De jeugdprofessional heeft vader voldoende geïnformeerd, met hem gecommuniceerd en reflecterend vermogen getoond door zijn handelen met collega’s te bespreken.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist
mevrouw N. Baljet,
mevrouw U. Hammer,
mevrouw S. Ephraïm, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional] werkzaam bij [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 24 november 2015 met bijlagen;

– de aanvullingen op het klaagschrift d.d. 11 december 2015, 21 december 2015 en 23 december 2015.

– het verweerschrift d.d. 15 februari 2016 met bijlagen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016 in aanwezigheid van klager en beklaagde.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw [naam] en de heer [naam]. Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden [naam].

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.a

Klager heeft een zoon, [zoon], geboren op [datum] 2005. Klager en zijn ex-partner, hierna: moeder, zijn sinds 2011 gescheiden. Na de scheiding heeft [zoon] bij moeder gewoond tot 3 oktober 2014. Klager en moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over [zoon].

2.b

Bij beschikking van 17 februari 2014 is [zoon] onder toezicht gesteld van [naam], thans de gecertificeerde instelling [naam], hierna te noemen: de GI. Op het moment van de ondertoezichtstelling (ots) is sprake van een wachtlijst bij de GI.

2.c

Beklaagde heeft sinds 15 september 2014 de gezinsvoogdij uitgevoerd voor klager en moeder.
Een collega-gezinsvoogd van beklaagde is opgetreden als gezinsvoogd voor [zoon].

2.d

Voorafgaande aan de ots hebben het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) onderzoek verricht.

2.e

De zorgen zijn niet op de reguliere wijze gemeld omdat klager en moeder beiden werkzaam zijn binnen de jeugdhulpverlening. De toenmalige directeur van het AMK heeft de melding gedaan.

2.f

Beklaagde heeft na overleg met collega’s, de gebiedsmanager en de gedragswetenschapper besloten te gaan starten met de methodiek ‘[naam]’. Klager en moeder zijn hierover geïnformeerd op 18 september 2014 en zijn uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek op 25 september 2014. Beklaagde en zijn collega-gezinsvoogd, klager en moeder zijn bij dit gesprek aanwezig geweest.

2.g

Op donderdag 2 oktober 2014 hebben beklaagde en zijn collega-gezinsvoogd een gesprek gevoerd met de directeur en intern begeleidster van de school van [zoon].
Klager heeft conform de bezoekregeling op donderdag omgang met [zoon].
Deze omgang heeft niet plaatsgevonden omdat moeder met [zoon] naar [provincie] is vertrokken.

2.h

[zoon] is op 3 oktober 2014 met een spoedmachtiging uit huis geplaatst en in een pleeggezin ondergebracht. [zoon] verbleef op dat moment met moeder in een begeleid wonen project, waar de zuster van moeder woont. [zoon] is die dag niet naar school gegaan. Na de uithuisplaatsing (uhp) heeft een keer in de twee weken begeleide omgang met [zoon] plaatsgevonden, waarbij klager en moeder achter elkaar zijn ingepland. [zoon] heeft daarnaast omgang gehad met klager en moeder in de week tussen twee bezoeken.

2.i

Op 11 december 2014 en 7 januari 2015 zijn twee bijeenkomsten gestart van de methodiek [naam]. Het netwerk is ingeschakeld om klager en moeder te ondersteunen bij het opstellen van een gezamenlijk plan om [zoon] te helpen met zijn loyaliteitsconflict. In mei 2015 is deze methodiek gestopt.

2.j

Bij beschikking van 9 februari 2015 is de ots verlengd tot 9 februari 2016 en de machtiging tot uhp is verlengd tot 9 augustus 2015.

2.k

In februari 2015 is de bezoekregeling uitgebreid. De bezoeken zijn eens in de twee weken vastgesteld op zondag. [zoon] heeft eerst vier uur bij één ouder doorgebracht en vervolgens vier uur bij de andere ouder. De bezoeken zijn begeleid door iemand vanuit het netwerk.

2.l

In mei 2015 heeft opnieuw uitbreiding van de bezoekregeling plaatsgevonden. [zoon] heeft een zondag klager bezocht en de andere zondag met moeder doorgebracht.

2.m

De rechtbank heeft in de beschikking d.d. 21 juli 2015 overwogen dat het aan klager en moeder is om tot een verandering te komen in het belang van [zoon]. De machtiging tot uhp is verlengd tot 9 februari 2016.

2.n

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk in de kern weergegeven het volgende.

I

Klager wordt door beklaagde niet gehoord en [zoon] en klager worden niet respectvol behandeld.
Klager heeft als voorbeeld genoemd dat zowel hij zelf als de school van [zoon] beklaagde hebben gewezen op de onveilige situatie van [zoon]. Beklaagde heeft hier niet op gereageerd. Bij het eerste contact tussen school en beklaagde op 2 oktober 2014 is echter direct een plan voor uhp opgesteld. [zoon] is op een geheim adres geplaatst. In de stukken van de GI staat het adres echter vermeld.
Het functioneren van klager wordt ernstig belemmerd door de gehele situatie en is niet aan de orde gekomen terwijl het in het belang van [zoon] is dat klager goed functioneert.

II

Klager verwijt beklaagde gebrekkig te communiceren. Zo heeft beklaagde niet of te laat gereageerd op e-mails van klager.
Met beklaagde is afgesproken dat e-mails tussen klager en moeder binnen drie dagen worden beantwoord en e-mails tussen beklaagde en moeder en klager binnen vijf werkdagen. Klager is door beklaagde niet op de hoogte gesteld van het annuleren van deze afspraken.
Klager heeft beklaagde in maart 2015 bericht dat klager met [zoon] de avondvierdaagse zou willen lopen. De pleegouders hebben akkoord gegeven. Klager heeft op de avond van de avondvierdaagse pas bericht gekregen dat beklaagde geen toestemming heeft gegeven. Klager heeft beklaagde gevraagd om [zoon] hiervan op de hoogte te stellen hetgeen beklaagde niet gedaan heeft.

Aanvankelijk mocht [zoon] niet naar huis met Kerstmis in het kader van de geldende omgangsregeling. [zoon] had hier veel verdriet van. Uiteindelijk heeft [zoon] één kerstdag met klager en één kerstdag met moeder kunnen doorbrengen.

III

Klager is in het gelijk gesteld door de klachtencommissie. Tot op heden heeft, ondanks een toezegging hiertoe, geen gesprek met het bestuur van de GI plaatsgevonden.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven in de kern het volgende aan.

I

Beklaagde betwist dat hij klager niet met respect zou hebben benaderd. Beklaagde betwist dat de GI als gevolg van het gesprek tussen school en beklaagde en zijn collega-gezinsvoogd het besluit heeft genomen om over te gaan tot uhp van [zoon].
Het beleid van de GI was erop gericht om een inschatting te maken over de veiligheid van [zoon] en niet om [zoon] onmiddellijk uit huis te plaatsen.
Na het gesprek met school op donderdag 2 oktober 2014, heeft klager aan beklaagde zijn zorgen geuit over het nakomen van de bezoekregeling van moeder. Klager heeft aan beklaagde te kennen gegeven dat hij geen contact kan krijgen met moeder, dat hij het vermoeden heeft dat ze expres is vertrokken en dat hij aangifte zal gaan doen wegens onttrekking aan het gezag. Nadat moeder geen reactie heeft gegeven op twee e-mails van beklaagde, heeft beklaagde contact gezocht met de politie. De politie heeft zeer zorgelijke signalen over moeder gemeld. Bij een onaangekondigd bezoek was moeder niet thuis en zij was telefonisch niet bereikbaar. Beklaagde heeft overlegd met de politie en klager op de hoogte gesteld. Klager heeft het vermoeden geuit dat moeder naar een zus in [provincie] is vertrokken. Klager was door omstandigheden ’s avonds na 20.00 uur in de gelegenheid om het adres door te geven. Met klager is gecommuniceerd dat hij het adres in de avond aan de bereikbaarheidsdienst kon doorgeven. Na ontvangst van het adres, is een collega-gezinsvoogd en de politie […] ingeschakeld. De bereikbaarheidsdienst was geïnformeerd en er zijn interne samenwerkingsafspraken gemaakt.
Door een fout van de administratie is het adres van het pleeggezin waar [zoon] verbleef sinds zijn uhp, aan ouders gecommuniceerd. Beklaagde heeft zowel klager als moeder gewezen om het belang van [zoon] om niet naar het adres toe te gaan.

II

Er zijn meerdere verzoeken geweest van klager om de met betrekking tot de begeleide bezoekregeling gemaakte afspraken te veranderen.

Deze verzoeken liepen parallel met het project [naam]. Het beleid met betrekking tot de begeleide bezoeken is duidelijk geweest en heeft onderdeel uitgemaakt van een proces tussen klager en moeder. Beklaagde heeft klager en moeder in de bijeenkomst op 1 april 2015 laten weten dat beklaagde eerst een gezamenlijk plan wilde zien voordat gesproken zou kunnen worden over een planning van opbouw van contactmomenten met [zoon]. De afspraaktermijn van vijf dagen die de GI met klager en moeder heeft gemaakt over de communicatie was niet meer uitvoerbaar nadat [naam project] was opgehouden.
Daarnaast kunnen niet alle vragen binnen vijf dagen worden beantwoord in de vorm van een beslissing. Beslissingen worden genomen in een multi disciplinair team dat twee wekelijks bij elkaar komt. Klager is hiervan op de hoogte gesteld.

Klager heeft op 30 maart 2015 een email verzonden aan beklaagde waarin hij toestemming heeft verzocht om een logeerpartij van [zoon] bij een vriend en het bijwonen van de avondvierdaagse. Beklaagde heeft klager geantwoord en zijn voorstellen afgewezen. Het was van belang dat [zoon] tot rust zou komen. [zoon] is hierover geïnformeerd. Beklaagde heeft een afweging gemaakt wie [zoon] zou informeren. De pleegouders hebben de boodschap aan [zoon] doorgegeven.

Klager heeft in juli 2015 een verzoek tot “Vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing” ingediend. Beklaagde heeft in een uitvoerig schrijven aan de rechtbank zijn standpunt over de begeleide bezoeken en de ruimte om daarin een wijziging door te voeren toegelicht. Klager is door dit schrijven opnieuw geïnformeerd.
Op 27 augustus 2015 heeft beklaagde een gesprek gevoerd met klager en de gebiedsmanager over de uitkomst van de zitting met betrekking tot de machtiging tot uhp en het vervolgtraject.
In oktober 2015 heeft klager geïnformeerd naar de bezoeken in de kerstvakantie. Beklaagde heeft klager bericht dat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden en dat de huidige bezoekregeling zou worden gehandhaafd. Nadat [zoon] in november 2015 zijn nieuwe gezinsvoogd heeft verteld dat hij graag met kerst contact wilde hebben met klager en moeder, is na een bespreking in het basisteam en gesprekken met pleegzorg en het pleeggezin besloten dat [zoon] een kerstdag bij zijn moeder en een kerstdag bij zijn vader kon doorbrengen. Klager heeft een schriftelijke aanwijzing ontvangen die op 24 december 2015 is bekrachtigd door de rechtbank.

Beklaagde is verplicht om [zoon] centraal te stellen en te bezien wat [zoon] nodig heeft. Dit kan botsen met de belangen van klager.

III

De klacht die is ingediend bij de Klachtencommissie heeft geen betrekking op beklaagde. Klager dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het daarop betrekking hebbende klachtonderdeel.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.

Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

Klachtonderdelen I en II

De kern van deze klachtonderdelen is dat klager zich niet met respect behandeld c.q. niet gehoord voelt en van mening is dat beklaagde onvoldoende met hem heeft gecommuniceerd. Klager heeft dit desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het College bevestigd. Klager heeft ter ondersteuning van zijn standpunten concrete voorbeelden genoemd zoals de gang van zaken rondom de avondvierdaagse en de omgangsregeling met Kerstmis.

Beklaagde heeft in het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling bij het College gemotiveerd uiteengezet dat hij met klager en moeder afspraken heeft gemaakt over de omgangsregeling met [zoon]. Deze afspraken over de bezoeken aan [zoon] zijn door beklaagde bevestigd in een email aan klager d.d. 9 februari 2015.

Uit de stukken is het College gebleken dat beklaagde klager meerdere malen per e-mail heeft geïnformeerd dat van de omgangsregeling kan worden afgeweken als klager en moeder overeenstemming hebben bereikt en dit tot uiting is gebracht in een gezamenlijk plan. Beklaagde heeft het verslag van de miniconferentie die gehouden is op 27 mei 2015 overgelegd. Uit dit verslag blijkt dat beklaagde met klager heeft gecommuniceerd over het belang van een gezamenlijk plan. Beklaagde heeft het verslag op 1 juni 2015 per e-mail aan klager en moeder verstuurd en in deze e-mail aangedrongen op een gezamenlijk plan.
Nu het gezamenlijk plan ten tijde van de avondvierdaagse, in juni 2015, niet aanwezig was, had klager er naar het oordeel van het College dan ook vanuit moeten gaan dat de reeds gemaakte afspraken zouden gelden en hij derhalve geen toestemming zou krijgen om met [zoon] de avondvierdaagse te lopen.

Met betrekking tot de kerstdagen is in het verlengde van het voorgaande een afwijking van de omgangsregeling eveneens gekoppeld aan een gezamenlijk plan. Nu het plan ook op dat moment ontbrak, had klager naar het oordeel van het College ook in dit geval er vanuit moeten gaan dat beklaagde negatief op het verzoek zou beslissen.

Nadat [zoon] aan zijn gezinsvoogd heeft verteld dat hij met de kerstdagen graag bij klager en moeder wilde zijn, is alsnog door middel van een schriftelijke aanwijzing vanuit het belang van [zoon] besloten dat zowel klager als moeder een kerstdag met [zoon] zouden doorbrengen.

Klager heeft dit niet weersproken.

Het College heeft begrip voor de teleurstelling van klager over beslissingen over de door beklaagde genomen beslissingen in verband met het contact met [zoon], maar kan uit het vorenstaande niet afleiden dat beklaagde klager in dat kader niet heeft gehoord en/of onvoldoende heeft gecommuniceerd.

Klager heeft te kennen gegeven dat de gemaakte afspraken niet duidelijk voor hem zijn geweest. In het dossier zijn echter geen aanknopingspunten te vinden waaruit kan worden afgeleid dat het handelen van beklaagde hier de oorzaak van is. Ook ten aanzien van de overige voorbeelden die klager in het kader van zijn klachtonderdelen heeft genoemd, is het College niet gebleken dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Beklaagde heeft inzicht gegeven in de keuzes die de GI heeft gemaakt en heeft deze keuzes in het belang van [zoon] gewikt en gewogen. Beklaagde heeft reflecterend vermogen laten zien door zijn handelen te bespreken met collega’s.

De klachtonderdelen I en II zijn ongegrond.

Klachtonderdeel III

Het klachtonderdeel heeft betrekking op het handelen van de instelling. Voorts heeft het klachtonderdeel betrekking op het handelen van andere personen dan beklaagde nu in de brief van de GI van 22 juli 2015 staat vermeld dat de teamleider van beklaagde met klager contact zou opnemen.

Klager is derhalve in dit klachtonderdeel niet ontvankelijk.

5 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I en II ongegrond,

– verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel III.

Aldus gedaan op 12 mei 2016 en op 7 juli 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris