Het College oordeelt dat de opdracht aan beklaagde, op grond van het hulpverleningsplan, meebracht dat zij zou rapporteren over klagers dochter waardoor het noteren van een bevinding over haar binnen de gegeven opdracht viel. Het verzoek van de vader om een geluidsopname te maken wordt afgewezen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw mr. H. Wintgens, lid-jurist,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Ephraïm, lid-beroepsgenoot,
E.A. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Op 13 augustus 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 12 augustus 2015 en op
9 september 2015 een aanvulling. Op 29 september 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 29 september 2015. Op 30 september 2015 ontvangt het College een repliek en op 22 oktober 2015 een dupliek d.d. 21 oktober 2015. Het College besluit dat een hoorzitting, waarin partijen gescheiden worden gehoord, wenselijk is. De hoorzitting vindt plaats op 29 maart 2016.

Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting uitspraak gedaan.

2 De feiten

Klager is ouder met gezag van [de dochter]. geboren in [datum] 2012. Kort na de geboorte hebben klager en de moeder van [de dochter], hierna te noemen: moeder, besloten tot echtscheiding. [De dochter] is op 16 mei 2013 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is geëindigd op 16 mei 2014.

[gecertificeerde instelling], hierna te noemen: [de GI], heeft in juli 2013 een indicatiebesluit afgegeven op grond waarvan ouders contextuele therapie zouden kunnen ontvangen. Op 26 september 2013 heeft [de GI] deze hulp aan klager en aan moeder aangeboden. Klager heeft laten weten geen gebruik te willen maken de hulpverlening.

Beklaagde, die van 1998 tot 1 juni 2015 bij instelling [de instelling]., hierna te noemen: [de instelling], heeft gewerkt, heeft in [datum] en [datum] contextuele therapie geboden aan moeder. Zij heeft in mei 2014 een rapport over de hulpverlening uitgebracht.

Het dienstverband van beklaagde bij [de instelling] is op [datum] geëindigd als gevolg van een reorganisatie.
Beklaagde is in het register SKJ opgenomen op [datum] 2013.

3 De klacht

De klachten van klager luiden, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

3.1

Het indicatiebesluit waarop beklaagde haar hulpverlening heeft gebaseerd, is ongeldig. Beklaagde had de opdracht daarom nooit mogen aanvaarden. Zij heeft, terwijl aan de rapportage en andere verklaringen en stukken een rechtmatige grondslag ontbreekt, geweigerd om deze stukken in te trekken.

3.2

Beklaagde heeft in mei 2015 een rapportage uitgebracht waarin zij gekleurde bevindingen uitte over klager en over klagers dochter [de dochter]. Beklaagde heeft klager niet gesproken en geen enkele poging daartoe ondernomen. Klager heeft geen toestemming gegeven voor het verlenen van jeugdhulp aan zijn dochter en evenmin voor het rapporteren. Beklaagde blijft zich bemoeien met klagers dochter terwijl zij daarvoor geen toestemming van klager heeft.
Beklaagde had als hulpverlener, veelvuldig ingeschakeld bij situaties van echtscheiding, kunnen en moeten weten dat haar eenzijdige rapportages en geschriften een eigen leven zouden gaan leiden.

3.3

In november 2014 heeft beklaagde een sympathiserende verklaring geschreven op verzoek van moeder. Beklaagde voert sympathiserende SMS-correspondentie met moeder waarin zij de bevindingen van de bijzonder curator diskwalificeert.

3.4

In februari 2015 heeft beklaagde, op verzoek van moeder, met de bijzonder curator gebeld om haar ertoe te bewegen diens onderzoeksrapport naar de wens van moeder aan te passen. Beklaagde had aan de wens van moeder voorbij kunnen gaan.

3.5

Zij heeft de telefoon niet opgenomen wanneer klager haar belde.

4 Het verweer

Het verweer luidt, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.
In 2013 is door de [jeugdbeschemer] aan beklaagde gevraagd om een bemiddelingstraject te verzorgen voor een gescheiden ouderpaar. In samenspraak met de [jeugdbeschermer] is een contract opgesteld voor vijf gesprekken met klager en moeder. De [jeugdbeschermer] onderhield het contact met de ouders en heeft het voorstel met beide ouders besproken. De [jeugdbeschermer] heeft aan beklaagde meegedeeld dat klager niet wilde ingaan op het aanbod en beklaagde verzocht om de gesprekken wel met moeder te houden. Die gesprekken hebben in 2013 plaatsgevonden. Moeder wilde daarna doorgaan met het voeren van gesprekken met beklaagde. Er zijn door beklaagde met moeder vervolgens ook in 2014 gesprekken gevoerd.

De [jeugdbeschermer] heeft steeds de contacten met klager onderhouden. Noch [de GI], noch de [jeugdbeschermer] heeft aangegeven dat klager bij het hulpverleningstraject betrokken wilde worden.

De gesprekken gingen over moeder zelf. Beklaagde heeft klager noch [de dochter]. gezien. Beklaagde heeft klager voor het eerst gesproken op 31 juli 2015.

In de jeugdhulpverlening wordt de indicatie op naam van het kind afgegeven en wordt een rapport naar aanleiding van jeugdhulpverlening op naam van het kind gemaakt.

Moeder heeft aan beklaagde gevraagd of zij met de bijzonder curator contact wilde opnemen. Zij wilde graag dat de bijzonder curator met beklaagde zou spreken omdat beklaagde moeder inmiddels goed kende. Beklaagde heeft ingestemd en in november 2014 een gesprek van ongeveer vijf minuten met de bijzonder curator gevoerd. Beklaagde heeft daarin weinig tot niets over moeder kunnen zeggen.
In het kader van nazorg heeft beklaagde moeder vanaf januari 2015 nog ongeveer zes keer gesproken, vier maal vanuit [de instelling], daarna nog twee keer vanuit haar eigen praktijk. Het laatste contact was op 20 juli 2015.
Beklaagde heeft op 23 februari 2015 een sms-bericht gestuurd omdat moeder in paniek was.

Beklaagde heeft op verzoek van moeder in het voorjaar van 2015 een kort aanvullend rapport op het eindverslag van november 2014 opgesteld. Ook dit rapport is gemaakt met het oog op moeder. Moeder heeft op eigen initiatief de rapportages en het sms-bericht in procedures tussen ouders als processtukken gebracht.

De [jeugdbeschermer] schrijft in het indicatiebesluit dat er een strijd gaande is tussen de ouders, dat de overdracht met spanningen verloopt en dat het niet mogelijk is voor de ouders om op een constructieve manier afspraken te maken over zorg en opvoedtaken. Beklaagde had geen enkele reden om aan het oordeel van de [jeugdbeschermer] te twijfelen, zij kent de [jeugdbeschermer] als iemand die niet over één nacht ijs gaat. Beklaagde had geen bevoegdheid om het werk van [de GI] over te doen door bijvoorbeeld hoor en wederhoor toe te passen of andere bronnen te raadplegen. Als beklaagde eigenmachtig een poging zou hebben ondernomen om klager te spreken zou zij getreden zijn buiten de opdracht die zij van [de GI]en van [de instelling] had gekregen en aanvaard. Moeder, en niet [de dochter], is met beklaagde een hulpverleningsrelatie aangegaan. Contact opnemen met klager was voor beklaagde derhalve niet aan de orde.

5 Tussenbeslissingen

Eerste tussenbeslissing

Ter zitting heeft klager het College verzocht om de behandeling van de klacht aan te houden om hem in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te brengen in de procedure. Klager heeft zijn verzoek onderbouwd door te stellen dat beklaagde zich op een ongeldig indicatiebesluit beroept. Dit indicatiebesluit ligt ter toetsing voor bij de Centrale Raad voor Beroep. De uitkomst van deze procedure wil klager inbrengen omdat hij meent dat dit van invloed kan zijn op het uiteindelijk oordeel van het College.

De voorzitter heeft na het mondelinge verzoek van klager de zitting onderbroken en heeft terstond beraadslaagd. Na de onderbreking heeft de voorzitter de beslissing van het College medegedeeld aan klager. Deze beslissing houdt het volgende in.
Klager wenst aanhouding van de zaak om hem in de gelegenheid te stellen om stukken in te brengen die de rechtmatigheid van het indicatiebesluit mogelijk kunnen raken. Het College is echter van oordeel dat in deze zaak het uiteindelijk oordeel van de Centrale Raad van Beroep over de geldigheid van het indicatiebesluit, de te nemen beslissingen door het College niet raakt.
Het College wijst het verzoek tot aanhouding af.

Tweede tussenbeslissing

Na kennis te hebben genomen van de tussenbeslissing van het College heeft klager het College verzocht om zelf geluidsopnames van het vervolg van de zitting te mogen maken en is zonder het antwoord af te wachten, hiermee direct begonnen.

De voorzitter heeft daarop de zitting opnieuw onderbroken. Het College heeft terstond beraadslaagd en besloten dat het verzoek tot het maken van geluidsopnames door klager wordt afgewezen. Het College heeft daarbij overwogen dat klager geen argumenten heeft aangevoerd, noch dat er omstandigheden zijn die het College tot het oordeel moeten brengen dat klager, ter zitting vergezeld door mevrouw X. vanwege Stichting [naam stichting], in een processueel belang wordt geschaad wanneer hij geen geluidsopnames van de zitting kan maken. Hierbij heeft het College tevens overwogen dat het maken van geluidsopnames tijdens een besloten zitting de belangen van andere in het geding zijnde personen kan schaden. Het College heeft immers geen invloed op het verdere gebruik van deze geluidsopnames.

Nadat de voorzitter ook deze beslissing aan klager had medegedeeld heeft klager geen gevolg gegeven aan deze beslissing en het maken van zijn geluidsopnames niet beëindigd. Daarop heeft de voorzitter klager medegedeeld dat de zitting wordt onderbroken om op een later moment die dag, in afwezigheid van klager, beklaagde te horen zoals reeds eerder was besloten.

Derde tussenbeslissing

Klager heeft daarop aan het College meegedeeld dat hij zijn klacht wenste in te trekken.
Het College heeft hierop besloten, daartoe bevoegd op grond van art. 7.8 van het Tuchtreglement (Tr), om de behandeling van de klacht voort te zetten. Het College heeft daarbij overwogen dat het in het belang van de beroepsgroep is dat er een oordeel komt over het professioneel handelen van de beklaagde jeugdprofessional in casu.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professionals aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, wat tot gevolg zal hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.

Het College vat de klachten als volgt samen en baseert zich op de stukken en op dat wat ter zitting door partijen is verklaard.

6.1

In dit onderdeel stelt klager dat het indicatiebesluit ongeldig is, dat beklaagde de opdracht tot hulpverlening om die reden nooit had mogen aanvaarden en dat zij de rapportage en andere verklaringen en stukken, waaraan een rechtmatige grondslag ontbreekt, niet heeft willen intrekken.

Het College overweegt het volgende. Het College is van oordeel dat beklaagde op het moment dat zij de hulpverlening aanvaardde terecht mocht afgaan op de inhoud van het indicatiebesluit. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat beklaagde de inhoud van het indicatiebesluit als basis heeft genomen voor de hulpverlening aan moeder. Daarenboven stelt het College vast dat het handelen van beklaagde klager noch [de dochter]  raakt doch slechts moeder.

Klachtonderdeel I is ongegrond.

6.2

In dit onderdeel stelt klager dat beklaagde gekleurde bevindingen uit over klager en over klagers dochter; dat beklaagde geen enkele poging heeft ondernomen om klager te spreken; dat klager geen toestemming heeft gegeven voor het verlenen van jeugdhulp aan zijn dochter en evenmin voor het rapporteren; dat beklaagde zich blijft bemoeien met klagers dochter terwijl zij daarvoor geen toestemming van klager heeft en dat zij had moeten weten dat haar rapportages en geschriften een eigen leven zouden gaan leiden.

Het College stelt het volgende vast.
Beklaagde heeft ter zitting voldoende duidelijk gemaakt dat zij de bevindingen heeft overgenomen uit het indicatiebesluit en dat zij het niet zelf is geweest die deze bevindingen heeft opgesteld. Beklaagde heeft verklaard op de bevindingen van de [jeugdbeschermer] te durven vertrouwen omdat zij deze kent als een professional die ‘niet over één nacht ijs gaat’ en aan wiens professionele oordeel zij niet hoeft te twijfelen.

Beklaagde heeft ter zitting beschreven dat het indicatiebesluit voor de uitgangspunten van de hulpverlening leidend is, zowel voor de hulpverlener als voor cliënten, en dat zij in het eerste hulpverleningsplan altijd de bevindingen van [de GI] weergeeft.
Beklaagde heeft in het verweer beschreven dat de [jeugdbeschermer] het voorstel voor hulpverlening met beide ouders heeft besproken; dat de [jeugdbeschermer] aan beklaagde heeft meegedeeld dat klager niet wilde ingaan op het voorstel; dat ook daarna, tijdens de hulpverlening aan moeder, noch vanwege [de GI], noch vanwege de [jeugdbeschermer], beklaagde signalen hebben bereikt dat klager bij het hulpverleningstraject betrokken wilde worden.
Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat zij pas door de klacht van klager er van op de hoogte is geraakt dat moeder de rapportage en de aanvullende rapportage van beklaagde in procedures gericht tegen klager heeft ingebracht.
Beklaagde heeft ter zitting nogmaals verklaard dat de hulpverlening zich richtte op moeder en dat zij geen hulp aan klagers dochter heeft verleend en haar evenmin heeft gezien. Het College stelt vast dat de opdracht aan beklaagde, op grond van het hulpverleningsplan, meebracht dat zij zou rapporteren over klagers dochter waardoor het noteren van een bevinding over [de dochter] binnen de haar gegeven opdracht viel.

Klachtonderdeel II is derhalve in alle onderdelen ongegrond.

Het College overweegt dat beklaagde ter zitting heeft onderschreven dat het aanbeveling verdient om in een hulpverleningsplan als onderhavige de bevindingen van [de GI] zodanig op te nemen dat duidelijk is dat dit zelfstandige bevinden zijn van [de GI] en dat niet de door [de GI] aangezochte hulpverlener daarvan de bron is. Dit brengt het College echter niet tot het oordeel dat beklaagde onzorgvuldig heeft gerapporteerd.

6.3

In dit onderdeel stelt klager, samengevat, dat beklaagde in november 2014 een sympathiserende verklaring heeft geschreven op verzoek van moeder en dat zij sympathiserende SMS-correspondentie met moeder heeft gevoerd waarin zij de bevindingen van de bijzonder curator diskwalificeert.

Het College begrijpt dat klager hierbij doelt op een alinea op pagina 2 van bijlage 5 bij het klachtschrift. Daarin schrijft beklaagde: “[de dochter][…] wordt niet betrekken [sic] bij de spanningen van de strijd die vader met moeder voert. [de dochter] […] kan zich leeftijdsadequaat ontwikkelen. [de dochter] […] kan vertrouwen op haar moeder. [de dochter] […] groeit op stabiele wijze op bij haar moeder”.
Het College komt tot het oordeel dat deze alinea geen gekleurde informatie over klager bevat. Het College heeft ook overigens in de door partijen overgelegde documenten geen gekleurde of partijdige bevindingen over klager aangetroffen.

Klager klaagt over één SMS-bericht, door beklaagde aan moeder gezonden op 23 februari 2015.
Dit bericht luidt als volgt: “Hallo […], ik begrijp je echt wel. In het dossier staat niets meer in wat je hebt. Begrijp goed: Jij bent niet demoniserend. Dat hoef je niet te bewijzen. Je bent het gewoon niet. Ik zal weer overleggen met mijn teamcoördinator en gedragswetenschapper. Vr gr [beklaagde].”

Klager onderbouwt niet waarom de inhoud van het SMS-bericht niet zorgvuldig jegens klager zou zijn.
Het College ziet voorts in het SMS-bericht noch in andere omstandigheden een grond voor de stelling van klager dat beklaagde in dit bericht de bijzonder curator diskwalificeert.

Klachtonderdeel III is in alle onderdelen ongegrond.

6.4

In dit onderdeel stelt klager dat beklaagde in februari 2015 geen gehoor had moeten geven aan het verzoek van moeder om met de bijzonder curator te bellen om deze ertoe te bewegen haar onderzoeksrapport naar de wens van moeder aan te passen.

Het College stelt het volgende vast.
Beklaagde heeft ter zitting gemotiveerd verklaard dat het door klager bedoelde telefoongesprek van beklaagde met de bijzonder curator in november 2014 – en niet in februari 2015 – heeft plaatsgevonden op verzoek van de bijzonder curator; dat de bijzonder curator overwegend aan het woord is geweest; dat deze heeft verteld wat zij had geobserveerd en dat zij aan beklaagde één vraag over moeder heeft gesteld, welke vraag beklaagde heeft beantwoord.
Klager onderbouwt zijn stelling dat beklaagde beoogde om het onderzoeksrapport van de bijzonder curator naar de wens van moeder aan te passen, niet.
Het College ziet in de stukken als ook uit het verhandelde tijdens de zitting, anders dan klager, geen aanleiding om te concluderen dat beklaagde de bijzonder curator met het door klager gestelde oogmerk, inhoudende dat zij haar onderzoeksrapport zou aanpassen, heeft benaderd.

Klachtonderdeel IV is ongegrond.

6.5

In dit onderdeel stelt klager dat beklaagde de telefoon niet opneemt wanneer hij haar belt.

Het College stelt vast dat klager dit klachtonderdeel niet onderbouwt. Uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting blijkt dat beklaagde telefoongesprekken van klager zou hebben geweigerd.

Klachtonderdeel V is kennelijk ongegrond.

7 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Het College verklaart klachtonderdeel I, II, III, IV en V ongegrond.

Aldus gedaan de 29e maart 2016 door het College van Toezicht.
De beslissing is verzonden op 9 mei 2016.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris