Anders dan het College van Toezicht is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdzorgwerker de klagers onvoldoende geïnformeerd heeft over het verloop van het traject Aspirant Pleegouderschap, meer in het bijzonder over de besluitvorming.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, is samengesteld als volgt:

De heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, lid-jurist,
de heren W.L. Scholtus en W.J. Veldhuis alsmede mevrouw J.E. Blaauw-Glas, leden-beroepsgenoten,
als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Tingen.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist in de zaak van:

De heren A. en B., appellanten en klagers in eerste aanleg, gemachtigde mevrouw mr. J.J.H.M. Horrevorts, jurist bij DAS Rechtsbijstand,

tegen

mevrouw C., jeugdzorgwerker, werkzaam bij D, verweerster in beroep en beklaagde in eerste aanleg, gemachtigde mevrouw mr. S.W.G. Wolters, advocaat te Den Bosch.

1 Het verloop van de procedure

De heren A. en B., hierna klagers, hebben op 14 december 2015 bij het College van Toezicht (CvT) tegen C., hierna beklaagde, een tweetal klachten ingediend.
Klagers verwijten beklaagde dat het traject “Aspirant Pleegouderschap” niet correct is doorlopen en dat beklaagde de klagers onheus heeft bejegend.
Bij beslissing van 19 april 2016, onder nummer 15.102T heeft het CvT de klachten afgewezen.
Klagers zijn van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Beklaagde heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Partijen zijn verschenen tijdens de mondelinge behandeling op 21 oktober 2016, vertegenwoordigd door hun gemachtigden voornoemd. De gemachtigden hebben een pleitnota overgelegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling is de beslissing bepaald op 2 december 2016.

2 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Klagers hebben een relatie sinds 1994 en wonen vanaf 1996 samen.

2.2

Klagers hebben zich op 23 maart 2015 aangemeld bij D als aspirant pleegouders voor weekend- en vakantieopvang van kinderen.

2.3

In verband met de beoordeling van de geschiktheid van klagers als pleegouder hebben zij een voorbereidingstraject doorlopen. Dit wordt het traject Aspirant Pleegouderschap genoemd, hierna ook aangeduid als het traject. Beklaagde heeft dit traject als werkvoorbereider begeleid.

2.4

Het traject bestaat uit een aantal individuele gesprekken en groepsbijeenkomsten. Naast de werkvoorbereider is een collega werkvoorbereider en een gedragswetenschapper bij het traject betrokken. In de individuele thuisgesprekken komt de beschrijving van het aspirant pleeggezin aan de hand van een zogenoemd levensboek aan de orde. Dit levensboek wordt door ieder van de aspirant pleegouders vooraf opgesteld en ingeleverd. Ook wordt door de begeleider onderzocht in hoeverre de aspirant pleegouders beschikken over de benodigde competenties. Daarna wordt het traject afgesloten met een eindgesprek waarin een evaluatie plaatsvindt.

2.5

Beklaagde heeft met klagers op 20 juli 2015 een intakegesprek gevoerd. Daarna hebben klagers het levensboek ingevuld en aangeleverd en via het modelformulier referenties opgegeven. Klagers hebben voorts een aantal groepsbijeenkomsten bijgewoond met andere aspirant pleegouders onder begeleiding van beklaagde en de collega-werkvoorbereider. Daarnaast hebben klagers met beklaagde op 1 oktober 2015, 27 oktober 2015 en 10 november 2015 thuisgesprekken gevoerd. Bij de eerste twee gesprekken was een stagiaire aanwezig, bij het derde thuisgesprek was de collega-werkvoorbereider aanwezig. Van deze gesprekken zijn tijdens het traject geen gespreksverslagen gemaakt.

2.6

Beklaagde en de collega-werkvoorbereider hebben onderling overleg gevoerd over de bevindingen tijdens het traject en daarbij is ook een gedragswetenschapper betrokken geweest. Beklaagde heeft overigens naar aanleiding van de door klagers ingeleverde referenties geen referenten geraadpleegd.

2.7

In de loop van het gesprek op 10 november 2015, waarbij de collega-werkvoorbereider aanwezig was, heeft beklaagde na een blikwisseling met de collega aan klagers medegedeeld dat zij niet werden geaccepteerd als pleegouders.

2.8

Een eindgesprek heeft hierna niet meer plaatsgevonden.

2.9

Klagers hebben de afwijzing bevestigd gekregen in het voorbereidings-en screeningsverslag van 30 november 2015, dat hen is toegezonden op 8 december 2015.

2.10

Klagers hebben op 9 december 2015 over het optreden van beklaagde klachten van gelijke strekking als de onderhavige ingediend bij de Klachtencommissie voor cliënten en pleegouders van de D, hierna de klachtencommissie.

2.11

Op 5 januari 2016 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen klagers en beklaagde in aanwezigheid van de manager pleegzorg van D. Dit bemiddelingsgesprek heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.

2.12

De klachtencommissie heeft vervolgens beide klachten van klagers bij beslissing van 1 juni 2016 gegrond verklaard.

3 Beslissing van het College van Toezicht

Het CvT heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“I. (..) Het College is ervan overtuigd geraakt dat beklaagde zich op grond van het voorgaande heeft ingespannen om het traject ‘Aspirant Pleegouderschap’ met klagers op correcte wijze te doorlopen. Beklaagde heeft op meerdere momenten in het traject teamoverleg gehad en heeft tijdens het derde huisgesprek haar collega meegevraagd en het woord laten voeren om te bezien of de eerder opgekomen aandachtspunten en twijfels konden worden weggenomen. Beklaagde heeft toegelicht dat zij de levensboeken van klagers heeft gelezen en deze heeft gebruikt in het onderzoek. Klagers zijn het klaarblijkelijk niet eens met de afwijzing als pleegouders. Uit het bovenstaande en uit de overige voorbeelden die klagers hebben aangevoerd, is echter niet gebleken dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.

II. Beklaagde heeft gemotiveerd uiteengezet dat zij klagers kritisch heeft bevraagd om te bezien of klagers zouden reflecteren op zichzelf. Deze kritische vragen waren bedoeld om klagers na te laten denken over de vraag of pleegzorg bij hen past. Het is begrijpelijk dat beklaagde in het kader van de zelfreflectie van klagers kritische opmerkingen heeft gemaakt over de auto’s op de oprit, de honden en de kinderkamer.
Ook voor het overige is het College uit de stukken en de mondelinge behandeling niet gebleken dat beklaagde klagers onheus bejegend heeft.
Het tweede klachtonderdeel is ongegrond.(..) ”

4 De ontvankelijkheid

4.1

Beklaagde heeft in beroep aangevoerd dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun beroep nu klagers de gronden van beroep onvoldoende hebben onderbouwd en als aspirant pleegouders niet kunnen worden aangemerkt als cliënten in de zin van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker (hierna de Beroepscode). Het handelen van beklaagde kan aldus niet aan deze Beroepscode worden getoetst.

4.2

Voor wat betreft de ontvankelijkheid overweegt het College als volgt.
Vaststaat dat beklaagde heeft gehandeld als professional in het jeugddomein en dat klagers hierbij direct zijn betrokken als degenen die werden beoordeeld op hun geschiktheid voor het pleegouderschap. Dat een aantal artikelen uit de Beroepscode zich richt op de individuele cliënt-professional verhouding, is niet zonder meer doorslaggevend voor het beantwoorden van de ontvankelijkheidsvraag. Immers de jeugdprofessional is ten aanzien van zijn professionele handelen op grond van artikel 3 van het tuchtreglement onderworpen aan de algemene tuchtnorm. De algemene tuchtnorm heeft niet alleen betrekking op een handelen of nalaten als jeugdprofessional jegens een individuele cliënt, maar ook op enig ander handelen of nalaten dat schadelijk is voor de kwaliteit van de hulpverlening in het jeugddomein in het algemeen.

4.3

Een belanghebbende kan indien hij meent dat een jeugdprofessional handelt in strijd met de tuchtnorm bij het tuchtcollege een klacht indienen. Onder belanghebbende wordt op grond van artikel 1. Begripsbepalingen van het tuchtreglement SKJ verstaan elke (rechts)persoon die direct of indirect is betrokken bij beroepsmatig handelen of nalaten van de jeugdprofessional. Klagers worden direct geraakt door het professionele handelen van beklaagde en het handelen van beklaagde heeft rechtstreeks betrekking op het jeugddomein. Het gaat immers om het waarborgen van de kwaliteit van het pleegouderschap.

4.4

Pleegouders staan overigens in direct contact met de individuele cliënt en maken in zoverre deel uit van het cliëntsysteem. De bepalingen uit de Beroepscode die zien op de meer individuele cliënt-professional relatie lenen zich om die reden voor analoge toepassing op de verhouding tussen beklaagde en klagers. Beklaagde kan derhalve volledig worden getoetst aan de professionele standaard, waaronder de Beroepscode.

4.5

Klagers hebben hun klacht daarbij naar het oordeel van het college feitelijk voldoende onderbouwd.

4.6

De conclusie van bovenstaande is dat klagers kunnen worden ontvangen in hun klacht en dat het handelen van beklaagde kan worden getoetst aan de bepalingen van de Beroepscode.

5 Inhoudelijke beoordeling van het beroep

5.1

Klagers voeren in beroep –kort samengevat- aan dat beklaagde op onzorgvuldige wijze heeft gehandeld. Ze zijn van mening dat de besluitvorming tijdens het traject door beklaagde niet zorgvuldig is geweest. Volgens klagers was de afwijzing tijdens het derde gesprek tussen klagers en beklaagde onaangekondigd en ook onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft beklaagde geen referenten geraadpleegd. Daarbij zijn klagers onheus bejegend door beklaagde.

5.2

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat in de fase voorafgaande aan het derde gesprek bij haar twijfels bestonden of klagers wel voldeden aan de voor pleegouders vereiste competenties, met name op het punt van zelfreflectie.
Beklaagde heeft dit tijdens het tweede gesprek aan klagers duidelijk gemaakt. Beklaagde heeft haar twijfels besproken in een gesprek met haar collega en de gedragswetenschapper. Beklaagde heeft vanwege de bestaande twijfel haar collega meegenomen naar het derde gesprek en deze collega het gesprek laten voeren.

5.3

Bij klagers was voorafgaande aan het derde gesprek echter niet duidelijk wat precies de agenda van die avond was. Klagers waren in de veronderstelling dat het derde gesprek zou gaan over het bespreken van het levensboek van een van hen.

5.4

Toen in de loop van het gesprek ook voor de collega van beklaagde duidelijk werd dat klagers niet voldoende in staat waren om adequaat te antwoorden op de gestelde vragen, hebben de collega en beklaagde een blik gewisseld en kwam beklaagde daarna met de mededeling dat klagers niet geschikt werden bevonden.
Beklaagde heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zij het correct vond om klagers niet verder in het ongewisse te laten en zij wilde hen daarom direct duidelijkheid verschaffen.

5.5

Het college kan zich voorstellen dat de boodschap van beklaagde vanwege het voorgaande voor klagers min of meer uit de lucht kwam vallen en daardoor hard is aangekomen. Deze wijze van besluitvorming wijkt ook af van de procedure “Standaardroute Voorbereidingsprogramma”, die door beklaagde bij haar verweer in beroep is overgelegd. Gezien de vergaande gevolgen voor klagers was het van belang dat zij van tevoren precies op de hoogte waren wanneer in het traject enig besluit wordt genomen.
Dit vloeit ook voort uit de in artikel F van de Beroepscode neergelegde norm over adequate informatievoorziening aan cliënten, welke norm zich leent voor analoge toepassing.

5.6

Het college is –evenals de klachtencommissie – van oordeel dat beklaagde in een apart gesprek aan klagers had moeten mededelen wat haar conclusie was nadat het traject doorlopen was. Hiervoor was het eindgesprek aangewezen geweest. Dit gesprek heeft nu niet meer plaatsgevonden. Een en ander klemt te meer, omdat de mededeling dat klagers niet geschikt werden bevonden als pleegouders voor klagers grote impact had en nog steeds heeft.

5.7

Omdat er in ieder geval voor het derde gesprek twijfel was bij beklaagde over de geschiktheid van klagers als pleegouders, had het daarbij op de weg van beklaagde gelegen om te motiveren waarom zij het niet nodig vond om referenten te benaderen. Dat het volgens beklaagde in de gangbare procedure niet gebruikelijk is om referenten te benaderen maakt dit oordeel niet anders.

5.8

Het college komt derhalve tot de slotsom dat de besluitvorming op de hierboven genoemde punten onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat beklaagde hierin te kort is geschoten.
De hiertegen gerichte grief is derhalve gegrond.

5.9

Ten aanzien van de klacht van klagers over onheuse bejegening overweegt het college als volgt.
Klagers stellen zich op het standpunt dat beklaagde hen onheus heeft bejegend tijdens de gesprekken. Beklaagde heeft dit betwist.
Nu de toedracht van partijen hierover volledig uiteenlopen en beide partijen even overtuigend naar voren hebben gebracht hoe volgens hen de bejegening is geweest, kan het college thans niet vaststellen of sprake is geweest van onheuse bejegening van de zijde van beklaagde.
Deze grief wordt derhalve wegens gebrek aan bewijs verworpen.

5.10

Voor wat betreft een eventueel op te leggen maatregel bij de gegrond verklaarde grief overweegt het college als volgt. Ter zitting heeft beklaagde kenbaar gemaakt dat zij lering heeft getrokken uit de gebeurtenissen en dit zal betrekken bij haar toekomstige beroepsuitoefening.
Het College acht het daarom niet noodzakelijk om aan beklaagde een maatregel op te leggen.

6 De uitspraak

Het College van Beroep verklaart het beroep voor wat betreft de eerste grief gegrond.
Vernietigt de uitspraak van het College van Toezicht van 19 april 2016, onder nummer 15.102T in zoverre en verklaart -opnieuw rechtdoende- de klacht van klagers gegrond, dat het traject “Aspirant Pleegouderschap” door beklaagde niet correct is doorlopen.
Bevestigt de uitspraak van het College van Toezicht voor het overige.

Aldus gegeven op 2 december 2016 in de genoemde samenstelling.

mr. P. A. J. Th. van Teeffelen, Voorzitter
mr. A. Tingen, Secretaris