Klachten van maatschappelijk werkster over de samenwerking met casemanager onvoldoende onderbouwd

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Op 13 december 2015 heeft het College het klachtschrift d.d. 13 december 2015 ontvangen en op 16 december 2015 een aanvulling. Aan beklaagde is op 8 februari 2016 verweer gevraagd. Op 7 maart 2016 heeft het College het verweerschrift d.d. 3 maart 2016 ontvangen. Het College heeft besloten dat een hoorzitting wenselijk is. Partijen zijn op 15 februari 2016 opgeroepen om op 11 april 2016 voor een hoorzitting te verschijnen.
De hoorzitting heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van klaagster, en van beklaagde en haar gemachtigde.

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

2 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster is maatschappelijke werker. Zij is in september 2015 benaderd door mevrouw A. en de heer B., hierna te noemen: de ouders. De ouders hebben klaagster aangezocht om hen te ondersteunen. Zij hebben twee kinderen, een zoon, T., en een dochter, M.

In maart 2015 is er vanwege zorgen over de kinderen een aanmelding gedaan bij het sociaal team van de gemeente van het gezin. Vanaf mei 2015 zijn de kinderen door netwerkpleegouders opgevangen. In juli 2015 is T. door Veilig Thuis in een zgn. meeleefgezin geplaatst.

De hulpverlening aan de ouders en de kinderen vindt tot november 2015 plaats met instemming van de ouders, er is geen sprake van een kinderbeschermingsmaatregel.
Op 23 september 2015 heeft beklaagde de taken ten behoeve van het gezin overgenomen van een collega. Beklaagde is opgetreden als case manager en diende onder meer de situatie en het perspectief van T. en van M. te onderzoeken.

Een gesprek van de ouders en klaagster met beklaagde en de pleegouders van M. dat zou plaatsvinden op 5 november 2015 heeft geen doorgang gevonden en een vervangend gesprek op 11 november 2015 evenmin. Ouders hebben in november 2015 om een andere case manager verzocht.

Zowel de ouders als klaagster hebben in december 2015 een klacht ingediend tegen klaagster.

3 De klachten

Klaagster klaagt over het professionele handelen van beklaagde, en over het handelen van beklaagde als professional jegens klaagster.
Samengevat en zakelijk weergegeven stelt klaagster het volgende.

3.1

Klaagster zou volgens beklaagde als gezinsondersteuner de communicatie ondersteunen met zowel het gezin als het sociaal team. Klaagster zou daarbij de ouders sterken in hun mening om met het sociaal team geen contact te hebben en zij zou de ouders actief steunen in het afwijzen van de samenwerking met beklaagde en het sociaal team.

3.2

Door de ouders bij beslissingen over de kinderen niet te betrekken en door dwingend te zijn, hanteert beklaagde een werkwijze jegens de ouders die zich niet verdraagt met het vrijwillig kader waarin de jeugdhulp aan dit gezin wordt gegeven.

3.3

Klaagster dient volgens haar beroepsnormen misstanden te signaleren en te rapporteren. Nu zij dit heeft gedaan door over het professioneel handelen van beklaagde bij het tuchtcollege SKJ een klacht in te dienen, schildert beklaagde van klaagster en haar firma een negatief beeld.

4 Het verweer

Het verweer luidt, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

4.1

In de raadsmelding wordt verklaard dat met klaagster is afgesproken dat zij optreedt als cliëntondersteuner van de ouders, ter bevordering van de communicatie tussen de ouders en de hulpverlening. Op het moment dat beklaagde de zaak van haar collega overnam was klaagster al als cliëntondersteuner betrokken bij de ouders. Beklaagde heeft bij de overdracht begrepen dat daarvoor al met de ouders was afgesproken dat klaagster de ouders zou ondersteunen in de communicatie met het sociaal team. Volgens de informatie die beklaagde heeft ontvangen is klaagster akkoord gegaan met die rol. Het is voor beklaagde niet duidelijk waarom klaagster nu lijkt te ontkennen dat deze afspraak is gemaakt. Het is overigens geenszins de intentie geweest dat klaagster in die rol de visie van het sociaal team zou moeten overnemen.
In de melding wordt ook verklaard dat klaagster de mening van de ouders deelt dat de samenwerking niet meer gevonden kan worden tussen de ouders en beklaagde en dat klaagster de ouders daarom actief steunt in het afwijzen van de samenwerking met beklaagde als case manager.

Beklaagde heeft de eerste contacten met de ouders en met klaagster als goed ervaren. Beklaagde heeft wel, wegens de grote zorgen over de kinderen, aan de ouders de boodschap moeten geven dat er een ondertoezichtstelling (ots) zou kunnen komen als de ouders zich niet aan afspraken zouden houden of onvoldoende zouden meewerken. Als klaagster van mening is dat beklaagde het een en ander niet helder of te dwingend zou hebben gezegd, had het op de weg van klaagster gelegen hier tijdens het gesprek zelf iets over te zeggen. Uit twee mails van 29 september 2015, als bijlagen gevoegd bij het verweer, blijkt niet van enige onvrede over het handelen van beklaagde tot dan toe.

4.2

Beklaagde heeft eind augustus 2015 voor het eerst kennis genomen van de jeugdhulpverlening aan het gezin. Een collega van beklaagde vroeg aan beklaagde om deel te nemen aan een overleg over het gezin. De collega wilde een Verzoek Tot Onderzoek (vto) bij de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) indienen en zij vroeg beklaagde om te beoordelen of er voldoende gronden waren voor een vto. Beklaagde heeft toen geconcludeerd dat de afspraken, plannen en doelen nog onvoldoende duidelijk waren en dat daarom niet tot een vto kon worden overgegaan. Op 23 september 2015 heeft beklaagde het dossier van haar collega overgenomen. Beklaagde is samen met klaagster bij de ouders op huisbezoek gegaan. Tijdens dit gesprek is beklaagde gebleken dat er geen duidelijke afspraken lagen over het contact tussen de ouders en de kinderen. Afgesproken is dat beklaagde in gesprek zou gaan met de kinderen met het oog op het maken van afspraken over een bezoekregeling. Er is door beklaagde benoemd wat de ouders van haar kunnen verwachten en wat zij van de ouders verwacht. Beklaagde heeft de ouders laten weten dat er grote zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de ouders en dat het daarom belangrijk is dat de ouders meewerken aan de hulpverlening en zich houden aan gemaakte afspraken. Uitgelegd is dat als de ouders dit niet doen, een vto zal worden gedaan, wat kan leiden tot een ots van de kinderen. Er zijn vervolgens afspraken gemaakt. De communicatie zou via klaagster als cliëntondersteuner van de ouders lopen. Als er onduidelijkheid zou zijn bij de ouders of onvrede zouden de ouders, klaagster en beklaagde om de tafel gaan.

Beklaagde heeft beide kinderen gesproken, M. op 26 oktober 2015 en T. op 28 oktober 2015. In een overleg op 28 oktober 2015 zijn er vervolgens door de meeleefouder, een gedragswetenschapper, de begeleider van het meeleefgezin, beklaagde en de collega die daarvoor bij het gezin was betrokken, actiepunten geformuleerd. Beklaagde heeft deze naar klaagster gestuurd met het voorstel deze eerst samen door te nemen alvorens deze met de ouders te bespreken. Op 5 november 2015 stond een gesprek gepland met de ouders, met M. en de pleegouders van M. Tijdens dit gesprek had beklaagde met de ouders een afspraak willen maken voor een overleg om de actiepunten te bespreken. Klaagster kon niet bij dit gesprek zijn. Omdat de ouders het gesprek niet zonder haar wilden doen, is dit gesprek niet doorgegaan. Het gesprek dat vervolgens voor 11 november 2015 werd gepland, is niet doorgegaan omdat mevrouw V. ziek was. De ouders wensen sinds november 2015 geen contact meer te hebben met beklaagde en hebben om een nieuwe case manager verzocht.

Op 15 december 2015 is het door beklaagde gedane vto in behandeling genomen door de Raad. De opmerkingen op de raadsmelding die ouders samen met klaagster hebben opgesteld zijn aan de Raad toegestuurd.
Beklaagde is zonder de ouders en met hun toestemming T. gaan opzoeken en zij heeft daar overleg gehad over T. Beklaagde is zonder de ouders gegaan omdat zij niet wist of T. het wel aan zou kunnen om zijn ouders te zien. Dit is in een overleg waarbij ook klaagster aanwezig was zo afgesproken. Gezien de afspraken over de rol van klaagster in de communicatie van de ouders met het sociaal team, heeft beklaagde de actiepunten naar klaagster gestuurd en haar gevraagd of zij de punten konden doornemen alvorens beklaagde deze met de ouders zou bespreken. Beklaagde beoogde met klaagster tevoren afspraken te maken over de insteek van het gesprek over de actiepunten zodat er voor de ouders geen onduidelijkheden zouden bestaan. Beklaagde heeft geenszins beoogd om met klaagster achter de rug van de ouders om afspraken met klaagster te maken of om informatie voor de ouders achter te houden dan wel om klaagster te beïnvloeden voorafgaand aan het gesprek. Klaagster heeft om haar moverende redenen een voorgesprek geweigerd en de punten meteen naar de ouders doorgestuurd. Beklaagde heeft daarna meerdere pogingen gedaan om met de ouders en klaagster in contact te komen maar klaagster bleef dit contact afhouden, reden waarom beklaagde in de raadsmelding heeft vermeld dat klaagster de ouders actief steunt in het afwijzen van de samenwerking met beklaagde.

Beklaagde kan zich voorstellen dat mevrouw A. de boodschap die is gegeven over de zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en de consequenties van het niet meewerken aan hulpverlening en te maken afspraken, door de ouders wellicht als dreigend is overgekomen. De zorgen waren echter dermate groot dat door de collega’s van beklaagde al was geoordeeld dat een melding aan de Raad noodzakelijk was.

4.3

Klaagster stelt dat beklaagde een negatief beeld van de professionaliteit van klaagster en van haar firma afgeeft. Klaagster onderbouwt deze klacht niet nader. Voor wat betreft de verklaring in de raadsmelding over het handelen van klaagster, merkt beklaagde op dat dit geen openbaar stuk is. Beklaagde heeft eerder toegelicht waarom deze zin in de raadsmelding is opgenomen.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professionals aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, hetgeen tot gevolg zal hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.

Het College vat de klachten als volgt samen en baseert zich op de stukken en op hetgeen ter zitting door partijen is verklaard.

5.1

In dit onderdeel stelt klaagster, samengevat, het volgende.

Volgens beklaagde zou klaagster, in haar rol als cliëntondersteuner van de ouders, de ouders sterken in hun mening om met het sociaal team geen contact te hebben en zij zou de ouders actief steunen in het afwijzen van de samenwerking met beklaagde en het sociaal team.

Het College oordeelt als volgt.

Klaagster onderbouwt deze stellingnames niet overtuigend. Noch in de stukken noch in hetgeen ter zitting door partijen is ingebracht kan het College feiten of omstandigheden aanwijzen die het College tot het oordeel moeten brengen dat het door klaagster gestelde voor waar moet worden aangenomen.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.2

In dit onderdeel stelt klaagster, samengevat, dat beklaagde, door de ouders bij beslissingen over de kinderen niet te betrekken en door dwingend te zijn, een werkwijze hanteert jegens de ouders die zich niet verdraagt met het vrijwillig kader waarin de jeugdhulp aan dit gezin wordt gegeven.

Het College oordeelt als volgt.

Klaagster onderbouwt deze stellingnames niet overtuigend. Noch in de stukken noch in hetgeen ter zitting door partijen is ingebracht kan het College feiten of omstandigheden aanwijzen die het College tot het oordeel moeten brengen dat het door klaagster gestelde voor waar moet worden aangenomen.
Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.3

In dit onderdeel stelt klager, samengevat, dat beklaagde van klaagster en haar firma een negatief beeld schildert nadat klaagster over het professioneel handelen van beklaagde bij het tuchtcollege SKJ een klacht had ingediend.

Het College oordeelt als volgt.

Klaagster onderbouwt deze stellingname niet overtuigend. Noch in de stukken noch in hetgeen ter zitting door partijen is ingebracht kan het College feiten of omstandigheden aanwijzen die het College tot het oordeel moeten brengen dat het door klaagster gestelde voor waar moet worden aangenomen.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Het College overweegt dat beklaagde met klaagster zowel op de inhoud als op het proces van de samenwerking heeft gepoogd af te stemmen. Toen de afstemming niet slaagde en beklaagde daarover gesprekken aanbood stond klaagster niet open voor communicatie daarover.

Het College overweegt dat een hulpverlener een goed hulpverlener is wanneer deze de kwaliteit van de communicatie tijdens het hulpverleningsproces met het gezin en met andere hulpverleners betrokken bij het gezin aan de orde stelt wanneer dat nodig is.

Het College stelt vast dat uit de stukken en uit hetgeen beklaagde ter zitting heeft ingebracht blijkt dat beklaagde deze metacommunicatie op een zorgvuldige wijze heeft nagestreefd.

6 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Het College verklaart de klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan de 11e april 2016 door het College van Toezicht.
De beslissing is verzonden op 7 juni 2016.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris