Vader en moeder klagen over de beleidswijzing van de jeugdprofessional en zijn van mening dat zij systematisch buiten beeld worden gehouden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D. Markx, voorzitter
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist
mevrouw M. Bynoe,
mevrouw U. Hammer,
de heer A. van Empel, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: [vader] wonende te [woonplaats], en [klaagster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [moeder], samen aan te duiden als klagers,
ingediende klacht

tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: [de jeugdprofessional], werkzaam bij [gecertificeerde instelling].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 11 januari 2016 met bijlagen;

– het verweerschrift d.d. 19 februari 2016 met bijlagen;

– de pleitnotitie van [moeder];

– de pleitnotitie van [de jeugdprofessional].

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 juni 2016 in aanwezigheid van [moeder] en [de jeugdprofessional]. [Vader] was niet aanwezig en heeft zich laten vertegenwoordigen door [moeder]. [De jeugdprofessional] werd bijgestaan door mevrouw mr. N.M.H. Hoekstra, werkzaam bij […].
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

[Moeder] heeft op 14 juni 2016 een wrakingsverzoek ingediend met betrekking tot de voorzitter van het College. Dit verzoek is door de wrakingskamer behandeld op 4 juli 2016.
De tuchtprocedure is geschorst ten tijde van de behandeling van en beslissing over het wrakingsverzoek. Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer afgewezen; die beslissing is op 21 juli 2016 verzonden. De procedure is vervolgens hervat.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.a

Klagers zijn getrouwd op 10 oktober 2010. Uit dit huwelijk is een dochter, Z., geboren op [datum] 2011. Klagers zijn belast met het ouderlijk gezag.
Klagers zijn volgens het BPR gescheiden op 25 april 2013. [Vader] is sinds januari 2015 in [land] woonachtig. [Moeder] is in Nederland blijven wonen.

2.b

Klagers zijn lid van een religieuze organisatie, [naam] (hierna te noemen: [organisatie]). Klagers woonden met leden van [organisatie], onder andere met mevrouw [naam], in een huis te [plaats].

2.c

De politie heeft sinds 5 mei 2014 meerdere meldingen van buren ontvangen die betrekking hebben op geweld in de woning van klagers.

2.d

Op 19 juni 2014 heeft het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (sinds 1 januari 2015: Veilig Thuis, hierna te noemen: Veilig Thuis) van de gecertificeerde instelling […] (hierna te noemen: [de GI]) een melding ontvangen. Veilig Thuis is een onderzoek gestart naar de veiligheid en opvoedingssituatie van Z.

2.e

Op 9 oktober 2014 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de [RvdK]) een melding van Veilig Thuis over Z. ontvangen.

2.f

Bij rechterlijke beschikking d.d. 10 oktober 2014 is Z. op verzoek van [de RvdK] voorlopig onder toezicht gesteld en is zij op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst op 13 oktober 2014. Sinds 13 oktober 2014 woont Z. bij een pleeggezin. Sinds 17 november 2014 heeft een keer per twee weken begeleid contact plaatsgevonden tussen Z. en [moeder]. Op 15 april 2015 is Z. naar een ander pleeggezin verhuisd. De omgang is vervolgens gewijzigd naar twee keer in de week. De bezoekregeling heeft deels onbegeleid plaatsgevonden. Tijdens deze omgang is ook contact gelegd met [vader], die inmiddels in [land] woont.

2.g

Bij beschikking van 6 januari 2015 is Z. definitief onder toezicht gesteld en is een machtiging uit huis plaatsing (muhp) verleend. De ondertoezichtstelling (ots) en de muhp zijn sindsdien verlengd.

2.h

[De jeugdprofessional] is sinds de uhp van Z. in oktober 2014 gezinsvoogd van Z.

2.i

Klagers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing met betrekking tot de ots en uhp van 6 januari 2016. Het beroep is nog aanhangig. Een zittingsdatum moet nog worden bepaald.

2.j

In april 2015 heeft [de jeugdprofessional] [de RvdK] medegedeeld dat zij geen gronden meer ziet om de uhp te verlengen met als doel Z. terug te plaatsen bij [moeder].
Op 14 april 2015 hebben [de jeugdprofessional], haar teamleider en de GZ-psycholoog van [de GI] een brief met deze visie van [de GI] gestuurd aan [de RvdK] waarin zij vragen om de informatie en overwegingen uit deze brief mee te nemen in de toetsing van de verlenging van de uhp.

2.k

De [Rvdk] heeft deze visie niet gedeeld en heeft op 12 juni 2015 de rechtbank verzocht om een verlenging van de uhp.

2.l

Op 22 juni 2015 heeft [de jeugdprofessional] namens [de GI] een brief gestuurd aan de rechtbank. [De jeugdprofessional] heeft daarin gemotiveerd uiteengezet dat op grond van de in die brief genoemde recente ontwikkelingen de zienswijze van [de GI] is gewijzigd en dat [de GI] thans van mening is dat Z. niet thuis kan worden geplaatst en dat dit in de nabije toekomst ook niet mogelijk zal zijn. [De jeugdprofessional] heeft [moeder] kort voor verzending van die brief telefonisch op de hoogte gebracht van dit gewijzigde standpunt. [De jeugdprofessional] heeft [moeder] gelijk met verzending van de brief naar de rechtbank een afschrift daarvan gestuurd.

2.m

Op 15 april 2015 is Z. naar een ander pleeggezin verhuisd. De contactmomenten tussen Z. en [moeder] zijn daarna aangepast naar twee keer per week. De bezoekregeling heeft deels onbegeleid plaatsgevonden. Tijdens deze omgang is ook contact gelegd met [vader] in [land].

2.n

Op 5 juni 2015 heeft [moeder] te kennen gegeven dat zij tijdelijk niet in staat is tot contact met Z. vanwege persoonlijke problemen. [Moeder] heeft de omgang op 23 juni 2015 weer opgepakt.

2.o

Op 23 juli 2015 heeft [moeder] Z. tijdens het onbegeleid deel van het bezoek meegenomen naar [land]. Op 1 augustus 2015 is Z. door de […] autoriteiten opgehaald, in een tehuis geplaatst en daarna terug naar Nederland gebracht. Van augustus 2015 tot en met december 2015 hebben [moeder] en Z. geen contact met elkaar gehad ten gevolge van de detentie van klaagster. Sinds januari 2016 verblijft [moeder] in Nederland en is de bezoekregeling met Z. weer opgestart.

2.p

Vanaf 4 september 2015 heeft een keer per twee weken skypecontact tussen Z. en [vader] plaatsgevonden.

2.q

Bij rechterlijke beschikking van 8 september 2015 is  [de GI] tot 10 oktober 2016 belast met het gedeeltelijke gezag over Z. met betrekking tot de aanmelding van Z. bij een school.

2.r

Op 28 september 2015 heeft [de RvdK] op grond van een rapportage d.d. 23 september 2015 de rechtbank verzocht om het ouderlijk gezag van klagers te beëindigen. Het verzoek is door de rechtbank aangehouden in verband met het nog aanhangige hoger beroep van de ots en uhp (zie hiervoor onder i). Er is nog geen zitting gepland.

2.s

Ter zitting van het College heeft [de jeugdprofessional] te kennen gegeven dat zij sinds ongeveer twee maanden geen gezinsvoogd meer is over Z. en dat haar teamleider dit nu tijdelijk waarneemt. [De jeugdprofessional] fungeert nog wel als contactpersoon met betrekking tot de omgangsregeling. [Moeder] heeft daarop te kennen gegeven dat haar hiervan niets bekend is en dat het contact over de omgangsmomenten namens haar wordt uitgevoerd door haar advocaat.

2.t

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klagers verwijten [de jeugdprofessional] kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

1

[De jeugdprofessional] heeft niet onderzocht of de redenen voor de uithuisplaatsing van Z. gegrond zijn. [De jeugdprofessional]  heeft daarna actief meegewerkt aan de blijvende uhp van Z. op basis van aannames en onderbuikgevoelens. [De jeugdprofessional] heeft geen contact gewild met mevrouw [naam]. Het standpunt van [moeder] is niet meegenomen in de brief van [de jeugdprofessional] waarin zij het gewijzigde standpunt van [de GI] heeft gecommuniceerd.

2

De jeugdprofessional heeft [vader] systematisch buiten beeld gehouden en doodgezwegen. Z. is systematisch van hem onthecht.

3

[Moeder] is inmiddels ook systematisch buiten beeld gehouden . Z. is van haar onthecht.

4

[De jeugdprofessional] heeft geen informatie over Z. aan [vader] en [moeder] verstrekt.

5

[De jeugdprofessional] stuurt e-mails en post van [vader] en [moeder] niet door aan Z. en heeft niet laten weten hoe Z. hier op reageert.

6

[Vader] en [moeder] hebben slechts een keer iets van Z. ontvangen.

7

Er zijn geen ontwikkelingsverslagen van Z. beschikbaar.

8

Z. is tegen de wil van klagers naar school gestuurd en moet aan dingen meedoen waar [vader] en [moeder] niet achter staan. Er is al besloten dat [vader] en [moeder] uit de ouderlijke macht gezet zijn en het lijkt erop dat dit ook al aan Z. is medegedeeld.

4 Het verweer

[De jeugdprofessional] voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

1

Niet [de jeugdprofessional] of de GI maar [de RvdK] heeft na een verzoek van Veilig Thuis een onderzoek naar de noodzaak van een uhp uitgevoerd. [De RvdK] heeft in het rapport d.d. 12 december 2014 beschreven dat er sprake is van een bedreigde ontwikkeling van Z. [De RvdK] was van mening dat een ots en uhp geïndiceerd waren. [De jeugdprofessional] en [de GI] hebben in april 2015 de intentie gehad om Z. terug te plaatsen bij [moeder].

Op 22 juni 2015 heeft [de jeugdprofessional] de rechtbank te kennen gegeven dat haar standpunt is gewijzigd nadat [moeder] de omgangsmomenten met Z. heeft gestopt en sterk afhankelijk is gebleken van [vader] en mevrouw [naam]. Hierdoor is bij [de jeugdprofessional] twijfel ontstaan of [moeder] het belang van Z. voorop blijft stellen. Ook is geen zicht op de omgang van [vader] met Z. nu hij in [land] verblijft en het contact moeizaam is. [De jeugdprofessional] heeft haar standpunten uitgebreid gemotiveerd en alle feiten en omstandigheden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Persoonlijke meningen en/of gevoelens zijn door [de jeugdprofessional] buiten beschouwing gelaten.

[De jeugdprofessional] heeft veel tijd en aandacht gestoken in de begeleiding van Z., pleegouders en contact met klagers. [De jeugdprofessional] heeft alles in het werk gesteld om een terugplaatsing te realiseren, maar dit is niet gelukt vanwege het handelen van klagers.
[De jeugdprofessional] is ervan overtuigd dat Z. niet kan opgroeien bij [vader] en [moeder].

[De jeugdprofessional] heeft enkele keren met mevrouw [naam] contact gehad. Deze telefoongesprekken verliepen onplezierig. Nu mevrouw [naam] geen belanghebbende is, heeft [de jeugdprofessional] verder contact afgehouden.

2

[Vader] heeft in januari 2015 gekozen voor een verhuizing naar [land]. Sinds de verhuizing van [vader] naar [land]. heeft [vader] slechts enkele malen de mogelijkheid gehad om Z. te bezoeken. Ook heeft [vader] tijdens de voorlopige ots geen gebruik gemaakt van vaste belmomenten en omgangsmomenten met Z. [Vader] heeft iedere dag skypecontact met Z. geëist maar houdt zich niet altijd aan de afspraken met [de GI] met betrekking tot de te bespreken onderwerpen, zodat dagelijks skypecontact is geweigerd in het belang van Z.

3

[De jeugdprofessional] heeft geprobeerd om [moeder] zoveel mogelijk bij Z. te betrekken. Zo is [moeder] door [de jeugdprofessional] uitgenodigd om aanwezig te zijn bij het kennismakingsgesprek met het tweede pleeggezin. Ook is [moeder] gevraagd om aanwezig te zijn tijdens de verhuizing van Z. naar het nieuwe pleeggezin. De bezoekregeling is in april 2015 uitgebreid tot twee maal per week gedurende 2,5 uur per contactmoment. [De jeugdprofessional] verwijst voorts naar de gang van zaken hiervoor vermeld onder 2. n. en o. daaruit blijkt dat vanwege detentie van [moeder] in [land] vanaf juli 2015 tot januari 2016 geen contact tussen [moeder] en Z. heeft kunnen plaatsvinden.

4

Instelling [instelling] verzorgt de begeleiding van pleegzorg en is de aangewezen partij om klagers inhoudelijk op de hoogte te houden van de stand van zaken over Z. De jeugdprofessional houdt klagers uiteraard op de hoogte van bijzonderheden.

5

Klagers sturen in hun e-mails boodschappen aan Z. die zorgen voor onrust bij Z. Om die reden is in overleg met instelling [instelling] gekozen voor een selectie van de post. Het uitgangspunt is het belang van Z. De pakketjes, kaartjes en cd’s van klagers heeft Z. wel ontvangen. [De jeugdprofessional] heeft in een email van 15 december 2015 aan klagers het voorgaande meegedeeld.

6

[De jeugdprofessional] heeft zich ingespannen om het verzenden van knutselwerkjes van Z. aan klagers mogelijk te maken.

7

[De jeugdprofessional] schrijft geen ontwikkelingsverslagen maar zij schrijft ieder jaar een Plan van Aanpak, dat klagers hebben ontvangen.

8

Pas na de verlenging van de uhp en het besluit dat het perspectief van Z. niet bij klagers ligt, is bij de rechtbank een verzoek ingediend voor vervangende toestemming voor het volgen van onderwijs. Na ontvangst van de beschikking van de rechtbank d.d. 8 september 2015 heeft op 15 september 2015 een intake op school plaatsgevonden waarna Z. op school is gestart.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.
Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

Klachtonderdeel 1:

[De RvdK] heeft na een melding van Veilig Thuis een onderzoek ingesteld naar de gezinssituatie van Z. [De RvdK] heeft de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek verzocht om een (voorlopige)
ots en een uhp. Bij rechterlijke beschikking d.d. 10 oktober 2014 is Z. voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Het College is niet bevoegd om de gronden van deze beslissingen te
toetsen. Dat is een taak die is voorbehouden aan de rechter.

Daarna is [de GI] betrokken bij de uitvoering van de ots van Z. [De jeugdprofessional]  is aangesteld als gezinsvoogd. In het kader van de voorlopige ots en uhp heeft [de jeugdprofessional] in samenspraak met de GZ-psycholoog en haar teamleider onderzocht of terugplaatsing van Z. bij klagers mogelijk was. De betrokken GZ-psycholoog heeft bij de uitvoering van haar taak onder meer onderzoek verricht door het invullen van vragenlijsten. In eerste instantie heeft [de GI] in april 2015 als zienswijze aan [de RvdK] kenbaar gemaakt dat terugplaatsing mogelijk was. Later, op 22 juni 2015 heeft [de jeugdprofessional] haar standpunt gewijzigd in verband met recente ontwikkelingen.

Het College is van oordeel dat beklaagde de zienswijze van [de GI] en de wijziging daarvan voldoende heeft gemotiveerd en gecommuniceerd naar [moeder]. [De jeugdprofessional] heeft [moeder]telefonisch geïnformeerd over het gewijzigde standpunt, zoals neergelegd in haar brief van 22 juni 2015. Daarna heeft [de jeugdprofessional] deze brief naar de rechtbank en klagers verstuurd. Dit betrof de zienswijze van [de jeugdprofessional] en die brief hoefde niet het standpunt van klagers hierover te bevatten. [Moeder] heeft ter zitting van de rechtbank gelegenheid gekregen om hierop te reageren. Voorts is het College niet gebleken dat het standpunt van [de jeugdprofessional] is gebaseerd op onwaarheden en onderbuikgevoelens.
Op grond van deze omstandigheden valt [de jeugdprofessional] geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

[De jeugdprofessional] heeft te kennen gegeven dat zij mevrouw [naam] als informant heeft gesproken. Gegeven het feit dat het gesprek onaangenaam is verlopen en mevrouw [naam] daarnaast geen belanghebbende is in de zin van de wet, valt [de jeugdprofessional] in dit opzicht evenmin een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdelen 2 en 3:

Ten gevolge van de rechterlijke beslissing tot ots en uhp is het is de taak van [de jeugdprofessional] als gezinsvoogd om in het belang van Z. voorwaarden te stellen aan de wijze waarop de communicatie tussen klagers en Z. plaatsvindt.
Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling bij het College is niet vast komen te staan dat [de jeugdprofessional] klagers met deze voorwaarden systematisch buiten beeld heeft gehouden of heeft willen houden.
Het gegeven dat [de jeugdprofessional] niet heeft ingestemd met de voorwaarden die [vader] aan het contact met Z. heeft gesteld, kan op grond van het bovenstaande eveneens niet leiden tot de conclusie dat klagers buiten spel zijn gezet.

Uit de stukken is gebleken dat het contact met [vader] en Z. door het verblijf van [vader] in het buitenland via skype plaatsvindt, dat [vader] afspraken niet is nagekomen en dat [de jeugdprofessional] vervolgens het skypecontact heeft begrensd door de houding van [vader]. Voorts heeft [de jeugdprofessional] uitgesproken dat zij het contact tussen Z. en [moeder] belangrijk vindt. [De jeugdprofessional] heeft zich ingespannen om het contact te laten plaatsvinden.
Ook anderszins heeft het College uit de stukken en de mondelinge behandeling bij het College geen feiten of omstandigheden kunnen constateren waaruit zou kunnen blijken dat [de jeugdprofessional] klagers heeft buitengesloten of heeft willen buitensluiten.
De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdelen 4, 5 en 6:

Het College heeft in het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden die leiden tot de conclusie dat [de jeugdprofessional] klagers niet heeft ingelicht over zaken die Z. aangaan. [De jeugdprofessional] heeft meerdere voorbeelden aangedragen waaruit blijkt dat zij de communicatie met [vader] en [moeder] heeft opgezocht.
Zo heeft [de jeugdprofessional] voldoende gemotiveerd toegelicht dat Z. veel e-mails en post kreeg van klagers en dat de inhoud hiervan voor haar belastend was. Het is in dit licht begrijpelijk dat beklaagde samen met [instelling] een selectie heeft gemaakt. [De jeugdprofessional] heeft klagers bij mail van 15 december 2015 hiervan op de hoogte gesteld. Op verzoek van de pleegmoeder van Z. heeft [de jeugdprofessional] zich ingespannen om het verzenden van knutselwerkjes aan klagers mogelijk te maken. Overigens heeft [moeder] niet weersproken dat knutselwerkjes van Z. per post naar klagers zijn toegestuurd. Het ligt op de weg van klagers om zelf tijdens hun contactmomenten met Z. naar haar reactie te vragen.
Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 7:

Het behoort niet tot de taak van [de jeugdprofessional] om ontwikkelingsverslagen te schrijven. Dat geen ontwikkelingsverslagen van Z. beschikbaar zouden zijn, kan [de jeugdprofessional] dan ook niet verweten worden.[De jeugdprofessional] heeft zorggedragen voor een Plan van Aanpak dat jaarlijks is vastgesteld en aan klagers is verzonden en door hen is ontvangen.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 8:

[De GI] heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend voor het uitoefenen van gedeeltelijk gezag met betrekking tot een aanmelding van Z. bij een school. De rechtbank heeft het verzoek bij beschikking d.d. 8 september 2015 toegewezen. Vervolgens is Z. op 15 september 2015 aangemeld op een school. Hoewel duidelijk is dat klagers niet willen dat Z. een school bezoekt, kan [de jeugdprofessional] hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. [De jeugdprofessional] heeft immers gehandeld op basis van een rechterlijke beschikking.

Het College heeft geconstateerd dat [de RvdK] op 28 september 2015 een verzoek tot beëindiging van het gezag van klagers heeft ingediend en dat de rechtbank dit verzoek heeft aangehouden in afwachting van de beslissing van het hof met betrekking tot het beroep van klagers tegen de beslissing omtrent de definitieve ots en uhp.

Hoewel het College begrijpt dat een verzoek tot beëindiging van het gezag voor klagers ingrijpend is, staat nog niet vast of dit verzoek zal worden toegewezen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling van het College is niet gebleken dat Z. hierover door [de jeugdprofessional] is geïnformeerd. Dat Z. weet dat het onzeker is waar en bij wie zij uiteindelijk zal wonen is inherent aan de (juridische) situatie en kan niet aan [de jeugdprofessional] worden verweten.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Hoewel het geen onderdeel van de klacht is, heeft het College [moeder] tijdens de mondelinge behandeling bij het College gevraagd hoe het met Z. gaat. [Moeder] heeft onder meer naar voren gebracht dat de begeleiding van Z. tijdens haar bezoeken aan [moeder] voortdurend aan personeelswisselingen onderhevig is.

[De jeugdprofessional] heeft desgevraagd erkend dat er veel personele wisselingen zijn bij de begeleide bezoeken. Zij heeft verder naar voren gebracht dat zij sinds een aantal maanden geen gezinsvoogd meer is en alleen nog bemoeienis heeft met de coördinatie van de contactmomenten en dat haar teamleider nu verantwoordelijk is voor dit dossier. [Moeder] heeft ter zitting onweersproken te kennen gegeven dat haar hierover niets bekend is. (zie 2.s).
Het College overweegt enerzijds dat deze situatie [de jeugdprofessional] niet (tuchtrechtelijk) valt aan te rekenen, maar anderzijds dat dit een hoogst ongewenste situatie is, die door [de GI] bij voorrang ter hand zou moeten worden genomen. Het lijkt van het grootste belang dat er voor klagers duidelijkheid komt wie de gezinsvoogd is.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 13 juni 2016 en op 22 augustus 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden.

Mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris