De gezinsvoogd wordt verweten klaagster niet respectvol bejegend te hebben.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.J. Jacquemijns, voorzitter,
mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,
A. van Empel, lid-beroepsgenoot,
E.A. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Op 28 augustus 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 25 augustus 2015. Op 11 februari 2016 ontvangt het College het verweerschrift. Het College besluit dat een hoorzitting wenselijk is. De hoorzitting vindt plaats op 1 april 2016.
Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting de beslissing vastgesteld.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement.
Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.
Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.
Het College is derhalve bevoegd om het handelen van beklaagde te beoordelen.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster is moeder van drie, ten tijde van deze procedure, minderjarige kinderen.
Klaagster en de vader van de kinderen zijn gescheiden. De kinderen zijn onder toezicht gesteld geweest van BJz […] van 20 februari 2014 tot 20 februari 2015. De kinderen wonen op grond van rechterlijke beslissingen sinds 9 september 2014 bij hun vader. Er is voor het contact tussen klaagster en de kinderen door de rechter een regeling opgelegd.

Beklaagde is als gezinsvoogd opgetreden ingaande medio april 2014. Klaagster heeft BJz[…] een aantal weken later verzocht om een tweede gezinsvoogd voor het gezin aan te stellen. Deze gezinsvoogd en beklaagde zijn met elkaar bevriend. Vanaf 20 juni 2014 heeft zij in samenwerking met deze collega-gezinsvoogd uitvoering gegeven aan de onder toezichtstelling (OTS). Op 17 december 2014 heeft zij haar werkgever verzocht om de OTS van het gezin door een andere gezinsvoogd te laten uitvoeren.
Zij is vervolgens medio januari 2015 vervangen.

4 De klachten

De klachten van klaagster luiden, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

4.1

Beklaagde bejegende klaagster respectloos, de samenwerking kwam daardoor niet goed op gang.

4.2

Beklaagde maakt, sinds zij niet meer als gezinsvoogd bij de kinderen is betrokken, samen met een bevriende collega die inmiddels een relatie heeft met de vader van de kinderen, uitstapjes met hem en de kinderen. Dit ervaart klaagster als zeer pijnlijk en zij vindt het niet passend.

4.3

Beklaagde heeft tot op het moment van het indienen van de klacht niets van zich laten horen aan klaagster.

5 Het verweer

Het verweer luidt, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

Beklaagde heeft haar werkgever verzocht om met een collega de OTS te mogen uitvoeren zodat zij haar visie over de uitvoering van de OTS aan die van de collega zou kunnen toetsen. In zaken waarin sprake is van een hevige strijd tussen ouders gebeurt het steeds vaker dat BJz twee gezinsvoogden inzet. Beklaagde heeft een aantal namen van collega’s genoemd, waaronder die van de betreffende collega. Zij is de samenwerking met deze collega aangegaan omdat zij had ervaren prettig met haar te kunnen samenwerken.

Na de uithuisplaatsing op 9 september 2014 bezocht de als tweede gezinsvoogd ingezette collega de kinderen meermalen bij hun vader thuis en ondernam ook uitstapjes met hen. Beklaagde heeft haar collega op de ongebruikelijke frequentie gewezen en aangegeven dat zij daarmee over de inzet van beklaagde te hoge verwachtingen schiep, nu beklaagde vanwege haar caseload niet in staat was de kinderen met dezelfde frequentie te bezoeken.

Beklaagde heeft de ongebruikelijke frequentie op dat moment niet in verband gebracht met de mogelijkheid dat haar collega en de vader van de kinderen gevoelens voor elkaar ontwikkelden.
Beklaagde heeft in september en oktober meermaals bij haar collega aangekaart dat zij de afstand tussen haar collega en de kinderen te klein vond. Beklaagde heeft de frequentie van de bezoeken van haar collega onder de aandacht van teammanager […] gebracht. Deze zag dat de collega het lastig vond om in deze zaak de juiste afstand te nemen maar hij deed vervolgens niets met het signaal van beklaagde.
In december 2014 kreeg beklaagde langzaam maar zeker de indruk dat de collega en de vader van de kinderen elkaar leuk vonden. Zij heeft dit vermoeden besproken met haar collega. Deze gaf aan dat dit niet het geval was. Half december 2014 vertelde de collega dat de vader van de kinderen en zij tegen over elkaar hadden uitgesproken dat zij elkaar leuk vonden. Beklaagde heeft haar collega de volgende dag dringend geadviseerd om het binnen een week te melden bij de teammanager. De collega heeft teammanager […] op 16 december 2014 op de hoogte gesteld. Deze teammanager, die op korte termijn BJz[…] zou verlaten, gaf aan er niets mee te zullen doen. Beklaagde is daarop met haar verhaal naar een andere teammanager gegaan. Deze heeft in overleg met de afdelingsdirecteur besloten dat klaagster niet zou worden geïnformeerd, dat de collega een waarschuwing zou krijgen alsmede het verbod om nog contact te hebben met de vader van de kinderen, en dat het management de vader van de kinderen voor een gesprek zou uitnodigen. Dit is gebeurd, vader is echter niet verschenen.

Beklaagde heeft met een vertrouwenspersoon buiten BJz[…] gesproken. Zij had met name moeite met de beslissing dat klaagster niet zou worden geïnformeerd. Zij vreesde dat haar integriteit en onpartijdigheid door klaagster in twijfel zou worden getrokken vanwege haar vriendschap met de collega. Beklaagd heeft daarom op 17 december 2014 aan teammanager […] meegedeeld dat zij niet langer gezinsvoogd in de zaak wilde zijn. Beklaagde werd pas medio januari 2015 vervangen.

Beklaagde heeft in opdracht van de leiding van BJz[…], en onder uitspreken van haar bezwaar, nog een rapportage geschreven. De vervangend gezinsvoogd, die nog niet bij het gezin betrokken was geweest, zou dit niet goed zelf hebben kunnen doen.

In de zomer van 2015 heeft beklaagde aan haar leidinggevende advies gevraagd hoe om te gaan met de kans dat zij in haar privésituatie met de vader en de kinderen in contact zou komen door haar vriendschap met haar collega. De leidinggevende heeft beklaagde geadviseerd om met deze situatie bewust om te gaan en om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Er is daarna door beklaagde en haar collega eenmaal een uitstapje met de vader en de kinderen van de collega ingepland maar het uitstapje is niet doorgegaan.

Beklaagde heeft zich er door haar vriendschap met de collega niet van laten weerhouden om kritisch te zijn jegens de collega over diens gedrag. Zij heeft ook het management betrokken, in de hoop dat dezen het zouden oppakken opdat de onpartijdigheid, integriteit en professionaliteit van beklaagde en van haar collega niet ter discussie zou komen te staan.
Dit is helaas echter wel gebeurd. Beklaagde begrijpt dat klaagster haar twijfels had over die integriteit en onpartijdigheid. Beklaagde is echter van mening dat het niet op haar weg lag om klaagster in te lichten over de gevoelens die er tussen vader en haar collega waren ontstaan, maar op de weg van het management.

Beklaagde heeft geen contact meer met klaagster gehad omdat zij haar niet kon inlichten over de reden voor het eindigen van haar inzet als gezinsvoogd. Beklaagde is er van uitgegaan dat klaagster tegen het eindigen daarvan geen bezwaar had omdat klaagster er meermaals om had verzocht dat beklaagde zich uit de zaak zou terugtrekken.

Samenvattend verweert beklaagde zich als volgt.

5.1

Beklaagde stelt vast dat klaagster niet onderbouwt met welk handelen beklaagde klaagster respectloos heeft behandeld en evenmin hoe de samenwerking daardoor is beïnvloed. Beklaagde betwist dat zij klaagster respectloos heeft behandeld. Zij is van oordeel dat haar in deze zaak geen verwijt gemaakt kan worden.

5.2

Beklaagde heeft in de zomer van 2015 eenmaal een uitstapje gepland met haar collega, de kinderen van haar collega en de ex-echtgenoot van klaagster, dit uitstapje is echter niet doorgegaan.

5.3

Beklaagde heeft geen contact meer met klaagster opgenomen omdat zij haar niet kon inlichten over de reden voor het eindigen van haar inzet als gezinsvoogd. Beklaagde is er van uitgegaan dat klaagster tegen het eindigen daarvan geen bezwaar had omdat klaagster er meermaals om had verzocht dat beklaagde zich uit de zaak zou terugtrekken.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professionals aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, wat tot gevolg zal hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.

Het College baseert zich bij de beoordeling van de klacht op de stukken en op dat wat ter zitting door partijen is verklaard.

Het College neemt de klachtonderdelen tezamen en overweegt als volgt.

Klaagster acht zich, blijkens klachtonderdeel I, niet respectvol bejegend door beklaagde. Klaagster voert daartoe voorbeelden aan in de klachtonderdelen II en III. Klaagster onderbouwt haar stellingname niet nader.

Het College stelt vast dat beklaagde in de zomer van 2015, derhalve vijf maanden nadat zij was vervangen, eenmaal een uitstapje heeft gepland haar collega-vriendin, diens kinderen en de ex-echtgenoot van klaagster, maar dat dit niet is doorgegaan. Het klachtonderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
Het College stelt voorts vast dat beklaagde gemotiveerd aanvoert waarom zij klaagster niet kon inlichten over haar vervanging en waarom zij er van uit mocht gaan dat klaagster geen bezwaar zou hebben tegen haar vervanging.

Het College neemt het oordeel van klaagster dat beklaagde jegens haar respectloos heeft gehandeld, omdat het ook overigens in de feiten en de omstandigheden van de zaak daartoe geen aanleiding ziet, niet over.

Het College beoordeelt klachtonderdeel I derhalve als ongegrond.

Klachtonderdeel II en III behoeven geen zelfstandige bespreking meer.

7 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing.

Het College verklaart de klachtonderdelen I, II en III ongegrond.

Aldus gedaan de 1e april 2016 door het College van Toezicht.
De beslissing is verzonden op 9 juni 2016.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

Mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris