Klacht tegen een jeugdbeschermer over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De elf klachtonderdelen zijn deels niet geconcretiseerd en deels voldoende bestreden door de jeugdbeschermer.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
Mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,
De heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw [A], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw [B], hierna te noemen: beklaagde.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga van DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift met bijlagen van 25 april 2016;
– het verweerschrift met bijlagen van 29 augustus 2016.

1.2

De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016 in aanwezigheid van beklaagde, haar gemachtigde zoals voornoemd en haar collega [C]. Klaagster had zich voorafgaand aan de zitting afgemeld en verzocht om aanhouding. Het College heeft dit verzoek afgewezen. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter meegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.2

Klaagster is de moeder van tien kinderen. De ouders van de kinderen beschikken over het gezamenlijk gezag.

2.3

In 2006 heeft de rechter de ondertoezichtstelling, hierna te noemen: de ots, over alle kinderen uitgesproken voor een jaar. Op 31 augustus 2012 heeft de rechter opnieuw over alle kinderen de ots uitgesproken welke sindsdien steeds is verlengd, laatstelijk op 31 augustus 2016.

2.4

Op 25 september 2015 heeft [GI], in een gesprek met de ouders een traject van [ambulante spoedhulp] voorgesteld, om de thuissituatie te observeren en vervolghulp te bepalen. Op 20 oktober 2015 is door [GI] een schriftelijke aanwijzing aan ouders gegeven, inhoudende het meewerken met voorgestelde hulpverlening.

2.5

Op 23 oktober 2015 heeft [GI] een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ingediend bij de rechtbank. Tijdens de zitting op 20 november 2015 is besloten de zaak aan te houden om ouders alsnog mee te laten werken met [ambulante spoedhulp]. Ouders hebben vervolgens meegewerkt. [ambulante spoedhulp] heeft als vervolghulp een gezinscoach geadviseerd.

2.6

Bij beschikking van 11 december 2015 heeft de kinderrechter het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing afgewezen waarbij de ouders zijn verwezen naar een gezinscoach.

2.7

Op 16 februari 2016 heeft [GI] opnieuw een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ingediend bij de rechtbank vanwege het afhouden van hulpverlening.

2.8

Op 31 maart 2016 heeft [GI] de rechtbank om een spoedmachtiging uithuisplaatsing verzocht voor de kinderen. De rechter heeft de spoedmachtiging uithuisplaatsing van de tien kinderen van klaagster afgegeven, waarna ze uit huis zijn geplaatst.

2.9

Bij beschikking van 19 april 2016 is de machtiging uithuisplaatsing van de tien kinderen afgegeven voor de duur van de ots. De ouders hebben daartegen beroep ingesteld.

2.10

Op grond van de beschikking van het gerechtshof van 6 juli 2016 zijn de vier oudste kinderen teruggeplaatst. Inmiddels zijn jongste zes kinderen ook teruggeplaatst.

2.11

Beklaagde is als jeugdbeschermer werkzaam bij [GI]. Zij is sinds maart 2015 samen met haar collega betrokken bij het gezin van klaagster in het kader van de uitvoering van de ots. De betrokkenheid van beklaagde bij het gezin is geëindigd op 25 april 2016.

2.12

Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

3.1

Klaagster verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende:

A)

Geen inzage gegeven in de contactjournaals en niet gewezen op de mogelijk om dit te corrigeren.

B)

De kinderen zijn zonder aankondiging en/of juiste indicatie door beklaagde uit huis geplaatst.

C)

Beklaagde heeft zich minimaal ingespannen om het gezin te informeren of om met het gezin in gesprek te gaan. Beklaagde heeft ook geweigerd om samen te werken en negeert de mening van ouders.

D)

Beklaagde heeft van meet af aan haar macht misbruikt door te dreigen met een uithuisplaatsing.

E)

Beklaagde heeft zonder toestemming van betrokkene(n) persoonsgegevens met derden gedeeld en doet niet aan waarheidsvinding.

F)

Beklaagde heeft ten onrechte de spoedmachtiging aangevraagd. Ook was het klaagster niet duidelijk wat de gevolgen waren van het niet accepteren van de gezinscoach.

G)

Beklaagde heeft nooit geprobeerd om in contact te komen met de huisarts. Ook is ten onrechte in het rapport van [GI] vermeld dat de afspraken met het consultatiebureau niet werden nagekomen.

H)

Beklaagde heeft geen juiste afweging gemaakt door de kinderen uit huis te plaatsen.

I)

Beklaagde heeft vader ten onrechte als agressief bestempeld.

J)

Beklaagde maakt onduidelijke afspraken en komt deze niet na.

K)

Beklaagde is niet in staat om haar werk professioneel uit te voeren, veroorzaakt grove misstanden in de zorg, handelt niet overeenkomstig de beroepscodes.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde herkent zich niet in de klachten en verklaart het volgende. Er waren grote zorgen over het hoge schoolverzuim van de kinderen, het gedrag van de kinderen en de financiële situatie van het gezin. Beklaagde heeft meerdere malen en op verschillende wijzen getracht de samenwerking te zoeken met klaagster en de signalen met haar te bespreken. Klaagster heeft de gesprekken echter steeds afgehouden door afspraken af te zeggen of door de deur niet open te doen. Beklaagde heeft van verschillende instanties begrepen dat ook zij steeds letterlijk buiten de deur zijn gehouden. Ook wilden de ouders niet meewerken met een gezinscoach, welke begin 2016 door de gemeente werd aangesteld. Toen [GI] op 16 maart 2016 het zorgwekkende bericht kreeg dat het gezin geen voedselpakketten meer kreeg van de voedselbank vanwege het niet houden aan afspraken, is besloten om een spoedmachtiging uithuisplaatsing te verzoeken.

4.2

Met betrekking tot de afzonderlijke klachtonderdelen voert beklaagde het volgende aan.

A) Geen inzage gegeven in de contactjournaals en niet gewezen op de mogelijk om dit te corrigeren.

4.3

Beklaagde heeft pas na de uithuisplaatsing verzocht om inzage in de contactjournaals en dit verzoek is vervolgens gehonoreerd. Beklaagde bestrijdt dat zij verplicht is om ouders actief te wijzen op het recht op inzage. Bovendien was het destijds de standaardprocedure om bij iedere nieuwe zaak informatiefolders mee te zenden. Deze informatie staat nu ook op de website van de organisatie. Aangezien klaagster al in 2006 met de ots over de oudste kinderen te maken kreeg, is beklaagde er vanuit gegaan dat ouders al langere tijd op de hoogte waren van hun recht op inzage. Daarnaast heeft klaagster nooit een vraag gesteld of kenbaar gemaakt hierover geïnformeerd te willen worden.

B) De kinderen zijn zonder aankondiging en/of juiste indicatie door beklaagde uit huis geplaatst.

4.4

De kinderen zijn uit huis geplaatst op grond van een machtiging uithuisplaatsing van de rechter. Beklaagde heeft overeenkomstig de beschikking gehandeld. [GI] had geen andere keuze dan een machtiging uithuisplaatsing te verzoeken vanwege de verontrustende signalen, het feit dat het gezin niet openstond voor hulpverlening en het niet lukte om zicht te krijgen op de situatie.

C) Beklaagde heeft zich minimaal ingespannen om het gezin te informeren of om met het gezin in gesprek te gaan. Beklaagde heeft ook geweigerd om samen te werken en negeert de mening van ouders.

4.5

Beklaagde bestrijdt dit ten zeerste. Uit het voorgaande blijkt reeds dat zij diverse pogingen heeft gedaan om met ouders in contact te komen, hen te informeren en met hen in gesprek te gaan. Klaagster heeft elk contact afgehouden.

D) Beklaagde heeft van meet af aan haar macht misbruikt door te dreigen met een uithuisplaatsing.

4.6

Beklaagde heeft er alles aan gedaan om tot een goede samenwerking te komen. Zij wilde echter ook transparant zijn in de contacten met klaagster. Van machtsmisbruik is geen sprake.

E) Beklaagde heeft zonder toestemming van betrokkene(n) persoonsgegevens met derden gedeeld en doet niet aan waarheidsvinding.

4.7

Dit klachtonderdeel is niet nader geconcretiseerd. In algemene zin verklaart beklaagde dat het haar binnen een ots is toegestaan om zonder toestemming van ouders contacten te onderhouden met betrokken partijen rondom het kind. Informatie-uitwisseling met derden is in het kader van de noodzakelijke hulpverlening toegestaan. Voor gesprekken waarbij meerdere partijen waren betrokken is klaagster uitgenodigd, maar zij heeft zelf besloten meerdere malen niet te verschijnen.

F) Beklaagde heeft ten onrechte de spoedmachtiging aangevraagd. Ook was het klaagster niet duidelijk wat de gevolgen waren van het niet accepteren van de gezinscoach.

4.8

Beklaagde heeft niet op persoonlijke titel de spoedmachtiging aangevraagd, dit is in multidisciplinair besluit genomen. Zoals in het voorgaande uiteengezet, was er sprake van een crisissituatie waarbij de kinderen direct fysiek gevaar liepen. Volgens beklaagde werd dus voldaan aan de vereiste criteria voor crisisplaatsing.

G) Beklaagde heeft nooit geprobeerd om in contact te komen met de huisarts. Ook is ten onrechte in het rapport van [GI] vermeld dat de afspraken met het consultatiebureau niet werden nagekomen.

4.9

Beklaagde erkent dat zij de huisarts niet heeft gecontacteerd, omdat de zorgen rondom de kinderen niet op het medisch vlak lagen. Dit laatste is tevens door de schoolarts onderzocht. Bovendien is contact opnemen met de huisarts geen standaard werkwijze en was het voor [GI] ook onduidelijk wie de huisarts was. Er werd steeds gewisseld van huisarts en de ouders stonden niet open voor een gesprek zodat hier geen informatie over was.
Een collega van beklaagde heeft voor het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing contact opgenomen met het consultatiebureau, waarbij werd meegedeeld dat de laatste afspraken vaker door klaagster waren afgezegd.

H) Beklaagde heeft geen juiste afweging gemaakt door de kinderen uit huis te plaatsen.

4.10

Beklaagde heeft niet de beslissing genomen om de kinderen uit huis te plaatsen, maar de rechter heeft dat beslist. Evenmin heeft zij op eigen titel de uithuisplaatsing aangevraagd. Op basis van alle zorgen die tevens werden gedeeld door de betrokken ketenpartners heeft [GI] tot het verzoek besloten. Ook de jurist, leidinggevende en gedragswetenschapper van [GI] gingen daar akkoord mee.

I) Beklaagde heeft vader ten onrechte als agressief bestempeld.

4.11

Beklaagde heeft zelf ervaren dat vader zich agressief heeft opgesteld. Tijdens een huisbezoek op 25 september 2015 heeft hij boven aan de trap staan schreeuwen. Door het gedrag van vader was er geen gesprek mogelijk. Dit incident was tijdens het tweede huisbezoek en het was tevens het laatste huisbezoek waarin [GI] tot een afspraak kwam sinds april 2015. Ook heeft vader zich agressief gedragen bij de start van [ambulante spoedhulp] op 20 november 2015 en bij het eerste begeleide bezoek in april 2016.

J) Beklaagde maakt onduidelijke afspraken en komt deze niet na.

4.12

Beklaagde begrijpt niet wat hier concreet mee wordt bedoeld. In algemene zin merkt beklaagde op dat alle afspraken en communicatie met klaagster naar aanleiding van deze klacht zijn geëvalueerd en dat de stukken concreet, helder en goed zijn geformuleerd.

K) Beklaagde is niet in staat om haar werk professioneel uit te voeren, veroorzaakt grove misstanden in de zorg, handelt niet overeenkomstig de beroepscodes.

4.13

Uit het voorgaande blijkt wel degelijk dat beklaagde juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij heeft zij zowel in het belang van de kinderen als overeenkomstig de beroepscode gehandeld.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2013. Zij is vanaf maart 2015 tot 25 april 2016 bij het gezin van klaagsters betrokken geweest. Het College toetst het beroepsmatig handelen aan de algemene tuchtnorm vanaf de periode dat beklaagde betrokken is geweest bij het gezin en overweegt het volgende.

5.4

Het College is van oordeel dat beklaagde zowel in haar verweerschrift als ter zitting de klacht voldoende heeft bestreden. Nu klaagster om haar moverende redenen er voor gekozen heeft om niet naar de zitting te komen, is de klacht niet ter zitting geconcretiseerd en sluit het College zich aan bij het verweer voor zover de klachtonderdelen zijn onderbouwd. Het College verklaart de klacht ongegrond.

6 De beslissing

Het College van Toezicht verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan in de genoemde samenstelling en op 24 januari 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris