Een grootmoeder klaagt er onder meer over dat de jeugdbeschermer informatie op onjuiste wijze aan de rechter presenteert.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
de heer E.A.J. Ouwerkerk en mevrouw M. Bijnoe, leden-beroepsgenoten

Als secretaris is opgetreden mr. A. Tingen

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door
mevrouw [A], hierna te noemen klaagster, ingediende klacht

tegen

mevrouw [B] werkzaam bij [de gecertificeerde instelling], hierna te noemen beklaagde, bijgestaan door mr. [C], jurist bij [genoemde gecertificeerde instelling].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift met bijlagen;
– de brieven van 15 en 27 mei 2016 met aanvulling op de klacht en bijlagen;
– het verweerschrift met bijlagen.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 3 november 2016, gelijktijdig met klachtnummer 16.038T. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig klaagster, haar dochter –tevens klaagster in zaak met klachtnummer 16.038T- en beklaagde, die werd bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster is grootmoeder moederszijde van vijf minderjarige kinderen. Klaagster in klachtzaak met nummer 16.038T is de moeder van genoemde kinderen, en dochter van klaagster in onderhavige zaak met nummer 16.046T.

2.2

De jongste twee kinderen, een tweeling, zijn op [datum] 2013 als ongeboren kind onder toezicht gesteld van [de gecertificeerde instelling]. De oudste drie kinderen zijn al sinds 2011 onder toezicht gesteld, waarvan de tweede en derde met een onderbreking vanwege niet verlenging door positieve ontwikkelingen.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank […] van 30 maart 2016 is het gezag van de dochter van klaagster, over haar oudste drie kinderen, beëindigd. Bij genoemde beschikking is het gezag van de vader van deze kinderen ten aanzien van het oudste kind in stand gelaten, en ten aanzien van het tweede en derde kind beëindigd. Dit heeft tot gevolg dat de vader thans alleen is belast met het gezag over het oudste kind, dat de ondertoezichtstelling over het oudste kind voortduurt, en dat [de gecertificeerde instelling] thans voogd is over het tweede en derde kind van de dochter van klaagster.
Bij beschikking van de rechtbank […] van 30 maart 2016 is het gezag van de dochter van klaagster, over haar jongste twee kinderen, eveneens beëindigd. Dit heeft tot gevolg dat de vader van deze kinderen met het eenhoofdig gezag over hen is belast, en dat de ondertoezichtstelling over hen voortduurt.
De dochter van klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissingen inzake de beëindiging van haar gezag.

2.4

Alle vijf de kinderen zijn uit huis geplaatst, de oudste reeds gedurende langere tijd, en de andere kinderen sinds een incident op 17 augustus 2013.

2.5

Klaagster is nauw betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van de kinderen door haar dochter en ondersteunde haar dochter hierin.

2.6

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij [de gecertificeerde instelling] en sinds de uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen belast met de uitvoering hiervan.

2.7

Beklaagde is sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister.

2.8

Beklaagde was sinds die tijd de contactpersoon van de moeder van de minderjarige kinderen, de dochter van klaagster.

3 De klacht

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

I dat zij in procedures de rechter onjuist informeert door rapportages toe te zenden die onjuiste informatie bevatten;

II dat de onjuiste mededelingen van beklaagde gedaan op een zitting bij de rechtbank niet meer door klaagster en haar dochter kunnen worden hersteld;

III dat zij de rechten van de kinderen, die verblijven in pleeggezinnen, schendt;

IV dat zij het vertrouwen van het tweede en derde kind van haar dochter schaadt;

V dat zij in gesprekken met klaagster en haar dochter geen respect toont door te zeggen “Houd je klep”;

VI dat zij in verslagen op onjuiste wijze de kinderen en pleegmoeders citeert dan wel aanhaalt.

4 Het verweer

Beklaagde meent dat zij behoorlijk en conform de beroepscode heeft gehandeld, dat klager aan de vereiste van art. 7.4 van het Tuchtreglement, te weten een duidelijke omschrijving van de feiten en gronden waarop de klacht berust, niet heeft voldaan, dat de klachtonderdelen I t/m IV en VI om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, althans ongegrond. Klager meent voorts dat klachtonderdeel V gegrond is, aangezien zij op enig moment niet handelde conform artikel E uit de Beroepscode.
Voor zover nodig wordt op het verweer bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, hetgeen tot gevolg kan hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.

Het College gaat bij de tuchtrechtelijke toetsing van het handelen van beklaagde uit van het klaagschrift, de aanvullende brieven en het verweerschrift en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling ter zitting.

I In dit klachtonderdeel wordt erover geklaagd dat beklaagde informatie niet op juiste wijze aan de rechter presenteert, in die zin dat zij de rechter een verslag toezendt dat onjuiste, niet objectieve informatie bevat. Hierdoor zijn volgens klaagster de kinderen ten onrechte vanuit haar dochter uit huis geplaatst, en heeft zij hen daarvoor niet meer kunnen bezoeken.
Naar het oordeel van het College is, als onweersproken door beklaagde ter zitting verklaard, komen vast te staan, dat zij, wanneer zij in haar rapporten informatie weergeeft die afkomstig is van anderen, haar bronnen vermeldt, en dat zij deze informatie rechtstreeks heeft verkregen. Daarenboven is op de hoorzitting gebleken dat de moeder met gezag, klaagster in de zaak met zaaknummer 16.038T, in de gelegenheid is gesteld op de rapportages, waaronder die aanleiding is geweest tot de uithuisplaatsing, te reageren en dat ook heeft gedaan.
Het College meent dat aldus de rapportages voldoen aan de eisen die hieraan in redelijkheid kunnen worden gesteld en dat beklaagde niet is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

II In het tweede klachtonderdeel klaagt klaagster erover dat een onjuiste mededeling, zoals bijvoorbeeld ter zitting van de rechtbank door beklaagde gedaan, niet kan worden gerectificeerd.
Het College is ervan op de hoogte dat, voor zover rectificatie nodig zou zijn, belanghebbenden, zoals in ieder geval de dochter van klaagster, bij de rechter op een volgende zitting – zoals in casu naar klaagster en haar dochter op de hoorzitting hebben verklaard: in hoger beroep op 1 december 2016 – kunnen aangeven dat wat verklaard is in de eerdere procedure onjuist is.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

III Het College begrijpt het derde klachtonderdeel, zoals door klaagster verduidelijkt ter gelegenheid van de hoorzitting, aldus dat het klaagster erom gaat dat de kinderen doordat zij in pleeggezinnen verblijven geen contact meer hebben met hun oma, klaagster.

Het College acht op grond van hetgeen beklaagde ter zitting onweersproken heeft verklaard genoegzaam gebleken dat door beklaagde er steeds gewerkt is aan de totstandkoming van de omgang tussen klaagster en haar uit huis geplaatste kleinkinderen en dat er inmiddels ook een omgangsregeling tot stand is gekomen.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

IV Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel, waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde het vertrouwen van het tweede en derde kind van haar dochter schaadt, is het College van oordeel dat uit het dossier, met name uit dat wat klaagster naar voren heeft gebracht, niet blijkt dat zij voor wat betreft het omgaan met het vertrouwen van genoemde kleinkinderen is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

V Nu dit door beklaagde is erkend, is komen vast te staan dat zij in een evaluatiegesprek op 12 december 2014 op enig moment tegen klaagster heeft gezegd “Houd je klep”. Het is het College gebleken dat beklaagde genoemde uitlating heeft gedaan in een geëmotioneerd gesprek waarin met name klaagster en haar dochter door elkaar heen praatten en de dochter van klaagster, de moeder van de onder toezicht gestelde kinderen, hierdoor nauwelijks aan het woord kwam, en dat beklaagde aan het eind van het gesprek excuses heeft aangeboden voor deze uitlating. Hoewel het College van oordeel is dat “Houd je klep” een ongepaste opmerking is in professioneel kader, acht hij dit in de gegeven context wel begrijpelijk, het zorgvuldig dat beklaagde aan het eind van het gesprek haar excuses heeft aangeboden en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

VI In het laatste klachtonderdeel stelt klaagster aan de orde dat beklaagde in verslagen op onjuiste wijze de kinderen en pleegmoeders citeert. Het College ziet dat beklaagde in rapportages heeft vermeld dat de kinderen enkele negatieve mededelingen hebben gedaan over hoe pleegouders ten aanzien van hen hebben gehandeld, en dat pleegouders hebben ontkend dat zij aldus hebben gehandeld. Het College kan op basis van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting in redelijkheid niet vaststellen hoe pleegouders hebben gehandeld, en kan derhalve hierover geen oordeel vellen. Wel meent het College dat waar beklaagde in haar rapportages aangeeft dat de kinderen mededelingen doen over pleegouders en zij vervolgens vermeldt hoe pleegouders hierop gereageerd hebben, zij zorgvuldig handelt. Immers dit zijn waarnemingen die gedaan zijn door beklaagde.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing.

Het College van Toezicht verklaart klachtonderdelen I, II, III, IV, V en VI ongegrond.

Aldus gedaan en op 29 december 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. A. Tingen, secretaris