De jeugdbeschermer heeft een partijdige indruk gewekt bij de vader door alleen de moeder te informeren over de visie van zijn instelling omtrent het voorkomen van een confrontatie van de kinderen met hun vader.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, heeft in onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. M.M. Brink, lid-jurist,
mevrouw G.A. van der Veen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant in beroep, klager in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant,

tegen:

[Verweerder], ten tijde van het beklaagde handelen werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI] (hierna: de GI), verweerder in beroep, beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerder en beklaagde.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. J. Stappaerts-Zijlmans, werkzaam als advocaat bij Claassen Advocaten te Eindhoven.

1   Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
–  het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met bijlagen, van 11 maart 2016, ontvangen op 16 maart 2016.
– de door appellant per e-mail ingediende aanvullingen op de klacht van 6 april 2016 en 17 mei 2016;
– het door verweerder bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 2 augustus 2016;
– de stukken die tijdens de zitting bij het College van Toezicht van 3 november 2016 zijn overlegd. Te weten de beschikking van het gerechtshof [locatie] van 14 januari 2016 door appellant en de e-mails door verweerder van 2 juli 2014, 22 januari 2015 en 4 februari 2015;
– het door appellant ingediende beroepschrift, ontvangen op 20 februari 2017, welke nader is aangevuld op 5 april 2017, met bijlagen;
– het door verweerder ingediende verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 10 mei 2017.

1.2

Bij beslissing van 29 december 2016 heeft het College van Toezicht (hierna: het CvT) de klachtonderdelen I en III ongegrond verklaard en klachtonderdeel II gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellant op 20 februari 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerder is op 10 mei 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017 in aanwezigheid van appellant, verweerder en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.6

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken op schrift zal zijn gesteld en aansluitend verstuurd zal worden.

2  De feiten

Op grond van de stukken en op basis van de mondelinge behandeling gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Appellant is de vader van de minderjarige kinderen: [jeugdige 1], geboren op [geboortedatum] 2005, en [jeugdige 2], geboren op [geboortedatum] 2006, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Appellant en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, zijn in oktober 2008 gescheiden. De kinderen wonen sindsdien bij de moeder. De ouders zijn beiden belast met het ouderlijk gezag. Sinds maart 2010 is er geen sprake meer van een omgangsregeling en/of contact tussen appellant en de kinderen.

2.3

De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 juli 2012 de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, doch beëindigd op 18 juli 2015.

2.4

Verweerder is geregistreerd bij SKJ sinds 18 oktober 2013 en werkzaam als jeugdzorgwerker bij [instelling]. Ten tijde van de door appellant ingediende klacht was verweerder werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI]. Verweerder is sinds 1 februari 2014 in het kader van de uitgesproken ondertoezichtstelling van de kinderen, samen met een collega, belast geweest met de uitvoering hiervan tot het einde van de ondertoezichtstelling op 18 juli 2015. De taak van verweerder binnen de ondertoezichtstelling was om aanspreekpunt te zijn voor vader.

3 De beslissing van het College van Toezicht, de grieven en het verweer alsmede de beslissing van het College van Beroep

3.1

De klachten van appellant luiden:

I Tijdens de zitting op 25 maart 2015 heeft verweerder de rechtbank verkeerd voorgelicht;

II Verweerder heeft klager op onprofessionele wijze bejegend door onder andere de term “bagger” te gebruiken in relatie tot het door klager opgestelde plan van aanpak;

III Verweerder kiest partij voor de moeder.

3.2

Het beroepschrift richt zicht tegen de beoordeling door het College van Toezicht in de bestreden beschikking van de klachtonderdelen I en III, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard. De tweede klacht is door het CvT gegrond verklaard en om die reden is door het College aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd.

3.3

Ten aanzien van de eerste klacht heeft het CvT overwogen, dat vooropgesteld moet worden dat een jeugdzorgwerker ter zitting de rechtbank op juiste wijze inlicht. Dit betekent, dat indien de jeugdzorgwerker ter zitting een rapport (in deze zaak het rapport van [instelling 2]) overlegt ter ondersteuning van diens verklaring, de cliënt erop mag vertrouwen dat de verklaring van de jeugdzorgwerker overeenstemt met de conclusies van het rapport. Als er sprake is van een afwijking van de conclusie dan dient de jeugdzorgwerker dit in beginsel specifiek te benoemen. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat hij tijdens de zitting van 25 maart 2015 een juiste weergave heeft gegeven van de situatie waarin klager en moeder zich bevonden. Beklaagde heeft daarbij niet alleen het rapport van [instelling 2] betrokken, maar ook zijn eigen ervaring met klager en die van zijn collega, ook de communicatie zoals die verliep tussen beklaagde, zijn collega en klager. Blijkens de bij het verweerschrift gevoegde mailwisselingen heeft klager zich daarin diskwalificerend uitgelaten aan het adres van moeder, beklaagde en zijn collega. Hoewel beklaagde zich wellicht wat onhandig heeft uitgedrukt tijdens de zitting bij de rechtbank, acht het CvT het onder deze omstandigheden niet verwijtbaar dat beklaagde deels anders heeft verklaard dan de conclusie van het rapport van [instelling 2]. Daarbij betrekt het CvT dat beklaagde het rapport van [instelling2], na de mondelinge toelichting integraal heeft overgelegd. Alle partijen hebben daarom kennis kunnen nemen van de gehele inhoud van het rapport en de conclusie. Na de onderbreking van de zitting bij de rechtbank hebben partijen, ook klager en zijn advocaat de gelegenheid gehad om hierop ten overstaan van de rechtbank nog te reageren. Onder deze omstandigheden komt het CvT niet tot gegrondverklaring van dit klachtonderdeel, immers kan het CvT niet oordelen dat beklaagde de rechtbank bewust verkeerd heeft voorgelicht door tijdens de zitting een verklaring af te leggen die deels -blijkens de latere beschikking van het gerechtshof- afweek van de conclusie uit het rapport van [instelling 2]. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

3.4

Appellant voert tegen deze beslissing van het CvT de navolgende grief aan, die hierna samengevat en zakelijk worden weergegeven.

Appellant betwist dat verweerder de rechtbank niet onjuist heeft voorgelicht tijdens de zitting op 25 maart 2015. Hij voert daartoe aan dat in de beschikking van het gerechtshof [locatie] (hierna: het hof) d.d. 14 januari 2016 – onder andere – de volgende passage is opgenomen:

Het hof stelt [..] dat de rechtbank in eerste aanleg op onjuiste wijze door de GI [..] is geïnformeerd  en op basis van die informatie conclusies heeft getrokken [..] die hebben geleid tot de beslissing om het gezamenlijk gezag te beëindigen.”

De passage uit de beschikking van het hof is volgens appellant maar voor één uitleg vatbaar, namelijk dat de rechtbank onjuist is geïnformeerd. Verweerder heeft bewust, dan wel onbewust, een veel negatiever beeld van appellant gegeven dan werkelijk het geval was, in het voordeel van de moeder. Ook bij de klachtencommissie van de gecertificeerde instelling heeft appellant dezelfde klacht ingediend en deze is, blijkens de uitspraak van de klachtencommissie d.d. 19 oktober 2015, gegrond verklaard.

3.5

Volgens verweerder stelt appellant dat hij de rechtbank met betrekking tot de zitting van 25 maart 2015 onjuist heeft geïnformeerd. Verweerder merkt op, dat hij tijdens de zitting bij het hof op 24 november 2015 er niet mee bekend was dat appellant de uitspraak van de klachtencommissie van de gecertificeerde instelling d.d. 19 oktober 2015 naar het hof had gestuurd, hij werd hiermee ter zitting overvallen. Volgens verweerder heeft de klachtencommissie het beginsel van hoor en wederhoor niet goed toegepast. Verweerder wist niet op welk moment appellant afzonderlijk nog werd gehoord en hij kon niet meer reageren op hetgeen appellant bij de klachtencommissie had verteld. Gelet op deze gang van zaken kon het gebeuren dat de klachtencommissie – en later ook het hof – er geen kennis van namen dat de rechtbank en alle partijen tijdens de zitting in eerste aanleg het volledige eindverslag van [instelling 2] hebben gelezen en hierop konden reageren. De rechtbank heeft daarnaast niet enkel geoordeeld op de informatie van verweerder ter zitting. De beslissing is ook gebaseerd op het verzoekschrift en verweerschrift – beide met bijlagen –, het eindverslag van [instelling 2] en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Verweerder blijft van mening dat hij de rechtbank niet onjuist heeft geïnformeerd. Naar aanleiding van het besluit van de klachtencommissie d.d. 19 oktober 2015, en de reactie daarop van (een directeur van) de gecertificeerde instelling in de brief van 12 november 2015 aan appellant, zal verweerder in het vervolg wel controleren of de verstrekte informatie van andere hulpverleners strookt met de onderliggende rapportage. In het onderhavige geval konden alle partijen – en derhalve ook de rechter – echter tijdig vaststellen dat het eindverslag van [instelling 2] een ander beeld gaf dan wat hij naar voren had gebracht.

3.6

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.7

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.8

Het College toetst voorts het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.9

Het College van Beroep oordeelt ten aanzien van deze eerste klacht als volgt.

Het CvT heeft goed gemotiveerd weergegeven, waarom het afweek zowel van het oordeel van het hof als van dat van de klachtencommissie van de gecertificeerde instelling. Terecht heeft het CvT aangegeven, dat verweerder op basis van zijn eigen ervaringen en gesteund door schriftelijke bescheiden een andere visie dan [instelling 2] mocht hebben op het effectief kunnen uitoefenen van het gezamenlijk gezag door de ouders. Daarbij dient te worden vermeld, dat inmiddels al weer een half jaar was verlopen tussen het tijdstip van de rapportage van [instelling 2] en de datum van de zitting bij de rechtbank. In dat halve jaar heeft verweerder ook weer recente ervaringen gehad met de wijze waarop appellant zich in dit opzicht presenteerde. Het CvT heeft voorts aangegeven, dat de rapportage van [instelling 2] op de betreffende zitting van de rechtbank volledig aan bod heeft kunnen komen en dat er alle gelegenheid is geweest om vragen te stellen aan verweerder, waarom zijn visie afweek van die van [instelling 2]. Onder deze omstandigheden acht het College van Beroep, evenals het CvT, het niet verwijtbaar c.q. niet in strijd met de Beroepscode dat verweerder deels anders heeft verklaard dan de conclusie van het rapport van [instelling 2] luidde.

3.10

De derde klacht, die door het CvT ongegrond is verklaard, houdt in dat beklaagde partij heeft gekozen voor de moeder.

3.11

Het CvT heeft ten aanzien van deze klacht geoordeeld, dat beklaagde heeft weersproken, dat sprake is geweest van enige partijdigheid. Nu klager dit klachtonderdeel niet verder heeft onderbouwd, is voor het College niet komen vast te staan, dat sprake is van partijdigheid door beklaagde. Dit klachtonderdeel wordt afgewezen.

3.12

Appellant betwist dat verweerder niet partijdig zou zijn geweest. In alle rapportages vanaf het aantreden van verweerder is duidelijk dat alle gebrek aan voortgang bij appellant wordt gelegd. De weinig bevorderlijke gedragingen van de moeder worden zelden of nooit duidelijk in de diverse rapportages vermeld. Ook ten aanzien van dit onderdeel is eenzelfde klacht ingediend bij de klachtencommissie van de gecertificeerde instelling, die blijkens de uitspraak d.d. 24 februari 2015 gegrond is verklaard.
Na de zitting van 25 maart 2015 is verweerder volgens appellant de rechtbank uitgelopen met zijn armen wijd opzij en glunderend roepend “Tot de volgende keer”.
Appellant stelt voorts dat verweerder de moeder meermaals heeft begunstigd met betrekking tot de omgangsregeling door de situatie te houden zoals zij dit graag wilde. Verweerder heeft de moeder voorzien van persoonlijke e-mails, welke tussen appellant en verweerder zijn gestuurd. Hierin werden, naast gedetailleerde informatie, ook e-mailadressen verstrekt welke onder geen beding aan de moeder mochten worden doorgegeven. Daarnaast stelt appellant dat verweerder ten voordele van de moeder derden instrueert hoe ‘juridische trucjes’ dienen te worden toegepast. Dit is naar de mening van appellant gebleken uit de e-mail d.d. 4 februari 2015, waarin wordt geprobeerd een intake voor de kinderen te bewerkstelligen bij [instelling 3] zonder appellant hierover – tijdig – te informeren. Het doorsturen van persoonlijke e-mails en het gebruik van ‘juridische trucjes’ is bedoeld om de moeder te bevoordelen en appellant te benadelen.

3.13

Verweerder heeft hierop gereageerd door te ontkennen dat sprake is geweest van partijdigheid. De moeder had een eigen contactpersoon gekregen, terwijl hij juist de contactpersoon voor appellant was. Verweerder heeft eenmaal een e-mail aan vader doorgestuurd naar de moeder. Verweerder betwist echter dat in deze e-mail privacygevoelige informatie heeft gestaan, ook het e-mailadres van appellant was niet zichtbaar. Verweerder geeft aan dat hij, achteraf bezien, beter had kunnen volstaan met de mededeling aan moeder dat er een e-mail was gestuurd aan appellant, maar om op basis hiervan te concluderen dat er sprake was van partijdigheid en tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen gaat verweerder veel te ver.

Het voorstellen van het ‘juridische trucje’ was niet bedoeld om appellant in een kwaad daglicht te zetten, maar om te bewerkstelligen dat de hulpverlening voor de kinderen zo snel mogelijk zou kunnen starten en dat de kinderen niet tijdens de intake bij [instelling 3] voor het eerst na jaren weer geconfronteerd zouden worden met appellant. Verweerder geeft aan dat hij hiermee partij heeft gekozen voor de kinderen, niet voor de moeder.

3.14

Het College van Beroep oordeelt ten aanzien van deze klacht als volgt.

Het eerste deel van de grief van appellant omtrent partijdigheid en privacy gevoelige e-mails is gelet op het gevoerde verweer onvoldoende komen vast te staan. Het enige wat vast is komen te staan, is dat verweerder eenmaal een e-mail aan vader doorgestuurd heeft aan de moeder, zonder dat deze mail privacygevoelige informatie bevatte, terwijl het mailadres van appellant niet zichtbaar was. De klacht over partijdigheid mist voldoende feitelijke grondslag.

Betreffende het tweede deel van deze klacht, de gang van zaken rond de intake bij [instelling 3], oordeelt het College als volgt.

Het College wil aannemen, dat verweerder bij het voorbereiden van de intake bij [instelling 3] de bedoeling heeft gehad om in het belang van de kinderen te voorkomen, dat deze na jaren voor het eerst geconfronteerd zouden worden met appellant. Verweerder heeft echter wel de moeder maar niet appellant geïnformeerd over de visie van zijn instelling om een confrontatie bij [instelling 3] tussen hem en de kinderen te voorkomen. Daardoor kon bij appellant gemakkelijk de indruk ontstaan dat door toepassing van wat verweerder zelf noemt een “juridisch trucje” appellant buiten spel werd gezet. Hierdoor kon bij appellant, die voor zijn gevoel al jaren buiten spel stond, de indruk ontstaan, dat sprake was van partijdigheid van verweerder. Als reactie op dezelfde klacht, die door de klachtencommissie gegrond was verklaard, schreef [naam], directeur [instelling 4], in haar brief van 12 november 2015 aan verweerder, dat beide ouders op gelijke wijze geïnformeerd hadden dienen te worden.

In zoverre treft deze grief grond.

3.15

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld, dat hij zich kan vinden in de beslissing van het CvT ten aanzien van de tweede klacht. Hij heeft van deze kwestie geleerd dat zijn directe aanpak (en woordkeuze) op veel weerstand kan stuiten bij anderen. Hij heeft tijdens de hoorzitting bij het CvT erkend dat hij eerder taal heeft gebruikt die niet passend is en accepteert om die reden de maatregel van waarschuwing die aan hem is opgelegd.

3.16

Het College van Beroep zal, ondanks het feit dat klachtonderdeel III door het College van Beroep deels gegrond wordt verklaard, geen zwaardere maatregel uitspreken dan de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing. Het College neemt daarbij in overweging, dat appellant zich buitengewoon scherp en negatief kritisch heeft uitgedrukt in de relatie tot verweerder en de hulpverlening in het algemeen. Zo schrijft hij in zijn appelschrift, dat verweerder genoeg ervaring en slinksheid heeft om van muggen olifanten te maken, je op uiterst doortrapte wijze te vernederen om vervolgens de vermoorde onschuld te spelen op het moment dat hij met een groter gezag geconfronteerd wordt. Tegenover deze kritiek heeft verweerder zich bij tijd en wijle nogal vierkant opgesteld en – om met zijn eigen woorden te spreken – met zijn directe aanpak en woordkeuze bij appellant op veel weerstand kunnen stuiten. Aangezien verweerder uitdrukkelijk heeft erkend, dat hij zich in dit opzicht wil verbeteren, zal het College het bij de waarschuwing laten, ondanks dat de derde grief deels slaagt.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – het derde klachtonderdeel deels alsnog gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 29 december 2016;
  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende het eerste klachtonderdeel;
  • handhaaft de opgelegde maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College van Beroep in de genoemde samenstelling en op 5 december 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen                                  mevrouw mr. R.A.E. Thijssen

voorzitter                                                                                secretaris