Volgens moeder heeft de jeugdprofessional niet gekeken naar plaatsingsmogelijkheden van de zoon in het netwerk van moeder, is geen plan opgesteld over de terugplaatsing, is de zoon in een pleeggezin geplaatst op basis van een ongeldige diagnose en is de bezoekregeling ten onrechte gewijzigd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
mevrouw M. Bijnoe,
mevrouw U. Hammer,
mevrouw S. Ephraïm, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde] , werkzaam bij [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
• het klaagschrift d.d. 19 januari 2016 met bijlagen;
• het verweerschrift d.d. 12 februari 2016 met bijlagen;
• repliek klaagster d.d. 13 juni 2016 met bijlagen.

De behandeling heeft van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde. Een teammanager van [gecertificeerde instelling] is als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten en omstandigheden uit.

2.a

Klaagster heeft een zoon [zoon], geboren op [datum] 2015.

2.b

Op 6 januari 2015 heeft de politie een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat klaagster het [naam instelling] waar zij was opgenomen, heeft verlaten. Klaagster is ingetrokken bij haar partner en was in verwachting van [zoon]. Op 14 januari 2015 heeft de psychiater van het [naam instelling] zorgen gemeld bij Veilig Thuis.

2.c

Veilig Thuis heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) op 19 maart 2015 gevraagd om een onderzoek te verrichten naar de opvoedsituatie van het ongeboren kind van klaagster. De RvdK heeft de rechtbank om een voorlopige voogdijmaatregel verzocht. Bij rechterlijke beschikking van 3 april 2015 is [gecertificeerde instelling] (hierna: de GI) belast met de voorlopige voogdij over de al als geboren aangemerkte [zoon] voor de duur van drie maanden gerekend vanaf 26 maart 2015.
Klaagster is sinds 22 september 2014 onder curatele gesteld. Op 28 april 2015 is de curatele van klaagster omgezet in bewindvoering en mentorschap.

2.d

Beklaagde heeft namens de GI sinds 26 maart 2015 de voorlopige voogdij uitgeoefend over de baby.

2.e

D. is een week na zijn geboorte in een pleeggezin geplaatst. Tussen klaagster en [zoon] is een omgangsregeling vastgesteld van een uur begeleide omgang per week.

2.f

In maart 2015 is klaagster met een rechterlijke machtiging opgenomen in een kliniek waar zij tot en met mei 2015 is verbleven.

2.g

Beklaagde heeft op 8 april 2015 kennis gemaakt met klaagster en de vermeende vader en het advies van de RvdK met hen besproken. De afspraak is gemaakt dat beklaagde de mogelijkheden tot hereniging in een intensief begeleide woonvoorziening voor klaagster en [zoon] zou onderzoeken. Daarnaast heeft beklaagde zorggedragen voor een forensisch erkende vaderschapstest. In juni 2015 is uit een vaderschapstest gebleken dat de vermeende vader niet de vader is, de vader is onbekend.

2.h

Klaagster heeft een kort geding aangespannen over de omgangsregeling. De voorzieningenrechter heeft de omgangsregeling vanaf 27 mei 2015 uitgebreid naar twee en een half uur begeleide omgang per week. Er zijn negen begeleide bezoeken geweest die 2,5 uur duurden.

2.i

Beklaagde heeft op 9 juli 2015 een verzoek tot wijziging omgangsregeling bij de rechtbank ingediend. Bij rechtelijke beschikking d.d. 31 augustus 2015 is de omgangsregeling teruggebracht tot maximaal een uur begeleide omgang per drie weken.

2.j

Ten tijde van het hiervoor onder i. vermelde verzoek van beklaagde heeft de RvdK de rechtbank geadviseerd om de GI te belasten met de voogdij. De diverse verzoeken over voogdij en gezagsvoorziening zijn aangehouden omdat klaagster een aanvullend persoonlijkheidsonderzoek moet hebben overgelegd. De RvdK dient een onderzoek af te ronden naar de vraag of de moeder van klaagster belast kan worden met de voogdij.

2.k

De zoektocht naar een geschikte voorziening voor klaagster en [zoon] is gestaakt. Dit is aan klaagster medegedeeld op 7 juli 2015.

2.l

Beklaagde heeft op 23 september 2015 een Plan van Aanpak Voogdij geschreven.

2.m

Op 22 december 2015 heeft een klachtbemiddelingsgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van de brief die klaagster heeft gestuurd naar de teammanager.

3 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

1

Beklaagde heeft niet gekeken naar plaatsingsmogelijkheden van [zoon] in het netwerk van klaagster.
Er is geen gehoor gegeven aan het verzoek van de moeder van klaagster en familieleden om te zorgen voor [zoon]. Een pleegmoeder in het netwerk van klaagster wil [zoon] opvangen en heeft dit vanaf het begin te kennen gegeven. Daarnaast zijn een oom, tante en nichtje van klaagster bereid om voor [zoon] te zorgen.

2

Beklaagde heeft geen plan opgesteld over terugplaatsing van [zoon]. Ook is er geen zicht op terugplaatsing. Klaagster wil [zoon] terug. Beklaagde heeft de beslissing van de rechter beïnvloed door onjuiste informatie te verstrekken. Klaagster blijft als moeder voor haar kind vechten en heeft geen kans gekregen om te bewijzen dat zij een goede moeder is. De opvoedingsvaardigheden van klaagster worden niet gerespecteerd. Beklaagde werkt klaagster tegen terwijl er ook goede kanten zijn.
Beklaagde heeft ervoor gezorgd dat de bevalling van [zoon] medisch werd ingeleid terwijl dit helemaal niet nodig was. Het contact tussen klaagster en [zoon] is belemmerd. Klaagster mocht geen borstvoeding aan [zoon] geven.

3

[Zoon] is in een pleeggezin geplaatst op basis van een gestelde diagnose over klaagster terwijl deze diagnose ongeldig is. De diagnose is gesteld op het moment dat klaagster overmatig medicijnen gebruikte. Daarnaast zijn diagnoses vijf jaar geldig. Nu de diagnose in 2009 is vastgesteld en [zoon] in 2015 is geboren, is zes jaar verstreken.

4

De bezoekregeling is ten onrechte beperkt.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

1

Uit de informatie die beklaagde tot haar beschikking had, is gebleken dat er geen netwerk was dat kon worden ingezet voor de opvang van [zoon] en ter ondersteuning van klaagster.
Beklaagde heeft klaagster gevraagd om de personen uit haar netwerk die voor [zoon] zouden willen zorgen naar beklaagde te laten bellen. Beklaagde heeft de betreffende personen niet zelf willen contacteren om hen niet onder druk te zetten. Beklaagde is niet gebeld en heeft geen namen en telefoonnummers uit het netwerk van klaagster ontvangen.
Beklaagde heeft op 9 april 2015 in een multidisciplinair overleg het beleid van de GI besproken. Gesteld is dat de hereniging van klaagster en [zoon] alleen veilig is in een voorziening waar zeven dagen per week en 24 uur per dag begeleiding en toezicht is en waar mogelijkheden zijn tot behandeling van klaagster.
Beklaagde heeft gesproken met de moeder van klaagster en de moeder van de vriend van klaagster. De moeder van klaagster heeft zich bereid getoond om [zoon] op te vangen maar had ook oog voor de beperkingen en complicerende factoren die een rol speelden.
De moeder van de vriend van klaagster heeft zich betrokken getoond maar nadat was gebleken dat de vriend niet de vader van [zoon] was, is zij buiten beeld geraakt. Beklaagde heeft een vaderschapstest geregeld en gefinancierd. Zij kan dit eenmalig aanvragen. Nadien is het DNA van [zoon] opgeslagen en is de toestemming van beklaagde nodig voor gebruik van het DNA.
Mevrouw [naam]. heeft op verzoek van klaagster gebeld met beklaagde en heeft zich voorgesteld als hulpverlener vanuit scholen. Zij heeft vragen gesteld en is een discussie met beklaagde aangegaan. Beklaagde wilde niet met mevrouw [naam] in gesprek over de inhoud van de voogdij nu er veel hulpverlening bij [zoon] en klaagster was betrokken en de RvdK bezig was met een onderzoek.
De zoektocht naar een geschikte voorziening voor [zoon] en klaagster is gestaakt omdat klaagster zich niet liet begeleiden tijdens de bezoeken aan [zoon]. Ook is geen voorziening met intensieve begeleiding gedurende 24 uur per dag beschikbaar waar volwassen vrouwen voor langere tijd met hun kind kunnen wonen. Klaagster is op 7 juli 2015 telefonisch bericht over het stopzetten van de zoektocht.

2

Beklaagde heeft klaagster uitgelegd dat een voorlopige voogdijmaatregel geen maatregel is die primair is gericht op een spoedige thuisplaatsing. Het voogdijplan is later vastgesteld dan gebruikelijk omdat beklaagde onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden tot hereniging van klaagster en [zoon]. Tijdens dit onderzoek heeft beklaagde gekeken naar mogelijke voorzieningen voor klaagster en [zoon]. Ook heeft beklaagde informatie uit de begeleide bezoeken en de bevindingen vanuit het raadsonderzoek in het voogdijplan verwerkt. Beklaagde heeft het vorenstaande met klaagster besproken, ook tijdens het klachtbemiddelingsgesprek en in een gesprek op 12 januari 2016.
Het besluit om de bevalling op te wekken, behoort niet tot de verantwoordelijkheid van beklaagde maar is de verantwoordelijkheid van de gynaecoloog. Beklaagde heeft met de gynaecoloog gesproken over het opwekken van de bevalling maar heeft geen invloed uitgeoefend op de uiteindelijke beslissing van de gynaecoloog. Vanuit ethisch en hygiënisch oogpunt was het voor klaagster niet mogelijk om borstvoeding te geven. [Zoon] had cannabis in zijn bloed toen hij geboren werd.
De rechter heeft een beslissing genomen over de voorlopige voogdij. De RvdK heeft hierom verzocht. Na deze beschikking, is beklaagde bij deze zaak betrokken.
Beklaagde betwist dat zij de rechter moedwillig onjuist heeft geïnformeerd. Zij heeft haar informatie gebaseerd op bronnen en eigen waarnemingen.

3

In juni 2013, maart 2015 en november 2015 heeft het NIFP een psychiatrisch en psychologisch onderzoek uitgevoerd. Bij het laatste onderzoek is geen sprake van psychotische problematiek en is een zekere stabilisatie. Er lijkt nog steeds sprake te zijn van persoonlijkheidsproblematiek maar er kan onvoldoende gesteld worden in hoeverre dit op zichzelf staat of waar dit aan gerelateerd is. Behandeling en begeleiding is geïndiceerd. Hetgeen de deskundigen stellen, is zorgelijk en niet verenigbaar met de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van een kind. De stabilisatie kan alleen worden vervolgd als klaagster behandeling en begeleiding aanvaardt en blijvend stopt met het gebruik van middelen. Dat kan pas over geruime tijd bekend zijn. Klaagster heeft tot nu toe geen hulpverlening aanvaard.
Naast de diagnose die gaande weg enigszins is bijgesteld waren er grote zorgen over Klaagster. Klaagster had geen huis, grote schulden en is onder curatele gesteld. De veiligheid van [zoon] kon niet worden geborgd door het gebruik van middelen, persoonlijke problematiek en onvoorspelbaarheid van klaagster. Daarnaast was er geen steunend netwerk, is hulpverlening door klaagster afgewezen en waren er diverse strafzaken klaagster betreffende gaande.

4

[Zoon] is een kwetsbare baby die bescherming nodig heeft. Tijdens de zwangerschap heeft hij blootgestaan aan verschillende invloeden die hem zijn leven lang kunnen bedreigen in zijn ontwikkeling. [Zoon] was klein bij zijn geboorte, hij groeit momenteel relatief goed in lengte en gewicht maar de omvang van zijn hoofdje is klein. Beklaagde is daarom extra alert op het risico van overbelasting en overprikkeling van [zoon]. In eerste instantie heeft een omgangsregeling van 1 uur per week plaatsgevonden. Na deze bezoeken was [zoon] erg vermoeid waardoor er geen intentie was om deze uit te breiden. Na een kort gedingprocedure is de bezoekregeling uitgebreid naar 2,5 uur per week. Deze regeling is uitgevoerd maar bleek een te zware belasting voor [zoon] te zijn.
Na negen bezoeken heeft beklaagde een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling ingediend. Toen was er een voldoende beeld gevormd van de vaardigheden en de mate van begeleidbaarheid van klaagster en de geringe kansen om hier verbetering in aan te brengen. Het is een onaangenaam besluit geweest voor klaagster. Beklaagde heeft het verzoek ingediend ter bescherming van [zoon]. De omgangsregeling is op verzoek van beklaagde teruggebracht naar een uur per drie weken. Dat is pas gebeurd na toestemming van de kinderrechter. Na de wijziging van de bezoekregeling in juli 2015 wil klaagster niet meer met beklaagde in gesprek gaan. Sinds augustus 2015 wil klaagster een andere voogd. Er heeft een klacht en bemiddelingsgesprek met klaagster plaatsgevonden. Klaagster is nu gestopt met het gebruik van middelen en richt haar leven opnieuw in. Het kost langere tijd voordat duidelijk is of dat blijvend is.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.
Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.
Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.
Het College oordeelt als volgt.

1:

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling komt het College tot de slotsom dat beklaagde onderzoek heeft verricht naar de plaatsing van [zoon] binnen het netwerk van klaagster. Beklaagde heeft gesproken met de moeder van klaagster en met de moeder van de vermeende vader van [zoon]. Op verzoek van de rechtbank verricht de RvdK onderzoek naar de mogelijkheid de moeder van klaagster te belasten met de voogdij. De moeder van de vermeend vader heeft zich teruggetrokken nadat uit de vaderschapstest bleek dat haar zoon niet de vader van [zoon] is. Beklaagde heeft de vaderschapstest georganiseerd en laten financieren om de familie van vermeend vader bij het netwerk te betrekken en omdat het in het belang van [zoon] is om te weten wie zijn vader is. Het College overweegt dat beklaagde te kennen heeft gegeven dat deze vaderschapstest eenmalig gefinancierd kan worden en dat het onder de huidige omstandigheden niet noodzakelijk is dat beklaagde opnieuw een vaderschapstest organiseert.
Uit het schrijven van mevrouw [naam] d.d. 6 juni 2016 kan het College niet concluderen dat mevrouw [naam] zich tijdens het onderzoek van beklaagde beschikbaar heeft gesteld als pleegmoeder voor [zoon]. Uit de stukken die zich in het dossier bevinden, kan het College verder niet afleiden dat, zoals klaagster stelt, de tante, oom en nichtje van klaagster zich bij beklaagde hebben gemeld als mogelijke pleegouder.
Beklaagde heeft met klaagster gecommuniceerd over het verloop van de bezoeken en heeft klaagster uitgelegd, dat de aan haar gegeven adviezen en aanwijzingen in het belang zijn van de veiligheid en het welzijn van [zoon]. Klaagster is ook bericht over de overige redenen waarom klaagster nog niet samen met [zoon] in een voorziening geplaatst is: het raadsonderzoek is nog niet af en er is geen moeder-en-kind-voorziening gevonden met zeven dagen per week 24 uur per dag begeleiding en daarnaast voldoende begeleiding en behandeling voor de eigen problemen van klaagster. Dit blijkt onder meer uit e-mails van beklaagde aan klaagster d.d. 8 juli 2015 en 17 augustus 2015 en 14 januari 2016.
Het College constateert dat beklaagde op grond van het voorgaande gemotiveerd heeft toegelicht waarom zij de zoektocht naar een geschikte voorziening is gestaakt na de negen begeleide bezoeken van klaagster met [zoon].
Het klachtonderdeel is ongegrond.

2:

Hoewel duidelijk is dat het opwekken van de bevalling en het niet kunnen geven van borstvoeding aan [zoon] voor klaagster belangrijke kwesties zijn, staan deze kwesties niet ter beoordeling in de onderhavige tuchtprocedure. Het besluit de bevalling op te wekken, komt niet toe aan beklaagde, doch aan de betrokken arts.
Het besluit met betrekking tot het niet kunnen geven van borstvoeding is, zo heeft beklaagde onbetwist gesteld, gebaseerd op het beleid van de GI. Hoewel het College begrijpt dat klaagster graag borstvoeding had willen geven en hier nog steeds verdriet van heeft, heeft beklaagde de taak en verantwoordelijkheid om prioriteit te geven aan het fysieke welbevinden van [zoon].
Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen beklaagde en klaagster en het klachtgesprek d.d. 22 december 2015 is het College gebleken dat beklaagde aan klaagster heeft toegelicht wat een voogdij betekent en is aan klaagster uitgelegd dat vanwege de persoonlijke problematiek van klaagster en haar handelen en inzicht tijdens de begeleide bezoeken geen plan voor terugplaatsing van [zoon] bij klaagster is opgesteld.
Anders dan klaagster stelt, heeft het College in de stukken geen aanknopingspunten kunnen vinden die leiden tot de conclusie dat beklaagde de rechter onjuist zou hebben geinformeerd.
Het College begrijpt dat klaagster teleurgesteld is over de bezoekregeling en dat klaagster graag zou willen dat [zoon] bij haar wordt terug geplaatst. Echter, uit het voorgaande kan het College niet afleiden dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Dit klachtonderdeel wordt in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

3:

Uit de stukken en de mondelinge behandeling bij het College is gebleken dat er naast de diagnose van klaagster meerdere omstandigheden een rol hebben gespeeld bij de afweging of [zoon]teruggeplaatst zou worden bij klaagster. Deze omstandigheden bestaan uit gebeurtenissen die eerder in het leven van klaagster hebben plaatsgevonden en gaan gepaard met persoonlijke problematiek van klaagster, het gegeven dat klaagster hulp nodig heeft en het verloop van de begeleide bezoeken van klaagster aan [zoon].
Het College is van oordeel dat de ten aanzien van beklaagde gestelde diagnoses bij deze afwegingen niet doorslaggevend zijn geweest. Dat deze diagnoses onjuist zouden zijn of in 2009 zijn vastgesteld, maakt dit niet anders. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4:

De omgangsregeling van 1 uur begeleid bezoek per drie weken is bij beschikking d.d. 31 augustus 2015 door de rechtbank vastgesteld. Het behoort niet tot de bevoegdheid van het College om te beoordelen of de gewijzigde bezoekregeling wenselijk of noodzakelijk is. Indien klaagster zich met de beslissing van de rechtbank niet kan verenigen, kan zij hiervan hoger beroep instellen bij het gerechtshof.
Klaagster is derhalve niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I., II., III. en V. ongegrond;
– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel IV.

Aldus gedaan op 29 juni 2016 en op 24 augustus 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden en ondertekend door de voorzitter en secretaris.

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris