Moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij de bezoekregeling niet heeft uitgebreid en het concept plan van aanpak niet heeft opgestuurd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter,
mr. M. Stammes, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door
[klaagster], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: beklaagde
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. J. Leemans.

1 Het verloop van de procedure

Op 28 maart 2015 heeft het College het klaagschrift ontvangen. Klaagster heeft haar klacht aangevuld op 20 mei 2015, 24 mei 2015, 25 mei 2015, 17 juni 2015 en 22 juni 2015. Per email d.d. 11 juni 2015 is aan beklaagde verweer gevraagd.
Op 5 augustus 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen. Klaagster ontvangt een afschrift. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2015 in aanwezigheid van beklaagde en zijn gemachtigde. Ondanks deugdelijke oproeping is klaagster niet verschenen. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan beklaagde medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het onderhavige klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster heeft een dochter, [dochter] geboren op [datum] 2012. [dochter] is voor een tweede keer met ingang van 18 december 2014 onder toezicht gesteld en op 20 december 2014 uit huis geplaatst in een pleeggezin. De ondertoezichtstelling (ots) is inmiddels verlengd tot 4 december 2015. Met klaagster is een bezoekregeling vastgesteld. De gezinsvoogdij voor [dochter] wordt namens [gecertificeerde instelling] […] , hierna te noemen: [de GI] sinds 16 december 2014 uitgevoerd door beklaagde.

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

Beklaagde heeft in een evaluatiegesprek te kennen gegeven dat de bezoeken tussen klaagster en [dochter] niet worden uitgebreid. Dit is in strijd met de uitspraak van de rechter. In deze uitspraak staat dat van de GI verwacht wordt dat er de komende periode aandacht is voor een uitbreiding in de contacten tussen klaagster en [dochter]. In de uitspraak staat dat ‘zo snel mogelijk bezien moet worden of klaagster de verantwoordelijkheid voor de zorg en de opvoeding zal kunnen dragen. Beklaagde houdt zich enkel bezig met de definitieve uithuisplaatsing van [dochter] en wil [dochter] onderbrengen in langdurige pleegzorg.

II

Beklaagde maakt misbruik van zijn macht. Bezoeken moeten op een en dezelfde plek bij de pleegzorg plaatsvinden vanwege voorspelbaarheid en veiligheid. Klaagster vindt dat geen natuurlijke situatie voor [dochter] en wil graag leuke uitstapjes maken.

III

Beklaagde heeft een negatief Plan van Aanpak. Beklaagde heeft het Plan van Aanpak niet eerst in concept naar klaagster gestuurd, maar alleen in de definitieve versie aan klaagster gestuurd.
Het Plan van Aanpak staat vol met leugens. Er wordt informatie uit onderzoeken gebruikt die allang niet meer geldig zijn.

IV

Beklaagde maakt misbruik van zijn macht en heeft een valse aangifte terzake van onttrekken aan het gezag bij de politie gedaan.

5 Het verweer

Beklaagde voert met betrekking tot de bovenbeschreven klacht kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

Beklaagde citeert uit het raadsrapport d.d. 12 februari 2015. In dat rapport stelt de RvdK onder meer vast dat de ingezette hulpverlening gelet op de problematiek van klaagster niet beklijft terwijl er noodzaak is voor hulpverlening en de veiligheid van B. moet worden geborgd. Een terugplaatsing van [dochter] bij klaagster lijkt een irreële optie voor het waarborgen van de veiligheid van [dochter], omdat klaagster de opvoedings-en verzorgingstaken niet kan internaliseren.

Klaagster heeft aanvankelijk tot een goede samenwerking met beklaagde kunnen komen. Na beëindiging van de eerste ots hebben zich ontwikkelingen voorgedaan. Voor de RvdK, de rechtbank en de GI is het duidelijk geworden dat klaagster overvraagd is in de zorg voor haar dochter. De rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2015 de ots van [dochter] verlengd en [dochter] voor een periode van 12 maanden uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. De uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2015 is bekrachtigd in een beschikking van het hof d.d. 30 juli 2015.

Klaagster is door beklaagde per brief van 2 april 2015 geïnformeerd over de kernbeslissing van de GI dat zij geen mogelijkheden zien voor klaagster om [dochter] langdurig stabiele veiligheid te kunnen bieden vanwege risico’s op herhaling van patronen.
Vanwege de inmiddels moeizame samenwerking met klaagster heeft beklaagde klaagster gevraagd op welke wijze beklaagde klaagster kon informeren. Klaagster heeft geen reactie gegeven waarop besloten is klaagster per brief te informeren. Klaagster is niet ingegaan op uitnodigingen voor gesprekken.

II

Pleegzorgorganisatie [pleegzorgorganisatie] achtte bezoeken buiten het terrein van [pleegzorgorganisatie] vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s niet langer verantwoord. Pleegzorgorganisatie [pleegzorgorganisatie] heeft beklaagde verzocht om dit als een besluit vanuit de GI aan klaagster voor te leggen. De reden is aan klaagster uitgelegd.

III

Het is correct dat beklaagde geen concept Plan van Aanpak aan klaagster heeft voorgelegd. Beklaagde heeft vergeefs getracht met klaagster tot een Plan van Aanpak te komen in de periode van 24 maart 2015 tot en met 1 mei 2015. Klaagster heeft in het geheel niet gereageerd op diverse mailberichten van beklaagde. Het Plan van Aanpak dateert van 11 mei 2015. Beklaagde vindt achteraf dat het zorgvuldiger geweest was om ondanks het ontbreken van contact het conceptplan aan klaagster op te sturen en haar reactie te vragen. Beklaagde had daarbij dan een uiterste reactiedatum kunnen benoemen. Beklaagde beschouwt dit als een aandachtspunt voor zichzelf.

IV

Klaagster is op 2 december 2014 met [dochter] naar [land] vertrokken. Beklaagde is sinds 16 december 2014 als jeugdzorgwerker voor [dochter] aangesteld. De teammanager en de toenmalige jeugdzorgwerker hebben aangifte bij de politie gedaan voor bedreiging door klaagster, onttrekken aan het gezag en hebben aan de politie het verzoek gedaan tot opsporing, aanhouding en terugbrengen.

V

Meestal verloopt de omgangsregeling goed. Deze omgangsregeling wordt begeleid door de pleegzorgwerker van [pleegzorgorganisatie].
Beklaagde probeert met klaagster en betrokkenen af te stemmen om te komen tot een voldoende gevarieerde omgang. Deze omgang moet voor [dochter] voorspelbaar en veilig zijn.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College wijst er voorts op dat het indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven hetgeen tot gevolg zal hebben dat het klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.

Het College overweegt het volgende en baseert zich op de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting.

I

De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde de huidige bezoekregeling niet uitbreidt. Dit is volgens klaagster in strijd met de beschikking van de rechtbank d.d. 3 maart 2015.
Het College heeft gezien dat in de beschikking van de rechtbank d.d. 3 maart 2015 en de beschikking van het hof d.d. 30 juli 2015 is vermeld dat een ots en uithuisplaatsing voor [dochter] noodzakelijk zijn om haar huidige veilige verblijf te continueren en te waarborgen. Daarnaast staat in de beschikkingen dat het perspectief voor [dochter] binnen een aanvaardbare termijn duidelijk moet worden. Dat wil zeggen of het al dan niet haalbaar is dat klaagster de verantwoordelijkheid voor [dochter] kan gaan dragen.

Beklaagde heeft te kennen gegeven dat de GI binnen een ots moet onderzoeken wat er mogelijk is. Mede op grond van het raadsrapport van 12 februari 2015 waarin staat vermeld dat de individuele hulpverlening voor klaagster niet beklijft vanwege haar persoonlijke problematiek en dat de opvoedingsvaardigheden bij klaagster niet internaliseren noch het borgen van de veiligheid van [dochter], heeft de GI besloten geen mogelijkheden te zien voor klaagster om [dochter] langdurig stabiele veiligheid te kunnen bieden vanwege risico’s op herhaling van patronen. Beklaagde heeft ervoor gekozen om klaagster zo spoedig mogelijk duidelijkheid te geven.

Op grond van het voorgaande kan niet gezegd worden dat beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

II

De klacht in dit onderdeel luidt dat bezoeken aan [dochter] op dezelfde plek moeten plaatsvinden. Klaagster heeft haar klachten niet verder onderbouwd. Beklaagde schrijft in zijn verweerschrift dat hij in afstemming met klaagster zorgdraagt voor variatie in de omgang. Beklaagde ondersteunt dit door een email te overleggen van 21 april 2015. In deze email schrijft beklaagde dat de bezoeken tussen klaagster en [dochter] op verschillende plekken plaatsvinden. Nu klaagster dit klachtonderdeel, ook na het verweer van beklaagde niet verder heeft onderbouwd, kan dit niet gegrond worden verklaard.

III

De klacht in dit onderdeel luidt dat beklaagde het Plan van Aanpak niet in concept naar klaagster heeft toegestuurd. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat hij klaagster vaak gevraagd heeft met hem in overleg te treden teneinde de opzet van het plan te bespreken. Klaagster heeft niet gereageerd. Beklaagde heeft zijn werk af willen maken en heeft toen het Plan van Aanpak opgesteld en in definitieve vorm aan klaagster en zijn leidinggevende gezonden. Beklaagde erkent zowel in zijn verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling dat hij klaagster een termijn had moeten geven waarbinnen zij kon reageren alvorens het plan naar zijn leidinggevende te sturen. Beklaagde ziet dit als aandachtspunt.
Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft gereflecteerd op zijn handelen nu hij erkend heeft dat hij het Plan van Aanpak als concept aan klaagster had moeten sturen. Beklaagde is hiermee binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

IV

De klacht in dit onderdeel luidt dat beklaagde misbruik maakt van zijn macht door aangifte te doen bij de politie.
Het College stelt vast dat de teammanager en de voormalig jeugdzorgwerker de aangifte bij de politie hebben gedaan. Nu dit handelen betrekking heeft op andere personen dan beklaagde en voorts betrekking heeft op een feit dat heeft plaatsgevonden voordat beklaagde gezinsvoogd was, is het klachtonderdeel niet ontvankelijk.

7 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– klachtonderdelen I, II en III zijn ongegrond

– klachtonderdeel IV is niet ontvankelijk

Aldus gedaan op 12 oktober 2015 en op 3 december 2015 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris