Volgens het College is niet gebleken dat de jeugdprofessional tekortgeschoten is in de communicatie met klager. Zij heeft in lijn met de beroepsnorm gehandeld en hem kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. M.J. Bos van […].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 16 december 2015;
– de aanvulling van klager van 4 januari 2016 en 3 maart 2016;
– het verweerschrift van 5 april 2016 met de aanvullende bijlage van 20 juni 2016;
– de aanvulling van klager van 23 juni 2016.

1.2

De hoorzitting heeft op 29 juni 2016 plaatsgevonden in aanwezigheid van klager, beklaagde en haar gemachtigde. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan.

2.2

Klager is de vader van dochter E. [geboortedatum] en zoon G. [geboortedatum]. De ouders van de kinderen zijn uit elkaar gegaan met scheidingsproblematiek. Beide ouders beschikken over het gezamenlijk gezag en de kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij moeder.

2.3

Eind mei 2015 zijn de kinderen aangemeld bij Instelling Y., hierna te noemen: [de instelling], vanwege een crisis in de opvoedsituatie bij moeder, waarna crisisinterventie volgde.

2.4

Sinds 18 juni 2015 is beklaagde, werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [de instelling], betrokken bij het gezin.

2.5

Na afloop van de crisisinterventie bij moeder heeft beklaagde Intensieve Pedagogische Thuishulp van Instelling Z. ingezet, hierna te noemen: IPT.

3 De klachten

3.1

De kern van de klacht betreft, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende.

3.2

Beklaagde heeft de zorgen van klager over de ontwikkeling en de veiligheid van de kinderen bij moeder nooit serieus genomen. Daarnaast wordt klager ten onrechte beschuldigd van het tegenwerken van de hulpverlening, krijgt hij geen inzage in de stukken, wordt hij onvoldoende geïnformeerd en wordt hij niet erkend in de veilige en perspectief biedende omgeving die hij de kinderen kan bieden. Ook handelt beklaagde partijdig. Zo legt zij het verhaal van de kinderen op een zodanige wijze uit, dat het past binnen de voorgestelde hulpverlening en bestaat de verslaglegging enkel uit meningen. Beklaagde gaat daarmee voorbij aan de wensen van de kinderen. De volgende artikelen worden volgens klager door beklaagde geschonden:

I. Artikel A (Jeugdige tot zijn recht laten komen)
II. Artikel B (Bevordering deskundigheid)
III. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg)
IV. Artikel E (Respect)
V. Artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening)
VI. Artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening)
VII. Artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie)
VIII. Artikel J (Vertrouwelijkheid)
IX. Artikel K (Vermoeden kindermishandeling)
X. Artikel L (Beroep op plicht om vertrouwelijkheid om te gaan met informatie)
XI. Artikel M (Verslaglegging/dossiervorming)
XII. Artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
XIII. Artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking)
XIV. Artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie)

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert, kort samengevat en zakelijk weergeven, het volgende aan.

4.2

Het klaagschrift en de bijlagen betreffen met name verwijten vanuit de eigen belevingen en aannames van klager. Klager heeft beklaagde nimmer de mogelijkheid geboden om hier op te reageren en beklaagde kan zich in het geheel niet in de verwijten vinden. Beklaagde heeft, met respect voor beide ouders, de kinderen centraal gesteld. Dat brengt met zich mee dat beklaagde niet direct heeft gedaan wat klager van beklaagde verwachtte, namelijk ervoor zorgen dat de kinderen zo snel mogelijk bij hem kwamen wonen en moeder diskwalificeren. Beklaagde heeft zich ingespannen om uit te leggen dat de kinderen voor hun ontwikkeling beide ouders nodig hebben en nooit betrokken mogen worden in een echtscheidingsstrijd. Daarnaast heeft beklaagde steeds toegezien dat de informatie-verstrekking richting klager correct en zorgvuldig verliep. Wat beklaagde in het belang van de kinderen bij een scheiding ook probeerde uit te leggen, klager bleef volharden in zijn tunnelvisie ten aanzien van de rol van moeder en de verblijfplaats van de kinderen.

4.3

Met betrekking tot de afzonderlijke klachtonderdelen verklaart beklaagde het volgende.

I. Artikel A (Jeugdige tot zijn recht laten komen)

4.4

Beklaagde heeft de kinderen en hun ontwikkeling centraal gesteld. Daarbij heeft beklaagde beide ouders met respect behandeld en heeft zij zich niet laten verleiden tot partijdigheid. Wel heeft beklaagde de genoemde zorgen van de ene ouder over de andere ouder serieus genomen door regelmatig, bijna wekelijks, de casus intern te bespreken met collega’s en de teamleider en de gedragswetenschapper. Beklaagde heeft een goed beeld proberen te krijgen van de drie belangrijkste domeinen, te weten: wonen, onderwijs en vrije tijd.

II. Artikel B (Bevordering deskundigheid)

4.5

In het kader van deskundigheid ten behoeve van het opzetten van een hulpverleningstraject bij kinderen in conflictscheidingen, heeft beklaagde de opleiding tot familiaal bemiddelaar gevolgd en succesvol afgerond. Tevens heeft beklaagde de training Ouderschap na Scheiding gevolgd.

III. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg)

4.6

De aanpak van beklaagde is gericht op het serieus nemen van de kinderen en hun ouders door tijd te maken voor afspraken. Zo heeft zij klager bij het eerste huisbezoek de tijd gegeven om uitgebreid zijn verhaal te vertellen, waarbij zij klager heeft verzocht om afspraken te maken met betrekking tot de onderlinge communicatie. Daarnaast heeft zij klager er op gewezen dat er momenten kunnen komen waarbij verschil van mening ontstaat, echter dat het van groot belang is om met elkaar in gesprek te blijven.

IV. Artikel E (Respect)

4.7

Beklaagde heeft respect getoond voor de mening van klager, maar heeft deze mening niet overgenomen. Beklaagde heeft zowel klager als de kinderen duidelijk uitgelegd wat haar beweegredenen zijn. Klager is nooit door beklaagde gedegradeerd in zijn ouderrol, echter beklaagde heeft wel haar zorgen geuit over zijn kijk op het belang van de kinderen. Klager meende dat beklaagde niet meer met de kinderen mocht praten, hetgeen beklaagde heeft gerespecteerd. Beklaagde heeft de betrokken hulpverleners hierover direct geïnformeerd.

V. Artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening)

4.8

Beklaagde heeft klager geïnformeerd over de inzet van en het traject naar de Raad. Zij heeft getracht te bemiddelen tussen klager en de IPT om zo toch tot een gezamenlijk gesprek te komen.

VI. Artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening)

4.9

De inzet van de Raad is voorgelegd aan klager. Op het moment dat de kinderen vanuit zichzelf met een vraag kwamen over pleegzorg, is in kindertaal uitgelegd wat dit inhoudt. Beklaagde heeft geprobeerd om vast te stellen waar die vraagstelling van de kinderen vandaan kwam. Zij heeft in het gesprek met de kinderen duidelijk te kennen gegeven dat er vanuit de hulpverlening wordt gestreefd om hen in twee huizen te laten wonen en dat het voor ouders soms moeilijk is om alles direct goed te kunnen regelen.

VII. Artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie)

4.10

Beklaagde herkent zich niet in het door klager beweerde misbruik van gezag en invloed. Beklaagde is duidelijk geweest in het verwoorden van de zorgen en het aandeel van klager hierin. Dit betekent echter niet dat beklaagde haar gezag en invloed misbruikt.

VIII. Artikel J (Vertrouwelijkheid)

4.11

Er is door beklaagde geen vertrouwelijke informatie gedeeld met derden zonder diens toestemming. Klager was op de hoogte van de melding bij de Raad. Beklaagde heeft duidelijk uitleg gegeven over het traject en verklaard dat de Raad gaat onderzoeken wat het beste is voor de ontwikkeling van de kinderen. Gedurende het raadsonderzoek is door beklaagde geprobeerd om het vrijwillige hulpverleningstraject verder invulling te geven. In dat kader heeft beklaagde getracht om met inzet van een objectief persoon, in de vorm van een familiaal bemiddelaar, de communicatie tussen ouders te verbeteren. Er is vooraf door beklaagde geen informatie uitgewisseld met deze hulpverlener.

IX. Artikel K (Vermoeden kindermishandeling)

4.12

Beklaagde heeft de signalen van klager over mishandeling in december 2015 volgens de meldcode benaderd. Zij heeft de signalen met moeder en de kinderen besproken. Beklaagde is op 2 december 2015 op huisbezoek geweest op het moment dat de kinderen volgens vader zouden zijn mishandeld. Daar aan voorafgaand heeft beklaagde een consult gehad bij de Raad. Zij heeft de toegestuurde foto’s op 7 december 2015 persoonlijk besproken. Daarnaast heeft beklaagde de signalen van de moeder over geestelijke mishandeling door vader met vader besproken. Tot slot is er door beklaagde een politiecheck gedaan.

X. Artikel L (Beroep op plicht om vertrouwelijkheid om te gaan met informatie)

4.13

Beklaagde heeft geen vertrouwelijke informatie met een rechter gedeeld.

XI. Artikel M (Verslaglegging/dossiervorming)

4.14

Beklaagde heeft klager betrokken bij het opstellen van het gezinsplan. Aan klager is letterlijk gevraagd om de zorgen en klachten ten aanzien van de ontwikkeling van zijn kinderen te benoemen en zijn reactie te geven op het plan. Daarbij is duidelijk gecommuniceerd dat het niet de bedoeling is om het gezinsplan te herschrijven en een strijd om de beste ouder te gaan voeren. Klager heeft toch het rapport aangevuld met belevingselementen vanuit de strijd die hij voert met zijn ex-partner, welke, na teamoverleg, niet in het plan zijn opgenomen. Het gevoel van klager, dat hij zich hierdoor niet serieus genomen voelt, is vervolgens uitvoerig met klager besproken.

XII. Artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)

4.15

Alle besluiten zijn door beklaagde in overleg met collega’s, haar gedragswetenschapper en haar teamleider genomen.

XIII. Artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking)

4.16

Beklaagde heeft de casus aan collega’s voorgelegd met het verzoek beklaagde kritisch te bevragen op haar eigen handelen. De match met klager is regelmatig ter sprake geweest.

XIV. Artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie)

4.17

Het ethisch dilemma van enerzijds de kinderen gunnen om vanuit een veilig klimaat bij beide ouders te kunnen zijn en anderzijds constateren dat de kinderen knel zitten tussen de strijd van beide ouders, waardoor dit klimaat niet aanwezig is, is veelvuldig onderwerp van gesprek geweest binnen de casuïstiek en supervisie van beklaagde.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2013. Zij is sinds 18 juni 2015 bij het gezin van klager betrokken. Het College toetst het beroepsmatig handelen van beklaagde over de periode dat zij betrokken is geweest bij het gezin en toetst aan de algemene tuchtnorm.

5.3

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting is besproken stelt het College vast dat de kern van de klacht uit twee onderdelen bestaat:
• Beklaagde heeft onvoldoende met klager gecommuniceerd over de crisisinterventie en de IPT;
• Beklaagde heeft de zorgen van klager over de kindermishandelingen door moeder niet serieus genomen, waardoor beklaagde de kant van moeder lijkt te kiezen en klager zich niet gehoord voelt.

5.4

Het College beperkt zich in zijn oordeel tot de kern van de klacht zoals hierboven weergegeven.

5.5

Voor wat betreft het klachtonderdeel dat beklaagde onvoldoende met klager over de hulpverlening zou hebben gecommuniceerd, overweegt het College het volgende. Ter zitting is vast komen te staan dat beklaagde bij het begin van haar betrokkenheid klager telefonisch heeft benaderd om de crisisinterventie te bespreken. Klager gaf toen aan geen enkele hulp te wensen en verwees beklaagde door naar moeder. Vervolgens is beklaagde op huisbezoek geweest bij beide ouders. Aangezien moeder na afloop van de crisisinterventie kennelijk meer hulp nodig had om de veiligheid van de kinderen te garanderen, heeft beklaagde IPT bij moeder ingezet. Gebleken is dat klager ook hierover is geïnformeerd door beklaagde. De stelling dat klager door beklaagde onvoldoende geïnformeerd en betrokken zou zijn, gaat naar het oordeel van het College dan ook niet op. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.6

Voor wat betreft het klachtonderdeel dat beklaagde niets met de signalen van mishandeling van de kinderen door moeder heeft gedaan, overweegt het College als volgt. Het College gaat uit van twee vermeende mishandelingen, namelijk die van mei/juni 2015 en die van december 2015. Gebleken is dat de vermeende kindermishandeling in mei/juni 2015 door een crisismedewerker van [organisatie] is gemeld aan Veilig Thuis.
Beklaagde heeft ter zitting voldoende aangetoond dat zij pas nadien, namelijk vanaf 18 juni 2015, bij de casus is betrokken. Beklaagde is toen bij moeder op huisbezoek geweest om na te gaan of er signalen waren, maar zij kon die niet ontdekken en het gegeven is verder aan haar zicht onttrokken.
Voor wat betreft de vermeende mishandeling in december 2015, oordeelt het College als volgt. Gebleken is dat beklaagde deze melding meteen heeft doorgezet aan haar teamleider en aan de gedragswetenschapper. Daarnaast heeft beklaagde de Raad geraadpleegd, is zij op huisbezoek bij moeder geweest en heeft zij met de kinderen gesproken. Ook toen waren er geen signalen van lichamelijk mishandeling. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde hiermee voldoende aangetoond dat zij het vermoeden van kindermishandeling adequaat heeft opgepakt. Kennelijk hebben deze acties niet geleid tot een formele vaststelling van toegebracht letsel of tot het maken van veiligheidsafspraken.
Voorgaande neemt echter niet weg dat in een dergelijk geval, waarbij ouders elkaar wederzijds beschuldigen van kindermishandeling, het maken van veiligheidsafspraken naar het oordeel van het College de voorkeur zou hebben gehad. Met het opstellen van veiligheidsafspraken, die ouders met behulp van hulpverlening maken om zorgen betreffende de fysieke en /of sociaal emotionele veiligheid weg te nemen, worden de zorgen van de betreffende ouder(s) serieus genomen. Ook had het van meer zorgvuldigheid getuigd, als beklaagde zorg had gedragen voor het instellen van een onderzoek naar de vermeende kindermishandeling bij een arts. Naar het oordeel van het College is beklaagde echter binnen de grenzen van de beroepsnorm gebleven. Het College verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

5.7

Al het voorgaande in overweging nemende, is het College van oordeel dat niet is gebleken dat beklaagde tekort is geschoten in de communicatie met klager dan wel vermoedens van kindermishandeling niet adequaat zou hebben opgepakt. Het College komt derhalve tot de slotsom dat beklaagde in lijn met haar beroepsnorm heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6 De Beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 24 augustus 2016 in de genoemde samenstelling.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris