Het college volgt het oordeel van het CvT niet in het oordeel dat het enkele feit dat er sprake is van een politieonderzoek de gezinsvoogd niet ontslaat van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de kinderen.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, is samengesteld als volgt:

Dhr. mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;
Mw. Mr. A.M. van Riemsdijk, jurist;
Mw. L. Veenstra, Mw. A. Wilting en Dhr. W.L. Scholtus, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden Mw. Mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist in de zaken van:

Mw. A., appellante en beklaagde in eerste aanleg, gemachtigde dhr. mr. F.M. de Jong,

tegen:

Dhr. B., verweerder in beroep en klager in eerste aanleg.

1 Het verloop van de procedure

Dhr. B. – hierna klager – heeft op 4 mei 2015 bij het College van Toezicht (hierna CvT) tegen Mw. A. – hierna beklaagde – en een drietal andere beklaagden een aantal klachten ingediend. Bij beslissing van 8 februari 2016, verzonden op 4 april 2016, onder nummer 15.036T heeft het CvT een klachtonderdeel c.q. een klacht gegrond verklaard en een waarschuwing opgelegd.
Beklaagde is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Op 14 oktober 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak van beklaagde is door het College gezamenlijk behandeld met de zaken tegen de drie andere beklaagden, aangezien de gegrond verklaarde klachten praktisch identiek zijn bij de vier beklaagden. Beklaagde is verschenen met haar gemachtigde. Klager is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote Mw. C. en dhr. drs. D., gedragswetenschappelijk adviseur.

2 De ontvankelijkheid

2.1

Beklaagde heeft in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd, dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klachten.
Beklaagde heeft bij dit verweer de volgende toelichting gegeven.

2.2

Beklaagde is geregistreerd als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013. Sinds 1 maart 2013 is zij hoofd gedragswetenschappelijke staf van het E. Er is geen werkrelatie met cliënten van het E. zoals dat bij jeugdbeschermers het geval is, waarbij er sprake is van een werkproces met gebruikmaking van methodieken; zij is leidinggevende en in die hoedanigheid geeft zij van tijd tot tijd adviezen. Volgens haar valt zij niet onder het tuchtrecht van het SKJ.

2.3

Het CvT heeft geconstateerd dat beklaagde in de ogen van klager deel uitmaakt van het team dat bestaat uit gezinsvoogd, teamleider, jeugdprofessional van Veilig Thuis en zijzelf. Het CvT overweegt voorts dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat de gezinsvoogd aan haar gevraagd heeft te adviseren en met haar af te stemmen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het CvT in haar rol naar klager toe de verwachting geschapen dat zij aanspreekbaar is op haar handelen als jeugdprofessional. Zo heeft beklaagde in een gesprek met klager en de gezinsvoogd het woord gevoerd en heeft de gezinsvoogd diverse malen in het contact met klager te kennen gegeven dat zij intern moest overleggen met beklaagde.
Naar het oordeel van het CvT heeft beklaagde op zijn minst de schijn opgewekt dat zij als betrokken jeugdzorgwerker richting klager handelde. Gelet op de directe contacten met klager en het feit dat zij zich weloverwogen heeft geregistreerd als jeugdzorgwerker, betekent dit dat haar beroepsmatig handelen in deze kwestie jegens klager ook beoordeeld kan worden.

2.4

In beroep heeft beklaagde nog betoogd, dat de gezinsvoogd in een kennismakingsgesprek nauwkeurig de rolverdeling binnen het team aangeeft en dat zulks nog ondersteund wordt door het foldermateriaal, dat bij die gelegenheid aan cliënten wordt uitgereikt. Verder stelt beklaagde dat zij geen direct contact is aangegaan met de klager en dat als zij dat wel deed –zoals bijvoorbeeld bij het gesprek dat zij bij klager thuis gehad heeft in het kader van bemiddeling na een klacht jegens de toenmalige gezinsvoogd- zij steeds haar positie tegenover klager nauwkeurig heeft uiteengezet.

2.5

Het College beslist ten aanzien van de ontvankelijkheid van beklaagde als volgt:
Het College is van oordeel dat jeugdzorgwerkers in een functie als (hoofd van ) gedragskundige(n) wel degelijk voor hun handelen tuchtrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
De jeugdprofessional is immers volgens het Tuchtreglement SKJ onderworpen aan de algemene tuchtnorm. Deze is in het reglement omschreven als volgt:
a. Enig handelen in strijd met de professionele standaard die in het jeugddomein geldt voor een behoorlijke uitoefening van het beroep waarvoor de jeugdprofessional is geregistreerd, en
b. enig ander dan onder a. bedoeld handelen dat schadelijk is voor de kwaliteit van de jeugdhulpverlening in het jeugddomein in het algemeen of voor het aanzien van het beroep waarvoor de jeugdprofessional is geregistreerd in het bijzonder.

2.6

Onder de algemene tuchtnorm valt dus ook een handelen dat schadelijk is voor de kwaliteit van de jeugdhulpverlening in het jeugddomein in het algemeen. Een voorwaarde daarbij is dat de betreffende beroepsbeoefenaar geregistreerd is in het kwaliteitsregister jeugd.
De tuchtnorm is onder meer uitgewerkt in de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker.

2.7

Ook bij de beroepsnormen in de Beroepscode gaat het niet alleen om een handelen of nalaten van een beroepsbeoefenaar in een directe relatie tot de cliënt. Immers ook dient de jeugdzorgwerker bijvoorbeeld het vertrouwen in de jeugdzorg in het algemeen te bevorderen door het naleven van de Beroepscode (zie Beroepscode onder D) .
Naar het oordeel van het College is het de bedoeling van de opstellers van het Tuchtreglement SKJ en van de Beroepscode geweest, dat ook het handelen door een jeugdzorgwerker in strijd met de Beroepscode, ook al is dat niet in een directe relatie tot een cliënt, tot een tuchtrechtelijke veroordeling kan leiden, mits dat handelen in de voorliggende kwestie voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele cliënt.

2.8

Voor beklaagde geldt dat zij als leidinggevende en in die hoedanigheid van tijd tot tijd adviezen heeft gegeven aan de gedragswetenschapper dan wel aan de gezinsvoogd en ook op mails van klager heeft zij inhoudelijk gereageerd. Beklaagde heeft de gezinsvoogd bij een gesprek met klager ondersteund en heeft ook aan dit gesprek deelgenomen Ook haar handelen heeft aldus wel degelijk weerslag gehad op het belang van klager.
Daarmede is de ontvankelijkheid van de klachten van klager een gegeven.

3 Vaststaande feiten en omstandigheden

Het College maakt hier melding van de navolgende feiten en gebeurtenissen:

3.1

Klager is de vader van drie minderjarige kinderen F., G. en H., respectievelijk geboren op [geboortedatum] 2004 en [geboortedatum] 2009 (H. en G zijn een tweeling). Klager en zijn ex-partner, Mw I., hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag over genoemde kinderen.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de Rechtbank […] van 2 maart 2011 zijn voornoemde drie kinderen onder toezicht gesteld.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank […] van 18 mei 2011 heeft de rechtbank […] bepaald dat genoemde minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Het gerechtshof […] heeft echter bij beschikking van 20 december 2011 deze beslissing vernietigd en bepaald dat genoemde minderjarigen vanaf heden hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben.

3.4

Nadat de ondertoezichtstelling had geduurd van 2 maart 2011 tot 2 september 2013, zijn de kinderen van klager bij beschikking van de kinderechter in de Rechtbank […] van 20 augustus 2014 wederom onder toezicht gesteld.

3.5

De gezinsvoogdij bij deze tweede ondertoezichtstelling is uitgevoerd door het E. Beklaagde is geregistreerd als jeugdzorgwerker en werkzaam als hoofd gedragswetenschappelijke staf bij het E.

3.6

Nadat de ondertoezichtstelling dus opnieuw was uitgesproken, is beklaagde bij het gezin van klager betrokken geweest. Beklaagde heeft als hoofd gedragswetenschappelijke staf contact gehad met klager via e-mail en is om advies gevraagd door de gezinsvoogd over de situatie van klager en zijn gezin.

3.7

Van het verloop van de OTS is een verslag gemaakt gedateerd 5 maart 2015. Op pagina 3 onderaan en pagina 4 is voor zover van belang het navolgende vermeld:
“Op dinsdag 23 december 2014 meldt vader per e-mail aan de Stichting dat hij wederom blauwe plekken heeft aangetroffen op het rechter boven arm van H. H. en G. zijn in het weekend van 19-21 december 2014 bij de moeder geweest.
De vader meldt deze te hebben aangetroffen op de zondagavond en hiervan maandagmorgen 24 december 2014 (kennelijk is bedoeld 22 december 2014) foto’s te hebben gemaakt. De vader duidt de blauwe plekken als “grabbing, veroorzaakt door ontklemming (kennelijk is bedoeld: omklemming), met de volle hand”. In de bijlage die de vader aan zijn e-mail toevoegt zijn foto’s van het letsel. Diezelfde dag, dinsdag 23 december 2014, is H. voor een zogenoemd top-teen-onderzoek gezien in het J. Hierbij was, naast de kinderarts, een forensisch arts aanwezig en zijn foto’s gemaakt. Daarnaast is er door een medewerker van het voormalige Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) een gesprek met H. geweest. H. maakt in dit gesprek een gesloten indruk op de medewerker van het AMK (geeft snel en kort antwoord: “weet ik niet”) en lijkt bedachtzaam, op zijn hoede bij vragen over het ontstaan van de plekjes op zijn arm en niet leuke dingen bij zowel zijn vader als moeder. Uit het gesprek met H. komt geen logische verklaring voor de blauwe plekken op zijn arm; volgens H. zijn die ontstaan door vliegtuigjes die tegen zijn arm zijn gevlogen.
De informatie is verzonden naar het Landelijk Expertise Bureau Bijzondere Zaken. De Stichting heeft geen kennis van de bevindingen van de forensische arts, daar de politie deze wil meenemen in haar onderzoek.
Op zondag 4 januari 2015 meldt de vader per e-mail aan de Stichting dat hij wederom blauwe plekken heeft geconstateerd bij zowel H. als G. , nadat zij het weekend bij de moeder hebben verbleven. De vader omschrijft dit als “4 op een rij” en doelt daarbij op “grabbing, veroorzaakt door ontklemming (kennelijk is bedoeld: omklemming) met de volle hand”. In de bijlage die de vader toevoegt zijn foto’s van het letsel. In overleg met de forensisch arts wordt besloten om geen top-teen-onderzoek te verrichten. Dit is te belastend voor de kinderen. Wel hebben gezinsvoogd en medewerker van Veilig Thuis (voorheen AMK) op maandag 5 januari 2015 een gesprek gehad met zowel G. als H. op school. Beide kinderen hebben geen duidelijke verklaring over het ontstane letsel. Beide kinderen lijken op hun hoede bij vragen over de moeder, de vader en diens partner. Beide kinderen geven kort en snel antwoord: ”weet ik niet”. H. lijkt vragen te ontwijken door uitgebreid over computerspelen te vertellen en geeft daarbij een enkele keer geen adequaat antwoord op een vraag, maar vanuit zijn “computerwereld”. De informatie is verzonden naar het Landelijk Expertise Bureau Bijzondere Zaken.
Op maandag 19 januari 2015 meldt de vader per e-mail aan de Stichting dat hij divers letsel heeft geconstateerd bij zowel H. als G., nadat zij het weekend bij de moeder hebben verbleven. In de bijlage die de vader aan zijn e-mail toevoegt foto’s van het letsel. De moeder meldt op maandag 19 januari 2015 per e-mail aan de Stichting dat “H. in het weekend zijn knie gestoten had, een plekje onder zijn kin bij zijn keel had en onderaan zijn rug een plekje had”. De informatie is gezonden naar het Landelijk Expertise Bureau Bijzondere Zaken. Overigens zijn de gezinsvoogd en de medewerker Veilig Thuis, op zaterdag 17 januari 2015 omstreeks 17.00 uur in het gezin van de moeder op huisbezoek geweest. De moeder was op de hoogte van een huisbezoek in het omgangsweekend, maar niet van het tijdstip. De kinderen maken tijdens het huisbezoek een ontspannen indruk. Opvallend is echter wel dat beide kinderen op het moment dat gezinsvoogd en collega binnen komen, zitten te gamen. Het betreft games waarop een leeftijdsindicatie staat voor 12+. Hoewel op donderdag 15 januari 2015 uitgebreid met moeder besproken, lijkt moeder zich onvoldoende bewust van de invloed van niet leeftijdsadequate games op de ontwikkeling van jonge kinderen.
De Stichting heeft van de vermeende incidenten van het weekend van 2-4 januari 2015 en 16-18 januari 2015 aangifte gedaan.”

3.8

In het verslag van de kinderarts d.d. 24 december 2014 is over het bezoek van 23 december 2014 voor zover van belang vermeld “(..) Bespreking:
“Zoals eerder afgesproken is onderzoek verricht in aanwezigheid van forensisch arts. Foto’s zijn in aanwezigheid van alle betrokkenen op aanwijzing van forensisch arts door medisch fotograaf gemaakt. Forensisch deskundige heeft met forensisch arts de huid nog nader bekeken met forensische lichtbron, waarbij behoudens het littekentje naast de linker tepel geen nieuwe bevindingen werden opgemerkt. In overleg en met toestemming van vader is afgesproken berichtgeving te doen toekomen aan de huisarts, forensisch arts (..) en vertrouwensarts AMK (..).
(..) Beleid: wordt afgestemd via AMK.”

3.9

De forensisch arts van de GGD heeft naar aanleiding van het lichamelijk onderzoek van 23 december 2014 een geneeskundige verklaring opgesteld, gedateerd 7 januari 2015. Onder kopje samenvatting en conclusie is het volgende vermeld:
”Een vijfjarige jongen waar diverse huidletsels bij werden vastgesteld. Rond het linker oor rode plekjes passend bij huidirritatie en krabletsel. Op de kin huidletsel passend bij een schaafwondje. Op armen, rug en benen verkleuringen passend bij onderhuidse bloeduitstortingen als gevolg van uitwendig stomp geweld. De bloeduitstortingen op beide scheenbenen zouden kunnen passen bij letsel als gevolg van stoeien zoals door het jongetje werd verklaard evenals mogelijkerwijs het letsel van de rechter heup. Dat zou dan bijvoorbeeld door stoten of vallen kunnen zijn gekomen. Hij heeft hierover echter niets verklaard. Op beide armen zijn meerdere ronde blauwe plekken aanwezig. Het beeld/ patroon van deze letsel kan passen bij vingerafdrukken (finger printing). Deze letsels passen met grote waarschijnlijkheid beter bij een scenario van stevig vastgepakt zijn dan bij de verklaring van H dat een vliegtuigje de oorzaak is. De blauwe plekken op de rug kunnen zijn veroorzaakt door stomp, botsend, uitwendig geweld. Mogelijk door vallen of botsen tegen uitstekende stompe ronde objecten.”

3.10

Vast staat, dat bedoelde verklaring van de forensische arts niet met de overige stukken naar de rechtbank […] is gestuurd in verband met de pro forma zitting van 18 mei 2015. Deze pro forma zitting was gelast in de tussenbeschikking van genoemde rechtbank van 26 november 2014, waarin een voorlopige omgangsregeling was bepaald tussen de ex partner van klager en de drie kinderen op straffe van een dwangsom van € 500,- indien klager niet zou voldoen aan deze voorlopige omgangsregeling.

3.11

Overigens had klager beroep ingesteld tegen deze beslissing. Het gerechtshof […] heeft bij beschikking van 23 juni 2015 overwogen en beslist geen aanleiding te zien af te wijken van de onderhavige voorlopige omgangsregeling en ook niet van de opgelegde dwangsom. Ter zitting van het hof was echter gebleken dat partijen het erover eens waren dat de voorlopige omgangsregeling niet voor F. diende te gelden omdat hij recent had aangegeven niet meer naar de moeder te willen. Als gevolg hiervan bleef de voorlopige omgangsregeling alleen gelden voor G. en H.

3.12

Per mail van 25 juni 2015 heeft de klager de verklaring van de forensische arts van 7 januari 2015 alsnog opgevraagd en deze per brief op 26 juni 2015 ook verkregen. Deze verklaring heeft de klager op 22 juli 2015 overgelegd in een civiele procedure wegens onrechtmatige daad, die hij had aangespannen tegen het E. De eis van klager in deze civiele procedure is door de rechter overigens geheel afgewezen.

3.13

Bij beschikking van 12 augustus 2015 is door de Rechtbank […] is de ondertoezichtstelling van de drie kinderen G.,H., en F. tot 20 augustus 2016 verlengd.

3.14

In het kader van een gerechtelijk vooronderzoek door de rechter commissaris in strafzaken is op 19 november 2015 gerapporteerd door het Nederlands Forensisch Instituut. Het ging daarbij om het beoordelen van foto’s, die van F.,G en H. zijn gemaakt na de vermeende mishandelingen .

3.15

Op 3 december 2015 heeft de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken rapport uitgebracht in de zaak van F., G. en H. In de conclusie en advies wordt onder meer het volgende vermeld:
“De kinderen […] leven sinds hun ouders uit elkaar gegaan zijn in een voor hen erg stressvolle en schadelijke situatie. Ondanks dat een groot aantal instanties bij deze casus betrokken is, is het tot op heden niet gelukt een veilige omgeving voor de kinderen te creëren en een einde te maken aan de strijd van vader. Hoewel er op het opsporingsonderzoek het een en ander aan te merken viel, is noch uit het opsporingsonderzoek , noch uit onderzoeken van andere instanties, gebleken dat moeder de kinderen fysiek mishandeld zou hebben. Het beeld dat vader schetst van gruwelijke stelselmatige mishandelingen door moeder wordt niet bevestigd. Vader lijkt echter wel degelijk overtuigd dat zijn ex-vrouw voor altijd uit het leven van de kinderen geweerd moet worden”.

3.16

Bij beschikking van 30 maart 2016 van de kinderrechter in de rechtbank […] zijn de drie voornoemde kinderen met een spoedmachtiging bij de vader uithuisgeplaatst.
Bij beschikking van 20 april 2016 heeft voormelde rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de drie kinderen in een voorziening van pleegzorg verlengd tot uiterlijk 1 juli 2016 en heeft de rechtbank een deskundigenbericht gevraagd waarbij een elftal vragen beantwoord dienen te worden onder meer met betrekking tot de toekomst van deze minderjarigen.

3.17

Volgens informatie van alle partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 14 oktober 2016 is nog steeds sprake van een ondertoezichtstelling van genoemde kinderen en zijn de kinderen nog immer uithuisgeplaatst in een voorziening voor pleegzorg.

4 Het oordeel van het College van Toezicht

Ten aanzien van klachtonderdeel I stelt het CvT vast dat op 24 december 2014 forensische foto’s zijn gemaakt door de forensisch fotograaf in het bijzijn van de forensisch arts. De forensisch arts heeft een brief met bevindingen d.d. 7 januari 2015 opgesteld.
Het CvT stelt ook vast dat beklaagde verantwoordelijk is voor de contacten met het OM en dat zij evenals de andere drie beklaagden de bevindingen van de forensisch arts niet heeft opgevraagd bij de GGD en het OM.
Het CvT heeft geconstateerd dat beklaagde, (kennelijk wordt hier de medewerker van het AMK, een van de andere beklaagden bedoeld) op 31 december 2014 een melding heeft gedaan bij de politie over vermoeden van kindermishandeling. Het CvT stelt vast dat het OM naar aanleiding hiervan heeft besloten dat het Landelijk Expertise Bureau Bijzondere Zaken (LEBZ) onderzoek zal doen. Dit onderzoek loopt sinds juli 2014. De uitkomsten van het onderzoek zijn tot op heden onbekend.
Het CvT overweegt dat wanneer beklaagde de stukken bij het OM respectievelijk de GGD hadden opgevraagd, het aan het OM en de GGD is om te bepalen of beklaagden de stukken mochten hebben.
Het CvT overweegt voorts dat bij de GGD stukken opgevraagd kunnen worden met toestemming van beide ouders. Het CvT realiseert zich dat het de vraag is of beklaagde de stukken ook daadwerkelijk hadden gekregen.
Het CvT is van oordeel dat beklaagde in ieder geval in het belang van H. en G. de stukken hadden moeten opvragen zodat deze in het verslag verloop OTS d.d. 5 maart 2015 hadden kunnen worden opgenomen als ze van het OM en de GGD waren verkregen.
Het CvT kan de redenatie van beklaagde dat zij in afwachting was van het politieonderzoek en dat in het kader van dat onderzoek geen rapporten kunnen worden opgevraagd, niet volgen. Het kan immers niet zo zijn dat beklaagde wacht op de uitkomsten van een LEBZ onderzoek, dat inmiddels bijna twee jaar duurt.
Het enkele feit dat er sprake is van een politieonderzoek ontslaat beklaagde volgens het CvT niet van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van G en H. Het CvT is van oordeel dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker: de jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt.

De klacht van klager heeft ook betrekking op het feit dat beklaagde onvolledige informatie naar het OM zou hebben gestuurd. Het CvT is van oordeel dat op het moment dat het onderzoek van het LEBZ werd ingesteld, beklaagde klager had moeten informeren welke stukken in het kader van welke procedure zijn verstuurd naar de politie en het OM. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling (in eerste aanleg) toegelicht dat de stukken die zij heeft opgestuurd betrekking hadden op de periode van de tweede OTS en dat zij dit afgestemd heeft met politie en het OM. Op verzoek van klager heeft beklaagde later ook de stukken van 2010 en 2011 opgestuurd.
Het CvT is van oordeel dat beklaagde in strijd gehandeld heeft met artikel F van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. In dit artikel staat vermeld dat de jeugdzorgwerker de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie zoveel mogelijk verschaft in een voor cliënt begrijpelijke taal.
Het verschaffen van informatie vindt plaats op basis van wetgeving, kwaliteitskader, instellingsbepalingen en beroepswaarden. Met informatie op basis van beroepswaarden wordt onder andere bedoeld de informatieverstrekking over interne ketensamenwerkingsverbanden met als consequentie dat mogelijk meerdere professionals een relatie kunnen aangaan met de cliënt en informatie over wie waarvoor verantwoordelijk is.
Het CvT oordeelt dat onder deze gegeven omstandigheden beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5 Beoordeling van het inhoudelijk beroep van beklaagde

5.1

Het beroepschrift richt zich in de eerste plaats tegen de overwegingen van het CvT met betrekking tot de vraag of beklaagde verwijtbaar heeft gehandeld door het verslag van de forensisch geneeskundige niet op te vragen bij de GGD en het OM, zulks ten behoeve van de verslaglegging over de voortgang van de ondertoezichtstelling van 5 maart 2015. Daarmede zou beklaagde in strijd hebben gehandeld met artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.
De klacht van klager heeft voorts betrekking op het feit dat beklaagde onvolledige informatie naar het OM zou hebben gestuurd. Volgens het CvT zou beklaagde in strijd gehandeld hebben met artikel F van de Beroepscode.

5.2

Het College stelt voorop, dat onbetwist is, dat het “Verslag verloop OTS overige gebeurtenissen” van 5 maart 2015 naar de rechterlijke autoriteiten is gestuurd, voor wie het bedoeld was. Het gaat om een verslag, waarin onder meer de gebeurtenissen vanaf dinsdag 23 december 2014 tot en met maandag 19 januari 2015 zeer gedetailleerd staan vermeld. Voor het goed begrip heeft het College dit onderdeel van het verslag in extenso opgenomen onder de vaststaande feiten en omstandigheden in 3.7. Op basis van de e-mail van klager, de bevindingen van het top-teen onderzoek , het verhaal van H. bij de medewerker van het voormalige AMK, heeft deze laatste namens het E., op 31 december 2014 bij de politie aangifte gedaan van mogelijke kindermishandeling. De inhoud van het top-teen onderzoek van het J. en de GGD van 23 december 2014 was bij betrokkenen bekend, ook bij klager.

5.3

Het is het College in dit verband niet duidelijk geworden, waarom het verslag van de forensische geneeskundige op zich genomen van een zo groot belang was, dat dit volgens het CvT door beklaagde persé moest worden opgevraagd en meegezonden met het OTS verslag. Onder kopje samenvatting en conclusie van de forensisch geneeskundige van 5 januari 2015 stond uiteindelijk niet meer dan:
”Een vijfjarige jongen waar diverse huidletsels bij werden vastgesteld. Rond het linker oor rode plekjes passend bij huidirritatie en krabletsel. Op de kin huidletsel passend bij een schaafwondje. Op armen, rug en benen verkleuringen passend bij onderhuidse bloeduitstortingen als gevolg van uitwendig stomp geweld. De bloeduitstortingen op beide scheenbenen zouden kunnen passen bij letsel als gevolg van stoeien zoals door het jongetje werd verklaard evenals mogelijkerwijs het letsel van de rechter heup. Dat zou dan bijvoorbeeld door stoten of vallen kunnen zijn gekomen. Hij heeft hierover echter niets verklaard. Op beide armen zijn meerdere ronde blauwe plekken aanwezig. Het beeld/ patroon van deze letsel kan passen bij vingerafdrukken (finger printing). Deze letsels passen met grote waarschijnlijkheid beter bij een scenario van stevig vastgepakt zijn dan bij de verklaring van H dat een vliegtuigje de oorzaak is. De blauwe plekken op de rug kunnen zijn veroorzaakt door stomp, botsend, uitwendig geweld. Mogelijk door vallen of botsen tegen uitstekende stompe ronde objecten.”

5.4

Het feit, dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling, is door beklaagde overigens wel degelijk zeer serieus genomen. Het E. heeft immers zelf in de persoon van de medewerker Veilig Thuis (het voormalige AMK) aangifte gedaan van vermoedens van kindermishandeling vanwege de incidenten in het weekend van 2-4 januari 2015 en 16-18 januari 2015. Verder hebben gezinsvoogd en medewerker van Veilig Thuis direct op maandag 5 januari 2015 een gesprek gehad op school met G. en H. over de vermeende incidenten in het voorafgaande weekend. In het daarop volgende bezoekweekend bij de moeder hebben de gezinsvoogd en de medewerker van Veilig Thuis op zaterdag een huisbezoek afgelegd teneinde de situatie bij de moeder te controleren. De gezinsvoogd was geregeld op zondagmiddag, wanneer de kinderen terugkwamen van de ex-partner van klager bij het gezin aanwezig.

5.5

Het CvT verwijt beklaagde voorts, dat zij het OM onvolledig zou hebben geïnformeerd. Naar het oordeel van het College is voldoende komen vast te staan, dat beklaagde veelvuldig heeft afgestemd met de politie en het OM over de stukken, die nodig waren voor het LEBZ onderzoek. Het College acht het verder aannemelijk, dat klager hiervan door beklaagde op de hoogte is gesteld, omdat het E. op verzoek van klager relatief oude contactjournaals uit 2010 en 2011 nog heeft nagezonden. Het ontbreken van een productielijst acht het College niet dermate essentieel dat op die grond sprake is van overtreding van enige regel van de Beroepscode.

5.6

Het College volgt ook het CvT niet in het oordeel dat het enkele feit dat er sprake is van een politieonderzoek beklaagde niet ontslaat van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van H. en G.. Integendeel, gelet op het feit, dat kindermishandeling niet vaststond, heeft beklaagde snel en adequaat gereageerd doordat terstond na het weekend van 2-4 januari 2015 de gezinsvoogd en medewerker van Veilig Thuis zich op de hoogte stelden van de toestand van de kinderen. Voorts is door de gezinsvoogd en medewerker van Veilig Thuis in het kader van de veiligheid van de kinderen in het volgende omgangweekend een controlebezoek bij de moeder thuis afgelegd. Zoals hiervoor vermeld was ook de gezinsvoogd geregeld bij het gezin aanwezig op zondagmiddag, wanneer de kinderen terugkwamen van de ex-partner van klager.

5.7

De beklaagde heeft nog betwist, dat zij het verslag van de forensisch geneeskundige kon opvragen, omdat het gaat om informatie die valt onder de regels van de Wet Geneeskundige Behandel Overeenkomst. Dergelijke informatie wordt vaak alleen aan cliënten verstrekt.
Zoals uit het appelschrift blijkt, is het verslag van de GGD van het top-teen onderzoek van 23 december 2014 overigens destijds wel ontvangen door het E., het is zelfstandig, zonder verzoek van het E., door de GGD aan het E. gestuurd , waarbij het abusievelijk niet bij de juiste persoon is terechtgekomen.

5.8

Wat daarvan zij, naar het oordeel van het College stond het klager geheel vrij om indien hij zelf van mening was, dat voormeld stuk van de forensische geneeskundige voor het verslag van de OTS een belangrijke toevoeging zou betekenen, dit zelf bij de GGD op te vragen en dit al dan niet tezamen met het “Verslag verloop OTS overige gebeurtenissen” van 5 maart 2015 te sturen naar de rechterlijke autoriteiten. Klager volgde de loop der gebeurtenissen immers heel actief en bleek ook steeds in staat zich te richten tot allerlei instanties en autoriteiten.
Opmerkelijk genoeg heeft klager per mail van 25 juni 2015 de verklaring van de forensische arts van 7 januari 2015 alsnog opgevraagd en die bij brief van 26 juni 2015 ook verkregen. Deze verklaring heeft klager vervolgens overgelegd in een civiele procedure wegens onrechtmatige daad, die hij had aangespannen tegen het E (zie hiervoor onder 3.12).

5.9

Al het bovenstaande leidt tot de conclusie, dat het beroep van beklaagde gegrond moet worden verklaard. De beslissing van het CvT dient te worden vernietigd, voorzover klachtonderdeel I van klager c.q. de klacht van klager is gegrond verklaard. De aan beklaagde opgelegde maatregel van waarschuwing wordt door het College weer ingetrokken.

6 De uitspraak

Vernietigt de beslissing van het College van Toezicht van de SKJ, van 8 februari 2016 met nummer 15.036T met dien verstande dat klachtonderdeel I c.q. de klacht van klager alsnog ongegrond wordt verklaard en de aan beklaagde opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Handhaaft de beslissing voor het overige.

Aldus gegeven op 25 november 2016 in de genoemde samenstelling.

Mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
Mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris