De jeugdzorgwerker is ten onrechte gekomen tot een uitbreiding van de omgangsregeling. Tevens heeft beklaagde onvoldoende moeite gedaan om de zienswijze van klaagster bij het besluit te betrekken.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter;
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot;
mevrouw S.J. Ephraïm, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. S. Dik.

1 Het verloop van de procedure

Op 21 juli 2015 heeft het College het klaagschrift ontvangen. Op 29 juli 2015 heeft het College een aanvulling d.d. 26 juli 2015 ontvangen. Daarbij heeft klaagster meegedeeld dat zij de klacht wil voorleggen aan het College omdat een eerdere poging tot bemiddeling niet is geslaagd. Op 19 augustus 2015 is klaagster verzocht om de klacht aan te vullen met een ontbrekende bijlage en nader te onderbouwen met stukken. Ondanks meerdere appellen heeft klaagster daarop niet gereageerd.

Bij brief van 23 oktober 2015 is aan beklaagde verweer gevraagd. Op 13 december 2015 heeft beklaagde gemotiveerd verzocht om verlenging van de verweertermijn. Daarop heeft het College de verweertermijn met drie weken verlengd, te weten tot en met 11 december 2015. Op 11 december 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen. Klaagster heeft een afschrift ontvangen.

De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en haar gemachtigde. Als toehoorders waren aanwezig de moeder van klaagster en de teamleider van beklaagde. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

Op 26 januari 2016 heeft beklaagde op verzoek van het College de ontbrekende pagina van productie 5 opgestuurd, welke is doorgestuurd aan klaagster.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het klaagschrift voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 10 lid 1 sub a en lid 4, artikel 11 en artikel 12 van het Tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster heeft een zoon, geboren in juli 2012. Klaagster en de vader van de zoon hebben kort samengewoond en waren al uit elkaar ten tijde van de geboorte van hun zoon. Klaagster heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag. De vader heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om mede belast te worden met het ouderlijk gezag. Hierover is nog geen beslissing genomen in afwachting van het door de rechtbank gevraagde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad. Klaagster heeft ook een dochter, geboren in januari 2014, over wie zij het eenhoofdig ouderlijk gezag heeft.

Op 15 januari 2014 is bij Jeugdbescherming regio […], hierna te noemen: JB[…], een melding binnengekomen bij het crisisteam. Op 25 februari 2014 is beklaagde benoemd tot [jeugdbeschermer]. Op 21 mei 2014 is na voorafgaand groot overleg tussen hulpverleners van diverse beroepsgroepen door JB[…] besloten om een veiligheidscheck te laten verrichten, mede bedoeld om de psychische gesteldheid van klaagster te onderzoeken. Op 7 juni 2014 heeft beklaagde namens JB[…] melding gedaan bij de Raad, vanwege zorgen over de kinderen van klaagster. De Raad heeft daarop de rechter op 29 augustus 2014 verzocht om een ondertoezichtstelling, hierna te noemen: OTS, van de zoon van klaagster uit te spreken. De rechter heeft de behandeling enige tijd aangehouden om ouders in de gelegenheid te stellen om een mediationtraject op te starten. De rechter heeft uiteindelijk de OTS op 20 november 2014 uitgesproken en beklaagde als gezinsvoogd aangesteld.

Bij beschikking van 3 december 2014 is een tijdelijke omgangsregeling tussen de zoon en de vader vastgesteld met als basis omgang op iedere zondag tussen 10.00 uur en 16.30 uur, zulks op aan wijzing van JB[…]. Op 29 januari 2015 is namens JB[…] bij de rechtbank een verzoek ingediend tot het vaststellen/wijzigen van de omgangsregeling. Dit verzoek is bij beschikking van 24 juni 2015 afgewezen.

Op 17 juli 2015 heeft beklaagde twee schriftelijke aanwijzingen gegeven aan klaagster, welke bij brief van 3 juli 2015 waren aangekondigd. In de schriftelijke aanwijzingen is klaagster gelast om mee te werken aan uitbreiding van de omgangsregeling in die zin dat de zoon vanaf eind juli 2015 eenmaal per veertien dagen een nacht bij de vader gaat slapen en vanaf eind augustus 2015 twee nachten. Tevens is klaagster opgedragen met JB[…] en de hulpverlening mee te werken. Het voorgaande is verder uitgewerkt in voormelde aanwijzingen. Naar aanleiding van de aanwijzingen heeft klaagster per brief van 17 en 22 juli 2015 een klacht ingediend bij JB[…].

Op 1 september 2015 zijn de aanwijzingen op verzoek van JB[…] door de rechtbank bekrachtigd. In de tussenliggende periode is de gezinsvoogdij overgedragen aan twee collega’s van beklaagde. Klaagster is daarover per e-mail van 20 augustus 2015 op de hoogte gesteld.

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde in het klaagschrift van 21 juli 2015, samengevat, het volgende.

4.1

Partijdigheid
Beklaagde heeft meer in het belang van vader gehandeld dan in het belang van klaagster of de zoon. Termijnen, data en tijden zijn alleen in overeenstemming met vader bereikt. Klaagster heeft geen ruimte gekregen om haar zienswijze naar voren te brengen of om haar bezwaren kenbaar te maken, terwijl de gedragingen van vader zijn aangemoedigd.

4.2

Ten onrechte toewerken naar uitbreiding van de omgangsregeling
Beklaagde heeft besloten om de omgang van de zoon met vader in plaats van een dag per week eens in de twee weken het hele weekend te laten plaatsvinden, terwijl uitbreiding van de omgang met overnachting schadelijk is voor de zoon. Een kind van bijna 3 jaar is nog te jong om te logeren en hij heeft last van verlatingsangst. Bovendien heeft de vader vanaf de geboorte de volledige zorg over de zoon aan klaagster overgelaten. Al voordat de zoon een half jaar was, werd de relatie tussen klaagster en vader beëindigd. Er was sprake van huiselijk geweld en de beëindiging van de relatie is gewelddadig verlopen. Klaagster heeft beklaagde stelselmatig verzocht om de zondag in stand te laten en de omgangsregeling uit te breiden met een ander dagdeel in plaats van een overnachting, maar beklaagde is op dat verzoek niet ingegaan.

4.3

Onjuiste inhoud en wijze van totstandkoming van het besluit van 17 juli 2015
Op de schriftelijke aanwijzingen die op 17 juli 2015 zijn uitgereikt, staat een datum van 10 juli 2015. Ook staat erin dat het gesprek over de inhoud van het besluit plaatsvond op 10 juli 2015, terwijl dit direct voorafgaand aan de uitreiking van het besluit op 17 juli 2015 plaatsvond. Door een eerdere datum te hanteren lijkt het alsof het besluit eerder is genomen en lijkt het erop dat klaagster een week minder de tijd heeft gehad voor het indienen van bezwaar. Bovendien heeft er niet eerder overleg plaatsgevonden. Pas tijdens het gesprek op 17 juli 2015 komt klaagster erachter dat er een weekendregeling was vastgesteld en dat de gestelde termijnen al aan het lopen waren.

Er was niemand die klaagster kon adviseren over de inhoud van het besluit, de rechtspositie van klaagster, de bezwaarprocedure of de klachtprocedure. Beklaagde heeft op vragen hierover van klaagster niet geantwoord en kon klaagster niet doorverwijzen naar iemand die haar kon informeren.

Klaagster verwijt beklaagde in de aanvulling van 26 juli 2015, samengevat, het volgende.

4.4

Schending van de privacy van klaagster
Door privégegevens inclusief medische gegevens van klaagster aan vader bekend te maken en in de verslaglegging op te nemen, heeft beklaagde de privacy van klaagster geschonden.
Klaagster had expliciet verzocht om geen informatie met betrekking tot haarzelf met de ex-partner te delen.

4.5

Beloften niet nakomen
Beklaagde heeft loze beloften gedaan. Zo zou er vanaf de uitspraak van de OTS begeleiding komen bij de overdracht van de zoon naar de andere ouder en zou beklaagde een dag meelopen met vader om te zien hoe het er bij hem aan toe gaat. Ook stelde beklaagde tijdens de zitting over de OTS dat beklaagde het mediationproces zou begeleiden. Zij heeft daar echter in werkelijkheid geen uitvoering aan gegeven. Beklaagde weigert uit te leggen waarom zij daar niets aan heeft gedaan. Door haar beloftes niet na te komen en toezeggingen te ontkennen, schendt beklaagde het vertrouwen van klaagster.

4.6

Slechte communicatie in het algemeen
Vanwege de strijd tussen klaagster en vader heeft klaagster beklaagde verzocht om duidelijk en expliciet te handelen. Beklaagde heeft echter niet transparant gehandeld: e-mails zijn niet beantwoord, verzoeken van klaagster om inzage in de gegevens over haar en haar kinderen zijn steeds afgewezen en beklaagde heeft geweigerd om de herkomst van gegevens kenbaar te maken. Beklaagde heeft daarnaast regelmatig geïrriteerd gereageerd op contact door klaagster en heeft stelselmatig niet aangegeven waar ingeplande gesprekken over gaan.

4.7

Vader onterecht op de hoogte te stellen van de klacht van klaagster
Klaagster begrijpt niet waarom beklaagde de vader op de hoogte heeft gesteld van de klacht van klaagster over beklaagde van juni 2014. Het is onduidelijk welk doel dat diende.

4.8

Niet ontvankelijk zijn voor kritiek en weigeren om gegevens uit het dossier te wijzigen
Beklaagde heeft geweigerd in te stemmen met het verwijderen van persoonsgegevens van klaagster en het wijzigen van onwaarheden in de verslaglegging.

4.9

Klaagster beschuldigen van het niet willen meewerken aan de bezoekregeling
Beklaagde heeft stelselmatig volgehouden dat klaagster niet wilde meewerken aan de hulpverlening, maar dat blijkt nergens uit.

Ter zitting heeft klaagster het volgende naar voren gebracht. Klaagster heeft te kennen gegeven dat zij het jammer vindt dat beklaagde haar kennis van nu niet aan de nieuw aangestelde gezinsvoogden heeft overgedragen. Zij bouwen op het werk van beklaagde voort en het handelen waar klaagster over klaagt werkt daarom nog steeds door. Zo stellen de huidige gezinsvoogden op grond van de eerdere slechte samenwerking met beklaagde vast, dat er een wisselend beeld is van de medewerking van klaagster. Ook staan er nog steeds privégegevens in de verslaglegging. Daarnaast heeft klaagster te kennen gegeven dat ze veel stukken bij het verweerschrift van beklaagde voor het eerst ziet. Beklaagde heeft stelselmatig stukken aan de rechtbank verzonden die klaagster niet ontving. Ook heeft klaagster nooit eerder antwoord gekregen op de vraag waarom de omgang uitgebreid diende te worden tot een heel weekend.

5 Het verweer

Het contact tussen beklaagde en klaagster heeft zicht gekenmerkt door pogingen van beklaagde om klaagster tot het besef te brengen dat zij in het belang van haar kinderen mee dient te werken aan het verschaffen van inzicht in de opvoedsituatie, met name met betrekking tot haar zoon. Deze pogingen hebben niet geleid tot het gewenste resultaat, waardoor beklaagde geen andere keuze had dan schriftelijke aanwijzingen te geven.

Beklaagde heeft zich de tuchtklacht aangetrokken en heeft kritisch teruggekeken op haar eigen handelen. Beklaagde is tot het oordeel gekomen dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Zij heeft steeds in het belang van de kinderen gehandeld, geprobeerd klaagster erbij te betrekken en van de juistheid van haar handelen te overtuigen. Beklaagde herkent zich dan ook niet in de klachten.

Voor wat betreft het klaagschrift van 21 juli 2015 voert beklaagde, samengevat, het volgende aan.

5.1

Partijdigheid
De in de schriftelijke aanwijzingen genoemde termijnen met betrekking tot de voorlopige omgangsregeling zijn inderdaad in eerste instantie door JB[…] besloten en besproken met vader. Tot 17 juli 2015 was het namelijk niet mogelijk om met klaagster in gesprek te komen, ondanks herhaaldelijke pogingen van beklaagde. Klaagster onttrok zich telkens aan contact. Op voorgestelde data gaf klaagster aan niet te kunnen. Op telefoontjes om een datum af te spreken, reageerde klaagster niet en bij het vooraf aangekondigde huisbezoek op 3 juli 2015 was klaagster zichtbaar thuis maar deed de deur niet open. Om die reden heeft beklaagde pas bij de uitreiking van de schriftelijke aanwijzingen op 17 juli 2015 de inhoud daarvan met klaagster besproken bij welke gelegenheid klaagster haar bezwaren heeft kenbaar gemaakt. Beklaagde heeft klaagster erop gewezen dat zij bezwaar kan maken tegen schriftelijke aanwijzingen, maar dat er gehoor wordt gegeven aan de beslissing van de rechtbank om aan de uitbreiding van de omgangsregeling te werken en dat zorgvuldig gekeken is wat een verantwoord opbouwschema zou zijn. Beklaagde is derhalve niet partijdig geweest maar heeft tot 17 juli 2015 geen kans gekregen om het uitbreiden van de omgangsregeling met klaagster te bespreken.
Beklaagde herkent zich niet in het feit dat zij de gedragingen van vader zou hebben aangemoedigd. Beklaagde heeft juist geprobeerd om gezamenlijke gesprekken met de ouders aan te gaan om de onrust voor de zoon weg te nemen. Beklaagde betwist dat zij opzettelijk informatie zou hebben achtergehouden voor klaagster.

5.2

Ten onrechte toewerken aan uitbreiding van de omgangsregeling
De rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2014 JB[…] bepaald dat moet worden toegewerkt naar uitbreiding van de omgangsregeling. Klaagster informeerde beklaagde echter dat er escalaties ontstonden bij de overdrachtsmomenten van de zoon aan vader. In eerste instantie heeft beklaagde daarom in overleg met haar team besloten om de omgangsregeling niet uit te breiden, maar een verzoek bij de rechtbank in te dienen tot wijziging van de omgangsregeling van de zondag naar de woensdag, zodat JB[…] de overdrachtsmomenten kon begeleiden. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

5.3

Onjuiste inhoud en totstandkoming van het besluit van 17 juli 2015
Op de schriftelijke aanwijzingen staat inderdaad per abuis de verkeerde datum van 10 juli 2015 in plaats van 17 juli 2015. Beklaagde betreurt dat de datum verkeerd in de aanwijzingen terecht is gekomen, maar stelt zich op het standpunt dat dit niet van zodanig gewicht is dat haar op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Beklaagde heeft bovendien in de motivering van het bij de rechtbank ingediende verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzingen te kennen gegeven dat het hier een verschrijving betreft en dat het gaat om aanwijzingen d.d. 17 juli 2015.
Het gesprek met klaagster kon pas op 17 juli 2015 plaatsvinden omdat klaagster eerder contact had vermeden, ondanks de vele pogingen van beklaagde. Klaagster heeft tijdens het gesprek op voornoemde datum aangegeven bezwaar te willen maken tegen de schriftelijke aanwijzingen, waarna beklaagde klaagster heeft gewezen op de laatste pagina van de aanwijzingen over het indienen van bezwaar. Beklaagde herkent zich derhalve niet in het verwijt dat zij klaagster niet op haar rechtspositie zou hebben gewezen.

Voor wat betreft de aanvulling van 26 juli 2015 voert beklaagde, samengevat, het volgende aan.

5.4

Schending van de privacy van klaagster
Beklaagde heeft geen persoonlijke gegevens met betrekking tot klaagster aan vader verstrekt en beklaagde heeft dit verschillende malen aan klaagster kenbaar gemaakt. Vader heeft geen ouderlijk gezag, zodat het beklaagde ook daarom niet is toegestaan dergelijke informatie met vader te delen.

5.5

Beloften niet nakomen
Beklaagde betwist het maken van loze beloftes en vermoedt dat klaagster doelt op het feit dat beklaagde in de periode mei-november 2014 heeft geprobeerd om een moment te vinden waarop zij vader en zoon gezamenlijk zouden kunnen observeren. Omdat vader alleen in het weekend beschikbaar was, is dit niet gelukt.
Voor wat betreft het verwijt over het niet faciliteren van het mediationproces het volgende. Het klopt dat het mediationproces is gestagneerd. Beide ouders werden op 26 januari 2015 door de mediator uitgenodigd voor een gesprek waarbij beklaagde ook verzocht werd aanwezig te zijn. Beide ouders hebben afgezien van dit gesprek, ondanks het gegeven dat beklaagde de ouders er van te voren op had gewezen dat het niet meewerken zou worden meegenomen in het kader van de OTS. Beklaagde heeft vader hier ook achteraf op gewezen. Desondanks is het beklaagde niet gelukt om het mediationproces op het goede spoor te krijgen.

5.6

Slechte communicatie in het algemeen
Beklaagde heeft steeds getracht om een transparante samenwerking aan te gaan met klaagster en open te communiceren. Beklaagde weet niet op welke e-mails zij niet zou hebben gereageerd. Beklaagde heeft alle e-mails van klaagster beantwoord via e-mail of telefoon.
Voor wat betreft de klacht over een geïrriteerde en agressieve toon, stelt beklaagde het volgende. Beklaagde heeft tijdens een telefoongesprek in mei 2015 gemerkt dat klaagster moeite had met JB[…] cq. beklaagde, het was beklaagde duidelijk dat er geen constructief gesprek kon plaatvinden. Om die reden heeft beklaagde meerdere keren gezegd het gesprek te zullen beëindigen omdat zij hier geen tijd meer voor had. Naar aanleiding van dit gesprek heeft beklaagde klaagster uitgenodigd om een gesprek aan te gaan over de verdere samenwerking. Het is echter niet gelukt om dit gesprek te plannen. Het eerste contact was tijdens de zitting op 26 mei 2015.
Beklaagde herkent zich niet in het verwijt dat zij stelselmatig niet kenbaar heeft gemaakt waar ingeplande gesprekken over zouden gaan. Beklaagde heeft aan het begin van het traject duidelijk uitgelegd dat alle gesprekken per definitie gaan over de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen en over de contacten met en tussen de ouders.

Beklaagde is altijd bereid kritisch naar haar eigen handelen te kijken. Ook als er klachten zijn, gaat zij hierover in gesprek met partijen.
Niet zelden is er een verschil van inzicht tussen beklaagde en partijen. Dat dit negatief wordt ervaren betekent niet dat dat beklaagde te verwijten valt. Het betekent juist dat zij zich niet zomaar laat meeslepen in de dynamiek van betrokkenen.

5.7

Vader onterecht op de hoogte te stellen van de klacht van klaagster
Het is juist dat beklaagde de vader op de hoogte heeft gebracht van het feit dat klaagster een klacht had ingediend. Dat is gedaan in het kader van transparantie en de informatieplicht. Hierbij heeft beklaagde meegedeeld dat het niet de bedoeling is dat dit het hulpverleningstraject nadelig zou beïnvloeden.

5.8

Niet ontvankelijk zijn voor kritiek en weigeren om gegevens uit het dossier te wijzigen
JB[…] stuurt alle stukken die aan de rechtbank worden gezonden in kopie aan de ouders met gezag. Tijdens het bemiddelingsgesprek op 9 februari 2015 heeft beklaagde in het bijzijn van haar teammanager alle beschikbare stukken aan klaagster overhandigd. Hierbij heeft beklaagde duidelijk uitgelegd dat binnen JB[…] niet wordt gewerkt met contactjournaals, notulen en gespreksverslagen. Alle informatie wordt verwerkt in een gezinsplan waarin ook de meningen van beide ouders worden weergegeven. Het is derhalve niet mogelijk dat de ene ouder wijzigingen aanbrengt in het verhaal van de andere ouder.

5.9

Klaagster beschuldigen van het niet willen meewerken aan de bezoekregeling
Beklaagde heeft klaagster herhaaldelijk gewezen op haar verantwoordelijkheid als ouder en het belang van de zoon om mee te werken aan het ingezette traject en de daaraan gekoppelde hulpverlening. Dat is ook de taak en de verantwoordelijkheid van een gezinsvoogd. Dat klaagster dit anders ervaart, is begrijpelijk maar betekent niet dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Ter zitting heeft beklaagde het volgende naar voren gebracht. Beklaagde heeft desgevraagd te kennen gegeven dat het ontbreken van contra-indicaties ten grondslag heeft gelegen aan het verzoek tot uitbreiding van de omgang. Het contact verliep goed en beklaagde wilde de zoon een kans geven om contact met vader te onderhouden. Gepoogd is om de omgang geleidelijk op te bouwen, passend bij de leeftijd.

Desgevraagd heeft beklaagde nogmaals te kennen gegeven vader op de hoogte te hebben gesteld van de door klaagster ingediende klacht vanwege de transparantie en het recht op informatie. Dat is de werkwijze van de organisatie. Beklaagde heeft er niet aan gedacht dat dit het contact met klaagster zou kunnen tegenwerken.

Beklaagde reflecteert door middel van de methodiek Gezinsgericht Werken en de methodiek Gespreksvoering. Beklaagde is van mening dat zij op sommige punten haar manier van communiceren kan verbeteren, daar werkt zij dan ook aan.
Beklaagde zou de communicatie voortaan meer op de behoefte van de persoon afstemmen en ze zou het contact met klaagster met de kennis van nu anders insteken.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er voorts op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, hetgeen tot gevolg zal hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm en overweegt het volgende.

6.1

Partijdigheid
Het College stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat de feiten die klaagster aan dit klachtenonderdeel ten grondslag heeft gelegd, niet vast zijn komen te staan en zal dit klachtenonderdeel ongegrond verklaren.

6.2

Ten onrechte toewerken aan uitbreiding van de omgangsregeling
Het College heeft ook na de toelichting van beklaagde tijdens de mondelinge behandeling vast moeten stellen dat de door beklaagde genoemde overwegingen om tot de voorgestelde uitbreiding van de omgangsregeling te komen, zeer summier zijn. Beklaagde heeft immers alleen naar voren gebracht dat er geen contra indicatie was. Niet is gebleken of de hechtingsproblematiek van de zoon, een mogelijk loyaliteitsconflict van de zoon met ouders en de conflictueuze relatie van de ouders bij de beslissing zijn meegewogen. Ook heeft beklaagde niet duidelijk kunnen maken waarom niet eerst gewerkt is aan verbetering van de overdrachtsmomenten. Evenmin is gebleken dat beklaagde aan klaagster heeft uitgelegd waarom gekozen is voor deze uitbreiding van de omgangsregeling en dat door JB[…] is nagegaan of de veiligheid van de zoon voldoende gewaarborgd zou zijn. Daarvoor was alle reden nu het ging om een kind van pas 3 jaar oud dat getuige was geweest van geweld(dadige situaties) tussen zijn ouders.
Vast staat dat de ouders nauwelijks hebben samengewoond na de geboorte van de thans 3 jarige zoon en dat de overdrachtsmomenten niet goed verliepen. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het besluit tot deze uitbreiding van de omgangsregeling met een nacht van de zoon bij vader voldoende grondslag vindt in de rapportage van de Raad, is het College niettemin van oordeel dat beklaagde niet voldoende heeft kunnen uitleggen dat de veiligheid van de zoon voldoende gewaarborgd is bij deze uitbreiding van de omgang, rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheden van het geval.
Meer speciaal heeft beklaagde niet duidelijk kunnen maken waarom gekozen is voor uitbreiding van de omgang met een langer verblijf van de 3 jarige zoon bij vader met een overnachting in plaats van bijvoorbeeld een frequenter contact. Hiermee is onvoldoende gehandeld in lijn met artikel D van de beroepscode: ‘De jeugdzorgwerker bevordert door het naleven van de beroepsnormen – en door daar persoonlijk verantwoording af te leggen – het vertrouwen in de jeugdzorg.’ Ook is hiermee onvoldoende gehandeld conform artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker: ‘De jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt en werkt daartoe samen met diens sociale omgeving.’ Het College is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.

6.3

Onjuiste inhoud en totstandkoming van het besluit van 17 juli 2015
Het College stelt vast dat klaagster pas op de dag van het besluit, 17 juli 2015, op de hoogte is gebracht van de weekendregeling. Voorafgaand aan het besluit heeft hier geen overleg over plaatsgevonden. Gezien het feit dat moeder het eenhoofdig gezag heeft, de zoon nog zeer jong is, moeder en zoon nauwelijks met vader hebben samengewoond en de relatie tussen de ouders conflictueus verloopt, kan het College zich goed voorstellen dat klaagster zich door uitbreiding met overnachtingen bij vader grote zorgen maakt. De professionaliteit van beklaagde brengt met zich mee dat beklaagde op zijn minst met klaagster van te voren bespreekt waarom uitbreiding van de omgang in het belang van de zoon is en welke overwegingen er zijn gemaakt. De impasse door de vergeefse pogingen die beklaagde heeft gedaan om eerder dan 17 juli 2015 hiertoe in contact te komen met klaagster, had zij moeten doorbreken. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan om de zienswijze van klaagster te betrekken bij het nemen van de beslissing. Hiermee is onvoldoende in lijn gehandeld met artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

6.4 en 6.5

Schending van de privacy van klaagster en niet nakomen van beloften
Het College stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat de feiten die ten grondslag liggen aan deze klachtenonderdelen niet vast zijn komen te staan en zal deze klachtenonderdelen ongegrond verklaren.

6.6

Slechte communicatie in het algemeen
Het College stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat de communicatie tussen beklaagde en klaagster slecht verliep. Het College is van oordeel dat dit zowel aan beklaagde als aan klaagster heeft gelegen, zonder dat gezegd kan worden dat de één in dit opzicht een groter verwijt kan worden gemaakt dan de ander. Wel is het College van oordeel dat van beklaagde als professional een grotere inspanning kan worden verlangd om hierin verbetering te brengen. Dat beklaagde zich dat destijds heeft gerealiseerd en/of doelmatige pogingen daartoe heeft ondernomen, is niet gebleken. In zoverre kan gezegd worden dat beklaagde in strijd met artikel D van de Beroepscode heeft gehandeld en valt haar een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dit klachtenonderdeel is derhalve gegrond.

6.7

Vader onterecht op de hoogte te stellen van de klacht van klaagster
Het College overweegt dat – wetende dat de ouders niet met elkaar konden communiceren -het door beklaagde meedelen aan vader dat klaagster een klacht tegen haar had ingediend het aanzienlijke risico tot gevolg kon hebben dat dit negatieve uitwerking zou hebben op het toch al moeizame contact tussen vader en klaagster.
Beklaagde had voorafgaand aan haar mededeling aan vader moeten overwegen of zij in dit geval op grond van de haar bekende omstandigheden van het geval die mededeling wel zou doen. Beklaagde heeft erkend dat zij dit niet heeft gedaan. Het door haar aangevoerde argument dat haar handelwijze past in de methodiek van de organisatie, is in dit verband niet afdoende. Zij kan zich vanwege haar professionele autonomie niet verschuilen achter het beleid van JB[…]. Artikel Q van de Beroepscode bepaalt immers dat de jeugdzorgwerker bij het ontwikkelen en uitvoeren van het beleid van zijn organisatie dient te toetsen of dit overeenkomt met de beroepsstandaard. Het College zal dit klachtenonderdeel dan ook gegrond verklaren.

6.8 en 6.9

Niet ontvankelijk zijn voor kritiek en weigeren om gegevens uit het dossier te wijzigen, klaagster beschuldigen van het niet willen meewerken aan de bezoekregeling
Het College stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat de feiten die aan deze klachtenonderdelen ten grondslag zijn gelegd, niet zijn komen vast te staan en zal deze klachtenonderdelen ongegrond verklaren.

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdeel II, III , VI en VII een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het College enerzijds dat beklaagde weliswaar een aantal beroepsregels heeft geschonden, maar anderzijds dat ter zitting is gebleken dat beklaagde beschikt over reflectief vermogen en dat zij actief bezig is met haar professionele ontwikkeling.

Op grond van deze overwegingen is het College van oordeel dat de maatregel van waarschuwing passend is.

7 De Beslissing

Het College van Toezicht:
verklaart klachtonderdeel II, III, VI en VII gegrond;
legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing;
verklaart de overige klachtenonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 19 januari 2016 en aan partijen toegezonden op 7 maart 2016 door het College van Toezicht.

mevrouw mr. D. Markx, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris