Klacht tegen pleegzorgwerker over het geven van onjuiste en of negatieve informatie en het nalaten om de pleegouders en de kinderen aan te spreken op hun gedrag

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F. Leeflang, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.J.F. Heirman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, dan wel vader, ingediende klacht tegen

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als pleegzorgwerker bij [de stichting].

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden [de gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennis genomen van:

  • het klaagschrift van 5 april 2016 met bijlage;
  • een aanvulling op de klachten van 23 mei 2016;
  • het verweerschrift van 7 juli 2016.

1.2 De mondelinge behandeling van deze zaak stond gepland op 31 augustus 2016. Op die datum zou klager tijdens een zitting worden gehoord door het College van Toezicht. Klager heeft op 17 augustus 2016 met SKJ gebeld met het verzoek om uitstel van de behandeling omdat hij iemand had gevonden die hem zou kunnen bijstaan. SKJ heeft klager op 19 augustus 2016 gemaild met de vraag het verzoek tot uitstel van de behandeling nader te motiveren. Daar heeft SKJ geen reactie op ontvangen. De voorzitter van het College heeft vervolgens besloten door te gaan met de behandeling van de klachten. Dat is de klager medegedeeld op 26 augustus 2016. In de brief aan klager schrijft de voorzitter van het College van Toezicht dat de klachtonderdelen voldoende helder en goed geformuleerd zijn, om deze in afwezigheid van klager verder te behandelen. Gezien de impact van een tuchtklacht voor de jeugdprofessional is uitstel alleen mogelijk wanneer er een duidelijke inhoudelijke motivatie aan ten grondslag ligt. Ter gelegenheid van de zitting van 31 augustus 2016 heeft het College geoordeeld dat bij deze afweging van die voortvarende behandeling van de klacht en het belang dat klager heeft bij zijn – overigens ongemotiveerde verzoek om aanhouding – het eerste dient te prefereren.

1.3 De onderhavige klacht is gelijktijdig behandeld met de klachten tegen de navolgende personen: [beklaagden in de zaaknummer 15.062Ta tot en met 15.062Tf].

1.4 Beklaagde is geregistreerd vanaf [datum] 2013.

2 Ontvankelijkheid van de klacht

2.1 Het College constateert dat klager het klachtenformulier heeft ingevuld, ondertekend en ingediend via zijn e-mailadres. Ook de aanvulling op die klachten van 23 mei 2016 is door hem ingediend.

2.2 Door de partner van klager is geen handtekening onder het klachtenformulier gezet, noch onder de aanvulling op die klachten. Tevens heeft zij geen machtiging aan het College overgelegd. Het College is tevens niet gebleken dat klager en zijn partner zijn getrouwd, dan wel een samenlevingscontract met elkaar hebben afgesloten.

2.3 Alle verdere contacten over de klachten tussen SKJ en klager zijn met hem geweest.

2.4 Om die reden is het College ook van oordeel dat niet alleen uit de inhoud van de klacht, maar tevens uit de aanlevering van de klacht, blijkt dat klager bedoeld heeft, in ieder geval mede namens zichzelf te klagen en is hij ontvankelijk in zijn klacht.

2.5 Het College zal klager daar waar hij klaagt over anderen dan zijn eigen kinderen niet ontvankelijk verklaren.

3 De feiten

3.1 Op [datum] 2010 wordt [de minderjarige 1] geboren en heeft vader (nog) geen gezag

3.2 Op 23 maart 2011 wordt [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld.

3.3 Op 23 maart 2011 wordt [beklaagde in zaaknummer 15.062Tc] aangesteld als gezinsvoogd.

3.4 Op 2 oktober 2013 wordt er melding gedaan van agressie en geweld van vader jegens moeder.

3.5 Op 11 oktober 2013 gaat moeder met [de minderjarige 1] wonen binnen [de opvanglocatie], moeder is op dat moment in verwachting van [de minderjarige 2].

3.6 Op 11 november 2013 gaat vader bij moeder op bezoek, terwijl dit niet is toegestaan.

3.7 Op [datum] 2013 wordt [de minderjarige 2] geboren.

3.8 In november/december 2013 krijgt de vader ouderlijk gezag over [de minderjarige 1].

3.9 Op 2 december 2013 volgt [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb] [beklaagde in zaaknummer 15.062Tc] op als gezinsvoogd.

3.10 In 2013 vinden er begeleide bezoeken van vader aan de kinderen plaats.

3.11 Op 6 januari 2014 wordt [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld.

3.12 Op 8 januari 2014 vindt een gesprek tussen ouders en [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb] plaats over de omgangsregeling.

3.13 Op 10 januari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tc]. Vader geeft aan dat hij [de GI] blijft pesten, dat hij valse meldingen blijft doen en dat hij de jeugdzorgwerkers haat.

3.14 Op 13 januari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb]. Vader schrijft dat hij het beleid nooit zal accepteren, dat hij onzinverhalen verkoopt aan de politie en dat hij de [de GI] blijft zieken, want zij zijn insecten die bestreden moeten worden. “Het spel begint pas.”

3.15 Op 15, 17 en 20 januari 2014 stuurt vader e-mailberichten aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb].

3.16 Op 21 januari 2014 stuurt [de GI] een schriftelijke aanwijzing aan vader: de eerder besproken omgangsregeling vervalt. Een andere omgangsregeling wordt onder voorwaarden opgesteld. Voorwaarden: samenwerking met de gezinsvoogd en starten met agressieregulatie-therapie. Totdat aan deze voorwaarden wordt voldaan, is er geen contact tussen vader en de kinderen.

3.17 Op 23 januari 2014 is er een gesprek gepland met vader over de schriftelijke aanwijzing. Vader is niet aanwezig.

3.18 Op 28 januari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb]: vader laat weten dat hij geen bedreigingen meer zal uiten en belooft een goede samenwerking.

3.19 Op 28 januari 2014 is er een incident op straat tussen vader en moeder. Vader wordt aangehouden.

3.20 Op 30 januari 2014 is er een casuïstiekbespreking binnen [de GI]: vanwege escalaties worden de zorgen om de veiligheid van de kinderen steeds groter. Om die reden wordt besloten dat er moet worden overgegaan tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

3.21 Op 3 februari 2014 vader wordt in vrijheid gesteld. [De GI] dient een spoedaanvraag voor een machtiging tot uithuisplaatsing in.

3.22 Op 3 februari 2014 geeft de rechtbank de beschikking af waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg wordt verleend.

3.23 Op 4 februari 2014 volgt [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb] op als gezinsvoogd.

3.24 Op 27 februari 2014 vindt een gesprek plaats tussen [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] en haar teammanager met vader over de samenwerking en communicatie. Tijdens het gesprek wordt vader agressief, begint te schelden en te spugen en springt vanaf het bureau bovenop de teammanager van [beklaagde in zaaknummer 15.062Td].

3.25 Op 28 februari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Td]: vader schrijft dat hij [de GI] niet erkent. Hij gaat hun er uit trappen als een insect. [De GI] kan branden in de hel.

3.26 Op 3 maart 2014 stuurt [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] een brief aan vader: de communicatie zal verder schriftelijk verlopen vanwege het agressieve gedrag van vader. Hij zal eens per drie à vier weken worden geïnformeerd over zijn kinderen.

3.27 Op 25 maart 2014 en 15 april 2014 geeft [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] vader schriftelijk informatie over de kinderen.

3.28 Op 12 mei 2014 is er een gesprek met vader: vader mag niet meer telefonisch contact opnemen met de gezinsvoogd, maar enkel nog per e-mail en één keer per week.

3.29 Begin juni 2014 volgt [beklaagde in zaaknummer 15.062Te] [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] op als gezinsvoogd.

3.30 Op 25 juni 2014 start de belregeling voor vader met [de minderjarige 1].

3.31 Op 19 september 2014 volgt hervatting van de bezoekregeling van vader met de kinderen.

3.32 Op 2 december 2014 is de evaluatie bezoekregeling gepland.

3.33 Op 10 december 2014 de bezoekregeling gaat gelijk oplopen voor vader en moeder (één keer per twee weken, ook bij het pleeggezin).

3.34 Eind februari 2015 zet [beklaagde in zaaknummer 15.062Te] zijn werk als gezinsvoogd stop vanwege (aanhoudende) bedreigingen door vader, waaronder telefonisch op 27 januari 2015 en 11 februari 2015.

3.35 Op 10 maart 2015 volgt een schriftelijke aanwijzing van [de GI] aan vader: bezoek aan de kinderen is stopgezet.

3.36 Op 17 maart 2015 wordt de uitvoering van de maatregel onder toezichtstelling (verder: OTS) van [de GI] aan [de GI 2] overgedragen. [beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] en [beklaagde in zaaknummer 15.062Ta] zijn de jeugdwerkers van het gezin.

3.37 Op 3 april 2015 vindt het kennismakingsgesprek plaats van [de GI 2] met ouders, in bijzijn van [persoon 1] en van [persoon 2] en met het pleeggezin en de pleegzorgwerker [beklaagde in zaaknummer 15.062Tg].

3.38 Op 29 april 2015 vindt er begeleid bezoek voor vader plaats.

3.39 Op 12 mei 2015 vindt de evaluatie van het begeleid bezoek van vader op kantoor van [persoon 1] plaats.

3.40 Op 26 mei 2015 is de zitting over het beroepschrift van vader ten aanzien van de schriftelijke aanwijzingen d.d. 10 maart 2015.

3.41 Op 9 juni 2015 luidt de beschikking kinderrechter: “beroep ongegrond”.

3.42 Op 29 juni 2015 blijkt uit de NIFP-rapportage (het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie) over vader en moeder: advies is voor beide ouders een contactregeling met de kinderen van één keer per maand, onder voorwaarden.

3.43 Op 16 juli 2015 is er een gesprek tussen [beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] en [de teammanager van beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] van [de GI 2], vader en zijn ambulant begeleider ([de ambulant begeleider]) over de bezoekregeling met vader. De schriftelijke aanwijzing bezoekregeling d.d. 15 juli 2015 wordt overhandigd. Hierin wordt de bezoekregeling vastgesteld op één keer per vier weken. Daarnaast is er één keer per vier weken belcontact met [de minderjarige 1].

3.44 Op 17 augustus 2015 volgt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [locatie] naar aanleiding van het verzoek van vader tot vaststelling van een omgangsregeling met de kinderen. De kinderrechter stelt een contactregeling vast van één keer per veertien dagen.

3.45 Op 2 september 2015 is er een gesprek gepland met ouders, pleegouders en pleegzorg. Ouders geven te kennen dat zij niet zullen komen en dat zij de samenwerking met zowel [de GI 2], als met pleegzorg opzeggen.

3.46 Op 8 september 2015 blijkt uit de brief van [de teammanager van beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] aan vader dat in verband met beledigingen, geuit tijdens gesprekken op 4 september en 8 september 2015, de contacten alleen nog per e-mail zullen plaatsvinden, met een frequentie van één maal per week. Over bijzonderheden rondom de kinderen die prioriteit hebben, zal één van de begeleiders vader direct telefonisch informeren.

3.47 Op 9 september 2015 wordt de bezoekregeling van beide ouders stopgezet, vanwege vrees voor de veiligheid van de kinderen, pleegouders en hulpverleners. Ouders laten stalkingsgedrag zien sinds 2 september 2015.

3.48 Op 10 september 2015 verzoekt [de GI 2] tot het wijzigen (stopzetten) van een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang van vader en moeder. Motivering is het stalkingsgedrag van ouders, dat een bedreiging voor de veiligheid vormt.

3.49 Op 29 september 2015 richt [de GI 2] een verzoek tot gezag beëindiging aan de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad).

3.50 Op 16 oktober 2015 volgt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [locatie]. De kinderrechter wijst het verzoek van [de GI 2] af. Partijen spreken over en weer af dat de contactregeling vanaf 30 oktober 2015 weer wordt opgestart en dat contactmomenten worden begeleid door [persoon 1] en [de stichting] of (een) andere geschikte instantie(s). De kinderrechter acht het van belang dat de gecertificeerde instelling een vaste dag in de week vaststelt waarop zij de e-mailberichten van de ouders beantwoordt, zodat de ouders weten wanneer zij antwoord kunnen verwachten. De kinderrechter merkt op dat de beschikkingen van de kinderrechter van 17 augustus 2015 van kracht blijven, zodat de contactregelingen tussen de minderjarigen zoals vastgesteld, gelden tot 6 januari 2016.

3.51 In november 2015 verklaart moeder tegen de raadsonderzoeker dat de relatie met vader is beëindigd.

3.52 Op 9 december 2015 dient de raad het verzoekschrift tot gezag beëindiging in bij de rechtbank.

3.53 Op 15 januari 2016 vindt het herstelgesprek bij [de stichting] plaats. [De GI 2] stelt zich op het standpunt dat de bezoeken begeleid moeten plaatsvinden en dat deze op dit moment niet kunnen worden verplaatst naar de zaterdag. Vader heeft de begeleiding van [persoon 1] stopgezet. [De GI 2] is bereid met de werkgever van vader in gesprek te gaan over de mogelijkheden. De verdere motivering heeft [de GI 2] niet kunnen bespreken in verband met de boosheid van ouders, waarop het gesprek vroegtijdig afgebroken is.

3.54 Op 20 januari 2016 volgt de schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling. De bezoekregeling luidt één keer per twee weken voor vader en eens per maand voor moeder. Bezoeken vinden plaats onder begeleiding en kunnen om die reden niet op zaterdag plaatsvinden.

3.55 Op 10 februari 2016 is de zitting over het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag, ingediend door de raad d.d. 9 december 2015. Vader is aanwezig, bijgestaan door [gemachtigde]. Vader brengt naar voren dat [de ambulant begeleider] opnieuw is ingeschakeld om aan vader hulp te verlenen. Ouders hebben weer een relatie, er zou sprake zijn van trouwplannen.

3.56 Op 24 februari 2016 volgt de beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag. Het ouderlijk gezag van vader en moeder wordt beëindigd, [de GI] wordt benoemd tot voogd over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

3.57 Op 24 februari 2016 volgt de beschikking van de kinderrechter. De schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling van 20 januari 2016 wordt vervallen verklaard. De rechter stelt de volgende contactregeling vast: eenmaal in de veertien dagen gedurende twee uren, de ene keer op de vrijdag begeleid door de pleegouders en pleegzorg en de andere keer op de zaterdag begeleid door de pleegouders en/of [de ambulant begeleider] dan wel een andere organisatie. Daarmee is de contactregeling van vader in duur uitgebreid van anderhalf naar twee uur per contactmoment.

3.58 Op 24 februari 2016 neemt vader telefonisch contact op met [de kliniek ]en dringt aan op een opname. Tijdens het telefoongesprek zou hij hebben gezegd dat als hij niet wordt geholpen, de gezinsvoogd iets overkomt à la Els Borst.

3.59 Op 26 februari 2016 doet [de GI 2] aangifte van bedreiging door vader. Op 1 maart 2016 heeft [de GI 2] aan vader laten weten dat er aangifte is gedaan.

3.60 Op 10 maart 2016 volgt er een herstelgesprek van [de GI 2] met vader. Tijdens het gesprek gaat het echter vooral over de geschilpunten rondom de opdrachtgever voor het NIFP-onderzoek dat is uitgevoerd en niet over de contactregeling. “Tijdens het gesprek is er erg veel spanning en wanneer [de GI 2] laat weten de bezoeken op te schorten vanwege het onberekenbare gedrag van de vader en de dreigingen die hij uit, wordt hij boos en gaat met zijn vinger wijzen en schreeuwen. Het gesprek wordt beëindigd”.

3.61 Op 16 maart 2016 informeert moeder [de GI 2] per e-mail dat de relatie met vader voorbij is. Moeder wil een aparte bezoekregeling.

3.62 Op 16 maart 2016 volgt het verzoekschrift wijziging (opschorting) omgangsregeling vader.

3.63 Op 1 april 2016 volgt de evaluatie van het hulpverleningsplan voor [de minderjarige 1]  en [de minderjarige 2].

3.64 Op 26 april 2016 is de zitting naar aanleiding van het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling in verband met dreigementen die door vader zijn geuit jegens de gezinsvoogd.

3.65 Op 9 mei 2016 volgt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [locatie] met betrekking tot de behandeling van het verzoek tot opschorting van de omgangsregeling. De rechtbank is van oordeel dat het recht op omgang van de vader met de kinderen dient te worden ontzegd, omdat de veiligheid van de hulpverlening en van de kinderen niet meer kan worden gewaarborgd.

4 De klachten

4.1 Met beklaagde gaat het College er van uit dat de kern van de klachten van klager is beschreven in zijn email d.d. 23 mei 2016 waarin hij puntsgewijs zijn klachten jegens beklaagde kenbaar maakt. Het College constateert dat deze puntsgewijze opsomming een concretisering is van zijn eerder beschreven klachten van 5 april 2016. In klagers e-mail staan de volgende klachten in de kern verwoord:

Klachtonderdeel 1

Niet aanspreken op plaatsen van een foto van [de minderjarige 2] op [sociale media] door pleegouders.

Klachtonderdeel 2

Het geven van negatieve informatie aan de rechtbank en aan de raad.

Klachtonderdeel 3

Het in het bijzijn van de kinderen ten onrechte mededeling doen dat moeder niet bij een bezoek aanwezig mag zijn.

Klachtonderdeel 4

Klager wordt door beklaagde niet geïnformeerd.

Klachtonderdeel 5

Beklaagde corrigeert de kinderen niet wanneer zij de pleegouders aanspreken met papa en mama.

Klachtonderdeel 6

De door de rechter geadviseerde telefoongesprekken zijn door beklaagde stop gezet.

Klachtonderdeel 7

Beklaagde keurt het goed dat er negatieve informatie over de vader aan de kinderen wordt gegeven.

Klachtonderdeel 8

Door de pleegzorginstelling wordt nimmer beschreven dat de kinderen het goed doen tijdens de bezoekregeling terwijl dit wel het geval is.

Klachtonderdeel 9

Afspraken over het begeleiden van [de minderjarige 1] tijdens telefoongesprekken met zijn ouders worden niet nageleefd en er wordt niet ingegrepen wanneer dit verkeerd gaat.

Klachtonderdeel 10

Beklaagde zou zich bedreigd voelen door klager maar heeft hiervan geen aangifte gedaan zodat het maar de vraag is of klager wel zo bedreigend is zoals beklaagde beweert.

Klachtonderdeel 11

In de schriftelijke verslaglegging van de evaluatiegesprekken staan onwaarheden.

Klachtonderdeel 12

Het is niet duidelijk waarom de kinderen nooit goed zijn onderzocht door specialisten.

5 Het verweer

Algemeen
Beklaagde herkent zich niet in de gepresenteerde klachten. Beklaagde is pleeggezinbegeleider en in die functie staat hij het pleeggezin sinds 3 februari 2014 bij waar de kinderen van klager en zijn partner zijn geplaatst. In die functie begeleidt hij het pleeggezin onder andere bij de opvoeding van de kinderen en onderhoudt hij ook contact met alle partijen, gericht op een goede samenwerking. In de relatie met klager betekent laatste dat hij met name klager en zijn partner op de hoogte houdt over de ontwikkelingen van de kinderen. Dit gebeurt door middel van rapporten. Voorts begeleidt beklaagde de bezoekregelingen.

Per klachtonderdeel

Klachtonderdeel 1

Het is juist dat de pleegouders een foto hebben geplaatst op hun site van [sociale media], echter juist op verzoek van beklaagde is deze foto weer verwijderd waardoor er geen reden meer was om de pleegouders hierop aan te spreken.

Klachtonderdeel 2

Vanuit zijn positie kan beklaagde geen informatie geven aan de rechtbank dus ook geen negatieve informatie.

Klachtonderdeel 3

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat klager onder de gegeven omstandigheid niet kan klagen namens zijn partner. Daarnaast stelt beklaagde dat de bezoekregeling niet door hem is gewijzigd. Dit is voor die dag verzocht door de pleegouders en dit is doorgegeven door een ander dan beklaagde. Hij heeft hier geen bemoeienis mee gehad.

Klachtonderdeel 4

Beklaagde stelt dat sinds de komst van het [de GI 2]-team de informatieverstrekking via dit team geschiedt en niet door hem waardoor hij niet verantwoordelijk is voor de wijze van communiceren.

Klachtonderdeel 5

Beklaagde stelt dat het vaker voorkomt dat pleegkinderen hun pleegouders papa en mama gaan noemen en wijst erop dat klager en zijn partner ook zo genoemd worden.

Klachtonderdeel 6

Beklaagde is niet bekend met het advies van de rechter en heeft nimmer de beslissing genomen een contactmoment stop te zetten.

Klachtonderdeel 7

Beklaagde stelt dat hij nimmer zijn goedkeuring heeft gegeven wanneer er negatieve informatie werd gegeven aan [de minderjarige 1].

Klachtonderdeel 8

Beklaagde verwijst in verband naar het hulpverleningsplan waarin wel degelijk wordt beschreven dat de kinderen het goed doen bij een bezoekregeling.

Klachtonderdeel 9

Beklaagde stelt dat het niet zijn taak is om toe te zien dat afspraken met betrekking tot het telefoneren worden nageleefd door de pleegouders. Hierbij merkt beklaagde overigens op dat het voor een kind zoals [de minderjarige 1] op die toenmalige leeftijd, moeilijk is om een lang telefoongesprek aan te gaan.

Klachtonderdeel 10

Beklaagde stelt dat het wel of niet doen van aangifte tegen klager in verband met diens boosheid en agressie los staan van zijn ervaringen die hij heeft met klager.

Klachtonderdeel 11

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat klager niet duidelijk onderbouwd welke onderdelen in de evaluatiegesprekken onjuist zijn.

Klachtonderdeel 12

Ook voor dit onderdeel stelt beklaagde zich op het standpunt dat klager niet heeft onderbouwd waarop dit klachtonderdeel zich precies richt en in hoeverre beklaagde hiervoor verantwoordelijk kan zijn.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Tuchtrechtelijke toetsing en de algemene tuchtnorm
Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm en overweegt het volgende.

Gebruikte afspraken/methodiek
Het College van Toezicht is gebleken dat er afspraken zijn gemaakt met de klager dat hij zich ten opzichte van zijn gezinsvoogd(en) en zijn omgeving niet agressief zou gedragen. Deze afspraken zijn gemaakt in het belang van de veiligheid van de kinderen. Deze afspraken hielden in dat indien de klager zich niet zou houden aan de afspraken hier direct consequenties aan zouden worden verbonden. Het College ziet de gemaakte afspraken in het licht van artikel A van de beroepscode “de jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen”.

6.1 In het eerste klachtonderdeel stelt klager zich op het standpunt dat beklaagde de pleegouders niet heeft aangesproken nadat zij een foto van [de minderjarige 2] op [sociale media] hadden geplaatst. Het College stelt vast dat het juist door beklaagde is gekomen dat deze foto van [sociale media] is verwijderd.
Onder die omstandigheid blijkt dat beklaagde juist heeft gehandeld, dat beklaagde hierna de pleegouders niet meer heeft aangesproken maakt dit niet anders. Het College wijst dit klachtonderdeel af.

6.2 Nu beklaagde vanuit zijn functie geen (negatieve) informatie kan geven aan een rechtbank en ook niet gebleken is dat hij dit op wat voor wijze dan ook gedaan heeft, wijst het College dit tweede klachtonderdeel af.

6.3 Beklaagde heeft in zijn verweer duidelijk omschreven hoe het tot een wijziging van het begin van een bezoekregeling is gekomen. Dat hierbij doelbewust aan de kinderen is gezegd dat de moeder niet bij het bezoek aanwezig mag zijn, is niet gebleken. Het College wijst het derde klachtonderdeel af.

6.4 Beklaagde heeft afdoende in zijn verweer duidelijk gemaakt dat de informatievoorziening aan de klager en zijn partner vanaf de komst van het [de GI 2]-team door hen is overgenomen. Dat voordien beklaagde klager en diens partner niet van informatie heeft voorzien, is niet gebleken. Klager heeft hiervan geen voorbeelden genoemd. Het College wijst onder de gegeven omstandigheid dit vierde klachtonderdeel af.

6.5 Klager klaagt over het feit dat de kinderen niet worden gecorrigeerd wanneer zij de pleegouders papa en mama noemen. Beklaagde heeft in het verweer voldoende duidelijk gemaakt dat het uitspreken van deze woorden aan het adres van pleegouders vaker voorkomt. Overigens is hierbij het College niet gebleken dat de kinderen hierdoor zijn geschaad. Dat klager hierdoor wellicht is geraakt, kan het College begrijpen maar dat neemt niet weg dat beklaagde hierover geen verwijt kan worden gemaakt. Het College wijst dit vijfde klachtonderdeel af.

6.6 Klager stelt in dit klachtonderdeel dat (namens) beklaagde adviezen geuit door de rechter niet zijn opgevolgd. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet op de hoogte is geweest van deze adviezen en voorts dat hij niets van doen heeft gehad met het mogelijk stopzetten van de contactmomenten. Klager geeft hiervan ook geen voorbeeld zodat het College dit zesde klachtonderdeel zal afwijzen als ongegrond.

6.7 Hoewel klager stelt dat beklaagde goed keurt dat er negatief gesproken wordt over hem, stelt beklaagde dat hij nimmer zijn goedkeuring hieraan heeft gegeven. Onder deze omstandigheid zal het College dit zevende klachtonderdeel afwijzen bij gebreke van enige onderbouwing.

6.8 Klager stelt in dit klachtonderdeel dat er nimmer geschreven is in rapporten e.d. dat de kinderen het goed doen bij de bezoekregeling met hun ouders. Beklaagde heeft terecht gewezen op bijvoorbeeld het hulpverleningsplan waaruit het tegendeel blijkt. Nu ook het College niet is gebleken dat beklaagde doelbewust nooit heeft beschreven dat de kinderen het goed doen tijdens het bezoek met de klager en diens partner, zal het College dit achtste klachtonderdeel afwijzen.

6.9 Klager stelt dat de afspraken die zijn gemaakt over de telefonische contacten tussen hem en [de minderjarige 1] niet worden nageleefd en dat daarop door beklaagde niet wordt ingegrepen. Beklaagde stelt dat dit ook niet zijn taak is. Daarnaast stelt beklaagde dat hij, vanuit zijn functie wel degelijk heeft gemerkt dat de pleegouders een situatie hebben gecreëerd van waaruit [de minderjarige 1] in vrijheid kon telefoneren met klager. De omstandigheid dat kinderen van deze leeftijd nu eenmaal niet in staat zijn een lang telefoongesprek te voeren, kan niet op de schouders van de pleegouders worden gelegd en in het verlengde daarvan een verantwoordelijkheid zijn van beklaagde. Het College stelt dat beklaagde door zijn handelen in deze niet is getreden buiten de grenzen die van een redelijk bekwame beroepsuitoefening mogen worden verwacht waardoor zij dit negende klachtonderdeel afwijst.

6.10 De enkele omstandigheid dat beklaagde geen aangifte heeft gedaan vanwege het optreden van klager neemt niet weg dat beklaagde zich wel degelijk bedreigd heeft gevoeld, zoals hij dit verwoord in het verweerschrift. Dit tiende klachtonderdeel wordt door het College afgewezen.

6.11 Het College is van oordeel dat, hoewel klager dit wel heeft gesteld, dit nergens uit is gebleken en daarom zonder nadere onderbouwing moet leiden tot een afwijzing.

6.12 Klager stelt dat het hem niet duidelijk is waarom de kinderen nooit door een specialist zijn onderzocht. Het College zal dit klachtonderdeel, bij gebrek aan een duidelijke aanwijzing door klager waarom dit aan beklaagde zou zijn te verwijten, als ongegrond afwijzen.

7 De Beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 1 november 2016 in de genoemde samenstelling.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris