Het College van Beroep oordeelt dat de klacht in eerste aanleg niet duidelijk genoeg door klaagster is geformuleerd en door het College van Toezicht ten onrechte geherformuleerd, waardoor de jeugdprofessional zich onvoldoende heeft kunnen verweren.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr.P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.C. Benjamin, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Appellante], werkzaam als jeugdzorgwerker bij de [GI], hierna te noemen: [GI], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

tegen:

[Verweerster], wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde appellante], werkzaam als advocaat bij [GI] te [plaats].

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. N.J.M. Kammers, werkzaam als advocaat te Hoensbroek.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met bijlage, ontvangen op 23 mei 2016;
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 27 juni 2016;
– het door appellante ingediende pro forma beroepschrift, ontvangen op 14 februari 2017;
– het door appellante ingediende aanvullende beroepschrift, met bijlagen, ontvangen op 20 maart 2017;
– het door verweerster ingediende verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel, met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2017;
– het door appellante ingediende verweerschrift op het incidenteel appel, ontvangen op 2 augustus 2017;
– de door appellante tijdens de zitting van 14 november 2017 overgelegde pleitnotitie.

1.2

Bij beslissing van 23 december 2016 heeft het College van Toezicht (CvT) klachtonderdeel I niet-ontvankelijk, klachtonderdeel II gegrond en de klachtonderdelen III, IV, V, VI en VII ongegrond verklaard. Het CvT is van oordeel dat appellante bij haar handelen onvoldoende acht heeft geslagen op de in de beroepscode voor de jeugdzorgwerker onder artikel 3, sub E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en N (samenwerking in hulp- en dienstverlening), opgenomen gedragsregels. Aan appellante is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 14 februari 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 16 juni 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend, tevens inhoudende incidenteel beroep.

1.5

Door appellante is op 2 augustus 2017 een verweerschrift tegen het incidenteel beroep ingediend.

1.6

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 november 2017 in aanwezigheid van appellante, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.7

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Verweerster is de moeder van [zoon], geboren op [geboortedatum] 2004, hierna te noemen: [zoon].

2.2

[Zoon] is geboren uit de inmiddels verbroken relatie van verweerster met de vader van [zoon], hierna te noemen: vader. Verweerster en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [zoon].

2.3

De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 december 2011 [zoon] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.De ondertoezichtstelling wordt sinds 15 oktober 2012 uitgevoerd door [GI].

2.4

De kinderrechter heeft bij beschikking van 26 februari 2016 een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [zoon]. Bij beschikking van 23 maart 2016 is de machtiging uithuisplaatsing verleend tot (uiterlijk) 14 december 2016. Bij beschikking van het gerechtshof [vestigingsnaam], locatie [vestigingsplaats], van 8 september 2016 zijn deze beschikkingen bekrachtigd. [Zoon] verbleef van 26 februari 2016 tot 28 juni 2016 op een (geheime) behandelgroep.

2.5

Bij beschikking van 28 juni 2016 – welke beschikking door het gerechtshof [vestigingsnaam], locatie [vestigingsplaats], is bekrachtigd bij beschikking van 24 november 2016 – heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [zoon] bij de vader verleend. Sinds 28 juni 2016 verblijft [zoon] bij de vader.

2.6

Appellante is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013. In de periode van 7 april 2015 tot 7 juli 2016 is appellante als gezinsvoogd betrokken geweest bij de ondertoezichtstelling en later bij de uithuisplaatsing van [zoon]. Vanaf 4 maart 2016 is door appellante een contactpersoon aangesteld ten behoeve van het contact tussen [GI] en verweerster.

3 Algemene opmerkingen

3.1

Het beroepschrift in principaal appel richt zich tegen de beoordeling door het CvT van klachtonderdeel II, dat door dat College gegrond is verklaard, en als gevolg heeft gehad dat aan appellante de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

3.2

Het incidenteel beroep richt zich tegen de beoordeling door het CvT van de klachtonderdelen III, IV, VI en VII, die door dat College ongegrond zijn verklaard.

3.3

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.4

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen van andere personen of van de instelling te toetsen.

In het principaal appel:

4 Klachtonderdeel II, de grieven en het verweer in hoger beroep alsmede het oordeel van het College

4.1

Het College zal thans overgaan tot beoordeling van het principaal appel.

4.2

Tijdens de procedure bij het CvT is het klachtonderdeel waar het principaal appel zich tegen richt als volgt geformuleerd: “[Appellante] heeft nagelaten doelen te formuleren teneinde [verweerster] de gelegenheid te geven toe te werken naar de mogelijkheid van een thuisplaatsing van [zoon].”

4.3

Appellante voert tegen de beslissing van het CvT als grief aan dat dit College de klacht zelf heeft gedestilleerd uit de bijlage, die door verweerster was meegestuurd met de klacht, terwijl dit klachtonderdeel niet als zodanig beschreven stond op het klachtenformulier dat door verweerster bij het indienen van de klacht was ingevuld. Deze zelfstandige toevoeging is naar de mening van appellante ontoelaatbaar, met name nu volgens artikel 7.4 onder c. [thans artikel 7.5 onder d.]van het Tuchtreglement een klacht duidelijk omschreven dient te worden. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat zij geen eerlijk proces heeft gehad nu zij door deze zelfstandige toevoeging niet in staat is geweest om zowel in de voorbereiding op de zitting als ter zitting bij het CvT, zich deugdelijk te verweren tegen deze ge(her)formuleerde klacht. Ter zitting is zij ook niet uitvoerig bevraagd op dit klachtonderdeel en heeft zij daarmee ook de mogelijkheid om mondeling verweer te kunnen voeren niet kunnen benutten. Tot slot stelt appellante zich op het standpunt dat het (her)formuleren van de klacht niet de taak is van het CvT. Ook niet omdat de jeugdzorgwerker zich niet deugdelijk kan verweren, als er van de zijde van klager ‘van alles’ mag worden geroepen en het voor de beklaagde afwachten is wat er vervolgens tijdens de zitting door het CvT als klacht uit gedestilleerd wordt. De beklaagde, in dit geval appellante, zou op die manier op grove wijze geschonden worden in haar recht op een eerlijke procesgang.

4.4

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het CvT de klachten niet zelf heeft aangevuld. Verweerster heeft gebruik gemaakt van het klachtenformulier en daaraan een bijlage gevoegd. In deze bijlage heeft verweerster uitdrukkelijk beschreven dat er geen doelen zijn geformuleerd waarmee haar de gelegenheid werd gegeven toe te werken naar (de mogelijkheid van) een thuisplaatsing van {zoon]. Ter zitting is voorts betoogd dat gelet op de omstandigheden – verweerster heeft een verstandelijke beperking en werd niet bijgestaan door een gemachtigde bij het indienen van de klacht – de klachten door verweerster voldoende zijn gemotiveerd. Naar de mening van verweerster lag het op de weg van appellante om, indien er daadwerkelijk onduidelijkheid bestond omtrent het bestreden klachtonderdeel, bij de mondelinge behandeling om duidelijkheid te vragen. Appellante heeft dit echter nagelaten.

4.5

Naar het oordeel van het College slaagt de grief in principaal appel. De klacht is door verweerster niet voldoende duidelijk geformuleerd en door het CvT ten onrechte geherformuleerd dan wel gedestilleerd uit de eerder genoemde bijlage.

Het College overweegt hiertoe dat het klachtonderdeel, zoals door het CvT geformuleerd, niet op het klachtenformulier te vinden is onder de zeven aldaar geformuleerde klachten. In de toelichting is door verweerster het volgende geschreven: “Ik heb sinds mijn zoon door [appellante] op 25 februari 16 spoed-UHP is gehaald bij vader, heb ik verder geen informatie meer mogen ontvangen en hoe te werken aan de begeleiding tijdens uithuisplaatsing en na terugplaatsing doelen zijn niet opgemaakt en zou hieraan willen werken om hulp te krijgen die zij vinden wat nodig is maar ij hebben geen doelen gekregen vanaf mijn kind uit huis is geplaatst.” Dit is in de toelichting opgenomen onder kopje A. ‘Wat is er gebeurd en wanneer?’ en niet onder kopje B. ‘ Wat verwijt u de jeugdprofessional’. De eerder genoemde toelichting correspondeert aldus niet met een van zeven klachtonderdelen zoals opgenomen onder B.

Het standpunt van verweerster dat, gelet op de eerdere beschreven omstandigheden, de klacht voldoende is gemotiveerd volgt het College dan ook niet. Het College is van oordeel dat het CvT zijn bevoegdheid heeft overschreden door op deze wijze klachten te destilleren uit de toelichting bij het klachtenformulier.

De verantwoordelijkheid om klachten als omschreven in artikel 7.5 onder d van het Tuchtreglement SKJ helder te formuleren ligt bij de klager, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon of gemachtigde. Aan de klager wordt ten hoogste ingevolge artikel 7.11 van bedoeld reglement de mogelijkheid geboden om indien het klaagschrift niet aan de eisen voldoet dat verzuim te herstellen dan wel een aanvulling op het klaagschrift in te dienen. Teneinde de schijn van partijdigheid te vermijden heeft het CvT niet de bevoegdheid om bij een mondelinge behandeling een klacht, die niet duidelijk is, te herformuleren. Bovendien heeft het CvT door het herformuleren van het klachtonderdeel tijdens de mondelinge behandeling, (in casu) appellante de mogelijkheid ontnomen zich ten aanzien van dit klachtonderdeel op adequate wijze te kunnen verweren. Het niet inschakelen van hulp bij het indienen van een klacht dient gelet op het vorengaande dan ook voor rekening en risico te komen van diegene die de klacht indient. Een beklaagde dient zich deugdelijk te kunnen voorbereiden en verweren op ingediende klachten. Het College ziet zich dan ook genoodzaakt het bestreden klachtonderdeel buiten behandeling te stellen en komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Het College is gelet op het voornoemde van oordeel dat de maatregel van waarschuwing die aan appellante is opgelegd, als gevolg van de gegrondverklaring van dit klachtonderdeel door het CvT, geen stand kan houden nu het College dit klachtonderdeel buiten behandeling stelt.

 

In het incidenteel appel:

5 Klachtonderdeel III, het oordeel van het CvT, de grieven en het verweer alsmede het oordeel van het College

5.1

Het College zal thans overgaan tot de beoordeling van het incidenteel appel. Voor de duidelijkheid zal het College hierna spreken over klaagster en beklaagde.

5.2

Tijdens de procedure bij het CvT is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “Beklaagde is op onjuiste gronden en zonder onderzoek overgegaan tot uithuisplaatsing van [zoon].”

5.3

Het CvT oordeelde als volgt: “Uit de door beklaagde overgelegde ‘aankondiging schriftelijke aanwijzing’ van 20 november 2015 en de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2015 blijkt dat er ernstige zorgen zijn over het opvoedklimaat in de thuissituatie. Aan klaagster wordt in de genoemde stukken opgedragen [zoon] te beschermen tegen de emotionele verwaarlozing door [zoons] stiefvader, klaagsters echtgenoot. Tevens wordt klaagster duidelijk gemaakt dat zij haar echtgenoot hierin dient te begrenzen. Uit genoemde stukken blijkt voorts dat wanneer er onvoldoende door klaagster wordt meegewerkt aan de gestelde doelen en afspraken, waardoor [zoon] in zijn ontwikkeling bedreigd blijft, er overwogen zal worden of [zoon] nog wel bij klaagster en haar echtgenoot kan blijven wonen. Uit de vooraankondiging en de schriftelijke aanwijzing blijkt naar het oordeel van het College duidelijk aan welke voorwaarden klaagster diende te voldoen. Ook blijkt duidelijk dat er sprake is van ernstige zorgen rond de ontwikkeling van [zoon] die maken dat uithuisplaatsing mogelijk noodzakelijk zou kunnen zijn om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden. Het College overweegt verder dat door beklaagde ter gelegenheid van de hoorzitting onweersproken is medegedeeld dat tijdens de SOS-meetings van 2 januari 2016 de situatie rond [zoon] als onvoldoende werd beoordeeld. Ook tijdens de SOS-meetings van 25 februari 2016 werd onder andere door beklaagde geconstateerd dat de zorgen rond [zoon] nog groter en ernstiger werden beoordeeld. Op grond van het vorenstaande is het College van oordeel dat beklaagde op voldoende gronden en na onderzoek is overgegaan tot de uithuisplaatsing van [zoon]. Beklaagde is bij haar handelen gebleven binnen de grenzen die verwacht mogen worden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De klacht wordt door het College dan ook als ongegrond beoordeeld.”

5.4

Klaagster voert aan dat door beklaagde geen waarheidsgetrouw beeld van de situatie wordt weergeven. Enkel de minder positieve aspecten van klaagster worden door beklaagde belicht. Andere betrokken hulpverleners zouden ook van mening zijn dat er onvoldoende onderzoek is verricht ten aanzien van de uithuisplaatsing. Ter onderbouwing van dit standpunt is een tweetal verklaringen van (betrokken) hulpverleners overgelegd. Voorts heeft er voorafgaand aan de dag van de spoeduithuisplaatsing, 25 februari 2016, nog een SOS-meeting plaatsgevonden. Gedurende deze SOS-meeting is er uitgebreid stilgestaan bij het maken van afspraken en het opstellen van een ouderschapsplan. Geenszins is een op handen zijnde (spoed)uithuisplaatsing besproken.

5.5

Beklaagde betwist dat zij op onjuiste gronden en zonder voldoende onderzoek over is gegaan tot de uithuisplaatsing van [zoon]. Reeds in de beschikking van 10 december 2015 was door de kinderrechter aangegeven dat, indien de situatie niet zou wijzigen, uithuisplaatsing een reële optie was. Beklaagde heeft SOS-meetings georganiseerd waarin met alle betrokkenen gezamenlijk doelen en afspraken werden gemaakt die moesten leiden tot het afnemen van de ontwikkelingsbedreigingen van [zoon]. Klaagster is deze afspraken niet nagekomen. Daarnaast zijn de gronden voor de uithuisplaatsing verwoord in het verzoekschrift welke door de kinderrechter is getoetst alvorens deze is overgegaan tot het verlenen van de machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing op 26 februari 2016 en de verlenging daarvan op 23 maart 2016. Ook bij beschikking van het hof van 8 september 2016 zijn de beschikkingen bekrachtigd, die door klaagster werden bestreden. Hieruit valt op te maken dat er voldoende gronden waren voor de uithuisplaatsing van [zoon]. De door klaagster aangeleverde verklaringen van betrokken hulpverleners waren reeds bij de kinderrechter en het hof aanwezig, voor beide instanties gaf dit kennelijk geen reden anders te doen besluiten.

5.6

Naar het oordeel van het College is uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van het beroep voldoende komen vast te staan, dat klaagster wist dan wel kon weten waar zij aan toe was ten aanzien van de uithuisplaatsing van [zoon] en dat zij de gemaakte afspraken niet (voldoende) is nagekomen. Tijdens de SOS-meetings zijn steeds klaagster en meerdere hulpverleners aanwezig geweest en zijn er gezamenlijk doelen geformuleerd waaraan gewerkt diende te worden. Voorts is de schriftelijke aanwijzing van [GI] nog nader toegelicht aan klaagster. Er zijn aantoonbaar meerdere contacten geweest tussen beklaagde en klaagster waarin uitleg is gegeven aan klaagster. In beginsel ligt de verantwoordelijkheid bij een gezinsvoogd om te zorgen dat informatie voldoende duidelijk wordt uitgelegd, maar er ligt ook verantwoordelijkheid bij klaagster. Indien zaken voor klaagster onvoldoende helder bleven lag het op haar weg om hulp en uitleg te vragen. Het College overweegt voorts dat geenszins is gebleken dat beklaagde zonder onderzoek is overgegaan tot de uithuisplaatsing van [zoon], hetgeen ook blijkt uit de uitspraken die hieromtrent zijn gedaan door de kinderrechter en het hof. Het College wijst de eerste grief in incidenteel appel af.

6 Klachtonderdeel IV, de grieven en het verweer in incidenteel appel alsmede het oordeel van het College van Beroep

6.1

Tijdens de procedure bij het CvT is klachtonderdeel IV als volgt geformuleerd: “Beklaagde heeft nagelaten klaagster te informeren over [zoon] na de machtiging tot uithuisplaatsing.”

6.2

In het oorspronkelijk klachtenformulier stond als (terzake dienende) klacht: “Mijn kind te weinig zien + zwijgplicht gekregen.” In de toelichting bij het klachtenformulier stond onder het kopje “Wat is er gebeurd en wanneer?” onder meer als toelichting de zinsnede “En ik heb sinds mijn zoon door [appellante], op 26 februari 16 spoed-UHP is gehaald bij vader, heb ik verder geen informatie meer mogen ontvangen hoe nu verder en hoe te werken aan begeleiding tijdens uithuisplaatsing en na terugplaatsing doelen zijn niet opgemaakt en zou hieraan mee willen werken om de hulp te krijgen die zij vinden wat nodig is maar wij hebben geen doelen gekregen vanaf me kind uithuis is geplaats.”

6.3

Ten aanzien van klachtonderdeel IV wordt door beklaagde hetzelfde verweer in incidenteel appel gevoerd, als ten aanzien van klachtonderdeel II in haar beroepschrift in het principaal appel. Hiertoe wordt door het College verwezen naar hetgeen reeds is opgenomen onder 4.3 en hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd.

6.4

Ter zitting heeft klaagster nader verweer gevoerd naar aanleiding van het standpunt van beklaagde zoals reeds opgenomen onder respectievelijk 4.3 jo. 6.3. De zienswijze van klaagster ten aanzien hiervan is reeds opgenomen onder 4.4 en kan hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

6.5

Het College is van oordeel dat het verweer van beklaagde slaagt om de navolgende reden.

Het College overweegt hiertoe hetzelfde als reeds is opgenomen onder 4.5. Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft het CvT het klachtonderdeel zelf geherformuleerd dan wel gedestilleerd uit de toelichting. Het College stelt het bestreden klachtonderdeel buiten behandeling en komt aan een inhoudelijke beoordeling ervan niet toe.

7 Klachtonderdeel V, het oordeel van het CvT, de grieven en het verweer alsmede het oordeel van het College

7.1

Tijdens de procedure bij het CvT is klachtonderdeel V als volgt geformuleerd: “Klaagster is door beklaagde onvoldoende in staat gesteld contact te hebben met [zoon] na zijn uithuisplaatsing.”

7.2

Het CvT oordeelt als volgt: “Het College overweegt dat de tijd tussen de spoeduithuisplaatsing van [zoon] op 26 februari 2016 en het eerste contact met klaagster op 14 april 2016 van relatief lange duur is geweest. Beklaagde heeft ter gelegenheid van de hoorzitting uitgelegd welke inspanning zij heeft verricht om tot een eerste omgangsmoment te komen en welke maatregelen zij daarvoor nodig achtte. Het College acht het, mede gelet op de door beklaagde geschetste en door klaagster niet betwiste bedreigingen van de zijde van de echtgenoot van klaagster in de richting van professionals in het verleden, niet onbegrijpelijk dat beklaagde eerst het advies van het LET-team heeft willen inwinnen voordat zij tot het organiseren van een bezoekregeling is overgegaan. Dat dit enige tijd in beslag heeft genomen is zeer voorspelbaar. Beklaagde heeft ter gelegenheid van de hoorzitting erkend dat zij weliswaar voorafgaand aan de spoeduithuisplaatsing het LET-team al had kunnen betrekken, maar naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende duidelijk gemaakt dat er na de SOS meeting op 25 februari 2016 onder grote tijdsdruk moest worden gehandeld. Binnen drie weken na de spoeduithuisplaatsing op 26 februari 2016 heeft een overleg plaatsgevonden met het LET-team, het gemeentelijke sociale wijkteam, de politie en beklaagde met als doel om de veiligheid te bespreken en het in kaart brengen van de mogelijkheden voor het opstarten van een bezoekregeling tussen klaagster en [zoon]. Na overleg op 5 april 2016 met als deelneemster klaagster, de ambulant hulpverlener van klaagster en de ambulant hulpverlener van de echtgenoot van klaagster, beklaagde en een vertegenwoordiger van het LET-team over de concrete invulling van de (veiligheid rond de) bezoekregeling heeft, als gezegd, op 14 april 2016 het eerste contact tussen klaagster en [zoon] plaatsgevonden. De bezoekregeling is vastgelegd in een schriftelijke aanwijzing van 8 april 2016. Ter gelegenheid van de hoorzitting heeft beklaagde op vragen van het College voldoende duidelijk gemaakt waarom klaagster niet op de hoogte is geweest van de gang van zaken rond het opstarten van de bezoekregeling. Het College verwijst hiervoor naar hetgeen reeds onder bespreking van klachtonderdeel IV is uiteengezet omtrent de pogingen van beklaagde om na de uithuisplaatsing op 26 februari 2016 (ook samen met [zoon]) in contact te komen met klaagster. De omstandigheid dat pas zeven weken na de uithuisplaatsing een eerste contactmoment heeft plaatsgevonden tussen klaagster en [zoon] – hetgeen onmiskenbaar een lange duur is – is naar het oordeel van het College op grond van het te voren overwogene niet toe te rekenen aan niet adequaat optreden door beklaagde, maar is het gevolg van een samenloop van omstandigheden, waaraan ook het optreden van moeder en haar telefonische onbereikbaarheid heeft bijgedragen. Het College acht dit klachtonderdeel ongegrond.”

7.3

Klaagster stelt dat zij door beklaagde onvoldoende in staat is gesteld contact te hebben met [zoon] na de uithuisplaatsing. Het vaststaande feit dat tussen klaagster en [zoon] na de uithuisplaatsing ruim 1,5 maand geen contact is geweest, is het gevolg van het (niet) handelen van beklaagde. Beklaagde heeft nagelaten om, na de ingrijpende gebeurtenis van de uithuisplaatsing, zich in te spannen zo spoedig mogelijk contact te realiseren tussen klaagster en [zoon]. Er wordt nadrukkelijk betwist dat klaagster slecht bereikbaar zou zijn geweest. Voorts heeft het CvT ten onrechte geoordeeld dat het niet onbegrijpelijk is, gelet op de door klaagster niet betwiste bedreigingen van stiefvader in de richting van professionals in het verleden, dat beklaagde eerst advies van het LET-team heeft willen inwinnen voordat zij tot het organiseren van een bezoekregeling is overgegaan. Het door beklaagde gestelde agressieve gedrag van stiefvader is door klaagster in zowel haar aanvullende verklaring als ter zitting bij het CvT, uitdrukkelijk betwist. Ook zou beklaagde ter zitting aangegeven hebben niet met agressief gedrag van de stiefvader te zijn geconfronteerd. Het inschakelen van het LET-team is daarom naar de mening van klaagster geenszins noodzakelijk geweest.

7.4

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij zich voldoende heeft ingespannen om omgang te realiseren tussen verweerster en [zoon] Ter onderbouwing van dit standpunt is er een beschikking  van de kinderrechter van 14 juni 2016 aangeleverd. Dit betreft de beslissing op het beroep tegen een schriftelijke aanwijzing, van 25 april 2016, waarin door [GI] de omgangsregeling nader werd vastgesteld. De kinderrechter heeft hierin geoordeeld dat de schriftelijke aanwijzing(en) voldoende zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast heeft beklaagde in maart 2016 contact gehad met het LET-team om te beoordelen of, en zo ja in welke vorm, het LET-team ingezet zou worden. Het LET-team is vervolgens ingezet op basis van consultatie en advies en dat team heeft op  5 april 2016 met beklaagde de vooraankondiging bezoekregeling besproken.

7.5

Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft beklaagde haar verweer nader toegelicht. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat zij zich absoluut niet veilig heeft gevoeld in het contact met stiefvader en wel degelijk met zijn (verbaal) agressieve gedrag is geconfronteerd. Hiertoe stelt zij dat stiefvader zich meermalen intimiderend ten opzichte van haar heeft opgesteld. Door deze gang van zaken heeft zij zich tijdens de vorige zitting niet vrij gevoeld uitgebreid te spreken c.q. zich te verweren.

7.6 Ten aanzien van deze grief oordeelt het College als volgt.

7.7

Allereerst stelt het College voorop dat de periode van zeven weken waarin er tussen klaagster en [zoon] geen omgang is geweest, erg lang is. Meer in het bijzonder nu door de spoeduithuisplaatsing van [zoon], het contact tussen klaagster en [zoon] abrupt werd verbroken. Anderzijds acht het College de argumenten door beklaagde naar voren gebracht over de gang van zaken met betrekking tot (de reden van) het inschakelen van het LET-team en de totstandkoming van de bezoekregeling, overtuigend.

7.8

Uit de stukken is het verloop van de gang van zaken met betrekking tot (het opstarten van) de bezoekregeling voldoende gebleken. Op 29 februari 2016 heeft beklaagde per e-mail aangegeven dat zij – wegens het gebrek aan vertrouwen van klaagster in haar persoon – zich op korte termijn terug zou trekken als gezinsvoogd. De communicatie met klaagster heeft vanaf begin maart 2016 plaatsgevonden door een collega van beklaagde. Uit de door beklaagde overgelegde contactjournaals blijkt dat zij ‘achter de schermen’ bezig is geweest met het realiseren van een zo veilig mogelijke bezoekregeling tussen klaagster en [zoon]. Hiertoe heeft onder andere een overleg plaatsgevonden op 17 maart 2016 met ketenpartners om de risico’s in kaart te brengen en te beoordelen of (kortdurende) inzet van het LET-team noodzakelijk werd geacht. Voorts heeft dit geresulteerd in een gesprek op 5 april 2016 (vooraankondiging bezoekregeling) met klaagster, hulpverleners, een jeugdzorgwerker van [GI] en een jeugdzorgwerker van het LET-team. Dit heeft vervolgens geleid tot de schriftelijke aanwijzing van 8 april 2016 waarin de bezoekregeling is vastgelegd en uiteindelijk tot het daadwerkelijke eerste bezoekmoment tussen klaagster en [zoon] op 14 april 2016.

7.9

Alles in overweging nemende faalt naar het oordeel van het College deze grief. Gelet op de omstandigheden – de dreiging vanuit stiefvader en het (kortdurend) inschakelen van het LET-team – is het beklaagde niet te verwijten dat het uiteindelijke eerste contact tussen klaagster en [zoon] pas op 14 april 2016 tot stand is gekomen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het beroep is voldoende vast komen te staan dat beklaagde – ook na haar terugtreden als gezinsvoogd – zich heeft ingespannen de bezoekregeling tussen klaagster en [zoon] zo spoedig mogelijk te realiseren, en daarbij de noodzakelijke zorgvuldigheid in acht heeft genomen om de veiligheidsrisico’s tot een minimum te beperken. Dat het daadwerkelijk tot stand komen van contact uiteindelijk lang heeft geduurd, gelet op de voornoemde omstandigheden, is onwenselijk, doch niet het gevolg van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van beklaagde.

8 Klachtonderdeel VI, het oordeel van het CvT, de grieven en het verweer alsmede het oordeel van het College

8.1

Tijdens de procedure bij het CvT is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd: “Beklaagde heeft nagelaten adequate schoolvoorzieningen te treffen voor [zoon] na zijn uithuisplaatsing.”

8.2

Het CvT oordeelde als volgt: “Het College is met klaagster en beklaagde van oordeel dat het een kwalijke zaak is dat [zoon] tussen zijn uithuisplaatsing op 26 februari 2016 en de zomervakantie van 2016 geen school heeft genoten. Beklaagde heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij [zoon] op 3 maart 2016 per e-mail heeft aangemeld bij de school in de omgeving van de groep waar hij sinds de uithuisplaatsing verbleef. Beklaagde heeft de beide betrokken onderwijsinstellingen verzocht de overdracht van de vorige naar de nieuwe school in gang te zetten. Om onduidelijk gebleven redenen is deze overdracht niet door de scholen gerealiseerd, met als resultaat dat [zoon] niet naar de nieuwe school is gegaan. Beklaagde heeft onbetwist gesteld dat zij – toen zij na een periode van afwezigheid in mei 2016 constateerde dat [zoon] nog steeds niet naar school ging – heeft geprobeerd om dit op te lossen met behulp van de leerplichtambtenaar. Toen bleek ook dat klaagster om haar moverende redenen de benodigde toelaatbaarheidsverklaring nog niet had getekend, hetgeen de schoolgang eveneens heeft bemoeilijkt. Het College is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet is vast te stellen dat het aan beklaagde te wijten is dat de op zich kwalijke situatie dat [zoon] ruim vier maanden geen onderwijs heeft genoten, is ontstaan. Om die reden wordt de klacht als ongegrond beoordeeld.”

8.3

Klaagster stelt zich op het standpunt dat het CvT ten onrechte het klachtonderdeel als ongegrond heeft beoordeeld. Beklaagde heeft zich op 4 maart 2016 teruggetrokken als gezinsvoogd. Pas op 7 juli 2016 werd er een nieuwe gezinsvoogd aangesteld. In de tussenliggende periode heeft ‘alles stil gelegen’ wat als gevolg heeft gehad dat [zoon] zes maanden niet naar school is geweest. Klaagster is niet bekend met de e-mail van 3 maart 2016 waarmee [zoon] is aangemeld bij een school in de omgeving van de behandelgroep waar hij destijds verbleef. Ook indien deze e-mail wel verstuurd zou blijken te zijn, is het naar de mening van klaagster ontoelaatbaar dat beklaagde heeft nagelaten om voor een deugdelijke overdracht te zorgen toen zij zich terug had getrokken. Klaagster is concluderend van mening dat het aan beklaagde te wijten is dat [zoon] zes maanden niet naar school is gegaan en vindt het onbegrijpelijk dat het CvT heeft geoordeeld dat dit niet vast is komen te staan.

8.4

Beklaagde betwist dat zij zou hebben nagelaten adequate schoolvoorzieningen te treffen voor [zoon]. Beklaagde heeft een e-mail van 10 maart 2016 overgelegd waaruit de aanmelding van [zoon] op school blijkt. De aanmelding op school, per e-mail, is door beklaagde opgeslagen in de vorm van een contactjournaal.

8.5

Ter aanvulling van hetgeen reeds is gesteld door beklaagde in haar verweerschrift op het incidenteel appel, heeft zij tijdens de mondelinge behandeling van het beroep het volgende naar voren gebracht. Beklaagde was in de veronderstelling dat er sprake was van een interne overdracht van [zoon] tussen twee vestigingen van de [school]. Later bleek dat deze interne overdracht niet goed was gegaan en er een toelaatbaarheidsverklaring door klaagster getekend diende te worden. Er moest opnieuw door een commissie worden getoetst of [zoon] in aanmerking kwam voor het type onderwijs waarvoor hij was aangemeld. Beklaagde stelt dat zij direct actie heeft ondernomen toen zij tot de ontdekking kwam dat de aanmelding niet goed was verlopen. Tussen de eerste aanmelding en de ontdekking dat de aanmelding niet goed was verlopen zat een periode van ongeveer acht weken. Beklaagde was in de veronderstelling dat de aanmelding liep, ook gelet op het feit dat de school had aangegeven dat de aanmeldprocedure een paar weken in beslag kon nemen en dat zij nadere berichtgeving zou ontvangen. Voorts is beklaagde gedurende een periode van zes weken, gerekend vanaf begin april, afwezig geweest.

8.6

Tijdens de behandeling ter zitting van het beroep heeft klaagster nog naar voren gebracht dat zij, gelet op de zorgen die er waren ontstaan omtrent het niet naar school (kunnen) gaan van [zoon], op 10 mei 2016 de leerplichtambtenaar heeft ingeschakeld. Ten aanzien van het niet tekenen van de toelaatbaarheidsverklaring stelt zij dat het geen onwil was om niet te tekenen, maar dat zij niet wist waarvoor zij tekende en daarom dit nog niet had gedaan. Nadat een andere contactpersoon van [GI] haar alsnog had geïnformeerd over het doel van de handtekening, heeft zij direct getekend.

8.7

Allereerst merkt het College op dat de periode dat [zoon] niet naar school is gegaan – effectief vier maanden –  een te lange periode is. De vraag die aan het College ter beoordeling voor ligt is of beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van de aanmelding van [zoon] bij een schoolvoorziening en de tijd die verstreken is tot de daadwerkelijke plaatsing. Het College is van oordeel dat beklaagde een – beperkt – tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en overweegt hiertoe als volgt. Vaststaand feit is – door het overleggen van de e-mail van 3 maart 2016 – dat beklaagde [zoon] heeft aangemeld voor een schoolvoorziening. Het College meent echter dat beklaagde niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de mededeling van de school dat de aanmeldprocedure enkele weken kon duren. Het lag op de weg van beklaagde om deze aanmelding te monitoren en niet alleen de nadere berichtgeving af te wachten die vervolgens enige tijd uitbleef. Voor zover beklaagde deze kwestie overgedragen had aan collega’s, merkt het College op dat beklaagde zorg diende te dragen voor een deugdelijke overdracht dan wel dat zij zelf de regie diende te blijven voeren. Voorts neemt het College in overweging dat tijdens de mondelinge behandeling van het beroep naar voren is gekomen dat er door beklaagde – en collega’s –  pas actie ondernomen is nadat de leerplichtambtenaar reeds was ingeschakeld door klaagster. Wel is het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen beperkt nu appellante niet alleen, maar mogelijk samen met collega’s, verantwoordelijk is geweest voor de aanmelding en beklaagde gedurende deze aanmeldperiode zelf een periode afwezig is geweest. De vertraging met betrekking tot de aanmelding/plaatsing bij de schoolvoorziening kan beklaagde derhalve niet in zijn geheel worden aangerekend. Het College verklaart dit klachtonderdeel wegens schending van de artikel N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode gegrond, maar ziet gelet op de beperkte verwijtbaarheid geen aanleiding een maatregel op te leggen.

9 Klachtonderdeel VII, het oordeel van het CvT, de grieven en het verweer alsmede het oordeel van het College

9.1

Ten aanzien van de zevende klacht, appellante heeft zich naar derden uitsluitend negatief uitgelaten over verweerster, oordeelde het CvT als volgt.

9.2

“Het College stelt met klaagster vast dat in de door klaagster en beklaagde overgelegde stukken met betrekking tot de opvoedsituatie van klaagster in negatieve zin wordt geschreven door beklaagde. Het College heeft echter uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken ook vastgesteld dat de situatie rond de opvoeding van [zoon] bij klaagster thuis zeer zorgelijk, later zelfs nijpend was. Beklaagde heeft haar zorgen willen uiten op professionele wijze. Het College heeft niet vast kunnen stellen dat er in de gewraakte stukken onwaarheden door beklaagde zijn opgenomen. Daarmee acht het College dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.”

9.3

Klaagster bestrijdt het oordeel van het CvT ten aanzien van de negatieve uitlatingen over haar door beklaagde. Dat beklaagde telkens alleen maar de negatieve aspecten naar voren heeft gebracht blijkt uit diverse opgestelde stukken. Hierdoor worden klaagster en haar echtgenoot onterecht en voortdurend in een kwaad daglicht gesteld. Voorts stelt klaagster zich op het standpunt dat beklaagde zich partijdig heeft opgesteld ten gunste van de vader. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft klaagster een verklaring overgelegd van een hulpverlener die een tweetal SOS-meetings heeft bijgewoond. Mede gelet hierop is het voor klaagster onbegrijpelijk dat het CvT heeft overwogen dat beklaagde enkel op professionele wijze haar zorgen heeft willen uiten.

9.4

Beklaagde betwist dat zij zich tegenover derden uitsluitend negatief heeft uitgelaten over klaagster. Appellante verwijst hiervoor naar de verslagen van de SOS-meetings en meer specifiek naar het kopje ‘wat gaat goed’. In deze verslagen zijn naast de zorgen ook altijd positieve punten benoemd. Voorts stelt zij zich op het standpunt, dat het zeer kwalijk is dat in de overgelegde verklaring voorbeelden worden omschreven die in strijd zijn met de feiten. Beklaagde heeft tijdens de SOS-meetings benoemd, vanuit haar rol en positie, wat er volgens haar goed ging, wat de zorgen waren en wat er moest gebeuren in het belang van [zoon].

9.5

Naar het oordeel van het College faalt deze grief. Het College volgt hierbij het standpunt van beklaagde dat zij naast negatieve aspecten ook bijvoorbeeld in de verslagen van de SOS-meetings de positieve aspecten (‘Wat gaat goed’) heeft benoemd. Het is het College dan ook geenszins gebleken dat appellante zich uitsluitend negatief heeft uitgelaten over klaagster dan wel over haar partner.

10 De beslissing ten aanzien van alle klachten in beroep

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

In het principaal appel

– stelt – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel II buiten behandeling en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 23 december 2016;

– trekt in de opgelegde maatregel van waarschuwing.

In het incidenteel appel

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel VI alsnog gegrond, en

– stelt – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel IV buiten behandeling en vernietigt in zoverre  de beslissing van het College van Toezicht van 23 december 2016;

– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing ten aanzien van klachtonderdeel III, V en VII, zij het met aanvulling van de gronden;

– ziet af van het opleggen van een maatregel aan beklaagde.

Aldus gedaan door het College in de genoemde samenstelling en op 9 januari 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen                                mevrouw mr. R.A.E. Thijssen

voorzitter                                                                               secretaris