De jeugdprofessional heeft onvoldoende gecommuniceerd met vader en zoon.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw U. Hammer,
mevrouw M. de Roos, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager wonende te [woonplaats] , ingediende klacht tegen: [beklaagde] , tot 1 december 2015 werkzaam bij de [instelling], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 14 maart 2016 met bijlagen;
– de aanvulling op het klaagschrift d.d. 13 mei 2016 met bijlage;
– het verweerschrift d.d. 15 april 2016 met bijlagen;
– de aanvulling op het verweerschrift d.d. 22 april 2016 met bijlage.

De behandeling heeft van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde. Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. E. Lam, […].
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten en omstandigheden uit.

2.1

Klager heeft uit een in 2011 ontbonden huwelijk, een zoon S., geboren op [datum] 2007. Na de scheiding heeft S. bij de ex-partner van klager (hierna: moeder) gewoond. Nadat moeder in november 2013 een auto ongeluk heeft gehad, is S. bij klager gaan wonen. Klager en moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over S. De relatie tussen klager en moeder is verstoord. Bij rechterlijke beschikking van 25 februari 2015 is een omgangsregeling vastgesteld met moeder. S. zal iedere dinsdag uit school tot na het eten, en eenmaal in de veertien dagen een weekend bij moeder verblijven.

2.2

In januari 2015 is bij Veilig Thuis een melding van de huisarts binnengekomen in verband met zorgen over de situatie van S.

2.3

Veilig Thuis heeft op 15 januari 2015 de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) verzocht een onderzoek in te stellen naar de opvoedsituatie van S.

2.4

Veilig Thuis heeft [instelling] gevraagd om gedurende het raadsonderzoek klager, moeder en S. vanuit een vrijwillig kader te ondersteunen en ouderschapsbemiddeling in te zetten. Beklaagde is met haar werkzaamheden gestart in februari 2015.

2.5

De Raad heeft op 6 juli 2015 een rapport uitgebracht en de rechtbank verzocht om S. onder toezicht te stellen.

2.6

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 2 september 2015 is S. onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar.

2.7

Beklaagde is tot en met 18 november 2015 namens [instelling] bij de zaak betrokken geweest.

2.8

Op 10 september 2015 is aan klager een vooraankondiging van een schriftelijke aanwijzing gegeven over het opvolgen van de zorgregeling. Met een brief van 18 september 2015 heeft beklaagde klager en moeder geadviseerd om de bezoekregeling zoveel mogelijk in het weekend te laten plaatsvinden.

2.9

Bij beschikking van 9 oktober 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van S. bij klager is. Een voorlopige zorgregeling is vastgesteld waarbij de dinsdagen zijn vervallen en S. om het weekend op zaterdag of zondag bij moeder zal verblijven. De beslissing over de zorgregeling en het verzoek van klager tot eenhoofdig gezag is aangehouden voor zes maanden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling (hierna: ots).

2.10

Op 23 oktober 2015 heeft klager een schriftelijke aanwijzing gekregen om op 29 oktober 2015 in het kader van de uitvoering van de ots met beklaagde in gesprek te gaan. [instelling] heeft de rechtbank verzocht om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. De rechtbank heeft op 1 februari 2016 de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd.

2.11

Beklaagde is tot 1 december 2015 werkzaam geweest als jeugd- en gezinsbeschermer bij [instelling]. Zij is thans niet meer werkzaam als jeugdzorgwerker.

3 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en in de kern zakelijk weergegeven het volgende.

1

Beklaagde heeft onjuiste of niet relevante informatie aan de rechter gegeven tijdens de laatste zitting bij de rechtbank waar de onder toezichtstelling werd besproken. Beklaagde heeft een twee maanden oud rapport over een traumatische situatie niet bij de rechter naar voren gebracht. S. is als getraumatiseerd gediagnosticeerd na het auto-ongeluk van moeder.

2

Beklaagde heeft niet of te laat gereageerd op e-mails of telefoontjes.

3

Beklaagde heeft S. in gevaar gebracht. Beklaagde heeft geweigerd naar S. en naar klager te luisteren. Klager heeft gezegd dat het niet goed ging met S. en heeft hier meerdere oorzaken voor genoemd. Klager heeft geprobeerd hulp te zoeken maar beklaagde heeft geen hulpverlening aan S. gegeven. Beklaagde heeft wel tegen S. gezegd dat zij hem zou helpen. Beklaagde heeft ook niet naar S. geluisterd nadat hij beklaagde heeft verteld dat hij niet naar moeder wilde. Ook is beklaagde in gebreke gebleven toen voor S. psychologische hulp moest worden ingeschakeld.
Beklaagde heeft twee keer in acht dagen de omgangsregeling veranderd. Beklaagde heeft S. gedwongen naar moeder te gaan terwijl hij dit niet wilde. Klager heeft voorspeld dat S. zou weglopen op momenten dat hij naar zijn moeder moest en dat is ook gebeurd. Dit heeft onder andere geresulteerd in broekplassen en weglopen van school. Beklaagde heeft pas na acht maanden een Plan van Aanpak verstuurd. Er staan veel onjuistheden in dit Plan.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en in de kern zakelijk weergegeven het volgende aan.

1

Klager heeft niet dan wel onvoldoende onderbouwd om welke zitting het ging en welke onjuiste informatie beklaagde aan de rechter zou hebben verstrekt.

2

Het is altijd de intentie van beklaagde geweest om een inhoudelijke reactie te geven op berichten van cliënten. Beklaagde heeft een grote hoeveelheid e-mails en telefoontjes van klager ontvangen. De e-mails waren aan beklaagde gericht maar betroffen inhoudelijk e-mails van de ouders aan elkaar die zij via beklaagde aan elkaar verstuurden. Ook waren de e-mails aan andere betrokkenen gericht. Door de hoeveelheid verschillende personen in de cc was het voor beklaagde lastig te filteren welke vraag en informatie aan [instelling] was gericht. Het was voor beklaagde ondoenlijk om op alle e-mails te reageren maar beklaagde heeft getracht om steeds zo snel mogelijk te reageren wanneer er sprake was van een directe vraag aan haar. Mogelijk had beklaagde hierover duidelijker met klager moeten communiceren alhoewel getwijfeld kan worden of dit tot een andere opstelling van klager had geleid. Beklaagde kan geen onzorgvuldigheid worden verweten omdat zij een afweging heeft gemaakt tussen reageren op mails en telefoontjes. Gezien de veelheid aan mails en telefoontjes heeft beklaagde hierin in redelijkheid op gereageerd.

3

Beklaagde ervaart het als een grove belediging dat zij ervan wordt beschuldigd S. te mishandelen en gevaarlijk voor hem is. Er is van mishandeling en gevaar geen enkele sprake geweest.
Tussen klager en beklaagde is een verschil in visie. Klager ziet de moeder van S. als een gevaar en wil daarom niet dat S. bij moeder is. In de visie van [instelling], Veilig Thuis en de RvdK zit S. klem in de strijd tussen klager en moeder.
Beklaagde ontkent niet dat S. een trauma heeft vanwege het auto ongeluk dat moeder heeft veroorzaakt en de wijze waarop S. moeder in het ziekenhuis heeft aangetroffen. Het verschil in visie zit in wat de juiste hulpverlening is voor S. Beklaagde heeft in een telefoongesprek met klager benoemd welke oorzaken er volgens haar waren.
Beklaagde heeft S. willen ontzien omdat Veilig Thuis en de RvdK al met hem hadden gesproken, zij wilde daarom niet opnieuw vragen aan hem stellen. Klager en moeder hadden hoge verwachtingen, de druk voor S. was hoog.
De overgang en de gevolgen van de hulpverlening in een vrijwillig kader naar een gedwongen kader (‘van drang naar dwang’) heeft beklaagde niet uitgebreid met klager besproken.
De RvdK heeft in het rapport aangestuurd op diagnostiek en ondersteuning door een psycholoog van S. Beklaagde heeft S. aangemeld bij een psychologenpraktijk. De aanmelding is gedaan in overeenstemming met klager en moeder. Deze praktijk heeft doorverwezen naar de tweede lijnspraktijk. Beklaagde heeft klager vanaf het begin gesteund na zijn aanmelding van S. bij het [naam instelling] in [plaatsnaam]. Het [naam instelling] was terughoudend om S. te helpen vanwege de strijd tussen klager en moeder.
Beklaagde heeft het hulpverleningsplan pas na enige en wellicht te lange tijd verstuurd aan klager en moeder hetgeen niet conform de werkwijze van [de instelling] is. Ouders konden echter niet met een gezamenlijke visie komen met betrekking tot de feiten zodat beklaagde niet een tabel met feiten kon invullen. Beklaagde had er achteraf gezien voor kunnen kiezen om deze tabel leeg te houden zodat voor het overige het gezinsplan kon worden vastgesteld.
De problemen bij S. hebben al gespeeld voordat beklaagde betrokken was bij het gezin. Beklaagde heeft met de omgangsregeling tussen S. en moeder uitvoering willen geven aan de rechterlijke beschikking terwijl ondertussen verzoeken tot wijziging van de omgangsregeling door de rechtbank zijn aangehouden en er voortdurend discussie over was.
Beklaagde heeft de omgangsregeling niet twee keer in acht dagen veranderd. Klager heeft een vooraankondiging van een Schriftelijke Aanwijzing ontvangen met een voornemen tot een Schriftelijke Aanwijzing. De vooraankondiging was erop gericht om klager mee te laten werken aan de omgangsregeling zoals bepaald is in de beschikking van 25 februari 2015. Er was nog geen nieuwe uitspraak zodat de eerder vastgestelde regeling nog van kracht was en moest worden nageleefd.
Na de reacties van klager en moeder heeft beklaagde besloten om af te zien van het geven van een schriftelijke aanwijzing. In het belang van S. heeft beklaagde alleen een advies gegeven. Deze beslissing is overlegd met de gedragsdeskundige en was er op gericht om voor S. duidelijkheid en rust te creëren.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.
Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.
Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

1:

Klager heeft dit klachtonderdeel niet met feiten onderbouwd. Voorts is uit de stukken en de mondelinge behandeling bij het College niet gebleken dat beklaagde onjuiste of niet relevante informatie aan de rechter heeft gegeven. Het klachtonderdeel is ongegrond.

2:

Het College heeft uit de stukken en de mondelinge behandeling bij het College kunnen opmaken dat klager een grote hoeveelheid e-mails naar beklaagde heeft gestuurd. Ook is beklaagde in een aantal e-mails aan anderen in de cc vermeld. Zowel klager als beklaagde hebben te kennen gegeven dat er geen afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop beklaagde zou reageren en het tijdstip.
Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij de e-mails van klager heeft gefilterd om te bezien op welke e-mails zij zou reageren.
Het College is van oordeel dat beklaagde in strijd met artikel F (informatievoorziening over de hulp-en dienstverlening) van de Beroepscode voor jeugdzorgwerkers heeft gehandeld door niet met klager te communiceren over de wijze en tijdstip van beantwoording van zijn e-mails.
Beklaagde had klager duidelijk moeten maken op welke e-mails zij gezien het grote aantal berichten wel en niet zou reageren. Klager had op deze wijze geweten waar hij aan toe was en wat hij van beklaagde kon verwachten.

Het klachtonderdeel is gegrond.

3:

De taak van beklaagde is neergelegd in artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker: ‘de jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt en werkt daartoe samen met diens sociale omgeving’.
Op grond van dit artikel staat het kind, S., centraal.

Klager heeft gesteld dat beklaagde S. in gevaar heeft gebracht. Het College heeft in de stukken en de mondelinge behandeling bij het College geen enkel aanknopingspunten kunnen vinden die maar een begin van aannemelijkheid kan geven voor het standpunt van klager. Dit gedeelte van klachtonderdeel III is ongegrond.

De kern van het derde klachtonderdeel is dat beklaagde noch naar S. noch naar klager heeft geluisterd.

Beklaagde heeft niet geluisterd naar S.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge bij het College verklaard dat zij ingestoken heeft op de hulp voor S., dat er veel verschillende partijen bij S. waren betrokken en dat beklaagde gehandeld heeft op basis van een raadsrapport waarin de visie van klager is weergegeven. Het College is zich bewust van het gecompliceerde krachtenveld waarin beklaagde heeft moeten opereren. Daarnaast hebben factoren een rol gespeeld die de zaak er niet eenvoudiger op hebben gemaakt zoals het ongeluk van moeder, de hoge intelligentie van S., het gedrag van S. op momenten dat hij omgang met moeder had en de slechte verstandhouding tussen klager en moeder.

Hieraan doet naar het oordeel van het College echter niet af dat beklaagde als gezinsvoogd haar verantwoordelijkheid moet nemen om S. in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht te laten komen. Beklaagde heeft weinig tot geen initiatief genomen in het contact met S. terwijl die momenten zich wel hebben aangediend. Voorbeelden die beklaagde heeft genoemd zijn: de lunch, de boomhut en het opsluiten van S. op de wc toen hij naar zijn moeder moest. Tijdens contactmomenten heeft beklaagde bij S. spanning waargenomen. Vervolgens heeft zij niet doorgevraagd vanwege de druk en verwachtingen van klager en moeder. Het College heeft de indruk dat de terughoudende opstelling van beklaagde te verklaren is vanuit handelingsverlegenheid.
Het behoort echter tot de taak van beklaagde om ook in moeilijke situaties te durven handelen. Het College is van oordeel dat beklaagde een nauwer contact met S. had moeten leggen om te bezien welke hulp het beste bij hem zou passen. Door dat na te laten, is beklaagde tekortgeschoten in haar bovengenoemde taak.

Beklaagde heeft niet geluisterd naar klager

Uit artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker vloeit voort dat de jeugdprofessional samenwerkt met de sociale omgeving van de jeugdige cliënt.
Het College heeft geconstateerd dat beklaagde in de gesprekken die met klager, op verschillende momenten het initiatief had moeten nemen om klager zijn kant van het verhaal te laten vertellen. In de ogen van klager is er sprake van een trauma bij S. dat moet worden behandeld. Beklaagde heeft een andere visie. Beklaagde had zich in deze casus steviger moeten positioneren door naar de visie van klager te luisteren, deze visie van klager expliciet te benoemen en vervolgens haar visie met klager te delen.

Uit het verweer en de mondelinge behandeling bij het College is niet gebleken dat beklaagde deze verschillen in visie met klager heeft besproken en heeft erkend. Een telefoongesprek waarin enkel de visie van beklaagde is benoemd, acht het College niet voldoende. Desgevraagd heeft beklaagde verklaard dat zij niet met klager heeft gesproken over de samenwerking. Door dit na te laten, heeft beklaagde niet gezocht naar gezamenlijke consensus. Het behoort tot de autonomie van beklaagde om met klager te bespreken wat de overgang van ‘drang naar dwang’ betekent voor klager en S. Door niet met klager te spreken over het veranderde kader zijn de verwachtingen van klager en beklaagde verder uiteengelopen. Beklaagde had deze overgang uitdrukkelijk moeten markeren zodat klager en S. op de hoogte waren van de gevolgen na de ots. Beklaagde had hiermee tevens de mogelijkheid kunnen aangrijpen om in het gesprek met klager de samenwerking op te zoeken.

Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

Op grond van het bovenstaande kan beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Enerzijds is sprake van een complexe casus. Anderzijds ontbreekt het in het optreden van beklaagde aan de elementen positioneren en engageren. Dit is het geval bij de communicatie met klager ten aanzien van de grote hoeveelheid e-mails. Het College doelt hierbij eveneens op het stelling nemen en aansluiten bij de mening van zowel S. als klager. En het gaat voorts om de wijze waarop beklaagde toenadering zoekt tot klager om te horen en erkennen dat hij een andere mening en visie heeft. Deze verschillen dienen vervolgens te worden benoemd. Beklaagde heeft in strijd gehandeld met artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening).

Op grond van deze omstandigheden acht het College een maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
– Klachtonderdeel I. is ongegrond,
– Klachtonderdeel III is gedeeltelijk ongegrond,
– Klachtonderdeel II is gegrond,
– Klachtonderdeel III is gedeeltelijk gegrond,
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan op 29 juni 2016 en op 24 augustus 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden en ondertekend door de voorzitter en secretaris.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris