Het getuigt van zorgvuldigheid dat beklaagde tijdens de zitting haar vraagtekens heeft gezet bij de snelheid van het terugplaatsingstraject van het kind. Beklaagde is dan ook binnen de grenzen gebleven van haar beroepsgroep en alle klachtonderdelen zijn ongegrond. 

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
Alex van Empel, lid-beroepsgenoot,
Emil Weise, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen omtrent de door:

mevrouw A. (klaagster) en B. (klager), ingediende klacht tegen:

mevrouw C., hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 22 oktober 2015 met bijlagen;

– het verweerschrift d.d. 26 november 2015 met bijlage;

– de pleitnotities van beide partijen d.d. 19 april 2016.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 april 2016 in aanwezigheid van klagers en beklaagde. Beklaagde is bijgestaan door [gemachtigde]. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, kan van het volgende worden uitgegaan.

2.2

Uit de relatie van klaagster en haar toenmalige partner zijn vier kinderen geboren: minderjarige 1 en minderjarige 2 ([datum] 1998), minderjarige 3 ([datum] 2000) en minderjarige 4 ([datum] 2003).

2.3

Klager is de huidige partner van klaagster.

2.4

De kinderen zijn op 24 november 2009 onder toezicht gesteld (OTS).

2.5

Op 10 mei 2011 zijn de kinderen vanwege grote zorgen omtrent klaagster met een spoedmachtiging in pleeggezinnen geplaatst.

2.6

In juni 2012 is door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna te noemen: het NIFP) onderzoek gedaan naar het gezin en op basis daarvan is een NIFP-rapport opgesteld.

2.7

In 2012 zijn de twee oudste kinderen, [minderjarige 3 en 4], teruggeplaatst bij klaagster. De twee jongste kinderen, [minderjarige 1 en 2], verbleven in een perspectief biedend pleeggezin, met een onderbreking van enkele maanden voor [minderjarige 4], vanwege verblijf bij vader.

2.8

Op 4 december 2013 is klaagster, naar aanleiding van het raadsrapport van 22 juli 2013, ontheven uit het gezag over de kinderen [minderjarige 3 en 4].

2.9

Op 13 oktober 2015 heeft de rechtbank, naar aanleiding van het raadsrapport van 23 juni 2015, een verzoek van de betrokken jeugdzorginstelling behandeld tot beëindiging van het gezag van vader over  [minderjarige 3 en 4]. Aansluitend op voornoemde behandeling, heeft ten aanzien van deze kinderen de behandeling plaatsgevonden over de verlenging van de OTS en de machtiging uithuisplaatsing. Daarbij is ook een verzoek van de jeugdzorginstelling behandeld tot terugplaatsing van [minderjarige 4] bij moeder per 23 december 2015. Van dit laatste verzoek was beklaagde niet op de hoogte.

2.10

De rechtbank heeft in de beslissing van 18 november 2015 het gezag van vader over [minderjarige 3 en 4] beëindigd en de jeugdzorginstelling tot voogdes benoemd. Om die reden is het verzoek tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige 4] niet-ontvankelijk verklaard, omdat de jeugdzorginstelling als voogdes zelf bevoegd is om de verblijfplaats te beslissen.

2.11

Momenteel wonen alle kinderen weer bij klaagster en loopt er een procedure om klaagster in het gezag te herstellen.

3 De klachten

3.1

De klachten hebben betrekking op de gang van zaken tijdens de zittingsdag op de rechtbank op 13 oktober 2015. Klagers verwijten beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende.

3.2

Tijdens de behandeling bij de rechtbank van het verzoek tot terugplaatsing van [minderjarige 4] bij klaagster bleek dat beklaagde niet van de actuele stand van zaken en van dat verzoek op de hoogte was, terwijl de jeugdzorginstelling achter de terugplaatsing stond en dit ook al door de jeugdzorginstelling en het pleeggezin was gecommuniceerd met [minderjarige 4]. Klagers nemen dit beklaagde erg kwalijk. Bovendien kreeg klaagster de volgende dag tijdens een telefonisch contact met de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de Raad, te horen dat de Raad wel degelijk op de hoogte was van de terugplaatsing van [minderjarige 4] bij klaagster en van de procedure tot herstel van het gezag van klaagster. Deze informatie zou ook in het dossier van [minderjarige 4] staan.

3.3

Ondanks het feit dat beklaagde onvoldoende op de hoogte was van de meest recente informatie, heeft zij aan de rechtbank geadviseerd dat de terugplaatsing van [minderjarige 4] te snel zou gaan en daarmee beter gewacht kon worden. Beklaagde heeft nimmer gesproken met klagers of met de oudste kinderen [minderjarige 1 en 2] die al in 2012 en 2013 terug zijn geplaatst na een positief advies van de Raad en waarover de OTS reeds is beëindigd. Die periode van terugplaatsing heeft bovendien ook maar enkele maanden geduurd. Beklaagde had zich nimmer ter zitting mogen uitlaten op de wijze zoals zij dat heeft gedaan.

3.4

Voorts heeft beklaagde voorafgaand aan de zitting aan de jeugdzorginstelling allerlei vragen gesteld over het verleden die toen niet meer van belang waren. Ook heeft beklaagde zich bij het geven van het advies aan de rechtbank gebaseerd op een oud dossier waarvan de informatie niet meer klopt. De geldigheidsduur van het NIFP-rapport is na twee jaar verstreken en beklaagde had zich daar dus niet meer op mogen beroepen. Het feit dat klaagster destijds een tuchtklacht tegen de onderzoeker van het NIFP heeft ingediend en er een berisping is opgelegd maakt dat nog zwaarder.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan.

4.2

Beklaagde kan niet anders concluderen dan dat zij zich heeft verdiept in de voorgeschiedenis en in de actuele situatie. Beklaagde heeft kennis genomen van het dossier en van het raadsrapport ter onderbouwing van het verzoek tot gezagsbeëindiging van vader inclusief diens reactie en bijlagen van 23 juni 2015. Enkele dagen voorafgaand aan de zitting in oktober 2015 heeft beklaagde ook overleg gevoerd met de bij het gezin betrokken raadsonderzoeker.

4.3

Het is juist dat de Raad, en daarmee beklaagde, niet van het verzoek tot wijziging verblijfplaats van [minderjarige 4] bij klaagster op de hoogte was. De jeugdzorginstelling heeft de Raad daarover niet geïnformeerd. Dit is dan ook onderwerp van evaluatie. Beklaagde was wel op de hoogte van het verzoek tot gezagsbeëindiging van vader en beklaagde had zich volledig ingelezen in het dossier. In het raadsrapport van 23 juni 2015 stond onder andere een verwijzing naar het NIFP-rapport uit juni 2012 en een passage dat moeder volgens [minderjarige 4] gezegd zou hebben dat zij haar ‘tot haar achttiende’ niet meer wilde zien. Beklaagde had ook de rapportage van 22 juli 2013 bestudeerd die was opgemaakt naar aanleiding van het verzoek tot ontheffing van moeder uit het gezag. In beide rapportages kwam naar voren dat het opgroeiperspectief van [minderjarige 3 en 4] niet bij moeder lag. De persoonlijke problematiek van moeder zou niet van tijdelijke aard zijn.

4.4

Vanwege de kennis van het belaste verleden en het feit dat de jongste twee kinderen in een perspectief biedend pleeggezin zaten, kwam het verzoek van de jeugdzorginstelling om [minderjarige 4] terug te plaatsen als een onverwachte en verrassende wending. Voorafgaand aan de zitting waarin dit verzoek werd behandeld, heeft beklaagde zich door de betrokken medewerkers van de jeugdzorginstelling laten informeren over de achtergrond van dat verzoek en hun bevindingen. Toen pas bleek dat de belangrijkste grond voor dit verzoek was dat [minderjarige 4] zelf graag weer teruggeplaatst wilde worden. Daarnaast zou de huidige partner van klaagster een positieve invloed hebben op het functioneren van het gezin. De oudere broer en zus van [minderjarige 4] waren in een eerder stadium reeds teruggeplaatst en het zou goed met hen gaan. Beklaagde vroeg zich wel af hoe dit zich verhield met de contra-indicaties voor terugplaatsing van de twee jongste kinderen.

4.5

Tijdens de zitting bij de rechtbank gaf beklaagde aan dat zij geen oordeel kon geven over de vraag of de situatie bij klaagster voldoende veilig was, omdat de Raad daar recentelijk geen onderzoek naar heeft gedaan. Beklaagde heeft ter zitting niet naar het oude NIFP-rapport verwezen. Beklaagde heeft desgevraagd wel een opmerking gemaakt over de snelheid van een eventuele terugplaatsing. Beklaagde gaf aan dat [minderjarige 4] gezien de voorgeschiedenis en de vele verlieservaringen een beschadigd en kwetsbaar meisje is en dat haar opgroeiperspectief tot voor kort elders lag. Het contact tussen [minderjarige 4] en haar moeder was na een lange periode van geen contact, pas relatief kort geleden, weer herstellende en daarmee prematuur. Verder bleek ook dat [minderjarige 4] nog steeds boos was op haar moeder. Tijdens de zitting werd niet duidelijk hoe daar aandacht aan zou worden besteed. Om die reden heeft beklaagde te kennen gegeven het belangrijk te vinden het terugplaatsingsproces bijzonder zorgvuldig te laten verlopen om te voorkomen dat [minderjarige 4] opnieuw beschadigd zou worden. Beklaagde vroeg zich af of een traject van twee maanden niet ten koste zou gaan van de vereiste zorgvuldigheid. In dat verband had beklaagde naar aanleiding van de vraag van de rechter een wenselijk tijdspad voorgelegd en voorgesteld dat er bijvoorbeeld gedacht zou kunnen worden aan een stapsgewijs traject. Dit om het proces van terugplaatsing langzaam op te bouwen en het verloop van dit traject goed bij te houden. Tevens vroeg beklaagde zich af of het niet wenselijker was om de definitieve terugplaatsing pas na de zomervakantie te laten plaatsvinden, zodat [minderjarige 4] niet tussentijds van brugklas hoefde te wisselen.

4.6

Beklaagde is derhalve van mening dat zij als vertegenwoordiger van de Raad tijdens de zitting over het verzoek tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige 4] heeft gehandeld conform haar rol en functie, zoals beschreven in het Kwaliteitskader 2015. Zij heeft zich voldoende op de hoogte gesteld van de situatie en in haar afwegingen het belang van [minderjarige 4] voorop gesteld.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm.

5.3

Het College merkt op dat de kern van de klacht zich richt op de rechtszitting van 13 oktober 2015 en de klacht uit drie onderdelen bestaat: beklaagde was tijdens de zitting niet op de hoogte van de actuele stand van zaken, beklaagde heeft ter zitting onjuiste uitlatingen gedaan en beklaagde had zich niet mogen baseren op het rapport van het NIFP dat inmiddels ouder was dan twee jaar.

5.4

Voor wat betreft het klachtonderdeel 3.2 dat beklaagde niet op de hoogte was van de actuele stand van zaken, overweegt het College als volgt. Het is niet gebruikelijk dat een vertegenwoordiger van de Raad voorafgaand aan een rechtszitting zelf actief op zoek gaat naar de meest recente informatie. Het is aan de raadsonderzoeker om het dossier op orde te hebben en contact te onderhouden met de informanten. Wel is het gebruikelijk dat een vertegenwoordiger van de Raad voorafgaand aan een rechtszitting kort overleg voert met de desbetreffende jeugdzorginstelling. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde redelijkerwijze van het dossier mocht uitgaan en dat beklaagde in haar individuele handelen niet tekort is geschoten. Het College verklaart dit klachtenonderdeel ongegrond.

5.5

Met betrekking tot het klachtonderdeel 3.3 dat beklaagde zich ter zitting onjuist heeft uitgelaten en geen advies had mogen geven, overweegt het College als volgt. Beklaagde heeft vanuit haar functie van zittingsvertegenwoordiger van rechtswege de bevoegdheid om de Raad ter zitting te vertegenwoordigen. Gezien het feit dat beklaagde door de rechter verzocht is als deskundige bij de betreffende zitting aanwezig te zijn en als deskundige is gevraagd om zich uit te laten over de terugplaatsing van [minderjarige 4] naar moeder, heeft beklaagde in redelijkheid gehandeld door aan dat verzoek te voldoen. De functie van beklaagde brengt voorts met zich mee dat zij het belang van het kind voorop stelt en dat zij mogelijke zorgen en aandachtspunten benoemt. Het getuigt daarom van zorgvuldigheid dat beklaagde ter zitting haar vraagtekens heeft benoemd die zij, gezien de voorgeschiedenis, zet bij de snelheid van het terugplaatsingstraject van [minderjarige 4]. Het College wenst hierbij op te merken dat uit de stukken blijkt dat het niet alleen voor beklaagde maar ook voor de rechter nieuw was dat er reeds sprake was van een vergevorderd traject van de terugplaatsingsprocedure. Voorts is het aan het College niet gebleken dat beklaagde tijdens de beantwoording van de vragen van de rechter ter zitting adviezen heeft gegeven of zich heeft uitgelaten over onderwerpen waarover zij als vertegenwoordiger van de Raad geen kennis had. Beklaagde is dan ook binnen de grenzen van haar beroepsgroep gebleven. Het College verklaart dit klachtenonderdeel ongegrond.

5.6

Wat betreft het klachtonderdeel 3.4 dat beklaagde zich niet op een oud deel van het dossier had mogen baseren zoals het NIFP-rapport, overweegt het College dat wat er ook zij van de ouderdom van het rapport, beklaagde tijdens de hoorzitting van het College voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij op de betreffende rechtszitting door de rechter als deskundige gevraagd is om zich uit te laten over de terugplaatsing. Beklaagde heeft desgevraagd slechts, gezien de voorgeschiedenis, haar bedenkingen geuit over de snelheid van het terugplaatsingstraject. Gebleken is dat het NIFP-rapport niet tijdens de rechtszitting is genoemd. Daarbij wenst het College op te merken dat beklaagde ook van delen van oude rapporten mag uitgaan indien deze tot op heden een rol spelen. Zo speelt de passage dat moeder volgens [minderjarige 4] heeft gezegd tot aan haar achttiende geen contact meer te willen nog steeds een rol nu [minderjarige 4]. hierover thans nog boos blijkt te zijn. Beklaagde is voor wat betreft dit klachtonderdeel dan ook binnen de grenzen van haar beroepsmatig handelen gebleven. Het College verklaart dit klachtenonderdeel ongegrond.

6 Beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 19 april 2016 en op 14 juni 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris