De jeugdprofessional toont voldoende verbetering in samenwerking met moeder nadat het College van Toezicht in een eerdere beslissing een maatregel had opgelegd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D. Markx, voorzitter
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist
de heer A. van Empel,
mevrouw U. Hammer,
de heer mr. E.A.J. Ouwerkerk, leden-beroepsgenoten.
Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster] hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional], werkzaam bij  [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 6 januari 2016;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016 in aanwezigheid van beklaagde. Klaagster is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
Deze behandeling stond oorspronkelijk gepland op 8 maart 2016 en is kort voor de zitting verplaatst nadat klaagster wegens familieomstandigheden heeft afgezegd. Het College heeft beklaagde en klaagster op 12 mei 2016 door middel van een e-mail medegedeeld dat het College de zaak zal afdoen en dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van het volgende uit.

2.a

De op [datum] 2013 geboren zoon van klaagster, [zoon], is al voor zijn geboorte bij beschikking van de rechtbank d.d. 18 oktober 2013 onder toezicht gesteld van de [gecertificeerde instelling], hierna te noemen de GI.

2.b

De gezinsvoogdij voor [zoon] wordt namens de GI sinds 17 december 2013 uitgevoerd door beklaagde.

2.c

[zoon] is op grond van een daartoe strekkende machtiging op 16 mei 2014 uit huis geplaatst en verblijft sindsdien in een pleeggezin. Klaagster werd belast met het eenhoofdig gezag.

2.d

Er is een omgangsregeling vastgesteld, waarbij klaagster een keer per twee weken een bezoekmoment heeft met [zoon] onder begeleiding van afwisselend pleegzorg en beklaagde.

2.e

De rechtbank heeft in de beschikking van 3 oktober 2014 voorwaarden gesteld aan klaagster om toe te werken naar thuisplaatsing van [zoon].

2.f

Op 3 maart 2015 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College op [datum] 2015 te kennen gegeven dat hoogstwaarschijnlijk een andere gezinsvoogd aangesteld zou worden. De beslissing is op [datum] 2015 naar partijen verzonden.

2.g

Het College heeft in deze beslissing geoordeeld dat beklaagde zich niet voldoende heeft ingezet om een goede samenwerking en communicatie met klaagster te bewerkstelligen en heeft de klacht daarover gegrond verklaard. Het College heeft beklaagde een waarschuwing opgelegd.

2.h

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

I

Sinds de beslissing van [datum] 2015 van het College is de samenwerking met beklaagde niet verbeterd. Beklaagde heeft geen gesprekken gevoerd met klaagster en er is geen andere jeugdbeschermer aangesteld.

II

Beklaagde heeft zonder voorafgaande gesprekken of motivering klaagster een schriftelijke aanwijzing gegeven voor het verminderen van de omgang met [zoon].
Deze schriftelijke aanwijzing is door de rechter vervallen verklaard.

III

Beklaagde heeft klaagster niet respectvol behandeld en stelt zich onprofessioneel op. Beklaagde heeft klaagster op 4 januari 2016 een e-mail gestuurd. Deze e-mail van beklaagde is gericht aan de pleegouders van [zoon]. Beklaagde heeft ouders aangeschreven met ‘lieve’. Ook staat in de e-mail vermeld ‘dat we niet hoeven te verwachten dat klaagster dit jaar nog gaat veranderen’. Klaagster heeft beklaagde telefonisch aangesproken op deze e-mail. Beklaagde heeft vervolgens te kennen gegeven dat deze e-mail niet voor klaagster is bedoeld.

4 Het verweer

Beklaagde heeft geen verweerschrift ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling bij het College heeft beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

I

Na de beslissing van het College heeft beklaagde in december 2015 een gesprek gevoerd met klaagster, de pleegzorgwerker en de pleegouders van [zoon].
Het gesprek had als doel de communicatie tussen klaagster en beklaagde te verbeteren. Klaagster is in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het gesprek, schriftelijk gesprekspunten in te brengen, hetgeen zij niet heeft gedaan.
Klaagster heeft tijdens het gesprek niet opengestaan voor een bespreking van de samenwerking tussen klaagster en beklaagde. Klaagster heeft alleen te kennen gegeven dat zij een andere gezinsvoogd wilde.
Vanwege de complexiteit van de onderhavige zaak heeft de GI besloten dat geen andere gezinsvoogd zou worden aangesteld.

Tijdens dit gesprek is ook de omgangsregeling en de onderlinge communicatie besproken. De afspraak is gemaakt om op een correcte wijze met elkaar te communiceren en in e-mails aan anderen elkaar in de cc op te nemen.
Ook is het beleid van de GI aan de orde gekomen. Beklaagde heeft dit beleid niet alleen bepaald, zij voert het beleid uit in samenspraak met een team.

In februari 2016 heeft op verzoek van klaagster een gesprek plaatsgevonden met klaagster, beklaagde en haar leidinggevende over de communicatie. Klaagster heeft in dat gesprek eveneens te kennen gegeven dat zij een andere gezinsvoogd wilde.
De leidinggevende van beklaagde heeft het standpunt van de GI met klaagster besproken.

De afspraak is gemaakt dat de pleegzorgorganisatie of beklaagde klaagster meteen op de hoogte stelt wanneer er ontwikkelingen zijn bij [zoon]. Daarom zijn er verder geen gesprekken meer geweest tussen klaagster en beklaagde. Eens per kwartaal hebben klaagster en beklaagde contact.

Beklaagde heeft na de beslissing van het College haar gedrag aangepast. Zij heeft meer afstand genomen tijdens de bezoeken, is niet meer met klaagster in discussie gegaan en heeft lastige e-mails van klaagster even laten rusten alvorens te reageren.
Beklaagde heeft een collega laten meekijken met e-mails die zij naar klaagster wilde versturen.

II

In juli 2015 heeft de GI besloten dat de huidige omgangsregeling niet paste bij het perspectief van [zoon]. Beklaagde heeft klaagster bericht over het voornemen om de omgangsregeling te verminderen .
Beklaagde wilde de behandeling van de schriftelijke aanwijzing gelijktijdig met de verlenging van de ondertoezichtstelling (ots) en de machtiging tot uithuisplaatsing (uhp) laten plaatsvinden.
Omdat de formaliteiten niet waren gevolgd, heeft beklaagde de schriftelijke aanwijzing tijdens de zitting bij de rechtbank ingetrokken.

III

Beklaagde kan zich voorstellen dat klaagster zich heeft gestoord aan de e-mail die beklaagde naar de pleegouders van [zoon] heeft gestuurd.
De aanhef van de e-mail is ‘lieve’. Beklaagde heeft deze aanhef gebruikt naar aanleiding van een e-mail van de pleegouders waarin zij beklaagde fijne feestdagen hebben gewenst.
Het was niet de bedoeling dat klaagster de e-mail onder ogen zou krijgen. Beklaagde heeft klaagster de volgende dag gebeld met een uitleg en zij heeft haar verontschuldigingen aangeboden.
Ook heeft beklaagde op 5 januari 2016 een brief gestuurd naar klaagster en haar advocaat waarin zij haar excuses heeft aangeboden.
Beklaagde heeft met de zin : ‘we hoeven er niet op te rekenen dat klaagster dit jaar zal veranderen’ bedoeld dat klaagster de persoon is die zij is en dat beklaagde en de pleegouders moeten accepteren dat klaagster is zoals zij is.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.
Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

I:

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij na de beslissing van het College, in december 2015 met klaagster, de pleegzorgwerker en de pleegouders heeft gesproken.
Klaagster heeft vóór of tijdens dit gesprek geen punten aangedragen die betrekking hadden op het verbeteren van de samenwerking met beklaagde. In februari 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden met beklaagde, haar teamleider en klaagster. In dit gesprek heeft klaagster opnieuw verzocht om een nieuwe gezinsvoogd. Klaagster heeft dit alles niet weersproken.

Hoewel duidelijk is dat het aanwijzen van een andere gezinsvoogd voor klaagster een belangrijke kwestie is, staat dit niet ter beoordeling in de onderhavige tuchtprocedure omdat het besluit tot aanstelling van een andere gezinsvoogd een instellingsbesluit is en niet het handelen van beklaagde betreft.
Het College is niet bevoegd het handelen van de GI te toetsen en zal klaagster in dit gedeelte van de klacht daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van het College heeft beklaagde met hetgeen zij ter zitting heeft aangevoerd – en door klaagster niet is weersproken – voldoende duidelijk aannemelijk gemaakt dat zij sinds de beslissing van dit College in december 2015 heeft geprobeerd om tot een betere samenwerking met klaagster te komen. Zo heeft zij een gesprek geïnitieerd met als doel de communicatie tussen klaagster en beklaagde te verbeteren en uit dit gesprek zijn afspraken met betrekking tot de email-communicatie voortgekomen. Voorts streeft zij er sindsdien naar alle informatie over [zoon] onmiddellijk aan klaagster door te geven, neemt zij bewust afstand tijdens de bezoeken en laat zij een collega meelezen met de e-mails die zij voornemens is aan klaagster te sturen. Gelet op het voorgaande acht het College klachtonderdeel I. in zoverre ongegrond.

Het eerste klachtonderdeel zal derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.

II:

Beklaagde heeft ter zitting van het College desgevraagd naar voren gebracht dat de GI in juni 2015 het principebesluit heeft genomen om de omgangsregeling terug te brengen. De GI heeft gewacht met de schriftelijke aanwijzing daartoe omdat in oktober 2015 het verzoek tot verlenging van de ots en de machtiging tot uhp door de rechtbank zou worden behandeld en men het raadzaam vond de kwestie van de aanwijzing bij diezelfde gelegenheid te laten behandelen. Toen ter zitting bleek dat de schriftelijke aanwijzing formele gebreken had, heeft beklaagde de schriftelijke aanwijzing ingetrokken.
Klaagster is in haar klacht niet verder op de schriftelijke aanwijzing ingegaan. Nu de aanwijzing tot wijziging van de omgangsregeling een besluit van de GI betreft en niet het handelen van beklaagde, zal klaagster in dit deel van klachtonderdeel II niet ontvankelijk worden verklaard.

Nu het standpunt van klaagster en beklaagde omtrent de communicatie over de voorgenomen aanwijzing tegenstrijdig zijn en details hierover door geen van partijen in deze tuchtprocedure zijn verstrekt, acht het College zich niet althans onvoldoende in staat de gegrondheid van de klacht te beoordelen. Dit deel van klachtonderdeel II zal derhalve ongegrond worden verklaard.

III:

De aanhef en bewoordingen in de e-mail die beklaagde heeft verstuurd aan de pleegouders van [zoon] zijn ongelukkig gekozen en kunnen op verschillende wijzen worden geïnterpreteerd.
Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij klaagster telefonisch heeft uitgelegd in welke context de e-mail is geschreven. Vervolgens heeft beklaagde op 5 januari 2016 schriftelijk aan klaagster en haar advocaat excuses aangeboden. Klaagster heeft deze gang van zaken in haar klacht ook beschreven, maar zij is van mening dat dit het laakbare van beklaagde’s handelen niet opheft. Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat beklaagde’s handelen hoewel ongelukkig, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in een deel van klachtonderdeel I;

– verklaart klachtonderdeel I voor het overige ongegrond;

– verklaart klaagster niet ontvankelijk in een deel van klachtonderdeel II;

– verklaart klachtonderdeel II voor het overige ongegrond;

– verklaart klachtonderdeel III ongegrond.

Aldus gedaan op 10 mei 2016 en op 5 juli 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

Mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris