Klacht tegen een jeugdbeschermer over het niet horen en onheus bejegenen van klaagster en het stellen van verkeerde prioriteiten.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. S. Dik.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 3 september 2015;

– aanvullende stukken d.d. 23 september 2015 en 30 september 2015;

– het verweerschrift d.d. 6 november 2015.

1.2

De hoorzitting heeft op 24 mei 2016 plaatsgevonden in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en haar gemachtigde. De partner van klaagster was ter ondersteuning van klaagster aanwezig. De teammanager van beklaagde was aanwezig als toehoorder. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, kan van het volgende worden uitgegaan.

2.2

Klaagster is de moeder van dochter Z. en zoon C. Klaagster en de vader van de kinderen zijn ruim drie jaar uit elkaar. De ouders beschikken over het gezamenlijk gezag.

2.3

Beklaagde is vanaf oktober 2014 bij het gezin betrokken geweest als uitvoerder van de [ondertoezichtstelling] namens [de gecertificeerde instelling], hierna te noemen: [de GI]. Hieraan heeft een zorgmelding van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst, hierna te noemen: GGD, voor dochter Z. ten grondslag gelegen. Een jaar eerder is door het [ziekenhuis] bij [de GI]  een melding gemaakt voor zoon C.

2.4

Vanwege de complexe scheiding hebben de ouders vanaf eind januari 2015 een hulpverleningstraject gevolgd bij X., een instelling voor volwassenen met psychiatrische aandoeningen.

2.5

Op 29 mei 2015 heeft er naar aanleiding van klachten van klaagster een gesprek plaatsgevonden tussen de leidinggevende van beklaagde, klaagster en haar huidige partner. In dit gesprek heeft klaagster te kennen gegeven zich blijvend zorgen te maken over de kinderen, hun ontwikkeling en de thuissituatie bij vader. Vervolgens heeft op 2 juli 2015 een gesprek plaatsgevonden in aanwezigheid van vader.

2.6

Op 21 en 31 augustus 2015 is dochter tijdens het omgangsmoment bij vader weggelopen.

2.7

Op 22 september 2015 heeft de eindevaluatie van X. plaatsgevonden. Bij dit gesprek waren beklaagde, beide ouders en de op die dag nieuw en opvolgend aangestelde [jeugdbeschermer] aanwezig. X. heeft haar zorgen over de kinderen uitgesproken en een vervolgtraject aangeboden.

2.8

Op voornoemde datum is de zaak aan een collega van beklaagde overgedragen.

3 De klachten

3.1

Klaagster verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende.

3.1.1

De eerste melding van het […]ziekenhuis is een jaar blijven liggen.

3.1.2

Beklaagde nam klaagster en haar bevindingen omtrent de kinderen niet serieus.

3.1.3

Beklaagde viel klaagster aan als zij om informatie vroeg en gaf geen informatie.

3.1.4

Beklaagde gaf geen terugkoppeling van de gesprekken.

3.1.5

Beklaagde veranderde constant haar manier van handelen en de afspraken die zij maakte.

3.1.6

Beklaagde deed ongepaste uitspraken tegenover de kinderen.

3.1.7

Beklaagde gaf de voorkeur om zich te concentreren op materiële zaken in plaats van op het belang van de kinderen.

3.1.8

Beklaagde verplichtte klaagster om de dochter naar vader te laten gaan, terwijl zij twee keer weg is gelopen en niet zolang bij vader wilde zijn.

3.1.9

Beklaagde droeg dingen op zonder naar de werkelijke problemen te kijken: zij deed niets aan de problemen van de kinderen met vader.

3.1.10

Beklaagde sprak met de kinderen zonder dat klaagster dat wist.

3.1.11

Beklaagde noemde de dochter een lastig meisje.

3.1.12

Beklaagde nam het persoonlijk op tegen klaagster.

3.1.13

Beklaagde dreigde met maatregelen in plaats van naar klaagster te luisteren.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

4.1.1

Beklaagde erkent dat de melding vanuit het […]ziekenhuis te lang is blijven liggen bij [de GI] en heeft hiervoor namens [de GI] excuses aangeboden aan klaagster. De melding van de GGD heeft beklaagde direct en met voorrang opgepakt om verdere vertraging te voorkomen. Het signaleren van meldingen en het toebedelen van meldingen aan [jeugdbeschermers] valt buiten de verantwoordelijkheid van beklaagde, dat is de verantwoordelijkheid van de teammanager.

4.1.2

Beklaagde heeft klaagster wel degelijk serieus genomen. De focus dient echter te allen tijde te liggen op de kinderen en hun veiligheid. Voor wat betreft de bevindingen t.a.v. de kinderen dient beklaagde een eigen, objectief oordeel te vormen. De bevindingen van beide ouders worden weliswaar in dit oordeel betrokken, maar vanzelfsprekend niet één op één overgenomen. Het is niet ongebruikelijk dat hierover verschil van inzicht bestaat tussen de [jeugdbeschermer] en de ouder(s). Dat klaagster hieruit heeft afgeleid dat beklaagde haar niet serieus heeft genomen, betreurt beklaagde maar kan haar niet tuchtrechtelijk worden verweten.

4.1.3

Beklaagde heeft steeds geprobeerd om klaagster op verschillende manieren te motiveren mee te werken aan hulpverlening en te handelen in het belang van de kinderen. Beklaagde heeft hierbij steeds open, transparant, professioneel en respectvol gecommuniceerd naar klaagster. Geenszins heeft zij de bedoeling gehad aanvallend over te komen. Wel is de taak van beklaagde om ouders te wijzen op hun verantwoordelijkheid.
Het klachtenonderdeel dat beklaagde onvoldoende informatie zou geven aan klaagster, kan zij niet plaatsen. Klaagster heeft niet onderbouwd om welke informatie zij gevraagd zou hebben die zij niet gekregen heeft.

4.1.4

Het klopt dat beklaagde geen terugkoppeling van de gesprekken heeft gegeven, dat is ook niet gebruikelijk. Wel adviseert beklaagde ouders altijd om zelf belangrijke punten te noteren. Gemaakte afspraken over bijvoorbeeld de omgangsregeling, zijn wel schriftelijk vastgelegd.

4.1.5

Beklaagde kan dit klachtenonderdeel niet plaatsen. Bij gebrek aan feitelijke onderbouwing dient deze klacht te worden afgewezen.

4.1.6

Beklaagde betwist dat zij dingen tegen de kinderen heeft gezegd die niet gepast zijn. De door klaagster genoemde uitlatingen heeft beklaagde niet gedaan. Doordat de dochter aangaf dat zij haar vader geen kansen meer wilde geven, heeft beklaagde doorgevraagd om te achterhalen wat hiervan de oorzaak was. Geenszins heeft beklaagde hierbij de suggestie gewekt dat zij de kant van vader kiest.

4.1.7

Beklaagde betwist dat zij voorrang gaf aan materiële zaken boven het belang van de kinderen. Na de kennismakingsgesprekken en enkele systeemgesprekken heeft beklaagde geconcludeerd dat de kinderen erg lijden onder de complexe scheiding van hun ouders. Beklaagde heeft daarom hulpverlening door X. voorgesteld om ouders te helpen de strijd tussen beiden te stoppen.
In de periode totdat de hulpverlening zou beginnen, heeft beklaagde gesprekken gevoerd met de ouders met de focus op de omgangsregeling die het belang van de kinderen dient. Omdat naast de omgangsregeling veel spanningen tussen ouders bestonden over de financiële zaken, heeft beklaagde hier mede aandacht aan besteed teneinde de spanning en strijd te verminderen en daarmee een veiligere situatie voor de kinderen te creëren. Begin december heeft beklaagde echter aangegeven dat de financiële kant van de scheiding niet tot haar vakgebied behoort en zich hiervan te distantiëren. Anders dan klaagster stelt, heeft beklaagde met deze werkwijze wel degelijk in het belang van de kinderen gehandeld.

4.1.8

Beklaagde heeft klaagster herhaaldelijk aangesproken op haar verantwoordelijkheid jegens haar kinderen. Deze verantwoordelijkheid behelst onder andere dat klaagster meewerkt aan de vastgelegde omgangsregeling. Anders dan klaagster stelt, is er geen sprake van een opdracht maar van een eigen verantwoordelijkheid van klaagster om uitvoering te geven aan de omgangsregeling. Dat het aanspreken op de verantwoordelijk moeilijk kan zijn voor klaagster, begrijpt beklaagde maar doet niet af aan het feit dat het haar professionele taak is.

4.1.9

Beklaagde betwist dat zij geen actie heeft ondernomen. Het is haar taak als [jeugdbeschermer] om in het belang van de kinderen de problemen in kaart te brengen en aan de hand daarvan adequate hulpverlening te organiseren. Dit heeft beklaagde gedaan door de kennismakings- en systeemgesprekken te houden en een probleemanalyse te maken. Daaruit bleek dat de problemen van de kinderen grotendeels worden veroorzaakt door de problematische scheiding van hun ouders. Om de strijd tussen de ouders te stoppen, heeft beklaagde aan hen hulpverlening van X. voorgesteld. Tijdens die hulpverlening heeft beklaagde tussentijdse gesprekken met betrokkenen gevoerd en het traject bij X. gemonitord.
Indicaties voor andere acties dan die zijn genomen, zijn er niet geweest. Omdat beklaagde tenslotte vruchteloos al haar mogelijkheden had benut om de ouders tot een ander inzicht te brengen in het belang van hun kinderen, heeft beklaagde in een laatste poging voorgesteld om een nieuwe [jeugdbeschermer] aan het gezin toe te wijzen.

4.1.10

Beklaagde betwist dat zij met de kinderen op school heeft gesproken zonder dat klaagster hiervan op de hoogte was. Nadat de dochter in een weekend voor de tweede keer was weggelopen bij haar vader, heeft beklaagde direct een gesprek gearrangeerd. Bij dit gesprek heeft beklaagde tegen klaagster gezegd de kinderen op school te zullen benaderen.

4.1.11

Beklaagde betwist dat ze de dochter een lastig meisje heeft genoemd. De term ‘lastig’ is in een gesprek met haar wel gevallen, maar dan in relatie tot de situatie en zeker geen betrekking hebbend op de dochter.

4.1.12

Het is de taak van beklaagde om de belangen van de kinderen te dienen. Deze taak staat niet zelden op gespannen voet met het belang van de ouders, zeker in een complexe scheiding. Dit kan de ouder(s) het gevoel geven dat er niet geluisterd wordt. Dit is echter nooit persoonlijk, het belang van de kinderen staat te allen tijde voorop.

4.1.13

Beklaagde wil voorop stellen dat zij begrijpt dat het voor ouders zeer bedreigend is of kan zijn als de Raad in beeld komt. Dat neemt niet weg dat het haar taak is om transparant te zijn naar ouders door hen te wijzen op de mogelijke consequenties als het ouders niet lukt om zelf het belang en de veiligheid van hun kinderen op deugdelijke wijze te waarborgen. Op 1 september 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen beklaagde en de ouders. Beklaagde heeft daarin wederom ouders gewezen op hun verantwoordelijkheid en uitgelegd dat als de ouders niet zelf in staat zijn om hun problemen op te lossen, zij niet anders kan dan de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) in te schakelen voor een beschermingsonderzoek. Beklaagde is van mening dat zij dat op heldere en transparante wijze met klaagster heeft gecommuniceerd zonder daarbij dreigend te zijn.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2013. Zij is als [jeugdbeschermer] bij het gezin betrokken geweest van oktober 2014 tot 22 september 2015. Het College toetst het beroepsmatig handelen van beklaagde over de periode dat zij betrokken is geweest bij het gezin. Klachten die betrekking hebben op de periode daarvoor, alsmede onderdelen van klachten over de periode na haar betrokkenheid spelen bij deze beoordeling geen rol.

5.3

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm en overweegt het volgende.

5.4

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting is besproken stelt het College vast dat de kern van de klacht uit twee onderdelen bestaat:

– klaagster voelt zich door beklaagde onheus bejegend en niet gehoord, doordat de hulpvraag en zorgen van klaagster over haar kinderen niet door beklaagde zijn opgepakt en beklaagde onvoldoende heeft toegezien en teruggekoppeld voor wat betreft de tussen de ouders gemaakte afspraken;

– beklaagde heeft een verkeerde prioriteit gesteld, in plaats van psychologische hulp in te stellen voor de kinderen en de kinderen te beschermen tegen hun vader heeft beklaagde zich gericht op de scheidingsproblematiek en de materiële zaken.

5.5

Het College beperkt zich in zijn oordeel tot de kern van de klacht zoals hierboven weergegeven.

5.6

Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel dat klaagster zich door beklaagde onheus bejegend en niet gehoord voelt, overweegt het College het volgende. Gebleken is dat beklaagde vanaf het begin van haar betrokkenheid met ouders heeft gecommuniceerd over de best passende hulpverlening en het te volgen traject. Beklaagde heeft daarbij geluisterd naar de wensen van klaagster, inhoudende psychologische hulpverlening voor de kinderen.
Na kennismakingsgesprekken en systeemgesprekken heeft beklaagde echter geconcludeerd dat de kinderen lijden onder de complexe scheiding van hun ouders. Beklaagde heeft hulpverlening door X. voorgesteld om de relatie tussen de ouders te verbeteren.

5.7

Vanwege het feit dat beklaagde haar bevindingen van begin af aan en herhaaldelijk heeft gecommuniceerd met klaagster en zij geluisterd heeft naar de wensen van klaagster, is het College van oordeel dat van een gebrekkige communicatie of bejegening niet kan worden gesproken. Dat beklaagde de wens van klaagster om psychologische hulpverlening in te schakelen voor de kinderen niet heeft overgenomen, doet daar niet aan af. Ook het feit dat beklaagde de door ouders gemaakte afspraken niet herhaaldelijk heeft gecontroleerd en aan ouders heeft teruggekoppeld, geeft geen blijk van laakbaarheid in de bejegening of communicatie. Naar het oordeel van het College hebben ouders op dit punt een eigen verantwoordelijkheid. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.8

Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel dat beklaagde de verkeerde prioriteit heeft gesteld, overweegt het College het volgende. Het College stelt vast dat klaagster de focus van begin af aan wenste te leggen op het instellen van psychologische hulpverlening voor de kinderen en het beschermen van de kinderen tegen hun vader. Volgens de probleemanalyse van beklaagde lag echter aan de (psychische) problematiek van de kinderen de complexe scheiding van de ouders ten grondslag. Beklaagde heeft daarom de prioriteit gesteld aan verbetering van het contact tussen klaagster en haar ex-partner en heeft hen het hulpverleningstraject aangeboden bij X. Afhankelijk van de uitkomst van dat traject zou beklaagde vervolgens (psychische) hulpverlening voor de kinderen inschakelen. Het College concludeert dat de overwegingen van beklaagde voor de door haar ingezette hulpverlening voldoende helder zijn. Het College is niet gebleken dat beklaagde een verkeerde prioriteit heeft gesteld. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.9

Het College merkt op dat de rol van beklaagde in deze situatie, waarin sprake is van complexe scheiding, een lastige is geweest. Gebleken is dat beklaagde vanwege voornoemd visieverschil en het ontbreken van een vertrouwensrelatie niet bij klaagster heeft kunnen doordringen: zolang beklaagde de hulpvraag en zorgen van klaagster niet overnam en andere hulpverlening inzette dan klaagster wenste, voelde klaagster zich niet gehoord. Door deze vicieuze cirkel acht het College het een professioneel besluit dat de zaak aan een andere [jeugdbeschermer] is overgedragen. Ten overvloede merkt het College hierbij op dat een jeugdprofessional tegenwoordig in een dergelijke situatie werkt volgens de methodiek ‘Complexe Scheidingen’, wat met de kennis van nu een betere methode was geweest om destijds de zaak te behandelen. Dit is beklaagde echter niet te verwijten.

5.10

Al het voorgaande in overweging nemende, is het College van oordeel dat niet is gebleken dat beklaagde tekort is geschoten in de communicatie en bejegening met klaagster dan wel een verkeerde prioriteit heeft gesteld in de ingezette hulpverlening. Het College komt derhalve tot de slotsom dat beklaagde in lijn met haar beroepsnorm heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6 De Beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 19 juli 2016 in de genoemde samenstelling.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris