Ruime uitleg van het begrip ‘belanghebbende’: zaak terug verwezen naar het College van Toezicht

Uitspraak van het College van Beroep d.d. 12 januari 2016 (bij vervroeging) inzake het beroep tegen de uitspraak van het College van Toezicht van SKJ, hierna te noemen: CvT, van 20 augustus 2015.

Klager in de behandeling in eerste aanleg is tegen deze uitspraak in beroep gegaan.

Het College van Beroep van SKJ, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;
mr. A.P. van der Linden, lid-jurist;
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot;
W. Scholtus, lid-beroepsgenoot;
W. Veldhuis, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent het door
[klager in eerste aanleg], hierna te noemen: appellant, ingediend beroep tegen:

[aangeklaagde in eerste aanleg], hierna te noemen: verweerster.
Als gemachtigde van verweerster is opgetreden mevrouw mr. E. Lam.

1 Verloop van de procedure tot en met het beroep

Met een klaagschrift, gedateerd 10 maart 2015, met daarbij vier bijlagen, heeft appellant zich tot het CvT gewend met het verzoek om tot een tuchtrechtelijke uitspraak te komen over de in het klaagschrift beschreven situatie. Verweerster heeft op 15 mei 2015 een verweerschrift, met een bijlage, ingestuurd. Op 29 mei 2015 heeft appellant een machtiging van zijn cliënte naar SKJ gestuurd. Op 8 juni 2015 heeft de zitting van het CvT plaatsgevonden, waarna bij beslissing van 20 augustus 2015 appellant door het CvT niet ontvankelijk in zijn verzoek is verklaard.
Bij beroepschrift van 21 september 2015, dat aldus tijdig is ingediend, heeft appellant aan het College verzocht de beslissing van het CvT te vernietigen en hem alsnog in zijn klaagschrift ontvankelijk te verklaren. Verweerster heeft op 16 november 2015 een verweerschrift in beroep ingediend. Partijen hebben vervolgens afgezien van een mondelinge behandeling en het College gevraagd op de stukken te beslissen.

2 Ontvankelijkheid van het klaagschrift

Het CvT heeft op 20 augustus 2015 de klacht van appellant niet ontvankelijk verklaard, met een motivering die -kort samengevat- op het volgende neerkomt:
Het CvT stelt vast dat volgens artikel 10 van het oude Tuchtreglement van SKJ, hierna te noemen: TR (oud), een tuchtklacht kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende.
Onder rechtstreeks belanghebbende dient volgens het CvT te worden verstaan, degene die door een handelen of niet-handelen door een bij SKJ ingeschreven professional rechtstreeks in zijn of haar belang is getroffen en als zodanig het recht heeft daartegen een klacht in te dienen bij het CvT. Appellant is volgens het CvT een gemachtigde vertrouwenspersoon van [cliënte]. In die hoedanigheid heeft appellant de belangen van [cliënte] behartigd. Uit het onderzoek bij gelegenheid van de zitting op 8 juni 2015 is echter gebleken dat het indienen van de klacht uitdrukkelijk niet valt binnen de door [cliënte] gegeven machtiging. Daardoor heeft appellant alleen een zijdelings, namelijk beroepsmatig belang bij het verkrijgen van een tuchtrechtelijke beoordeling. Op die wijze kan appellant volgens het CvT geen aanspraak maken op een tuchtrechtelijke uitspraak. Hij is geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 10 TR (oud).

3 Beoordeling van het beroep

3.1

Appellant heeft met zijn klaagschrift in eerste aanleg gezorgd voor de nodige verwarring. Die verwarring is ontstaan doordat appellant in zijn klaagschrift van 10 maart 2015 zelf vermeldt, dat hij op 15 december 2014 namens cliënte aan verweerster een brief heeft gestuurd. Vervolgens verbaasde appellant zich dat hij alleen en niet zijn cliënte, namens wie hij de brief schreef, antwoord kreeg. Op 27 januari 2015 reageerde hij opnieuw naar verweerster namens cliënte. In de periode van 15 december 2014 tot en met 27 januari 2015 bekleedde hij dus kennelijk de functie van gevolmachtigde. Bovendien heeft appellant desgevraagd bij mailbericht van 29 mei 2015 in de procedure een schriftelijke machtiging overgelegd, door [cliënte] op 27 september 2014 getekend. In die machtiging verklaart [cliënte] appellant volledig bevoegd haar in alle zaken en aangelegenheden van haar en haar dochter […] in relatie tot [de GI] en [de instelling] te vertegenwoordigen alsmede die zaken te behandelen en te behartigen. Hierdoor is bij het CvT begrijpelijkerwijze het idee ontstaan dat ook het klaagschrift was ingediend door appellant als gevolmachtigde. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bleek dit echter niet het geval te zijn. Volgens appellant was de machtiging bedoeld als toestemming voor het gebruiken van privacygevoelige informatie van zijn cliënte, maar deze uitleg valt niet direct te herleiden uit de tekst van de verklaring. Bovendien was de verklaring op het moment van indienen al acht maanden oud en is het achteraf de vraag of deze verklaring door [cliënte] wel voor de onderhavige procedure bedoeld is geweest. Uiteindelijk heeft het CvT conform de visie van appellant geconcludeerd dat hij het klaagschrift zelf en niet als gevolmachtigde heeft ingediend.

3.2

Appellant omschrijft zijn positie als volgt: hij is vrijwilliger bij [de stichting], gevestigd te [plaatsnaam]. Als gedragswetenschapper is hij lid van de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO). Namens cliënte heeft hij als gedragswetenschappelijk (pedagogisch) adviseur verweerster aangesproken, die werkzaam was als (gezins)voogd bij [de GI]. Appellant maakte verweerster het verwijt dat zijn cliënte al enkele jaren genegeerd werd als wettelijk vertegenwoordiger van haar twee zoons en dochter. Toen dit niet leidde tot het door hem en zijn cliënte gewenste resultaat, heeft hij op eigen titel een klacht ingediend bij het CvT.

Voor cliënte was het volgens appellant op dat moment een te zware opgave om zelf een klacht in te dienen, zij had kort tevoren een forse operatie (maagverkleining en operatie aan de galblaas) ondergaan. Daarom heeft appellant die klacht ingediend als (externe) vakgenoot van verweerster, als zodanig heeft hij daarbij een belang als bedoeld in artikel 10 TR (oud), op basis waarvan hij in zijn klacht ontvangen dient te worden.

3.3

In hoger beroep heeft verweerster onder meer aangevoerd dat het in strijd met de bedoeling van het tuchtrecht is, dat aangeklaagde zich jegens een derde zou moeten verantwoorden over het handelen of nalaten jegens een cliënt, terwijl deze cliënt hierover zelf niet een tuchtrechtklacht heeft ingediend of iemand heeft gemachtigd dit namens hem te doen. De vraag rijst dan of die derde de klachten ook op juiste wijze heeft geformuleerd en wat de reactie van de betreffende cliënt is op hetgeen beklaagde als verweer heeft gevoerd.

3.4

Centraal staat in deze kwestie de vraag wat de reikwijdte is van artikel 10 lid 1 TR (oud), dat gold tot 1 december 2015 en wat de reikwijdte is van artikel 6.1. TR (nieuw), dat geldt vanaf 1 december 2015.

Artikel 10 lid 1 TR (oud) luidt:
“Gerechtigd tot het indienen van een klacht zijn: a. Een ieder, die betrokken is bij een handelen of nalaten van een jeugdprofessional en daar een belang bij heeft; b. Inspectie Jeugdzorg, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg.”

Artikel 6.1 TR (nieuw) luidt:
“Een klacht kan worden ingediend door een belanghebbende wegens het vermoeden dat een jeugdprofessional door zijn handelen de professionele standaard heeft geschonden.” In de begripsbepalingen van TR (nieuw) staat belanghebbende omschreven als: “Elke (rechts)persoon die direct of indirect is betrokken bij het beroepsmatig handelen of nalaten van de jeugdprofessional.” In artikel 6.2. TR (nieuw) staat vermeld: “Behalve een belanghebbende is de Inspectie Jeugd gerechtigd tot het indienen van een klacht.”

Anders dan het CvT oordeelt, is in artikel 10 lid 1 TR (oud) niet opgenomen dat het zou gaan om een rechtstreeks belanghebbende. Het is mogelijk dat in andere publicaties dan het brondocument het woord “rechtstreeks” al dan niet tussen haakjes is vermeld. Bepalend is echter wat in het reglement zelf vermeld staat. Volgens de tekst van TR (oud) is het voldoende dat de betrokkene een belang heeft en niet meer dan dat. In de begripsbepalingen van TR (nieuw) is expliciet opgenomen dat de klager ook belanghebbende is, indien hij niet alleen direct maar ook indirect betrokken is bij het beroepsmatig handelen of nalaten van de jeugdprofessional.

3.5

SKJ heeft zowel bij de totstandkoming van het oude als het nieuwe tuchtreglement aansluiting gezocht bij de bestaande tuchtreglementen van het NIP, NVO en BPSW. Uit deze verenigingen zijn immers veel jeugdprofessionals afkomstig. SKJ is een samenbundeling van alle jeugdprofessionals, maar in het bijzonder van de jeugdprofessionals afkomstig van de drie genoemde beroepsverenigingen.

Het NIP bepaalt in artikel 2.1.3 tuchtreglement:
“1. Het College van Toezicht neemt geen klacht in behandeling als de klager daarbij geen belang heeft, tenzij naar het oordeel van het College behandeling van de klacht in het belang is van de psychologie of de psychologiebeoefening. Klager wordt geacht belang te hebben wanneer hij voldoet aan de begripsomschrijving van de betrokkene zoals vastgelegd in de Beroepscode voor psychologen.”

Volgens 1.1.2.2. van de Beroepscode is een betrokkene “elke persoon die direct of indirect is betrokken bij het beroepsmatig handelen van de psycholoog die daardoor in zijn belangen wordt geraakt, zoals de cliënt, de partner en naaste verwanten van de cliënt, de opdrachtgever, collega, student, proefpersoon et cetera.”

De NVO bepaalt in artikel 4.2.1.3. tuchtreglement:
“Het College neemt geen klacht in behandeling als duidelijk is dat de klager daarbij geen belang heeft, tenzij de behandeling van de klacht naar het oordeel van het College in het belang is van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van leden van de vereniging.”

De BPSW bepaalt in artikel 12 lid 1 Reglement voor de Tuchtrechtspraak:
“Een klacht kan worden ingediend door een ieder wegens het vermoeden dat een beroepsbeoefenaar door zijn handelen of nalaten de toepasselijke beroepscode heeft geschonden[…].”

Artikel 15 lid 1 aanhef en onder d. van dat reglement luidt:
“Het klaagschrift bevat […] een omschrijving van de wijze waarop klager betrokken is bij het handelen of nalaten van aangeklaagde en/of van de wijze waarop het belang van klager daardoor wordt geraakt of dreigt te worden geraakt.”

3.6

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het duidelijk in de diverse reglementen bedoeld is, dat de kring van klagers ruimer genomen dient te worden dan alleen diegenen op wie de klacht rechtstreeks van toepassing is. Dit volgt alleen al uit het feit dat de Inspectie Jeugd zelfstandig gerechtigd is tot het indienen van een klacht en dat derden zich om die reden kunnen wenden tot de Inspectie Jeugd.

Indien een vakgenoot zoals appellant aanvankelijk gevolmachtigde is geweest van een cliënt en in die kwaliteit van oordeel is dat een jeugdprofessional in strijd handelt met zijn beroepscode, kan die vakgenoot vervolgens ook zonder volmacht van zijn cliënt een klacht indienen bij het CvT van SKJ. Dat bij de behandeling van de klacht mogelijk bewijsproblemen kunnen optreden, doet aan deze bevoegdheid tot klagen niet af.

Het College merkt nog ten overvloede het volgende op.
Het College acht het zeer zorgwekkend, dat appellant in zijn mail van 29 december 2014 aan verweerster letterlijk schrijft: “Ik hoop dat uw leidinggevende beseft dat dit een grond is voor ontslag op staande voet. Zij zal daarop ook worden aangesproken.”
In het verweerschrift van verweerster in hoger beroep staat in dit verband: “Het is verweerster ter ore gekomen dat klager bij de kennismaking met de nieuwe gezinsvoogd heeft gezegd: “Wij rusten niet voordat [verweerster] ontslagen is.” ”
Het klachtrecht is naar het oordeel van het College niet bedoeld om dergelijke dreigementen te uiten. Uitlatingen, indien gedaan als hier bedoeld, zijn rancuneus en brengen het klachtrecht nodeloos in diskrediet.

4 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Beroep van SKJ tot de volgende uitspraak.

Het College:

  • vernietigt de beslissing van het College van Toezicht van 20 augustus 2015, waarbij appellant in zijn klaagschrift van 10 maart 2015 niet ontvankelijk is verklaard;
  • verklaart klager in hoger beroep alsnog ontvankelijk in voornoemd klaagschrift;
  • verwijst de zaak in de staat waarin deze zich thans bevindt terug naar het College van Toezicht van SKJ, met het verzoek het klaagschrift alsnog verder in eerste aanleg af te handelen.

Uitspraak aldus gedaan (bij vervroeging) op 12 januari 2016 in de genoemde samenstelling.

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen
voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak
secretaris