toe leidde dat de vervangend gezinsvoogd de afspraken van beklaagde heeft gehandhaafd (bijlage 11d, pagina 22, 23 en 28).

f) Klaagster is in december 2013 voor niets naar een afspraak met beklaagde, mevrouw [naam teammanager]  en mevrouw [naam gedragsdeskundige] gegaan (bijlage 32). Een nieuwe afspraak is niet doorgegaan vanwege een fout van beklaagde (bijlage 38, pagina 10).

g) Beklaagde heeft een oplossing van klaagster over de overdracht naast zich neergelegd en uiteindelijk zelf een beslissing genomen (bijlage 28a).

h) Beklaagde handelt onvoldoende neutraal.

i) Tijdens het klachtgesprek op 11 oktober 2013 is afgesproken dat het ouderschapsplan op 25 oktober 2013 gemaakt zou worden (bijlage 23a). Tijdens dit gesprek is vader weggelopen omdat hij het oneens is met de vakanties. Klaagster wil op voorhand geen toestemming geven voor vakanties. Klaagster geeft tijdens het gesprek aan dat zij wil dat de wet ten aanzien van vakanties in het buitenland wordt nageleefd. Beklaagde heeft in dit gesprek geprobeerd om klaagster onder druk te zetten zodat klaagster wel toestemming gaf. Er is een getuige. Klaagster verwijt beklaagde dat hij vader niet heeft aangesproken op zijn wegloopgedrag terwijl het opstellen van een ouderschapsplan van groot belang is. Er is nog steeds geen ouderschapsplan.

j) Beklaagde en vader hebben door het stopzetten en hervatten van het contact van vader met [dochter], klaagster op kosten gejaagd bij de Buiten Schoolse Opvang.

k) Het nieuwe Plan van Aanpak voor de verlenging van de Onder Toezicht Stelling is niet met klaagster gemaakt terwijl de gedragskundige mevrouw [naam gedragsdeskundige] heeft aangegeven dat dit Plan met beide ouders moet worden opgemaakt (bijlage 19b).

l) Het belang van [dochter] wordt door beklaagde ondergeschikt gemaakt aan de wensen van vader. Klaagster verwijst hierbij naar een mail van beklaagde van 23 juli 2014 waarin hij advies vraagt aan klaagster en vader om de omgang een week eerder in te laten gaan (bijlage 11d, pagina 16, bijlage 11e pagina 3 en 15, bijlage 30, bijlage 39, pagina 1).

m) Klaagster heeft geen toestemming gegeven aan vader om met [dochter] naar het buitenland te gaan. Vader heeft klaagster geen toestemming gevraagd en klaagster heeft geen informatie ontvangen van vader over de verblijfsgegevens en de tijdsduur van de vakantie van vader en [dochter]. Dit is volgens de wet verplicht.
Vader heeft hierover met de gezinsvoogd wel contact gehad. Beklaagde heeft klaagster een mail gestuurd dat vader de ID-kaart heeft ontvangen. De afspraak is dat alle email in cc naar alle betrokkenen moest gaan. Klaagster heeft beklaagde verzocht om contact op te nemen om te vragen naar de verblijfsgegevens van [dochter]. Beklaagde heeft niet gecontroleerd of [dochter] in het buitenland was. Klaagster verwijt beklaagde dat hij de wet niet heeft nageleefd (bijlage 11d, pagina 29, bijlage 11e, pagina 10, bijlage 11, pagina 1 en pagina 10, bijlage 11e pagina 7, mail 1 en 2 en bijlage 11e pagina 14).

n) In de beschikking van de rechtbank staat dat [dochter] de helft van de vakanties en feestdagen bij de ene ouder verblijft en de andere helft bij de andere ouder. Beklaagde heeft geen evenredige verdeling van de vakanties en feestdagen gemaakt. De email van 30 april 2014 laat dit zien. Op 1 mei 2014 zit een ‘foutje’ in de email van 30 april 2014. Klaagster heeft op 19 mei 2014 gemaild met beklaagde en hem gevraagd waarom de voorstellen van klaagster en vader niet zijn meegenomen in het voorstel van beklaagde (bijlage 6, pagina 3, bijlage 11d, pagina 16).

o) Beklaagde geeft in het nieuwe plan van aanpak aan dat de situatie niet verbeterd is. Klaagster verwijst onder andere naar het rapport van instelling [instelling] (bijlage 19b, pagina 2, alinea 2), de brief van [de GI] van 8 mei 2014 (bijlage 44), en daarnaast alle genoemde e-mails in deze klachtenbrief. Klaagster is altijd bereid geweest om mee te denken met de situatie waarin [dochter] verkeert. Vaak krijgt klaagster geen medewerking van beklaagde.

5 Beklaagde maakt gebruik van intimidatie

a) Beklaagde heeft klaagster op een opdringerige manier benaderd om tot een afspraak te komen voor 22 augustus 2014 die gaat over de voortgang en invulling van de bezoek- en omgangsregeling. Beklaagde wist van de vakantie van klaagster tot en met 30 augustus 2014. Dit vindt klaagster intimiderend en is tegen klaagster gebruikt in het nieuwe Plan van Aanpak van augustus 2014 (bijlage 31).

b) Beklaagde heeft klaagster meerdere malen uitgenodigd voor een connectie op LinkedIn. Door het versturen van deze uitnodiging heeft het bij klaagster de indruk gewekt dat het negatieve consequenties zou kunnen hebben als zij de uitnodiging niet zou accepteren. Om dit te voorkomen, heeft klaagster haar account verwijderd (bijlage 38 pagina 1).

c) Klaagster is door beklaagde onder druk gezet om toestemming te geven voor vakantie van [dochter] in het buitenland. Klaagster verwijst naar klacht 2a.
Klaagster heeft twee bandopnames meegestuurd van gesprekken waarin de afspraken zijn gemaakt met beklaagde, gedragsdeskundige en teamleider. Het gaat om opnames van
11 oktober 2013 en 14 november 2013. Hier zijn afspraken gemaakt die nooit worden nagekomen door mevrouw [naam gedragsdeskundige] en beklaagde.

5 Het verweer

Beklaagde voert met betrekking tot de bovenbeschreven klachtonderdelen kort samengevat het volgende aan.

De klacht van 30 december 2014
Klaagster noemt in haar klacht dat beklaagde de privacy van klaagster onvoldoende/niet heeft gewaarborgd. Als deze klacht betrekking heeft op het bekijken van video-opnames die door de vader van beklaagde gemaakt zijn, is de klacht in een eerder gevoerde klachtenprocedure bij [de GI] gehonoreerd.

De klacht van 31 december 2014

1 Onvoldoende handelen in het belang van het kind
Met betrekking tot de klacht voert beklaagde, verkort weergegeven, het volgende aan:

a) De in bijlage 34 genoemde zorg is inderdaad door klaagster onder de aandacht gebracht bij [de GI]. Deze zorgen zijn de basis voor onder toezichtstelling (hierna te noemen: OTS). Klaagster weigert aanvankelijk haar dochter de omgang met haar vader ondanks de bezoekregeling die is vastgesteld en bekrachtigd door de rechtbank bij aanvang van de OTS (bijlage 6). Alle signalen die door ouders en kind worden afgegeven en relevant zijn, worden met de betrokken ouders/verzorgers besproken. Deze situatie is ook besproken in een wekelijks terugkerend intern overleg. Vader is de situatie voorgelegd en er is een gesprek gevoerd met de dochter. Daarnaast is de afspraak met school dat bij opvallende gedragsveranderingen contact opgenomen wordt met [de GI]. Bij bijlage 34 heeft [de GI] geen noodzaak gezien om de contactfrequentie met vader te wijzigen of stop te zetten.

b) Het rapport van instelling [naam instelling] kan pas verwerkt worden in het plan van aanpak op het moment dat het beschikbaar is. Bij een verlenging van de OTS die eenmaal per jaar wordt geschreven, wordt die informatie genoemd die relevant is. Dus ook het rapport van een onderzoek door een psycholoog.

c) Het is gebruikelijk dat er in een dergelijke OTS zaak ‘scheiding en omgang’ een veiligheidsplan wordt gemaakt. Dit is echter de taak van de ouders. De mail van klaagster is een concept dat alleen werkt als beide ouders dit goedkeuren. De insteek van het concept veiligheidsplan is om deze in samenspraak met beide ouders samen te stellen. Op 13 maart 2014 was de eerste gezamenlijke afspraak en werd het veiligheidsplan ouderschapsplan genoemd omdat de vader erg veel moeite heeft met de titel veiligheidsplan. Daarna is op 10 april 2014 een afspraak gemaakt. Beklaagde voegt een kopie-email van 17 augustus 2013 bij.

2 Niet nakomen van afspraken
Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel voert beklaagde het volgende aan.

a) Het gesprek op 11 september 2013 is een klachtgesprek. De gesprekken erna waren evaluerend waarin verschillende onderwerpen aan de orde zijn geweest, onder andere de samenwerking tussen beklaagde en klaagster. Hier zijn geen gespreksverslagen van gemaakt en hierover zijn vooraf geen afspraken gemaakt.

b) Dit is correct. In deze periode is veel gebeurd, hierdoor is het aanpassen van het evaluatieplan noodgedwongen terzijde gelegd. Toen in 2014 een nieuw Plan van Aanpak geschreven moest worden heeft beklaagde meerdere malen tevergeefs geprobeerd om met klaagster een afspraak te maken om gezamenlijk naar de inhoud te kijken.

c) Deze afspraken zijn gemaakt met de leidinggevende van beklaagde, niet met beklaagde zelf.

d) Het initiatief kwam vanuit de leidinggevende van beklaagde. Beklaagde heeft het initiatief aan leidinggevende gelaten. Dit heeft geen betrekking op beklaagde zelf.

e) Deze afspraak is gemaakt met de leidinggevende van beklaagde. Niet met beklaagde zelf.

f) Beklaagde voegt een email in van 22 juli 2014 van beklaagde aan klaagster.

g) Dit heeft geen betrekking op beklaagde. Bij het uitblijven van een reactie van de raadsheercommissaris heeft [de GI] de beschikking van de rechtbank aangehouden.

h) Het was niet mogelijk om met klaagster én vader op korte termijn een afspraak te maken. Daarom is de bezoekregeling gestart zonder het voorgenomen overleg waaraan gerefereerd werd.

i en j) De uitwerking van de Plannen van Aanpak wordt gedaan door het secretariaat onder verantwoordelijkheid van een leidinggevende. Wellicht is er een wisseling in leidinggevende van het secretariaat. Het Plan van Aanpak 2014 is niet met klaagster besproken omdat zij verschillende keren weigerde in gesprek te gaan. Enkele malen waren de agenda’s niet af te stemmen.

k) Klaagster is geadviseerd om eventuele opmerkingen op het Plan van Aanpak zelf aan de rechtbank te sturen omdat overleg niet mogelijk was.

3 Onvoldoende communicatie
Met betrekking tot het derde klachtonderdeel voert beklaagde het volgende aan.

a) Omdat ouders dergelijke vraagstukken met elkaar dienen te bespreken en op te lossen, heeft beklaagde ouders daartoe de gelegenheid gegeven. Als hier niet op gereageerd wordt of geen overeenstemming is, is het de taak van [de GI] om, zoals de beschikking ook aangeeft, een besluit te nemen. In dit geval vindt klaagster dat het te laat is genomen.

b) Deze zaken zijn met vader en klaagster besproken. Beide ouders hebben andere meningen zodat geen besluit is genomen zoals klaagster wenst. Deze gesprekken vallen onder de privacyregeling en de inhoud is alleen kort samengevat met de andere ouder nabesproken.

c) Een schrijven aan de leidinggevende van beklaagde dat geen betrekking heeft op beklaagde.

d) Met ouders is besproken dat zaken die hun dochter aangaan een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Het is belangrijk dat beide ouders op de hoogte zijn van de ontwikkeling, bezigheden, gezondheid, schoolprestaties en omgangsregeling. Daarom worden e-mails met die inhoud doorgestuurd naar beide ouders.

e) Beklaagde werd geconfronteerd met de ziekte van gedragskundige mevrouw [naam gedragswetenschapper]. Mevrouw [naam teammanager] teammanager, was wel aanwezig zodat beklaagde er vanuit ging dat het gesprek zou doorgaan. Mevrouw [naam teammanager] werd echter enkele minuten voor het gesprek weggeroepen wegens acute familieomstandigheden. Beklaagde kon klaagster niet meer afbellen.

f) De voorgestelde oplossing van klaagster was voor vader onbespreekbaar.

4 Het handelen is niet neutraal

a) Beklaagde wil hier graag mondeling op reageren.

b) Deze situatie is bij beklaagde bekend en uitvoerig met beide ouders besproken zonder dat hier een oplossing uit is voortgekomen. [de GI] heeft geen invloed op contracten met de BSO.

c) Beklaagde verwijst naar de antwoorden onder 2 B, I, J en K.

d) Beklaagde kan deze situatie niet volledig terughalen. Beklaagde heeft een besluit genomen omdat ouders er gezamenlijk niet uitkwamen.

e) Beklaagde deelt de zorgen niet die klaagster heeft. Er is regulier contact tussen vader en dochter.

f)Beklaagde verwijst naar het antwoord onder 3a.

g) Het rapport van instelling [naam instelling] bevatte deze opmerking. Na overleg met klaagster, de gedragsdeskundige én de ambulant werker is het plan gewijzigd en heeft beklaagde het niet tijdig kunnen aanpassen. Het rapport wordt voor het schrijven van het Plan van Aanpak opgevraagd om een eventuele beslissing tot verlenging of beëindiging van een Onder Toezicht Stelling zo gefundeerd mogelijk te nemen. Het is ongebruikelijk dat er na het rapport wijzigingen in worden aangebracht. De wijzigingen bereikten beklaagde na het schrijven van het Plan van Aanpak waardoor het niet in het Plan van Aanpak staat opgenomen.

5 Intimidatie

a) Beklaagde heeft klaagster gebeld in haar vakantie. Klaagster heeft niet aangegeven dat zij weg zou gaan. Beklaagde vond het noodzakelijk om het Plan van Aanpak te bespreken. Dat kan verklaren waarom klaagster het telefoontje van beklaagde als opdringerig heeft ervaren.

b) Bij het opladen van de telefoon van beklaagde is een verzoek tot connectie uitgegaan. Beklaagde is onbekend met de werkwijze van LinkedIn en was hiervan niet op de hoogte totdat klaagster beklaagde hierop attendeerde tijdens de klachtenprocedure.

c) Beklaagde is zich er niet van bewust dat hij iemand onder druk heeft gezet over een vakantiebestemming.

Tot slot geeft beklaagde aan dat hij niet op de hoogte was van de gemaakte geluidsopnames die zijn meegestuurd. Nu klaagster bijlagen bij haar klacht heeft gevoegd, neemt beklaagde de vrijheid om hiernaar te verwijzen in zijn verweer voor zover dat mogelijk is.

Ter zitting verklaart beklaagde desgevraagd met betrekking tot de klacht van 30 december 2014 dat hij overvallen werd met de video-opnames. Beklaagde heeft er niets mee gedaan en biedt excuses aan. Ter zitting geeft beklaagde desgevraagd aan met betrekking tot de klacht van 31 december 2014 dat hij geen gezinsvoogd meer is bij deze zaak. Beklaagde geeft aan dat hij van de klacht heeft geleerd dat hij in een vergelijkbare situatie de zaak eerder zou overdragen aan een collega. Beklaagde is onderdeel van de strijd geworden tussen klaagster en vader. Beklaagde ziet ter lering dat hij zich heeft laten meezuigen in de strijd. Beklaagde zou een dergelijke situatie nu eerder met een collega bespreken.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Toetsingskader
Het College wijst er op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of het handelen beter had gekund. Het gaat om het geven van een antwoord op de
vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.
Daarnaast doet het College niet aan waarheidsvinding. Bij bepaalde onderdelen kunnen feiten niet vastgesteld worden zodat het College geen inhoudelijk oordeel kan geven. Het College toetst alleen het beroepsmatig handelen van de professional.

Bij het toetsen aan tuchtrechtelijke normen vindt alleen toetsing plaats van het handelen en nalaten van de beroepsbeoefenaar waartegen de klacht zich richt. Het College kan geen klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling als geheel toetsen.

Beoordeling van de klacht van 30 december 2014

De klacht houdt samengevat in dat beklaagde klaagsters privacy heeft geschonden door video- opnames van klaagster te bekijken zonder dat klaagster hiervoor toestemming heeft gegeven. Het college toetst deze klacht aan art. J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker.

Het College stelt vast dat de klacht is beoordeeld door de Klachtencommissie van [de GI] en gegrond is verklaard. Het College stelt vast dat weliswaar de privacy van klaagster is geschonden maar dat beklaagde aangeeft niets met de beelden te hebben gedaan. Beklaagde heeft ter zitting excuses aangeboden voor het bekijken van de beelden en voor zijn onbekendheid met bestaande privacy protocollen. Het College, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, stelt vast dat klaagster geen belang heeft bij handhaven van de klacht. Het College oordeelt dat de klacht ongegrond is.

Beoordeling van de klacht van 31 december 2014

Klaagster voert aan dat zij bandopnamen heeft gemaakt. Het College besluit van de bandopnamen geen kennis te nemen nu deze opnamen hebben plaatsgevonden voor de registratiedatum van beklaagde.

Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel

De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat beklaagde en gedragsdeskundige mevrouw [naam gedragsdeskundige] onvoldoende handelen in het belang van [dochter].
Het College vat deze klacht op als een klacht dat art. A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode voor jeugdzorgwerkers is geschonden.

Het College beoordeelt dit eerste klachtonderdeel puntsgewijs.

Klaagster stelt in haar klacht dat zij verschillende keren haar zorgen heeft uitgesproken over [dochter] bij beklaagde.
Klaagster noemt als voorbeeld een voet van vader tussen de benen van [dochter].

Het College stelt vast dat bijlage 1, 2, 4, 6, 9b, 12, 34, 10, 16, 5, 22a, 22b, 17a, 34 en 40 betrekking hebben op de periode voordat beklaagde geregistreerd is. Het College kan deze bijlagen dan ook niet tuchtrechtelijk toetsen.
Uit de mondelinge behandeling blijkt dat klaagster zich niet gehoord voelt. Klaagster vindt dat niemand verantwoordelijkheid heeft genomen voor [dochter]. Zij wist niet wat er met haar dochter zou gaan gebeuren. Het College stelt op basis van bijlage 38, 42 en 44 vast dat er onderzoek heeft plaatsgevonden en dat gesprekken hebben plaatsgevonden met deskundigen. Het College vindt het aannemelijk dat beklaagde met klaagster heeft gecommuniceerd. Daarmee is niet voldoende vastgesteld dat beklaagde onvoldoende heeft gehandeld in het belang van [dochter].

Het College is van mening dat het eerste klachtonderdeel ongegrond is.

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel

De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat beklaagde en de gedragskundige afspraken niet nakomen.

Het College vat deze klacht op als een klacht dat art. A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode is geschonden.

Het College stelt vast dat bijlage 19b, 22a, 22B, 23a en 29 betrekking hebben op de periode voordat beklaagde geregistreerd is. Het College kan deze bijlagen niet betrekken bij haar beoordeling van dit klachtonderdeel.
Klaagster geeft onder meer als voorbeeld dat het Plan van Aanpak uit bijlage 19b veel aannames bevat, dat het Plan van Aanpak zou worden aangepast maar dat dit nooit is gebeurd, dat het nieuwe Plan van Aanpak van augustus 2014 niet met klaagster is opgemaakt en gecommuniceerd en nog steeds veel aannames bevat.

Met betrekking tot het Plan van Aanpak van augustus 2014 oordeelt het College als volgt.

Uit bijlage 38, het verweerschrift en de mondelinge behandeling ter zitting blijkt dat beklaagde vele pogingen heeft ondernomen om contact met klaagster te krijgen voor het maken van een afspraak. Naar het oordeel van het College kan niet gesteld kan worden dat beklaagde zijn afspraken niet nakomt.
Het College vindt het aannemelijk dat het voor beklaagde niet mogelijk was om op korte termijn vader en klaagster om de tafel te krijgen. Beklaagde heeft volgens het College voldoende aannemelijk gemaakt dat het opnieuw starten van de bezoekregeling in het belang van [dochter] is.
Naar het oordeel van het College is het tweede klachtonderdeel ongegrond.

Met betrekking tot het derde klachtonderdeel

Dit luidt kort samengevat dat beklaagde en de gedragskundige onvoldoende zorgvuldig communiceren. Het College vat de klacht op als een klacht dat art. A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en art. E (respect) van de Beroepscode zijn geschonden.

Klaagster noemt onder andere in dit klachtonderdeel de vakantieregeling die op korte termijn vastgesteld moest worden. Klaagster verwijst naar bijlage 11b. Het College constateert dat beklaagde in zijn email van 2 april 2014 aan beide ouders aangeeft dat beide ouders niet uit de vakantieregeling komen. Beklaagde schrijft in het verweerschrift dat hij conform de beschikking van de rechtbank een besluit neemt als ouders niet tot overeenstemming komen of niet reageren. Uit onder meer de email van 14 augustus 2014 blijkt naar het oordeel van het College dat de omgangsregeling ingevuld moet worden volgens de beschikking.
Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende gemotiveerd betoogd dat hij in het belang van [dochter] heeft gehandeld. De overige voorbeelden die klaagster noemt hebben betrekking op gebeurtenissen die plaatsvonden voor de registratiedatum van beklaagde. Het College kan deze derhalve niet betrekken bij de beoordeling van dit klachtonderdeel.
Het College is van oordeel dat het derde klachtonderdeel ongegrond is.

Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel

De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat beklaagde onvoldoende neutraal gehandeld heeft.
Het College vat deze klacht op als een klacht dat art. C (bereidheid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode is geschonden.
Klaagster verwijst onder andere naar een email van beklaagde van 23 juli 2014 waarin beklaagde vader om advies vraagt.

Het College vat de email van beklaagde d.d. 23 juli 2014 op als het vragen om advies aan beide ouders. In deze email wordt ook aan beide ouders gevraagd om te reageren. Daarnaast is het College van mening dat beklaagde in zijn emails van onder andere 28 februari 2014, 4 april 2014 en 14 augustus 2014 voldoende heeft aangetoond te handelen volgens de rechterlijke beschikking en te handelen in het belang van [dochter].

Het College is van oordeel dat het vierde klachtonderdeel ongegrond is.

Met betrekking tot het vijfde klachtonderdeel

De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat beklaagde gebruik maakt van intimidatie. Het College vat deze klacht op als een klacht dat art. H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode is geschonden.
Klaagster noemt als voorbeeld een uitnodiging van beklaagde voor een connectie op LinkedIn. Beklaagde heeft in zijn verweerschrift voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitnodigingen per ongeluk werden verstuurd.

Het College is van oordeel dat klaagster in haar voorbeelden onvoldoende heeft onderbouwd dat de benadering van beklaagde opdringerig is. De voorbeelden en emailwisselingen die klaagster aanhaalt, ondersteunen haar stelling niet.

Het College is van oordeel dat het vijfde klachtonderdeel ongegrond is.

Het College stelt vast dat beklaagde ter zitting heeft gereflecteerd op zijn professionele handelen en dat hij, terugkijkend, heeft vastgesteld dat hij onderdeel is geworden van de strijd tussen klaagster en vader. Beklaagde heeft verklaard te hebben geleerd om een vergelijkbare situatie eerder met een collega te zullen bespreken en een vergelijkbare zaak eerder te zullen overdragen aan een collega.

7 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Voor zover de klacht betrekking heeft op handelen van beklaagde in de periode voor de registratiedatum van beklaagde en op andere personen dan beklaagde is de klacht niet ontvankelijk.

Voor het overige verklaart het College de klacht van 30 december 2014 ongegrond en de klacht van 31 december 2014 op alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan de 20e juli 2015 door het College van Toezicht,

Mevrouw mr. E. M. Jacquemijns, voorzitter
Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris