Moeder dient vier klachten in tegen twee raadsonderzoekers over de wijze waarop het raadsrapport tot stand gekomen is

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. D.J. Markx , voorzitter,
De heer E. Weise, lid-beroepsgenoot,
De heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:
[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie], hierna te noemen : de RvdK.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 15 januari 2016;

– het verweerschrift d.d. 8 februari 2016.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 september 2016 in aanwezigheid van klaagster en haar partner, beklaagde en haar advocaat de heer mr. F. Westenberg.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

Op 18 mei 2016 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. De procedure is ten tijde van de bemiddeling geschorst. De bemiddeling is niet geslaagd waarna de procedure is hervat.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.a

Klaagster heeft uit een in 2013 beëindigde relatie een dochter [middelste dochter], geboren op [datum] 2013. De vader van [middelste dochter], klaagsters ex-partner (verder te noemen: vader) heeft [middelste dochter] erkend. Klaagster is belast met het ouderlijk gezag. De verstandhouding tussen klaagster en vader is niet goed.
Klaagster heeft uit een eerdere relatie een dochter [oudste dochter] geboren op [datum] 2007.
Klaagster heeft met haar huidige partner een dochter [jongste dochter], geboren op [datum] 2015.

Na de beëindiging van de relatie tussen klaagster en vader zijn er drie omgangsmomenten tussen vader en [middelste dochter] geweest. De omgang heeft plaatsgevonden op zaterdag gedurende een uur in aanwezigheid van de vader van klaagster. Klaagster is van mening dat [middelste dochter] bij vader niet veilig is. Klaagster heeft contact opgenomen met de wijkagent vanwege bedreigingen van vader. Sinds januari 2014 is de omgang tussen [middelste dochter] en vader gestopt. Klaagster en vader hebben sindsdien geen contact meer gehad. Klaagster is verhuisd en heeft vader niet geïnformeerd.

2.b

Klaagster heeft in de onder 2.a. genoemde periode begeleiding gehad van schoolmaatschappelijk werk voor [oudste dochter]. Tot 2013 heeft klaagster begeleiding gehad van instelling 1.

2.c

Vader heeft de rechtbank verzocht om omgang met [middelste dochter]. Bij beschikking van 11 maart 2016 heeft de rechtbank de RvdK verzocht onderzoek te verrichten en een advies uit te brengen. Het onderzoek had betrekking op de vraag of een omgangsregeling tussen [middelste dochter] en vader in het belang is van [middelste dochter] zou zijn en zo ja op welke wijze een eventuele omgang zou moeten worden opgebouwd en vormgegeven.

2.d

Het onderzoek van de RvdK is door beklaagde en haar collega [jeugdprofessional] , tegen wie klaagster een gelijkluidende klacht heeft ingediend, uitgevoerd. Zij werken al sinds 2012 samen bij dergelijke onderzoeken. Bij brief van 27 mei 2015 van de onderzoekers is klaagster geïnformeerd over het feit dat in het kader van het onderzoek informatie kan worden opgevraagd bij mensen die beroepsmatig bij klaagsters gezin betrokken zijn (geweest). Ook was daarbij een folder ingesloten waarbij de gang van zaken tijdens het onderzoek staat beschreven.

2.e

In die folder staat onder meer vermeld: “ Ook de informatie die ouders en kind hebben gegeven over genoemde onderwerpen uit het onderzoeksplan komen in het rapport. Daarnaast wordt de informatie opgenomen die anderen hebben verstrekt”.

2.f

Daarna hebben beklaagde en haar collega klaagster thuis bezocht en ruim anderhalf uur met haar gesproken. Ook klaagsters partner was bij dit gesprek aanwezig. Beklaagde heeft in dit gesprek met klaagster de gang van zaken nader toegelicht en geverifieerd of alle informatie bij klaagster is overgekomen.

2.g

Klaagster heeft een toestemmingsverklaring ondertekend. In deze verklaring staan de instelling 1 en instelling 2 en 3 andere informanten, alle door klaagster opgegeven, als informanten vermeld.

2.h

Op 16 juni 2015 is een conceptrapport opgesteld. De RvdK heeft geadviseerd om de omgang tussen [jeugdige] en vader begeleid op te starten. Naar aanleiding van het rapport heeft de rechtbank het verzoek van vader voor de duur van zes maanden aangehouden.

2.i

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

De privacy van klaagster is geschonden. Beklaagde heeft vertrouwelijke informatie (het dossier van instelling 1 en instelling 2) in het raadsrapport beschreven en doorgestuurd naar onder andere vader en de rechtbank. Klaagster heeft een toestemmingsverklaring ondertekend maar zij heeft alleen toestemming gegeven aan beklaagden om informanten te benaderen.

II

De feiten in het raadsrapport zijn verdraaid en beklaagde is vooringenomen. Klaagster voelt zich niet gehoord. De medische gesteldheid van klaagster is niet van invloed geweest op haar draagkracht. Door de aanpak van beklaagde is onrust ontstaan tussen zowel klaagster en vader als in de huidige thuissituatie van klaagster. Doordat feiten zijn verdraaid, is vader op tilt geslagen. Beklaagde heeft de zaak laten escaleren. Beklaagde heeft het doen voorkomen dat klaagster een moeder is met veel problemen met de opvoeding van haar kinderen.

III

Beklaagde heeft in het raadsrapport gedreigd met een kinderbeschermingsmaatregel terwijl klaagster vóór het raadsrapport al heeft ingestemd met de inzet van hulpverlening.

IV

Beklaagde is partijdig. Zij heeft de teksten van vader exact overgenomen in het raadsrapport.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

Beklaagde heeft in haar verweerschrift de werkwijze van het raadsonderzoek uiteengezet. Deze is vastgesteld naar de richtlijnen van Het Kwaliteitskader. Kort samengevat houdt deze werkwijze in dat tijdens een multidisciplinair overleg (MDO) de vraagstelling voor het onderzoek wordt bepaald. Het conceptrapport wordt eveneens in het MDO besproken; de conclusies en adviezen worden in het MDO vastgesteld. Het conceptrapport wordt vervolgens naar beide ouders verstuurd. De ouders worden eveneens telefonisch geïnformeerd. De ouders hebben de mogelijkheid om te reageren op de inhoud van het conceptrapport. Deze reactie kan in het rapport worden verwerkt of als bijlage bij het rapport worden gevoegd. Daarna wordt het definitieve rapport uitgebracht.
Beklaagde is van mening dat er bij klaagster geen onduidelijkheid of misverstand heeft kunnen bestaan over het feit dat verkregen informatie van klaagster zelf, vader en derden het rapport zouden worden opgenomen. Beklaagde heeft aangevoerd dat zij tijdens het gesprek bij klaagster thuis bij klaagster en haar partner heeft geverifieerd of de hiervoor beschreven gang van zaken duidelijk was.

II

Zowel klaagster als vader zijn het onderwerp geweest van het raadsonderzoek. De onderzoeksvraag bij klaagster heeft betrekking gehad op de draagkracht van klaagster ten aanzien van contacten tussen [middelste dochter] en vader. De informatie van instelling 1 is voor deze onderzoeksvraag relevant geweest en in het rapport opgenomen. Daarnaast heeft de informatie van instelling 2 beklaagde inzicht gegeven in de periode waarin klaagster met vader heeft samengewoond. De informatie van instelling 2 is integraal in het rapport opgenomen nadat klaagster te kennen heeft gegeven dat zij de situatie van [middelste dochter] bij vader niet veilig heeft geacht. De in het rapport opgenomen informatie van derden was van belang ter ondersteuning van de uiteindelijke conclusies en het advies.

Beklaagde is van mening dat zij het onderzoek objectief heeft uitgevoerd. Er is geen sprake van vooringenomenheid. Informatie afkomstig van bronnen, zoals onder andere instelling 2, is integraal opgenomen. Beklaagde is van mening dat geen sprake is van verdraaiing van feiten.

Klaagster heeft naar aanleiding van het raadsrapport op 18 juni 2015 telefonisch contact opgenomen met de RvdK. Klaagster heeft haar zorgen geuit over het feit dat het raadsrapport privacygevoelige informatie over klaagster zou bevatten en vader bekend zou worden met deze informatie. Beklaagde heeft toen telefonisch contact gehad en een schriftelijke reactie opgesteld. Deze brief is op 24 juni 2015 verstuurd. Beklaagde heeft vervolgens vader in een brief verzocht om de informatie in het rapport niet te verspreiden. Na het uitbrengen van het raadsrapport is niet gebleken dat vader de informatie uit het rapport onheus heeft gebruikt of de vertrouwelijkheid van deze informatie heeft geschonden.

De schriftelijke reactie van klaagster op het raadsrapport heeft beklaagde als bijlage bij het rapport gevoegd.

III

In het conceptraadsrapport staat onder 6 beschreven dat er geen kindsignalen zijn en dat een kinderbeschermingsmaatregel niet is geïndiceerd. Deze situatie kan anders worden als klaagster en vader geen of onvoldoende stappen zetten om voorwaarden te scheppen om de omgang met vader in de toekomst mogelijk te maken. Op termijn zou voor [jeugdige] een ontwikkelingsbedreiging kunnen ontstaan. Van een dreigement of misbruik van macht is geen sprake.

IV

In het rapport heeft beklaagde verslag gedaan van de gesprekken met zowel klaagster als vader.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

I:

Klaagster en haar partner hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het College desgevraagd te kennen gegeven dat zij het eerste gesprek met beklaagde en haar collega bij hun thuis als plezierig hebben ervaren. Zij hebben eveneens bevestigd dat beklaagde met hen heeft gesproken over het verloop van het raadsonderzoek. Ook hebben zij de folder met uitleg over het raadsonderzoek ontvangen. Klaagster heeft de informanten opgegeven en de toestemmingsverklaring ondertekend. Daarmee heeft klaagster toestemming gegeven aan beklaagde voor het opvragen van informatie.
Het College heeft geconstateerd dat de informatievoorziening van beklaagde aan klaagster correct is geweest. Klaagster was derhalve op de hoogte, had dat althans moeten zijn, van het feit dat informatie van de door haar opgegeven informanten in het rapport zou kunnen worden vermeld indien deze relevant was voor de conclusies en adviezen in het rapport. Dat staat immers met zoveel woorden in de folder en is door beklaagde tijdens het eerste gesprek vermeld. Ook heeft beklaagde toen bij klaagster geverifieerd of zij en haar partner de gang van zaken goed begrepen hadden.
Met deze klacht geeft klaagster te kennen dat zij dit bij aanvang van het onderzoek niet heeft begrepen, maar op grond van de hiervoor beschreven gang van zaken kan het College niet afleiden dat beklaagde in dit opzicht tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Voorts overweegt het College dat beklaagde niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van die door de informanten verstrekte inlichtingen.
Klaagster is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het raadsrapport en dat heeft zij ook gedaan. Haar schriftelijke reactie is aan het rapport gehecht.
Het feit dat klaagster het niet eens is met het rapport, betekent echter niet dat klaagster het uitbrengen van het rapport kon blokkeren.

De rechtbank heeft de RvdK opdracht gegeven om onderzoek te doen naar een omgangsregeling tussen vader en [middelste dochter]. Vervolgens heeft de Raad zijn bevindingen gerapporteerd aan de rechtbank. Vader is evenals klaagster partij in deze procedure bij de rechtbank en heeft daarom net als klaagster kennis kunnen nemen van de inhoud van het raadsrapport. In een gerechtelijke procedure moet de rechter er immers op toezien dat beide partijen over gelijke informatie beschikken. Dat brengt onvermijdelijk mee dat beide partijen kunnen kennisnemen van de door derden verstrekte informatie die in het rapport is opgenomen. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij na de onvrede van klaagster op dit punt vader heeft verzocht met de in het rapport over klaagster opgenomen informatie van derden vertrouwelijk om te gaan.
Ook in dit opzicht kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

II en IV:

Deze klachtonderdelen betreffen de werkwijze en de inhoud van het rapport. Voor de beoordeling van deze klachten hanteert het College hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard daarvoor is aanvaard. Op grond daarvan dient een raadsrapport vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid aan de volgende eisen voldoen:

a. In het rapport moet op heldere en consistente wijze uiteengezet worden op welke gronden de conclusie en het advies zijn gebaseerd;

b. De in de uiteenzetting genoemde gronden moeten op hun beurt aantoonbaar voldoende steun vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen zoals vermeld staat in het advies;

c. De bedoelde gronden moeten de conclusies kunnen rechtvaardigen;

d. De rapportage dient zich in beginstel te beperken tot het deskundigheidsgebied van de raadsonderzoeker.

Het College toetst ten volle of het onderzoek vanuit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van het rapport, vindt slechts een marginale toetsing plaats. Dat wil zeggen dat beoordeeld wordt of de raadsonderzoeker in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen.

Het door klaagster overgelegde rapport voldoet aan de eisen die aan een rapportage gesteld kunnen worden. Beklaagde heeft contact gehad met alle betrokkenen en heeft de zakelijke inhoud daarvan in het rapport omschreven. Ook heeft beklaagde in het rapport de bronnen aangehaald daar waar dit noodzakelijk is geweest.

Beklaagde heeft voorts in het rapport uiteengezet dat haar advies gebaseerd is op basis van (in het rapport weergegeven) gesprekken met alle betrokkenen en van de informatie die aan haar is verstrekt door instelling 1 en instelling 2. Zowel de visie van klaagster als de visie van vader is in het rapport opgenomen. Het advies is gemotiveerd. Daarnaast heeft beklaagde aannemelijk gemaakt dat de gezondheid van moeder en de melding bij Veilig Thuis relevant is geweest voor de beantwoording van de vraag of klaagster voldoende draagkracht heeft als het zou komen tot contacten tussen [middelste dochter] en vader.
Het rapport voldoet naar het oordeel van het College ook overigens aan de hiervoor vermelde eisen. Hetzelfde geldt, marginaal toetsend ten aanzien van het daarin opgenomen advies. Het College merkt in dit verband overigens op dat de beslissing van de rechtbank afwijkt van het advies.

Het College overweegt tenslotte dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld door klaagster na een telefoongesprek op 24 juni 2015 een schriftelijke reactie te sturen. In deze brief heeft beklaagde onder meer de verdere procedure uitgelegd. Ook is toegezegd dat vader geïnformeerd wordt over de vertrouwelijke informatie uit het rapport. Beklaagde heeft dat vervolgens in een brief aan vader d.d. 24 juni 2015 ook gedaan.

Het College heeft ook niet anderszins uit de stukken en/of de mondelinge behandeling bij het College kunnen opmaken dat beklaagde feiten verdraaid heeft of zich partijdig heeft opgesteld.

De klachtonderdelen II en IV zijn derhalve ongegrond.

III:

Uit het conceptrapport d.d. 16 juni 2015, pagina 15 onder kopje 6, maakt het College op dat indien klaagster en vader geen stappen zetten voor omgang tussen [middelste dochter] en vader, de RvdK zal overwegen bij de rechtbank een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen. Dit op grond van de overweging dat het uitblijven van contact tussen vader en [middelste dochter] op termijn een ontwikkelingsbedreiging kan vormen voor [middelste dochter].
Anders dan klaagster stelt, beschouwt het College dit niet als een dreigement; de RvdK heeft het vooruitzicht van het niet volgen van het advies geconcretiseerd. Voorts is het niet aan de RvdK om te beslissen over een eventuele kinderbeschermingsmaatregel maar zal het altijd de rechtbank zijn die daarover beslist.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:
– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan en door het College van Toezicht op 7 november 2016 aan partijen verzonden.

Mevrouw mr. D.J. Markx
voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman
secretaris