Het College oordeelt dat beklaagde wel degelijk blijk heeft gegeven van reflectie, mede doordat zij stelt dat ze zorgvuldiger had kunnen zijn in haar communicatie en meer had kunnen afkaarten. Er kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt en alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. 

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, is samengesteld als volgt:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mr. M.A. Stammes, lid-jurist;
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot;
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot;
mevrouw D.C. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door
mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw [gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure

Op 30 november 2015 heeft het College het klaagschrift ontvangen. Op 6 december 2015 zijn aanvullende stukken ontvangen. Op 22 januari 2016 heeft het College het verweerschrift ontvangen.

De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2016 in aanwezigheid van klaagster, haar ambulant ondersteuner, beklaagde en haar gemachtigde. De partner van klaagster was als toehoorder aanwezig. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het klaagschrift voldoet aan de vereisten gesteld door artikel 10 lid 1 sub a en lid 4, artikel 11 en artikel 12 van het toepasselijke Tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Uit de relatie tussen klaagster en de heer C. (hierna te noemen: de vader) zijn geboren [jeugdige 1] (2006) en [jeugdige 2] (2009). Het ouderlijk gezag over [jeugdige 1] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend en over [jeugdige 2] alleen door klaagster uitgeoefend. Vanwege een hersenbeschadiging van klaagster en een verstandelijke beperking van vader, ontvangen beide ouders ambulante ondersteuning. Dit wordt geboden door mevrouw D..
Op grond van de zorgen over geestelijke en lichamelijke klachten van de kinderen, is in maart 2015 vanuit de School voor Speciaal Basisonderwijs (hierna te noemen: SBO) een aanmelding gedaan bij het Sociaal Team […]. De aanmelding is door een collega van beklaagde in behandeling genomen.
In mei 2015 is door de politie een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege huiselijk geweld tussen de ouders in het bijzijn van de kinderen. Aan vader is een tijdelijk huisverbod opgelegd. De kinderen zijn door een oom en tante van vaderszijde (hierna te noemen: netwerkpleegouders) opgevangen, waar [jeugdige 1] tot op heden verblijft. [jeugdige 2] verblijft momenteel in een neutraal pleeggezin.

Tot 1 januari 2015 heeft beklaagde bij een instelling van Bureau Jeugdzorg gewerkt. Vanwege de transitie van de jeugdzorg is zij sinds 1 januari 2015 werkzaam als casemanager Jeugd bij Stichting […] en met ingang van voornoemde datum gedetacheerd bij het Sociaal Team […] van de gemeente […]. Beklaagde is van 23 september 2015 tot begin november 2015 betrokken geweest bij het gezin van klaagster. Sinds november 2015 willen ouders geen contact meer met beklaagde, zij hebben om een nieuwe casemanager verzocht.

Op 15 december 2015 is het door beklaagde ingestelde Verzoek tot Onderzoek (hierna te noemen: VTO) door het Centraal Overleg Beschermingsonderzoek goedgekeurd en in behandeling genomen door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad). Op verzoek van de Raad heeft de rechtbank vervolgens de ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) over de kinderen uitgesproken.

Bij de kinderen betrokken instellingen zijn instelling E. en instelling F., respectievelijk een expertise- en behandelcentrum voor kinderen met een verstandelijke beperking en een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde, samengevat, het volgende.

4.1

Beklaagde heeft onvoldoende betrokkenheid getoond. Klaagster voelt zich niet gehoord en onvoldoende geïnformeerd.

4.2

Beklaagde heeft tweemaal gedreigd met een ots.

4.3

De ouders mochten niet bepalen welk ziekenhuis dochter [jeugdige 1] bezoekt.

4.4

de LIRIK-test voor dochter [jeugdige 1] is niet juist afgenomen.

4.5

Zoon [jeugdige 2] is zonder enige vorm van communicatie en zonder ADHD-test in een pleeggezin geplaatst buiten de regio.

4.6

Er is geen onderzoek gedaan naar het woonperspectief en de veiligheid in de thuissituatie bij ouders.

Volgens klaagster heeft beklaagde gedurende haar betrokkenheid bij het gezin haar eigen plan getrokken waarin de mening van klaagster er niet toe deed. Beklaagde had een dreigende houding en communiceerde dwingend. Daarmee kreeg klaagster het gevoel dat zij niets meer te zeggen had over haar kinderen. Dit terwijl beklaagde betrokken was vanuit het vrijwillig kader. Klaagster begrijpt niet hoe ze vrijwillig kan meewerken, als steeds met een VTO wordt gedreigd. Klaagster had meer met beklaagde willen samenwerken en had beter geïnformeerd willen worden, dan had zij zich meer betrokken en minder machteloos gevoeld. Ook had er veel eerder een voorlopige ots uitgesproken moeten worden, dat had veel discussie voorkomen.

5 Het verweer

Beklaagde betreurt dat klaagster de samenwerking met beklaagde als negatief heeft ervaren. Echter, gezien het feit dat beklaagde op 23 september 2015 bij het gezin werd betrokken en klaagster al in november 2015 te kennen gaf een nieuwe casemanager te willen, heeft beklaagde de indruk dat veel verwijten voortkomen uit onvrede van klaagster over de hulpverlening van haar voorgangers.

Met betrekking tot de klachten voert beklaagde, samengevat, het volgende aan.

5.1

Op het moment dat beklaagde bij het gezin werd betrokken, waren er grote zorgen over de veiligheid van de kinderen en bestond er bij de ouders veel onvrede over de hulpverlening. Beklaagde heeft getracht iets te doen met deze onvrede door ouders duidelijke kaders te stellen en afspraken te maken om de veiligheid van de kinderen te kunnen waarborgen en om ouders te laten weten waar zij aan toe zijn. Zo heeft beklaagde aan ouders verzocht om zich actiever op te stellen bij zaken waarin toestemming van de gezaghebbende ouder van belang is. Ook heeft beklaagde aangegeven dat er beter gecommuniceerd zou worden met hen, zodat zij precies weten wanneer er wat gebeurt. Beklaagde herkent zich dan ook niet in het verwijt dat zij geen betrokkenheid zou hebben getoond of dat klaagster niet gehoord zou zijn. Beklaagde is zich bovendien niet bewust geweest van een dwingende houding. Beklaagde ziet het als een leerpunt dat ze achteraf gezien meer ruimte had moeten geven aan de ouders om dat af te kaarten.

Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde informatie aan ouders zou hebben onthouden, voert beklaagde aan dat zij niet weet om welke informatie het gaat.

5.2

Op het moment dat beklaagde bij het gezin betrokken werd, waren de zorgen over de veiligheid van de kinderen al zo groot dat door het Sociaal Team was geconcludeerd dat er een VTO nodig was. Aan beklaagde werd, mede vanwege haar ervaring bij BJZ, verzocht om de raadsmelding in gang te zetten. De voorganger van beklaagde had echter onvoldoende gedocumenteerd. Hierop is beklaagde zelf met ouders in gesprek gegaan, om zelfstandig een mening over de situatie te kunnen vormen en te kunnen oordelen of een ots inderdaad nodig was. Vanwege de grote zorgen over de kinderen heeft beklaagde daarbij te kennen gegeven dat indien ouders zich niet aan de afspraken zouden houden en onvoldoende mee zouden werken, de consequentie zou kunnen zijn dat er een ots kon worden uitgesproken. Beklaagde heeft hiermee echter nimmer de bedoeling gehad om met een ots te dreigen.

5.3

Beklaagde begrijpt niet waarom haar wordt verweten dat ouders niet zelf het ziekenhuis voor dochter [jeugdige 1] mochten bepalen. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over hun dochter en bepalen om die reden juist zelf naar welk ziekenhuis zij gaat. Gebleken is dat ouders het ziekenhuis in […] toestemming hebben gegeven voor de behandeling van [jeugdige 1] en dat deze toestemming op enig moment is ingetrokken. De netwerkpleegouders zijn desondanks naar dat ziekenhuis blijven gaan. Beklaagde heeft hen erop gewezen dat de ouders de toestemming hebben ingetrokken. Ook was het de bedoeling om hierover met ouders en netwerkpleegouders in gesprek te gaan begin november 2015, maar dat gesprek heeft geen doorgang kunnen vinden.

5.4

In het kennismakingsgesprek tussen beklaagde en ouders is afgesproken dat beklaagde het perspectief van de kinderen zou onderzoeken en dat zij zou proberen het contact tussen de ouders en de kinderen weer op gang te brengen. Beklaagde begrijpt dat zij daardoor mogelijk hoop heeft gewekt. Op dat punt heeft beklaagde wellicht niet helder genoeg gecommuniceerd. Beklaagde is er echter vanuit gegaan dat de ambulant ondersteuner van ouders, die bij elk gesprek aanwezig was, de ouders goed zou inlichten over hetgeen dat gezegd werd.

De LIRIK is een hulpmiddel bij het boordelen of er sprake is van kindermishandeling en of er risico’s zijn in de toekomst. Beklaagde heeft de LIRIK op 8 oktober 2015 gebruikt om een visie te vormen van de veiligheid van [jeugdige 1] bij de netwerkpleegouders. Beklaagde heeft uiteindelijk, mede door gesprekken met [jeugdige 1], netwerkpleegouders en instelling F., geconcludeerd dat het beter gaat met haar sinds de plaatsing in het netwerkpleeggezin, maar dat [jeugdige 1] wel getraumatiseerd lijkt te zijn omdat zij regelmatig flauwvalt, snel is afgeleid en last heeft van trekken in haar gezicht.

5.5

Beklaagde stond niet achter een ADHD-test voor [jeugdige 2] Uit informatie van instelling E. en het meeleefpleeggezin is gebleken dat [jeugdige 2] al na een paar weken na deze plaatsing rustiger werd en de woedeaanvallen zichtbaar afnamen. Beklaagde heeft hierover overleg gevoerd met de GZ-psycholoog van instelling E. Geconcludeerd werd dat [jeugdige 2] waarschijnlijk getraumatiseerd is met het ongewenste gedrag tot gevolg. Om die reden was een dergelijke test vooralsnog niet in het belang van [jeugdige 2]

Ouders hebben zich meerdere malen uitgelaten over de locatie van het meeleefgezin, omdat zij het te ver weg vinden om hem regelmatig te bezoeken. [jeugdige 2] is echter al voordat beklaagde bij het gezin betrokken werd in het meeleefgezin geplaatst en om die reden is deze plaatsing niet aan beklaagde toe te rekenen. [jeugdige 2] doet het bovendien goed in het meeleefgezin en beklaagde acht het dan ook in het belang van [jeugdige 2] om hem in die omgeving te laten.

5.6

Beklaagde voert aan dat zij wel degelijk onderzoek gedaan heeft naar het woonperspectief en de veiligheid van de kinderen bij ouders. Dat onderzoek vond plaats door ouders thuis te bezoeken en door informatie in te winnen bij de kinderen, het pleeggezin en bij de betrokken instellingen. Het doel van beklaagde was in eerste instantie om een bezoekregeling op te zetten, omdat de ouders en de kinderen elkaar al enkele maanden niet hadden gezien. Echter bleek al gauw dat de kinderen bang waren voor hun ouders en geen contact konden en wilden hebben met hen.

Beklaagde heeft op 26 oktober 2015 een gesprek met ouders gevoerd over hun visie met betrekking tot de kinderen. De zorgen over de kinderen bleken voor ouders geen onderwerp van gesprek te zijn. Zij toonden op dat moment geen probleembesef en -inzicht. Op grond daarvan heeft beklaagde geconcludeerd dat een VTO de aangewezen weg was.

Tot slot benadrukt beklaagde dat de scheidslijn tussen het vrijwillig en gedwongen kader in deze zaak zeer dun is geweest. Beklaagde heeft getracht daarin zo zorgvuldig mogelijk te werk te gaan en heeft veel overleg gevoerd met haar collega’s, de Raad en de ouders. Doordat beklaagde het gevoel had dat ze de veiligheid van de kinderen niet kon garanderen, had de zaak achteraf gezien wellicht eerder naar het gedwongen kader moeten overgaan.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Beklaagde is geregistreerd bij de SKJ sinds [datum] 2013. Zij is als casemanager bij het gezin betrokken geweest van 23 september 2015 tot begin november 2015. Het College toetst het beroepsmatig handelen van beklaagde over de periode dat zij betrokken was bij het gezin. Klachten die betrekking hebben op de periode voordat zij casemanager was bij dit gezin, alsmede onderdelen van klachten over de periode na haar betrokkenheid spelen bij deze beoordeling geen rol.

Het College toetst het handelen van beklaagde aan de aan de algemene tuchtnorm en overweegt het volgende.

Het College merkt op dat de kern van de klacht het ondermijnen van het gezag van ouders betreft. Beklaagde zou haar macht hebben misbruikt door in het vrijwillig kader haar wil aan ouders op te dringen, waardoor klaagster zich niet gehoord en niet serieus genomen voelt. Samenhangende klachtonderdelen over communicatie, samenwerking, informatie en respect liggen daaraan ten grondslag.

Kennelijk zijn er over en weer tussen partijen verkeerde verwachtingen geweest, wat tot onbegrip van klaagster heeft geleid. Het College acht de inzet van beklaagde in deze zaak echter groot, in het bijzonder gezien het feit dat beklaagde slechts enkele weken bij de zaak betrokken is geweest en haar voorganger het dossier niet op orde had. Het College acht het zeer zorgvuldig dat beklaagde aan het begin van haar betrokkenheid zelf onderzoek heeft verricht naar het gezin, om zelfstandig een mening te kunnen vormen over de situatie en de ernst van de dreiging voor de kinderen. Dat getuigt van een professionele houding. Ter zitting heeft beklaagde bovendien voldoende uitgelegd dat het een lastige situatie is geweest met een dunne lijn tussen het vrijwillig en het gedwongen kader en dat beklaagde hierin juist zo helder mogelijk trachtte te zijn. Van misbruik van macht of onvoldoende samenwerking, is volgens het College dan ook geen sprake. Het College verklaart deze klachtonderdelen ongegrond.

Voor wat betreft de klachtonderdelen over communicatie, informatie en respect stelt het College zich op het standpunt dat beklaagde inderdaad zorgvuldiger zou hebben gehandeld indien zij was nagegaan of haar houding en toon bij de betreffende ouders de juiste was.
Met name gezien het feit dat de ouders bekend zijn met een hersenbeschadiging en een verstandelijke beperking, had beklaagde beter bij het begin van haar betrokkenheid met de ambulant ondersteuner van ouders kunnen afstemmen hoe de communicatie met de ouders het beste kon verlopen. Op deze wijze had beklaagde onduidelijkheid, en daarmee onbegrip, aan de zijde van klaagster kunnen voorkomen.

Het College is echter van oordeel dat beklaagde ter zitting voldoende blijk heeft gegeven van reflectie, mede doordat zij stelt dat zij achteraf gezien nog zorgvuldiger in haar communicatie had kunnen zijn en ze meer had kunnen afkaarten. Nu het echter niet gaat om de vraag of beklaagde beter had kunnen handelen, maar om de vraag of beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, kan het College niet anders concluderen dan dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College verklaart deze klachtonderdelen ongegrond.

7 De Beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 11 april 2016 en op 6 juni 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris