De jeugdbeschermer wordt verweten niet deskundig te hebben gehandeld bij de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter van klaagster.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
Mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
Mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden de heer mr. J. Biljard.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

Mevrouw A., wonende te C., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

Mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde is tot en met 15 januari 2016 werkzaam geweest bij Jeugdbescherming […] (hierna te noemen: JB[…]).

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
-het klaagschrift d.d. 24 april 2016 met bijlagen en de aanvullingen d.d. 28 april 2016, 22 mei 2016 en 25 mei 2016 met bijlagen;
-het verweerschrift d.d. 1 juli 2016 met bijlagen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 16 september 2016 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde. Klaagster werd bijgestaan door mevrouw Stemfoort van Juridisch Bureau […].
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

a. Klaagster is de moeder van dochter N. (geboren op [datum] 2001). N. heeft tot en met 30 december 2015 bij klaagster gewoond. Klaagster is belast met het eenhoofdig gezag over N. De relatie tussen klaagster en de vader van N. is beëindigd in 2005. Er is geen contact met de vader van N.

b. Bij klaagster is de diagnose PTSS gesteld. Bij N. is ADD vastgesteld. Bepaalde ontwikkelingstaken verlopen bij N. niet leeftijdsadequaat. N. heeft medicatie en heeft behoefte aan duidelijkheid en structuur.

c. Vanaf 21 augustus 2015 zijn klaagster en N. vanuit de vrijwillige hulpverlening begeleid door […] Sociaal Team.

d. Op 17 december 2015 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) een melding van de gemeente ontvangen over N.

e. Beklaagde is van 22 december 2015 tot en met 30 december 2015 betrokken geweest bij deze zaak.

f. Op 29 december 2015 heeft beklaagde, naar aanleiding van de onder 2.d. genoemde melding samen met een collega een huisbezoek afgelegd bij klaagster en N. Tijdens dat bezoek heeft beklaagde ook alleen met N. gesproken.

g. Op 30 december 2015 heeft de Raad een spoedmelding van JB[…] ontvangen.

h. Bij beschikking van 30 december 2015 is N. voorlopig onder toezicht (OTS) gesteld van JB[…], met ingang van 30 december 2015 tot en met 30 maart 2016.

Bij rechterlijke beschikking d.d. 8 januari 2016 is N. uit huis geplaatst (UHP). De rechtbank heeft geoordeeld dat N. gedurende het onderzoek van de Raad niet thuis kan verblijven. De Raad heeft een rapport opgemaakt. Het rapport is op 7 maart 2016 verstuurd aan klager.

i. Op 30 december 2015 is N. uit huis geplaatst en opgevangen in crisisopvang V. Vanuit de crisisopvang moet N. 1,5 uur reizen om naar school te kunnen gaan.

j. JB[…] heeft een terugplaatsingstraject in gang gezet. Dit traject zal ongeveer drie maanden in beslag nemen.

k. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2014.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende.

A) Beklaagde is niet deskundig, beklaagde kent klaagster en N. niet en beklaagde had al een oordeel klaar (het College begrijpt voorafgaande aan het huisbezoek van 29 december 2015). Tijdens het huisbezoek op 29 december 2015 heeft beklaagde vragen gesteld. Vervolgens heeft beklaagde deze vragen zelf beantwoord en in haar rapportage van 30 december 2015 verwerkt. Beklaagde heeft tien minuten met N. gesproken en haar geïntimideerd. Noch klaagster, noch de collega van beklaagde heeft gehoord dat N. heeft gezegd dat zij uit huis geplaatst wilde worden.

B) Beklaagde heeft gelogen op 29 december 2015 door toe te zeggen dat er vervolgafspraken zouden komen. Een kinderbeschermingsmaatregel zou in dat geval niet nodig zijn.

C) Beklaagde heeft ervoor gezorgd dat het voor N. onveilig was tijdens haar verblijf in een tehuis.

D) Beklaagde heeft ervoor gezorgd dat N. depressief en ziek is geworden tijdens de uithuisplaatsing.

E) Door toedoen van beklaagde is N. aan haar lot overgelaten tijdens de uithuisplaatsing.

F) Beklaagde heeft het leven van klaagster en N. kapot gemaakt.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

A) Beklaagde heeft op 24 december 2015 na de onder 2.d. genoemde melding telefonisch contact gehad met de melder. De melder heeft beklaagde medegedeeld dat de situatie in het gezin zeer zorgelijk is en geadviseerd om met een collega op huisbezoek te gaan. Beklaagde heeft telefonisch contact opgenomen met klaagster om een afspraak te plannen voor een huisbezoek, waarbij beklaagde aan klaagster heeft meegedeeld wat de reden is van het huisbezoek en dat zij vergezeld zal worden van een collega. Tijdens het huisbezoek heeft beklaagde, in samenspraak met haar collega en klaagster, N. apart gesproken in haar slaapkamer. Beklaagde betwist dat zij tijdens dit gesprek, waarbij klaagster niet aanwezig was, suggestieve vragen aan N. heeft gesteld. Beklaagde heeft vervolgens – en niet al van tevoren zoals klaagster stelt – op basis van het huisbezoek en het gesprek met N. een oordeel gevormd over de veiligheid van N. Het oordeel is gevormd aan de hand van het meldformulier, het huisbezoek op 29 december 2015 en het gesprek met N. Na een multidisciplinair overleg dat direct na het huisbezoek is samengesteld is in het belang van N. een afweging gemaakt.

B) Het is beklaagde niet duidelijk wanneer zij deze toezegging zou hebben gedaan. Het is mogelijk dat zij bij de uitleg aan klaagster hoe het drangtraject eruit zal zien heeft gezegd dat er vervolgafspraken zouden komen. Dit is de gebruikelijke werkwijze binnen dat traject. Beklaagde heeft na het gesprek met N. haar zorgen geuit tegen haar collega en klaagster. Bovendien heeft beklaagde toen aan klaagster medegedeeld dat zij in overleg zal gaan met haar collega’s.

C) Niet beklaagde maar de rechter heeft een voorlopige ots uitgesproken en een machtiging tot uhp verleend. Klaagster heeft de mogelijkheid om tegen dit besluit in beroep te gaan. Beklaagde heeft het idee dat klaagster deze procedure wil gebruiken als een beroep tegen de beschikking van de rechtbank.
Beklaagde voert aan dat N. op 30 december 2015 op de crisisopvang V. een is geplaatst en dat beklaagde tijdens die crisisopvang niet bij N. betrokken was. Contacten tussen V. en JB[…] zijn verlopen via de vaste jeugdbeschermer.

D) Beklaagde benadrukt dat zij na 30 december 2015 geen betrokkenheid heeft gehad bij N., terwijl haar voorts niet is gebleken dat N. op de dag van uithuisplaatsing, 30 december 2015, door het handelen van beklaagde ziek is geworden.

E) Beklaagde betwist dat N. op de dag van uithuisplaatsing aan haar lot is overgelaten. N. is door medewerkers van de Raad opgevangen. Daarna heeft zij beklaagde en haar collega ontmoet. Beklaagde en haar collega hebben N. naar de crisisopvang gebracht. In de periode na 30 december 2015 heeft beklaagde geen betrokkenheid bij N. gehad.

F) Beklaagde begrijpt dat de uithuisplaatsing voor klaagster en N. veel emoties teweeg heeft gebracht, maar beklaagde bestrijdt dat door haar toedoen de levens van klaagster en/of N. kapot zijn gemaakt. Beklaagde heeft gehandeld in het belang van N. na zorgvuldig overleg met een gedragswetenschapper, het basisteam JB[…] en de Raad.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.3

Het College gaat hierna in op de klachtonderdelen A. en B., nu deze zich naar het oordeel van het College lenen voor gezamenlijke bespreking. Deze klachtonderdelen komen er in de kern op neer dat beklaagde op 29 december 2015 bij klaagster en N. op huisbezoek is gekomen om met hen te praten en dat door beklaagde is toegezegd dat er vervolgafspraken komen, maar dat op 30 december 2015 voor klaagster geheel onverwacht is overgegaan tot de uhp van N. Ten aanzien van deze klachtonderdelen overweegt het College als volgt.

5.4

Het College heeft een helder beeld kunnen krijgen van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de uhp van N. op 30 december 2015, onder meer doordat het College beklaagde hierover indringend heeft bevraagd, en gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Beklaagde heeft naar aanleiding van de hiervoor onder 2.d. genoemde melding samen met een collega op 29 december 2015 een huisbezoek afgelegd bij klaagster en N. Het doel daarvan was niet om N. uit huis te plaatsen, maar om in kaart te brengen wat de situatie was en om met klaagster te bespreken welke hulp eventueel kon worden geboden. Beklaagde heeft uitgelegd wat de reden en het doel van haar komst was en heeft de procedure uitgelegd.

Klaagster heeft beklaagde tijdens dit gesprek al snel te kennen gegeven dat zij niet van haar bezoek gediend was en heeft beklaagde zelfs meermalen verzocht om de woning te verlaten. Beklaagde heeft vervolgens alleen met N. op de slaapkamer van N. gesproken. N. vertelde aan beklaagde:
– dat klaagster een week daarvoor glazen flessen tegen de muur kapot heeft gegooid;
– dat zij uit huis wil;
– dat klaagster haar kort geleden heeft geschopt;
– dat er camera’s in huis hangen waarop zij wordt opgenomen;
– dat er briefjes in huis hangen waarop staat geschreven hoeveel minuten zij heeft om zichzelf te wassen, aan te kleden, te ontbijten en dergelijke.

Na dit gesprek heeft beklaagde met klaagster gesproken over de zorgen die zij had, maar klaagster weigerde iedere vorm van hulp. Beklaagde heeft daarna de woning van klaagster en N. verlaten.

Beklaagde heeft vervolgens een veiligheidsinschatting gemaakt en achtte de situatie dusdanig zorgelijk, dat zij inschatte dat de veiligheid van N. in gevaar was. Beklaagde heeft toen besloten om nog diezelfde dag haar collega’s en een gedragswetenschapper bijeen te roepen om de casus te bespreken. Uit dat overleg kwam naar voren dat direct handelen noodzakelijk en geboden was, waarna de onder 2.g genoemde melding aan de Raad is gedaan. De Raad heeft vervolgens op grond van hun onderzoek en het multidisciplinair overleg besloten om bij de rechter een spoedmachtiging tot uhp aan te vragen. Dat heeft vervolgens geleid tot de onder 2.h genoemde beschikking en de onder 2.i genoemde uhp van N. op 30 december 2015.

5.5

Het College kan slechts marginaal toetsen of beklaagde in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen om, afgaande op haar veiligheidsinschatting en de bespreking in haar team van de in haar ogen bestaande zorgelijke situatie bij klaagster en N., de Raad in te lichten.

Daartoe overweegt het College dat beklaagde een huisbezoek heeft afgelegd om de situatie bij klaagster en N. in te schatten, dat zij op basis van dat bezoek een veiligheidsinschatting heeft gemaakt, dat zij eventuele mogelijkheden tot het bieden van hulp heeft onderzocht en dat zij met haar team en een gedragswetenschapper overleg heeft gevoerd over de situatie die door haar als zorgelijk was ingeschat. De conclusie was dat direct ingrijpen noodzakelijk was, waarna de Raad is ingeschakeld. Het College is van oordeel dat beklaagde onder de hiervoor beschreven omstandigheden heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, zodat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De klachtonderdelen A en B zijn daarom ongegrond.

5.6

De klachtonderdelen C. tot en met F. lenen zich naar het oordeel van het College voor gezamenlijke bespreking, nu die onderdelen betrekking hebben op de situatie na de uithuisplaatsing van N. op 30 december 2015.
Het College is zich ervan bewust dat de uhp en alles wat vanaf dat moment heeft plaatsgevonden voor klaagster en N. indrukwekkend en ingrijpend is geweest en sluit zijn ogen daarvoor niet. Dat neemt echter niet weg dat beklaagde tot aan de uhp van N., daarna is zij niet meer bij N. betrokken geweest, naar het oordeel van het College in lijn met de beroepsnorm heeft gehandeld en dat alles wat na de uhp van N. heeft plaatsgevonden, voor zover daar al iets fout zou zijn gegaan, de beklaagde niet raakt. Van omstandigheden in het handelen van beklaagde die ertoe hebben geleid dat het leven van klaagster en N. kapot is gemaakt, is het College niet gebleken. De klachtonderdelen C. tot en met F. zijn daarom eveneens ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 16 september 2016 en op 11 november 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mr. J. Biljard, secretaris