De jeugdbeschermer heeft ontoereikend gereageerd op een e-mail en mocht niet namens de behandelaar toestemming vragen voor een medische behandeling.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
Mevrouw mr. M.M. Brink, lid-jurist,
Mevrouw J.E. Blaauw-Glas, mevrouw A. Wilting, de heer W.L. Scholtus, leden beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Tingen.

Het College heeft het volgende overwogen in de zaak van:

De heer A., gedragswetenschapper, werkzaam bij de Stichting […], appellant,

tegen

Mevrouw B., jeugdzorgwerker, werkzaam bij de [GI], verweerster in beroep, gemachtigde mr. E. Lam, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het klaagschrift van klager dateert van 10 maart 2015. Aanvankelijk is klager opgetreden als gemachtigde van mevrouw J., de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling van het College van Toezicht, hierna CvT, bleek dat klager niet meer namens de moeder optrad en dat klager zelf als vertrouwenspersoon van de moeder de klacht indient. De klacht heeft betrekking op de omstandigheid dat beklaagde de moeder zou hebben buitengesloten bij belangrijke beslissingen aangaande de jeugdige dochter, informatie van behandelaars van de dochter aan de moeder zou hebben onthouden. Voorts zouden behandelingen met medeweten van beklaagde op de dochter zijn uitgevoerd zonder toestemming van de beide gezaghebbende ouders en beklaagde zou ontoereikend hebben gereageerd op een brief van klager van 15 december 2014.

1.2

Bij beslissing van 20 augustus 2015 heeft het CvT klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht,
omdat hij niet als rechtstreeks belanghebbende kon worden aangemerkt.

1.3

Tegen deze beslissing is door klager beroep aangetekend en het College van Beroep heeft klager bij beslissing van 12 januari 2016, onder nummer 15.007B alsnog ontvankelijk verklaard en de zaak voor een inhoudelijke behandeling terugverwezen naar het CvT. Bij beslissing van 1 juli 2016, onder nummer 16.006T heeft het CvT klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 als ongegrond afgewezen en klachtonderdeel 3 gegrond verklaard.

1.4

Klager is van deze beslissing tijdig in beroep gekomen, verweerster heeft een verweerschrift in beroep ingediend en tevens tijdig incidenteel appel ingesteld. Klager heeft hiertegen verweer gevoerd.

2 De feiten

2.1

Klager is gedragswetenschapper, lid van de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) en als vrijwilliger verbonden aan de Stichting […] te […]. Deze stichting heeft tot doel om cliënten te ondersteunen in gesprekken met instanties. Indien nodig treden vrijwilligers ook op als vertrouwenspersoon.

2.2

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013 en werkzaam als gezinsvoogd bij de [GI], hierna [GI]. Ze was van 2009 tot maart 2015 betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter, die geboren is op [datum] 2004 en vanaf juli 2010 ook van de beide zoons van de moeder. De moeder was samen met de vader tot 29 april 2015 belast met het ouderlijk gezag; vanaf dat tijdstip zijn zij van het ouderlijk gezag ontheven.

2.3

De dochter en de zoons zijn sinds 2009 uit huis geplaatst. De dochter verbleef sinds 1 februari 2010 bij een pleeggezin in […].

2.4

Op 9 december 2012 is de dochter aangemeld bij een behandelcentrum van Fier […] voor diagnostiek en behandeling, waarna behandelingen aldaar zijn uitgevoerd.

2.5

Sinds 17 september 2014 verblijft de dochter op een behandelgroep van […] in […] om te onderzoeken welke hulpverlening voor haar het meest passend is.

2.6

De moeder heeft op 21 augustus 2014 een toestemmingsverklaring ondertekend voor behandeling van de dochter met ADHD medicatie. Deze toestemmingsverklaring is door beklaagde aan de moeder overhandigd. De moeder heeft zelf geen contact gehad met de behandelend arts. Deze medicatie is overigens uiteindelijk niet aan de dochter verstrekt.

2.7

Door de kinderarts van het ziekenhuis […] is op enig moment zonder medeweten en toestemming van de gezagdragende ouders en zonder dat beklaagde hiervan wist, medicatie aan de dochter voorgeschreven.

2.8

Op 14 november 2014 heeft beklaagde, namens de [GI] aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven met betrekking tot de omgang met haar dochter.

2.9

Klager heeft eind 2014 namens de moeder een klacht ingediend bij Fier […] over de gang van zaken. De raad van bestuur van Fier […] heeft op 16 december 2014 een brief verstuurd aan de gezagdragende ouders, waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “Wij hebben in de diagnostiek twee maal met u gesproken en een behandellijn uitgezet. Wat betreft […] (de dochter) hebben wij ons daaraan gehouden. Wij hebben echter u, als ouders onvoldoende betrokken. De informatievoorziening ging via de gezinsvoogd en dit had rechtstreeks via u gemoeten, tenzij anders was afgesproken. (..) Ouders zijn in onze optiek te allen tijde belangrijk voor het herstel van hun kind. U had daarbij ook betrokken moeten worden en deel van de behandeling, informatievoorziening en besluitvorming moeten zijn. U had ook gekend moeten worden in het voorgestelde behandelplan, de evaluaties van de behandeling en de voortzetting van het traject. (..)”

2.10

In antwoord op de brief van klager van 15 december 2014 heeft beklaagde op 22 december 2014 aan klager een e-mail gestuurd als volgt:
“Dag,
Het is niet aan de gezinsvoogd om de behandelaren te wijzen op hun verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de WGBO. De behandelaars zijn daar zelf verantwoordelijk voor. Moeder heeft op papier toestemming gegeven voor behandeling bij Fier. Ik heb het toestemmingsformulier voor medicatie in opdracht van de behandelaars door moeder laten ondertekenen.”

2.11

In zijn mail van 29 december 2014 aan beklaagde schreef klager over deze laatste mail onder meer als volgt:
“Het is evident dat u cliënte de afgelopen twee jaar in termen van informatievoorziening en het WGBO toestemmingsvereiste in de kou heeft laten staan. Uw leugenachtige reactie op de grief van cliënte van 15 december j.l. is een bagatel en getuigt van minachting voor cliëente. U heeft onrechtmatig gehandeld , met kennelijke instemming van uw leidinggevende. Daarnaast getuigt uw bovenstaande , willens en wetens onjuiste informatie aan cliënte, van een volstrekt gebrek aan de door uw beroepscode voorgeschreven professionele integriteit.
Ik hoop dat uw leidinggevende beseft dat dit een grond is voor ontslag op staande voet. Zij zal daarop ook worden aangesproken.”

2.12

In reactie op de brief van 15 december 2014 en de mail van 29 december 2014 van klager met daarbij gevoegd de onder 2.8 vermelde brief van Fier […] hebben de gebiedsmanager en beklaagde in een brief gedateerd 15 januari 2015 aan klager voor zover van belang het volgende laten weten: “Zoals Fier […] in hun reactie op de klacht aangeven is de informatievoorziening in de afgelopen twee jaar via de gezinsvoogd verlopen. Fier […] erkent dat dit niet via de gezinsvoogd, maar via de behandelaar bij Fier […] had gemoeten. De gezinsvoogd heeft ouders van elk gesprek bij Fier […] op de hoogte gebracht, ondanks het feit dat moeder nu anders beweert. Echter, de ouder met gezag dient (ook) door de behandelaar geïnformeerd te worden om toestemming te geven voor de behandeling. De gezinsvoogd heeft de behandelaren van Fier […] hier niet op gewezen en betreurt dit en biedt hiervoor haar verontschuldigingen aan. De Stichting wil echter ook opmerken dat de behandelende instelling daarbij ook een eigen verantwoordelijkheid heeft. (..)”

3 De beroepsgronden

3.1

Klager voert tegen de beslissing van het CvT samengevat en zakelijk weergegeven een aantal meer formele grieven aan, te weten:

3.1.1

Het CvT vermeldt ten onrechte in de beslissing dat klager als vertrouwenspersoon van mevrouw J. een klacht heeft ingediend. Klager heeft dit echter gedaan in zijn hoedanigheid van gedragswetenschappelijk adviseur. Klager staat cliënten niet alleen bij als vertrouwenspersoon, maar soms ook als mediator, procesbegeleider en gedragswetenschappelijk adviseur.

3.1.2

Het CvT heeft de klachtonderdelen 2 en 3 niet juist, althans onvolledig weergegeven;
Klachtonderdeel 2 diende te luiden: beklaagde heeft in strijd met de wet, een toestemmingsverklaring voor medicatie, die door de kinderpsychiater van Fier aan de dochter zou worden verstrekt, aan de moeder ter ondertekening voorgelegd. Klachtonderdeel 3 gaat over het waarheidsgehalte van de reactie van verweerster, nu drie van de vier zinnen in strijd met de werkelijkheid zijn.

3.2

Voor wat betreft de door het CvT in zijn beslissing ten grondslag gelegde motivering voert klager in beroep inhoudelijk het volgende aan.

I. Het CvT heeft in zijn beslissing ten onrechte het volgende als meer algemene overweging opgenomen:
“Voorafgaand aan de beoordeling wenst het College op te merken dat, wanneer een jeugdprofessional in de samenwerking met een andere jeugdprofessional van mening is dat deze professional tekortschiet, het inzetten van een tuchtrechtelijke procedure ultimum remedium dient te zijn. Van professionals verwacht het College dat zij de onderlinge samenwerking op meta-niveau bespreekbaar kunnen maken en samen aan oplossingen kunnen werken.”

Deze overweging van het CvT is onjuist, omdat na het aanspreken van de betreffende collega en het inschakelen van de leidinggevende van die collega, voor een collega professional het klachtrecht niet openstaat en de tuchtrechtelijke aanpak dan als eerste voor de hand ligt.

II. Het CvT heeft ten onrechte het volgende overwogen:

“Met betrekking tot klachtonderdeel 1.
Het College stelt vast dat beklaagde het klachtonderdeel gemotiveerd weerlegt als volgt.
Beklaagde zag de moeder één keer per drie weken en er was mailcontact waartoe beklaagde moeder uitdrukkelijk uitnodigde. Soms vond er een huisbezoek plaats. Beklaagde toetste steeds of de informatie door de ouders werd begrepen. Beklaagde heeft de samenwerking met de moeder de afgelopen jaren als goed ervaren. Zij heeft nooit eerder klachten van de moeder vernomen, ook niet als zij de moeder daartoe uitdrukkelijk tijdens een evaluatie uitnodigde. Zij is steeds met de moeder in gesprek gegaan en is over beslissingen waar de moeder moeite mee had, zoals de keuze om de dochter bij F. te plaatsen in plaats van De B., steeds in gesprek gebleven met de moeder.
Het College acht de door beklaagde beschreven gang van zaken aannemelijk en ziet daarin geen tekortkomen van beklaagde. Ook in het dossier vindt het College geen aanknopingspunt voor een ander oordeel op dit onderdeel.

Klachtonderdeel 1 is derhalve ongegrond.”

Van een goede samenwerking was geen sprake aangezien mevrouw J. ten onrechte niet is betrokken bij gewichtige zaken aangaande de dochter. Ook het feit dat een schriftelijke aanwijzing nodig was voor het opleggen van de bezoekregeling tussen moeder en dochter getuigt niet van een goede samenwerking. Daarnaast was beklaagde niet op de hoogte van het feit dat de dochter medicatie kreeg voorgeschreven door een medisch specialist en kon beklaagde moeder hierover dus niet informeren. Deze zaken zijn door beklaagde niet ontkend en dus ook niet weerlegd, het oordeel van het CvT is op dit punt niet juist.

III. Het CvT overweegt in zijn beslissing voor wat betreft het tweede klachtonderdeel ten onrechte als volgt.
“Met betrekking tot klachtonderdeel 2.
Het College stelt vast dat beklaagde het klachtonderdeel gemotiveerd weerlegt als volgt.
Bij een ots zijn het niet de ouders die bepalen welke hulpverlening wordt ingezet. Er wordt weliswaar gestreefd naar zoveel mogelijk samenwerking, maar een gezinsvoogd is niet afhankelijk van de toestemming van ouders voor de in te zetten hulpverlening.
Het klachtonderdeel treft in zoverre derhalve geen doel en is in dit opzicht ongegrond.

Het College stelt vast dat beklaagde met de toestemmingsverklaring voor het toedienen van medicatie naar de ouders is gegaan om hen te ontlasten.
Beklaagde heeft aan klager haar excuses aangeboden voor haar handelen met betrekking tot de toestemmingsverklaring. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij in een voorkomende, vergelijkbare situatie niet meer op deze wijze zal handelen.

Het College beoordeelt de klacht verwoord in dit onderdeel, nu beklaagde excuses heeft aangeboden en haar handelwijze op dit punt zal aanpassen, in deze procedure als ongegrond.
Het klachtonderdeel is op dit punt ongegrond.

Klachtonderdeel 2 is derhalve ongegrond.”

Het CvT overweegt ten onrechte dat bij een OTS de ouders niet bepalen welke hulpverlening er wordt ingezet. Het CvT gaat hierbij uit van een onjuiste rechtsopvatting nu ook voor ouders met gezag op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) een toestemmingsvereiste geldt en in dit geval ook geen sprake was van een verzoek op grond van artikel 1:265h BW om vervangende toestemming van de kinderrechter voor medische behandeling in het kader van de OTS. Daarbij heeft het CvT ten onrechte betrokken dat beklaagde ter zitting excuses heeft aangeboden en verklaard heeft dit in voorkomende gevallen anders te doen. Verweerster heeft haar excuses niet aangeboden aan klager of moeder en dat dit ter zitting wel gebeurd is maakt niet dat het klachtonderdeel daarmee ongegrond is.

IV. Voor wat betreft het derde klachtonderdeel overweegt het CvT ten onrechte in zijn beslissing:
Met betrekking tot klachtonderdeel 3.
Het College stelt vast dat beklaagde zich over de wijze waarop zij zou reageren op de brief van klager van 15 december 2014 heeft laten adviseren door de juridische afdeling van haar instelling.
Het College overweegt dat een jeugdprofessional zelfstandig en mede vanuit beroepsethische waarden dient te reflecteren op een voorgenomen besluit en niet enkel dient te varen op het advies van juridisch deskundigen.
Het College oordeelt dat beklaagde aldus handelend niet heeft gehandeld in overeenstemming met artikel Q van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Klachtonderdeel 3 is, aldus opgevat, gegrond.”

Het CvT overweegt ten onrechte niet dat van de vier zinnen van de reactie van beklaagde er twee willens en wetens onwaar zijn, te weten 1.” Moeder heeft op papier toestemming gegeven voor behandeling bij Fier” en 2 “Ik heb het toestemmingsformulier voor medicatie in opdracht van de behandelaars door moeder laten ondertekenen.”

V. Verweerster voert in incidenteel appel aan tegen deze overweging van het CvT, dat in december 2014 de Jeugdwet en daarmee de eis van de verantwoorde werktoedeling nog niet in werking was getreden, waardoor de positie van de gezinsvoogd een andere was dan nu het geval is. De e-mail van 22 december 2014 is door verweerster zelf opgesteld, na contact met de juridische afdeling, later bij brief van 15 januari 2015 is er een meer uitgebreide reactie gekomen samen met haar gebiedsmanager. Dit is conform destijds vigerend beleid van de instelling. Zij heeft wel op zorgvuldige wijze op de brief van klager gereageerd en niet gehandeld in strijd met artikel Q van de beroepscode.

4 De beoordeling van het beroep

4.1

Voor wat betreft de grieven van klager die zicht richten tegen de door het CvT in zijn beslissing gehanteerde formuleringen over de hoedanigheid van klager dan wel de omschrijving van de klachtonderdelen overweegt het College dat deze formuleringen in dit oordeel zullen worden aangepast.

Ten aanzien van het inhoudelijke beroep overweegt het College als volgt.

4.2

De eerste grief richt zich tegen de algemene overweging van het CvT dat voor collega beroepsbeoefenaren het tuchtrecht als ultimum remedium dient te gelden. Het CvT heeft hieraan toegevoegd “Van professionals verwacht het College dat zij de onderlinge samenwerking op meta-niveau bespreekbaar kunnen maken en samen aan oplossingen kunnen werken.” Dit geldt voor beide partijen, zowel voor klager als beklaagde. Dit vergt van beide partijen een open opstelling naar elkaar en het vertrouwen dat men bereid is over en weer van gemaakte fouten te leren. In deze procedure is het opvallend om enerzijds het verschil in houding te constateren tussen Fier […] en beklaagde (zie onder feiten 2.9 en 2.10). Anderzijds reageerde klager in zijn mail van 29 december 2014 (zie hiervoor onder feiten 2.11) aan beklaagde op een wijze, waarbij geen sprake meer is van enige collegialiteit. In bedoelde mail staat letterlijk: ”Ik hoop dat uw leidinggevende beseft dat dit een grond is voor ontslag op staande voet. Zij zal daarop ook worden aangesproken.” Deze gang van zaken leidt niet tot enige vruchtbare samenwerking en leidt tot procedures als de onderhavige, waarvan dit College in de eerdere uitspraak van 12 januari 2016 opmerkte dat deze het klachtrecht nodeloos in diskrediet brengen. Met de opmerking dat het tuchtrecht als ultimum remedium dient te gelden, heeft het CvT terecht een beroep willen doen op een toekomstige, betere samenwerking tussen professionals, waarbij pas in het laatste stadium gebruik wordt gemaakt van het klachtrecht. Deze grief faalt dus.

4.3

De tweede grief richt zich tegen de overweging van het CvT betreffende de (goede) samenwerking tussen beklaagde en cliënte. Het College overweegt als volgt. Allereerst dient te worden opgemerkt, dat de samenwerking tussen gezinsvoogd en een ouder in het kader van een ots een andere is dan bij vrijwillige hulpverlening. Als hulpverlener en cliënt in het kader van vrijwillige hulpverlening van mening verschillen over de in te zetten koers, dan staat het de cliënt vrij om de hulpverlening te stoppen. Dit is anders bij hulpverlening in een verplichtend kader, uiteindelijk beslist de gezinsvoogd over de in te zetten koers, ook bij verschil van mening, zij het dat in een aantal gevallen de ouder beroep kan instellen bij de kinderrechter en zij het dat de ouder een speciale positie inneemt bij toepassing van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo), zoals hierna te melden. In de samenwerking tussen ouder en gezinsvoogd kan dus een zekere spanning aanwezig zijn en soms komt het de duidelijkheid ten goede om als gezinsvoogd een schriftelijke aanwijzing te geven. Voldoende is komen vast te staan, dat ondanks verschillen van inzicht (betreffende bijvoorbeeld de opname van de dochter bij Fier […] in plaats van bij de […] en het toewerken naar beëindiging van het gezag van de ouders) een behoorlijke communicatie aanwezig was tussen gezinsvoogd en de moeder. Verder is naar het inzicht van het College voldoende komen vast te staan, dat de gezinsvoogd zich heeft ingezet om de ouders waar mogelijk te ontlasten. De gezinsvoogd is vaak naar de moeder (en de vader) toegereden om samen met haar naar afspraken te gaan en zij heeft de moeder afgezet en opgehaald van afgesproken plaatsen om zorg te dragen dat de moeder afspraken kon nakomen. Niet is komen vast te staan, dat de gezinsvoogd gewichtige zaken met de moeder niet heeft besproken. De moeder heeft het standpunt ingenomen –aldus klager- dat zij het indienen van een klacht een te zware reactie vindt. De grief, dat sprake zou zijn van een slechte samenwerking, waarvan de gezinsvoogd een verwijt zou kunnen worden gemaakt, faalt mitsdien.

4.4

De derde grief van klager richt zich tegen de overweging van het CvT met betrekking tot de door beklaagde aan moeder voorgelegde toestemmingsverklaring. Het College overweegt als volgt. Klager brengt terecht naar voren dat bij een geneeskundige behandeling ook in het kader van een OTS, de toestemming van de gezagdragende ouders vereist is zoals in dit geval bij de behandeling van de dochter bij het Behandelcentrum van Fier […] voor diagnostiek en behandeling. De dochter had immers bij opname en behandeling de leeftijd van 12 jaar nog niet bereikt. De moeder heeft in ieder geval wel haar toestemming voor de opname van haar dochter gegeven. Fier […] heeft in de brief van 16 december 2014 toegegeven, dat de ouders onvoldoende betrokken zijn geweest bij de daarop volgende behandeling en dat de informatievoorziening ten onrechte liep via de gezinsvoogd. Die informatievoorziening had zich rechtstreeks moeten richten tot de ouders. Ook de toestemming, die ouders hebben gegeven voor medicatie in verband met mogelijke ADHD van hun dochter, liep ten onrechte via de gezinsvoogd. Dat de gezinsvoogd in de veronderstelling verkeerde dat de moeder met het geven van toestemming voor opname daarmee ook toestemming gaf voor behandeling, maakt dit oordeel niet anders. Hetzelfde geldt voor de toestemmingsverklaring voor het verstrekken van medicijnen, die de gezinsvoogd via de arts had verkregen en die zij aan ouders heeft voorgelegd, hoe praktisch dit ook moge lijken. De gezinsvoogd had op de hoogte moeten zijn van het feit dat zij vanwege de hiervoor genoemde bepalingen uit de Wgbo niet namens de behandelaar om toestemming mocht vragen. Beklaagde heeft te kennen gegeven in te zien dat zij niet juist heeft gehandeld en dit te betreuren zoals zij ook in tweede termijn kenbaar heeft gemaakt in haar brief van 15 januari 2015. Op zich genomen is daarmede de klacht nog niet ongegrond, maar de klacht heeft wel vóór de indiening het beoogde leereffect gehad. Deze grief van klager slaagt derhalve slechts in zoverre.’

4.5

De vierde grief richt zich tegen de overweging van het CvT over de wijze waarop beklaagde heeft gereageerd in haar e-mail van 22 december 2014. Deze wordt door het College tezamen behandeld met het incidentele beroep van beklaagde. Het incidentele beroep heeft betrekking op het oordeel van het CvT dat een jeugdprofessional ten aanzien van de e-mail van 22 december 2014 zelfstandig en mede vanuit beroepsethische waarden dient te reflecteren op een voorgenomen besluit en niet enkel dient te varen op het advies van juridisch deskundigen.

4.6

Het College stelt vast, dat de reactie van beklaagde in haar mail van 22 december 2014 niet adequaat is geweest. Immers beklaagde stelt zich daarin ten onrechte nog op het standpunt dat het niet aan de gezinsvoogd is om de behandelaren te wijzen op hun verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de Wgbo, omdat de behandelaars hiervoor zelf verantwoordelijk zijn. In de latere brief van 15 januari 2015 is beklaagde teruggekomen op dit standpunt en ook op de zinssnede “Ik heb het toestemmingsformulier voor medicatie in opdracht van de behandelaars door moeder laten ondertekenen.” Kennelijk heeft beklaagde haar aanvankelijk onjuiste standpunt in de brief van 15 januari 2015 willen rechtzetten. Het feit dat de juridische afdeling van de instelling van de gezinsvoogd haar (onjuist) geadviseerd zou hebben bij de totstandkoming van de tekst van haar e-mail van 22 december 2014 maakt dit oordeel niet anders, aangezien het hier gaat om juridische kwesties op het terrein van de WGBO, die tot het basispakket van de gezinsvoogd horen. Binnen enkele weken daarna is overigens op 15 januari 2015 door de gebiedsmanager en de gezinsvoogd een verbeterd standpunt ingenomen. Deze grief van klager slaagt mitsdien en leidt tot een aanvulling van de gronden. Het incidentele appel faalt.

Bij een wat betere communicatie tussen partijen, met minder dreigend geformuleerde verwijten van de kant van klager jegens beklaagde, was dit hoger beroep wellicht niet nodig geweest. In dat licht bezien is het handelen van beklaagde niet of nauwelijks verwijtbaar. Aangezien beklaagde in haar e-mailbericht van 15 januari 2015 reeds heeft toegegeven dat zij anders had moeten handelen en kenbaar heeft gemaakt dat zij dit in voorkomende gevallen bij haar toekomstige beroepsuitoefening zal betrekken, ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

5 De uitspraak

Het College van Beroep verklaart -opnieuw rechtdoende- klachtonderdeel 2 alsnog gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 1 juli 2016.
Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende het ongegrond verklaarde klachtonderdeel 1 en het gegrond verklaarde klachtonderdeel 3, zij het met aanvulling van gronden.
Het College van Beroep acht het handelen van beklaagde als beoordeeld in de klachtonderdelen 2 en 3 geenszins zo ernstig dat oplegging van een maatregel nodig is, terwijl het beoogde leereffect inmiddels is bereikt.
Het College van Beroep wijst af het incidentele beroep.

Aldus gedaan op 5 april 2017 in de genoemde samenstelling.

P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
A. Tingen, secretaris