Anders dan het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat klaagster vooraf geïnformeerd had moeten worden over de mogelijke uitbreiding van het raadsonderzoek naar de andere in het gezin verblijvende kinderen.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, is samengesteld als volgt:

Dhr. mr. P. A. J. Th. van Teeffelen, voorzitter;
Mw. A. Wilting en Dhr. W. L. Scholtus, leden-beroepsgenoten.
Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Tingen.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist in de zaak van

Mevrouw A., appellant en klaagster in eerste aanleg,

tegen

de heer B., jeugdzorgwerker, verweerder in beroep en beklaagde in eerste aanleg, gemachtigde mr. E. Lam, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

A.- hierna klaagster – heeft op 3 maart 2015 bij het College van toezicht tegen B. – hierna de jeugdzorgwerker of beklaagde – een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 april 2016, onder nummer 15.088T heeft dat College de klacht afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Beklaagde heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Partijen zijn verschenen tijdens de mondelinge behandeling op 14 oktober 2016.

2 Beslissing in eerste aanleg

Klaagster verwijt beklaagde dat hij de persoonsgegevens van haar zoon C. oneigenlijk heeft verwerkt. Klaagster heeft eenhoofdig gezag over die zoon en heeft daarvoor geen toestemming gegeven. Zij is niet door beklaagde geïnformeerd.

Het CvT heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“Anders dan klaagster stelt, is het College van oordeel dat beklaagde op grond van artikel 2.1. van het Kwaliteitskader de partner van klaagster heeft mogen vragen naar de leeftijd van C.
De toestemming van klaagster is in het onderhavige geval niet nodig geweest. De persoonsgegevens zijn dan ook niet oneigenlijk verwerkt.

Het onderzoek van beklaagde is naar aanleiding van een zorgmelding gestart. Op grond van het eerdergenoemde artikel is deze zorgmelding niet beperkt tot de kinderen waar de zorgmelding betrekking op heeft. Basiselementen uit het onderzoek van de Raad zijn de personalia van alle kinderen uit het gezin. Beklaagde heeft de opdracht gekregen om onderzoek te doen en een rapport op te maken waarin alle kinderen van vader zijn vermeld, inclusief die kinderen die deel uitmaken van het gezin waartoe vader behoort. De kinderen van vader bezoeken vader, klaagster en C. zodat sprake is van een gezinsverband (familylife). Door aldus te vragen naar de leeftijd van C. heeft beklaagde niet onzorgvuldig gehandeld in verband met de privacy gevoeligheid van dergelijke persoonsgegevens.

De klacht is ongegrond.”

Daarbij is het College van Toezicht niet ingegaan op het laatste onderdeel van de klacht, waarin klaagster zich beklaagt dat zij niet door beklaagde is geïnformeerd.

3 Vaststaande feiten en omstandigheden

Het College gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1

Klaagster heeft samen met haar partner, hierna te noemen vader, een minderjarige zoon C., klaagster is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over C.. Vader heeft uit een eerdere relatie kinderen.

3.2

In augustus 2015 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, hierna de Raad een melding ontvangen van Veilig Thuis inzake een kind uit een eerdere relatie van vader.

3.3

In de melding stond onder andere vermeld dat vader een relatie heeft met klaagster en dat zij samen een zoon, genaamd C., hebben.

3.4

Op 8 oktober 2015 heeft beklaagde een gesprek met vader gehad over voornoemde melding. Klaagster was bij dit gesprek aanwezig als ondersteuner van vader/toehoorder.

3.5

Op 19 oktober 2015 heeft een multidisciplinair overleg plaatsgevonden, waarin is besloten dat C. niet betrokken werd bij het onderzoek van de Raad.

3.6

Op 3 november 2015 heeft beklaagde een e-mail aan vader gestuurd met daarin de mededeling dat hij vergeten was om hem te spreken over C. en dat het in beginsel zo is dat de Raad het onderzoek uitbreidt naar andere zich in het gezin verblijvende minderjarige kinderen. Beklaagde liet weten dat hij daarom ook iets moest vermelden over C. Beklaagde heeft vader verzocht om de leeftijd van C. door te geven. Hierop heeft vader laten weten dat klaagster was belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over C. en dat beklaagde hiervoor bij klaagster moest zijn.

3.7

Klaagster heeft in een e-mail aan beklaagde op 11 november 2015 vragen gesteld over een mogelijke uitbreiding van het onderzoek naar C. en de verwerking van de persoonsgegevens van C.

3.8

Bij brief van 12 november 2015 heeft beklaagde hierop aan klaagster laten weten dat er geen aanleiding is geweest om het onderzoek uit te breiden naar C. Beklaagde heeft daarbij aan klaagster zijn excuses aangeboden voor het gegeven dat hij heeft nagelaten haar vooraf op de hoogte te stellen van de mogelijke uitbreiding van het onderzoek naar andere minderjarige kinderen binnen de opvoedomgeving van vader.

4 Beoordeling van het beroep

4.1

Het beroep- zo is ter zitting gebleken- richt zich met name tegen het feit dat klaagster als enige ouder met gezag niet vooraf door beklaagde is geïnformeerd over het feit dat het onderzoek van de Raad zich zou kunnen uitbreiden naar de andere in het gezin aanwezige minderjarige kinderen, onder wie C.
Ten aanzien van de informatieplicht van beklaagde ten opzichte van klaagster overweegt het College als volgt. Zoals beklaagde in het verweer terecht naar voren heeft gebracht geeft de Raad met het instellen van een onderzoek naar aanleiding van een zorgmelding uitvoering aan een publiekrechtelijke taak en is de verwerking van de persoonsgegevens van C. noodzakelijk ter uitvoering daarvan. Het CvT overweegt in zoverre terecht, dat de toestemming van klaagster daarvoor niet nodig was.
Dit ontslaat beklaagde echter niet van zijn beroepsplicht, zoals omschreven in artikel F van de beroepscode voor jeugdzorgwerkers, om de enige met het gezag belaste ouder hierover vooraf te informeren. Beklaagde had ter gelegenheid van het gesprek dat werd gevoerd met vader op 8 oktober 2015, waarbij klaagster aanwezig was, klaagster moeten wijzen op de mogelijkheid dat het onderzoek zou kunnen worden uitgebreid naar alle in het gezin aanwezige minderjarige kinderen, onder wie C. Dat deze mogelijkheid wordt genoemd in de correspondentie die naar vader is gestuurd en is vermeld in het met vader besproken START document tijdens het gesprek op 8 oktober 2015, is niet voldoende. Nu klaagster de enige met het gezag belaste ouder was mocht beklaagde er niet van uitgaan dat vader dit met klaagster zou bespreken.
Het beroep van klaagster is in zoverre gegrond.
In zijn brief van 12 november 2015 heeft beklaagde voor de gang van zaken aan klaagster reeds zijn excuses aangeboden en ter zitting nogmaals kenbaar gemaakt dat hij uit de gebeurtenissen lering heeft getrokken voor zijn toekomstige beroepsuitoefening.
Het college acht het daarom niet nodig om een maatregel op te leggen.

5 De uitspraak

Het college verklaart het beroep in zoverre gegrond, dat klaagster terecht heeft geklaagd, dat zij vooraf als ouder belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over C. door beklaagde geïnformeerd had moeten worden over mogelijke uitbreiding van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar andere kinderen van vader, onder wie C..
Bevestigt de uitspraak van het College van Toezicht, waartegen beroep, voor het overige.

Aldus gegeven op 9 december 2016 in de genoemde samenstelling.

Mr. P. A. J. Th. van Teeffelen, voorzitter
Mevrouw mr. A. Tingen, secretaris