De jeugdzorgwerker wordt niet verantwoordelijk gehouden voor een onoverbrugbare verwijdering tussen moeder en dochter.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College of CvB, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;
mevrouw S. Kouwenberg;
mevrouw A. Wilting, leden-beroepsgenoten.
Als secretaris is opgetreden mr. E.C. Abbing.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent het ingediende beroep door:

mevrouw A., werkzaam als schoolmaatschappelijk werkster bij
[de instelling] te […], hierna te noemen: A.,

tegen:

mevrouw B., hierna te noemen: B., of de moeder.

Als gemachtigde van A. is opgetreden mevrouw mr. [gemachtigde].
Als toehoorder van B. is de heer C. aanwezig.

1 Het verloop van de procedure tot aan het beroep

1.1 Bij klaagschrift van 12 juni 2015, door het College van Toezicht SKJ, hierna ook te noemen: het CvT op 12 juli 2015 ontvangen, heeft B. een viertal klachten ingediend over A.

1.2 Op 9 september 2015 is door A. een verweerschrift ingediend.

1.3 Alle stukken zijn besproken op de hoorzitting van het CvT op 15 december 2015 in aanwezigheid van partijen.

1.4 De klachtonderdelen II en IV zijn gegrond verklaard. Het CvT heeft aan A. de maatregel van waarschuwing opgelegd. De beslissing van het CvT is op 9 februari 2016 verzonden.

2 De procedure in beroep

2.1 Bij beroepschrift van 7 april 2016, door het CvB ontvangen op 11 april 2016, heeft A. beroep aangetekend tegen de uitspraak van het CvT van 15 december 2015, onder zaaknummer 15.023T.

2.2 Op 23 mei 2016 heeft het CvB van B. een verweerschrift ontvangen.

2.3 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden ter zitting van het CvB van 30 september 2016.

2.4 Het College heeft bepaald dat op 11 november 2016 schriftelijk zal worden beslist.

2.5 Het College heeft voorts kennis genomen van alle stukken en bijlagen, die door partijen in eerste aanleg als in beroep zijn overgelegd en beschouwt deze als ingelast.

3 De ontvankelijkheid van het beroepschrift en de bevoegdheid van het College

3.1 Het beroepschrift is binnen acht weken ingediend na de dag van verzending van de beslissing van het CvT van 9 februari 2016. Het bevat de noodzakelijke gegevens en de gronden van het beroep. Het beroepschrift is aldus ontvankelijk.

3.2 Het verweerschrift is eveneens tijdig ingediend en bevat de gronden van het verweer.

3.3 Het CvB is door ministeriële erkenning van SKJ per 17 november 2014 bevoegd om klachten in beroep tegen bij SKJ geregistreerde jeugdzorgwerkers te behandelen.

4 De feiten

4.1 Wat betreft het verloop van de gebeurtenissen acht het College de navolgende gang van zaken voldoende aannemelijk. Het College baseert zich daarbij op de inhoud van de stukken van partijen in eerste aanleg en in hoger beroep, op hetgeen het CvT in zijn beslissing heeft vermeld en hetgeen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht, grotendeels naar aanleiding van vragen van het College. Met betrekking tot het verloop van de gebeurtenissen is er overigens nagenoeg overeenstemming tussen hetgeen partijen in eerste aanleg naar voren hebben gebracht en datgene dat in hoger beroep door partijen is verklaard.

4.2 B. heeft een dochter (verder te noemen: D.) B. is gescheiden van de vader van D. en is hertrouwd met C. (verder te noemen: C.). D. woonde tot 27 mei 2014 bij B. en C.
De mentor van D. heeft D., die toen nog 13 jaar was of juist 14 jaar was geworden, op zeker moment bij A. aangemeld om te praten over het pestgedrag van een jongen in D.’s klas. In de periode van 7 januari tot en met 27 mei 2014 hebben vervolgens acht gesprekken bij A. plaats gehad. Drie gesprekken waren in aanwezigheid van een vriendin van D.

4.3 Tijdens de eerste twee gesprekken is onder meer gesproken over de aanleiding van het traject. Volgens A. wilde D. bovendien graag meer over zichzelf vertellen. A. heeft voorgesteld om de moeder van D. bij een gesprek uit te nodigen. D. wilde dat beslist niet. Wel mocht A. D.’s vader, die op de hoogte was van de gesprekken, bellen. Omdat D.’s ouders gescheiden zijn, heeft A. besloten om de vader nog niet te bellen en beslist om toe te werken naar contact met de moeder, die voor D. de verzorgende ouder was.

4.4 Het vierde gesprek is op verzoek van D. gevoerd in aanwezigheid van een vriendin van D. In dit gesprek spraken D. en haar vriendin over het zijn van vampier. A. heeft naar aanleiding van dit gesprek overleg gepleegd met een collega en met een ambulant werker van een ggz-instelling.

4.5 Tijdens het vijfde gesprek vertelde D. dat zij zich in januari van dat jaar een keer opzettelijk in haar arm had gesneden, daarna was dat niet meer voorgekomen. Bij methodisch doorvragen door A. leek bij D. geen sprake te zijn van concrete suïcide-gedachten. A. heeft tijdens dit gesprek aan D. uitgelegd dat een contact met beide ouders noodzakelijk was. D. gaf aan, dat haar vader alles al wist behalve het verhaal van het vampier zijn en het opzettelijk snijden in haar arm. D. vroeg tijd om beide ouders in te lichten. A. heeft vervolgens met D. een afspraak gemaakt voor een gesprek voor de volgende dag.

4.6 A. heeft in haar optiek daarna er bewust voor gekozen om het leefgebied van school veilig te krijgen om vanuit een veilige situatie toe te werken naar het contact met beide ouders. Zij heeft tijdens het traject met D. contact gehad met de teamleider en de mentor; er bleken bij deze personen geen zorgen te zijn over D.

4.7 In het zevende gesprek op 13 mei 2014, vertelde D. dat zij alles met haar vader had besproken. Op 19 en 21 mei 2014 heeft A. telefonisch contact gehad met de vader. Op 27 mei 2014 wilde zij een gesprek plannen met beide ouders voor een week later. Toen D. dit van haar hoorde, raakte zij overstuur en gaf zij aan dit niet te willen omdat zij bang was dat haar moeder haar voortdurend zou bevragen in de wetenschap dat school een gesprek wenselijk vond. A. heeft D. daarop voorgesteld het gesprek nog diezelfde dag te laten plaatsvinden. D’s vader werd uitgenodigd maar kon die dag niet aanwezig zijn. A. heeft besloten om het gesprek met D.’s moeder toch die middag nog te laten plaatsvinden. D. gaf aan dat zij na het gesprek twee nachten bij vader wilde blijven. A. heeft aan D. uitgelegd dat zij dit wel aan haar ouders kon adviseren maar dat de ouders zelf dienden te beslissen.

4.8 De moeder van D. werd dus door A. op 27 mei 2014 plotseling telefonisch naar D.’s school geroepen. Zij verscheen met haar echtgenoot C. Vervolgens heeft D.’s moeder een gesprek gehad met A. en D., buiten tegenwoordigheid van C. Het doel van het gesprek was volgens A. om D. de gelegenheid te bieden haar gevoelens met haar moeder te bespreken. D. was tijdens het gesprek echter geheel overstuur, A. sprak daarom voor D.
A. zei tegen D.’s moeder dat D. haar verteld had, dat zij zich had gesneden en dat zij veel druk ervaarde in de thuissituatie op haar schoolprestaties. Kennelijk is toen ook gesproken over een time out, waarbij D. twee nachten bij haar vader zou blijven.

4.9 De moeder raakte hierop zeer geëmotioneerd, zij wilde naar de auto gaan en zei niet te weten of zij nog terug zou komen. Het gesprek met de moeder is toen daarmee geëindigd.
In de beleving van de moeder heeft zij het onderhoud overigens niet ervaren als een gesprek. Eigenlijk heeft zij alleen maar gehoord, dat haar dochter een zelfmoordpoging had gedaan.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van 30 september 2016 heeft de moeder van D. toegegeven dat zij onheuse woorden heeft gezegd tegen A., waarvan zij achteraf spijt heeft.

4.10 Op initiatief van moeder en stiefvader is nog een gesprek gepland voor de volgende dag met A. Volgens A. heeft zij toen van moeder en stiefvader een stortvloed van verwijten over zich heen gekregen, waardoor een fatsoenlijk gesprek volgens haar niet meer mogelijk was. Volgens moeder en stiefvader kregen zij toen onvoldoende concrete antwoorden op hun vragen, A. wilde wel over een vervolgtraject voor D. spreken; moeder en stiefvader hadden echter vooral vragen over hoe het zover met D. gekomen was zonder dat zij daar enige notie van hadden gehad. A. gaf aan dat zij vragen over het gelopen traject niet kon beantwoorden omdat zij het dossier niet paraat had. Ter zitting gaf A. aan dat ze in afwezigheid van D. niet goed wist wat ze wel en niet kon delen met moeder en stiefvader. Moeder en stiefvader hebben het uitblijven van antwoord op hun vragen over het gelopen traject als zeer onbevredigend ervaren.

4.11 Volgens de moeder is D. vanaf 27 mei 2014 bij vader blijven wonen en is een moeilijk te overbruggen kloof ontstaan tussen moeder en dochter. Ook op het moment van de mondelinge behandeling in hoger beroep verblijft D. bij vader. Volgens moeder is inmiddels de relatie tussen haar en D. weer een beetje verbeterd, maar zal het traject nog langdurig zijn voordat een normale relatie weer bereikt kan worden.

4.12 A. is kort na 28 mei 2014 arbeidsongeschikt geworden. Niet is gebleken van een zorgvuldige overdracht op school naar een andere collega, teneinde nog een vervolgtraject naar ouders of D. af te spreken.

5 De beoordeling van het beroep

5.1 Vanaf [datum] 2013 heeft A. door haar inschrijving in het Beroepsregister voor Agogen en Maatschappelijk werkers, hierna te noemen BAMw, zich onderworpen aan het stelsel van tuchtrecht, zoals dat op dat moment voor haar beroepsuitoefening gold. Nadien is de voortzetting van de registratie overgedragen aan het Kwaliteitsregister Jeugd, welke stichting ook het doel had om tuchtrechtspraak toe te passen op geregistreerden. Dit betekent dat het doen en laten van A. volledig tuchtrechtelijk kan worden getoetst.

5.2 B. heeft in eerste aanleg vier klachten ingediend.
De tweede klacht gaat over het feit dat B. onthutst was dat zij van de inhoud van de gesprekken met D. en A. in het geheel niet op de hoogte was tot 27 mei 2014.
De vierde klacht heeft betrekking op het gegeven, dat zij A. verantwoordelijk houdt voor het feit dat er nu een onoverbrugbare verwijdering is tussen haar en D.

5.3 Deze beide klachten zijn door het CvT gegrond verklaard. Zij vormen ook de inhoud van het ingestelde hoger beroep.
In een samenvatting stelde het CvT vast dat A. onvoldoende oog heeft gehad voor de positie van de moeder in het traject met D. en voor moeders belangen als lid van het cliëntsysteem; dat A. onvoldoende de regie voor het gesprek van 27 mei 2015 (bedoeld wordt: 2014) heeft genomen; dat A. vooraf onvoldoende heeft gereflecteerd wat de aard van de informatie over D. bij haar moeder zou kunnen teweegbrengen en dat zij aldus onvoldoende in staat is gebleken om een brug te slaan tussen de moeder en D.
Het CvT oordeelde dat A. in het traject met D. en in de voorbereiding van het gesprek van 27 mei 2015 (bedoeld wordt: 2014) niet heeft gehandeld zoals het een redelijk zorgvuldig en redelijk bekwaam handelend schoolmaatschappelijk werker betaamt.

5.4 Met betrekking tot de tweede klacht heeft de advocaat van A. naar voren gebracht, dat B. niet de cliënt van A. was, maar D. A. heeft zich aan de beroepscode gehouden door respect te tonen voor haar cliënt, D. Het was de taak en de prioriteit van A. om oog te hebben voor de positie van haar cliënt D. en pas subsidiair voor de ouders van D. D. heeft vanaf haar eerste gesprek aangegeven waarom zij haar moeder niet wilde betrekken in de gesprekken en waarom zij niet wilde dat A. informatie aan haar moeder zou verstrekken. A. heeft niet meegepraat met D. tijdens de gesprekken maar heeft geprobeerd D. tot andere inzichten te brengen en het belang van een goede relatie met haar moeder in te zien en heeft langzaam toe willen werken naar het moment waarop de moeder betrokken zou worden bij de gesprekken. Als A. zich tegen de uitdrukkelijke wens van D. haar moeder zou hebben ingelicht, zou er een ernstige vertrouwensbreuk zijn ontstaan en gelet op de problematiek van D. wilde A. waarborgen dat D. de hulpverlening niet zou afbreken.
A. betwist dat zij onvoldoende de regie had over het gesprek van 27 mei 2014 en dat zij onvoldoende zou hebben gereflecteerd wat de aard van de informatie over D. bij haar moeder zou kunnen teweegbrengen en dat zij onvoldoende in staat is gebleken om een brug te slaan tussen de moeder en D.

5.5 Volgens de advocaat van A. dient in een situatie als de onderhavige naar analogie artikel 7:450 lid 1 en 2 Burgerlijk Wetboek (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) te worden toegepast.
7:450 leden 1 en 2 BW luiden:
“1 Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist.
2 Indien de patiënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. De verrichting kan evenwel zonder de toestemming van de ouders of de voogd worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de patiënt ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen.”
Volgens lid 2 van voormeld artikel geldt, bij minderjarigen tussen 12 en 16 jaar, de eis van “dubbele toestemming” voor de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De toestemming van de ouders is echter niet nodig, indien de verrichting kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige patiënt te voorkomen. In het onderhavige geval is volgens A. hiervan sprake.

5.6 Het College gaat er veronderstellende wijze van uit, dat 7:450 lid 2 BW in deze situatie analoog kan worden toegepast. De vraag is dan of het optreden van A. om eerst na acht gesprekken met D. en na het verstrijken van bijna een half jaar de moeder van D. op de hoogte te stellen van een en ander voldoende gerechtvaardigd was teneinde ernstig nadeel voor D. te voorkomen.

5.7 Het College is van oordeel dat dat niet geval is. Tijdens de eerste vier gesprekken was er naar het oordeel van het College geen enkele reden waarom een schoolmaatschappelijk werker zich niet naar een veertienjarige leerling toe duidelijk zou kunnen positioneren met betrekking tot een door het schoolmaatschappelijk werk gebruikelijk te volgen werkwijze. De schoolmaatschappelijk werker dient immers aan de leerling duidelijk aan te geven binnen welke grenzen zij kan optreden, informatie aan de (met het gezag belaste) ouders is daarbij een noodzakelijke randvoorwaarde. Van een noodsituatie aan de zijde van de leerling, die een andere opstelling van de schoolmaatschappelijk werker zou rechtvaardigen, was naar het oordeel van het College geen sprake in de periode waarin de eerste vier gesprekken vielen. In redelijkheid kan onder die omstandigheden van een schoolmaatschappelijk werker worden gevergd, dat zij de voortgang van de gesprekken afhankelijk zou stellen van de omstandigheid, dat beide (met gezag belaste) ouders op de hoogte zouden worden gesteld van de betrokkenheid van de schoolmaatschappelijk werker, de procedure, de rechten en plichten van kind en ouders, alsmede een inventarisatie van de doelen door de schoolmaatschappelijk werker.
Zelfs bij het vijfde gesprek, waarbij de beweerde zelfmoordpoging ter sprake kwam, merkte A. zelf op, dat bij methodisch doorvragen door haar geen sprake leek te zijn van concrete suïcide-gedachten bij D. Op school bleken er vervolgens ook geen zorgen te zijn over D.
Van een noodsituatie was toen ook niet direct sprake.
Concluderend is het College van oordeel, dat A. volgens de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker onder F tekort geschoten is in het tijdig verschaffen van relevante informatie aan de wettelijk vertegenwoordiger(s) van D.).

5.8 Een kwestie, waarmee door de schoolmaatschappelijk werker ook zorgvuldig diende te worden omgegaan, is de omstandigheid dat de ouders van D. gescheiden waren en dat D. haar hoofdverblijf bij de moeder had. Over de echtscheidingssituatie heeft de moeder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd, dat zij al langer de indruk had, dat de vader aan D. aan het trekken was. In een situatie met gescheiden ouders heeft A. voorafgaand aan het gesprek met de moeder op 27 mei 2014 tot twee keer toe op eigen initiatief contact gelegd met de vader van D.. In een dergelijke situatie is het in de regel aangewezen om het contact met beide ouders gezamenlijk te leggen, teneinde te voorkomen dat ouders de overtuiging krijgen dat de schoolmaatschappelijk werker bevooroordeeld is geraakt en de kant van een van de ouders heeft gekozen. Het College is van oordeel, dat ook deze handelwijze van A. een negatief effect kan hebben gehad op de relatie tussen de ouders enerzijds en D. anderzijds. Daardoor is A. ingevolge de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker onder ‘D’ –in ieder geval enigermate- tekort geschoten in het bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg.

5.9 A. is het ook niet eens met het oordeel, dat het CvT uit de stukken en hetgeen A. ter zitting heeft verklaard niet heeft kunnen opmaken dat A. bij aanvang van het gesprek van 27 mei 2015 (bedoeld is: 2014) een helder doel en bijbehorende werkwijze voor ogen had.
Wat daarvan precies zij, het CvB heeft uit het verloop van de gebeurtenissen en de toelichting, die A. daarop in hoger beroep heeft gegeven, de stellige indruk gekregen dat het gesprek tussen A. en B. op 27 mei 2014 over de ernst van de situatie kwalitatief beter had gekund. De impact, die de feiten (relatie moeder en dochter) op de moeder zouden kunnen hebben, zijn in de ogen van het CvB onderschat (zie ook het gelijkluidende oordeel van de Klachtencommissie [naam] van [datum] 2015). Ook hierdoor is A. tekort geschoten in het bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg, als bedoeld in de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker onder ‘D’.

5.10 Klachtonderdeel IV houdt in dat B. A. verantwoordelijk houdt voor het feit dat er nu een onoverbrugbare verwijdering is tussen D. en haar moeder.
Het College is anders dan A. van oordeel, dat A. in het traject heeft gehandeld dan wel handelingen heeft nagelaten, die mede ten gevolge hebben gehad dat er een (verdere) verwijdering is gekomen tussen moeder en dochter. Het gaat het College echter veel te ver om aan te nemen, dat A. verantwoordelijk kan worden gehouden voor de omstandigheid, dat er een grote verwijdering, laat staan een onoverbrugbare verwijdering is ontstaan tussen moeder en dochter.
Het hoofdverblijf van D. bij de moeder stond in het schoolmaatschappelijk traject niet ter discussie en maakte geen onderdeel uit van de gesprekken tussen A. en D.. D. wilde uiteindelijk graag twee nachten bij haar vader slapen na het gesprek met haar moeder. Een dergelijke time out heeft A. vervolgens aan de moeder geadviseerd, die dat kennelijk heeft opgevat als een beslissing van A. zelf. Van een wijziging in de verblijfplaats van D. was op dat moment echter geen sprake en een dergelijke wijziging viel ook niet zonder meer voor de nabije toekomst te verwachten.

5.11 Het bovenstaande leidt tot de conclusie, dat de grieven tegen het oordeel van het CvT voor zover betrekking hebbende op klachtonderdeel II falen, maar dat de grieven tegen klachtonderdeel IV slagen. Het feit, dat A. met betrekking tot klachtonderdeel II ook met terugwerkende kracht van oordeel is gebleven, dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt, leidt ertoe dat het College de waarschuwing handhaaft.

6 De beslissing

6.1 Vernietigt de beslissing van het CvT van 15 december 2015 , voor zover dit College klachtonderdeel IV gegrond heeft verklaard. Verklaart dit klachtonderdeel alsnog ongegrond.

6.2 Bevestigt voormelde beslissing van het CvT, voor zover dit College klachtonderdeel II gegrond heeft verklaard, met aanvulling en verbetering van gronden.

6.3 Handhaaft de maatregel van waarschuwing, die aan A. is opgelegd.

Aldus gedaan op 11 november 2016 door het CvB.

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
mr. E.C. Abbing, secretaris