Klacht tegen jeugdzorgwerker over gebrekkige communicatie, niet in het belang van het kind handelen, niet naar behoren functioneren en het geen enkele vorm van samenwerking aangaan.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens,
mevrouw S.J. Ephraïm,
mevrouw U. Hammer,
E.A.J. Ouwerkerk, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen omtrent de door
A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. [gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure

Op 14 september 2015 heeft het College het klaagschrift ontvangen. Op 9 oktober 2015 is de aanvulling op de klacht ontvangen. Op 7 december 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen.
De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2016 in aanwezigheid van beklaagde, haar gemachtigde en haar werkbegeleider. Klager heeft afgezien om op de hoorzitting te verschijnen. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het klaagschrift voldoet aan de vereisten gesteld door artikel 10 lid 1 sub a en lid 4, artikel 11 en artikel 12 van het toepasselijke Tuchtreglement. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten

Klager is de vader van de op [datum] 2009 geboren J., hierna te noemen: J. De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over J. belast. Nadat de relatie tussen de ouders in september 2011 is beëindigd, is de hoofdverblijfplaats van J. bij moeder bepaald.

Op 11 januari 2012 is door de rechtbank een ondertoezichtstelling, hierna te noemen: OTS, over J. uitgesproken. Beklaagde is aangewezen om namens JB […], hierna te noemen: JB[…], de gezinsvoogdij uit te voeren. Beklaagde is als gezinsvoogd bij het gezin betrokken geweest tot aan haar uitval wegens ziekte medio juni 2015. De OTS is tot op heden telkenmale verlengd.
Op 11 december 2012 is ten aanzien van J. door de rechtbank een spoedmachtiging verleend voor plaatsing bij klager. Op 6 januari 2015 is een machtiging verleend voor plaatsing van J. in een voorziening van pleegzorg (bij opa en oma moederszijde).

Op 18 juni 2015 heeft het gerechtshof in hoger beroep de beschikking van 6 januari 2015 vernietigd en de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van één jaar verlengd, waarbij J. wederom bij klager werd geplaatst.
Naar aanleiding van de door klager ingediende tuchtklacht heeft er op 26 oktober 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen de leidinggevende van beklaagde en klager.

4 De klacht

Klager verwijt beklaagde, samengevat, het volgende.

4.1 Gebrekkige communicatie, zo wist klager niet wat hij van beklaagde kon verwachten en was beklaagde slecht bereikbaar.

4.2 Niet in het belang van het kind handelen, zoals onterecht verzoeken om uithuisplaatsing en niet opmerken hoe het met het kind ging.

4.3 Niet naar behoren functioneren, zo was beklaagde regelmatig afwezig, overspannen en zeer emotioneel. Beklaagde nam geen verantwoordelijkheid, ondanks haar overspannenheid bleef beklaagde werken waardoor ze grote fouten maakte. Bovendien is beklaagde na het hoger beroep met de noorderzon vertrokken en heeft ze klager en J. in de steek gelaten.

4.4 Geen enkele vorm van samenwerking aangaan, zo werden voorstellen van klager meteen door beklaagde afgekraakt.

5 Het verweer

Beklaagde herkent zich niet in de klachten en voert het volgende aan.

5.1 Vanaf het begin van de betrokkenheid van beklaagde bij het gezin, hebben er tussen klager en zijn ex-partner regelmatig escalaties plaatsgevonden. Beklaagde heeft daarbij steeds adequaat ingegrepen in het belang van J. In dat kader heeft beklaagde niet alleen duidelijk en zorgvuldig met klager gecommuniceerd, zij heeft ook duidelijke afspraken met klager gemaakt. Klager heeft deze afspraken echter regelmatig geschonden en heeft bovendien nooit te kennen gegeven dat hij iets niet begreep.

De samenwerking tussen beklaagde en klager verliep in het begin goed. De problemen leken te zijn ontstaan tijdens de verlofperiode van beklaagde in augustus 2014. Volgens klager zouden de collega’s van beklaagde toezeggingen hebben gedaan die niet zijn nagekomen. Om die reden heeft beklaagde gesprekken gevoerd met klager en de betreffende collega’s, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.

De stelling dat beklaagde slecht bereikbaar was, wordt betwist. In het geval beklaagde afwezig was, werd er altijd voor vervanging gezorgd.

5.2 Beklaagde heeft veelvuldig intern overleg gevoerd over de situatie. Voor zover grote beslissingen zijn genomen, zijn die altijd in teamverband besloten. Op het moment voorafgaand aan het verzoek tot plaatsing van J. in een pleeggezin, waren er voldoende gronden om het verzoek in te dienen. Dat blijkt ook uit de stukken. Bovendien is het verzoek getoetst door de rechtbank. Dat het oordeel in hoger beroep niet bekrachtigd is, wil niet zeggen dat beklaagde persoonlijk een verkeerde inschatting op dat moment heeft gemaakt. In hoger beroep wordt immers geoordeeld over de situatie zoals die op het moment van behandeling in beroep is.

Het verwijt dat beklaagde niet zou hebben opgemerkt hoe het met J. ging, vindt beklaagde onbegrijpelijk. Beklaagde heeft zich juist steeds primair ingezet in het belang van J.

5.3 Beklaagde is een enkele keer afwezig geweest vanwege vakantie en vrije dagen, klager is daarvan op de hoogte gesteld. Indien er in afwezigheid van beklaagde een calamiteit zou voordoen, was er binnen de organisatie voldoende opvang om adequaat te kunnen reageren. Van overspannenheid of emotioneel handelen tijdens de periode dat beklaagde actief betrokken was bij J., is geen sprake. Wel is het een keer voorgekomen dat zij tijdens een gesprek onwel werd. Beklaagde heeft de situatie op dat moment aan alle aanwezigen uitgelegd en het gesprek hervat nadat ze zich voldoende hersteld voelde. Dit voorval heeft niets te maken met een mogelijke overspannenheid zoals klager stelt. Niet juist is dat beklaagde zou blijven doorwerken ondanks de gestelde overspannenheid, laat staan dat beklaagde in dat kader fouten zou hebben gemaakt.

Wat betreft de beslissing tot uithuisplaatsing verwijst beklaagde naar haar verweer onder punt II. Ten slotte is onjuist dat beklaagde na het hoger beroep inzake de uithuisplaatsing met de noorderzon vertrokken zou zijn. Beklaagde is vanaf juni 2015 ziek geworden. Het is dan aan de organisatie om klager daarvan op de hoogte te stellen.

5.4 De stelling dat beklaagde voorstellen van klager meteen zou hebben afgekraakt, is onjuist. Voor zover klager voorstellen heeft gedaan, heeft beklaagde die, primair in het belang van J., zorgvuldig getoetst. Dat beklaagde veelvuldig contact met klager heeft gehad en haar handelen met klager afstemde, blijkt ook uit de producties.

6 De beoordeling

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm en overweegt het volgende.

Het College merkt op dat de kern van de klacht uit twee onderdelen bestaat: de communicatie en de samenwerking tussen klager en beklaagde.
Voor wat betreft het klachtonderdeel over de communicatie tussen klager en beklaagde, overweegt het College het volgende. In het dossier heeft het College geen aanknopingspunten kunnen vinden waarop dit klachtonderdeel gestoeld is. Nu het klachtenonderdeel in de stukken onvoldoende is onderbouwd en klager ervan heeft afgezien zijn klacht op een hoorzitting toe te lichten, zijn de feiten die ten grondslag liggen aan dit klachtonderdeel niet vast komen te staan. Het College is dan ook van oordeel dat het hierover geen inhoudelijk oordeel kan geven, hetgeen tot gevolg heeft dat het College dit klachtonderdeel ongegrond verklaart.

Voor wat betreft de klacht die betrekking heeft op de samenwerking tussen klager en beklaagde, overweegt het College dat vast is komen te staan dat beklaagde niet, zoals klager stelt, plotseling met de noorderzon is vertrokken. Beklaagde heeft voldoende onderbouwd dat zij vanaf [datum] juni 2015 wegens ziekte niet meer in staat was haar taak naar behoren uit te voeren en dat het de verantwoordelijkheid van haar organisatie is om klager daarover in te lichten. Voor zover de organisatie dat niet adequaat zou hebben opgepakt, is dit niet aan beklaagde toe te rekenen. Het College verklaart dit klachtenonderdeel ongegrond.

7 De beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 29 maart 2016 en op 24 mei 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris