Klacht tegen jeugdzorgwerker over (de uitvoering van de) ondertoezichtstelling.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter;
Mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot;
Mw. drs. E.A. van Ek, lid-beroepsgenoot;

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

De heer A., hierna te noemen: klager, wonende te […], ingediende klacht tegen

De heer B., hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als teamleider bij [de GI].

De hoorzitting heeft op 28 november 2016 plaatsgevonden in de aanwezigheid van klager en beklaagde. Klager is in deze zaak bijgestaan door mevrouw [naam]. Beklaagde werd bijgestaan door zijn advocaat mr. A.I.J. Roorda. Mevrouw [naam], bestuurder bij [de GI], is als toehoorder aanwezig geweest.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 24 juni 2016;

– het aanvullende klaagschrift d.d. 1 augustus 2016;

– het verweerschrift d.d. 10 oktober 2016 met bijlagen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager is vader van zoon [zoon] (geboren op […] […] 2004), dochter [dochter 1] (geboren op […] […] 2006) en dochter [dochter 2] (geboren op […] 2009), hierna te noemen: de kinderen.

2.2

Het huwelijk van klager en zijn ex-partner (hierna te noemen: moeder) is op […] […] 2013 ontbonden. De kinderen hebben sindsdien bij klager gewoond. Klager werd bij de opvoeding en de verzorging van de kinderen bijgestaan door een inwonend verzorgster.

2.3

Klager heeft uit een eerdere relatie een dochter [dochter 3]., zij heeft van 2011 tot 2014 bij klager gewoond. [Dochter 3] woont inmiddels, na een tijdelijk verblijf bij een instelling van […], bij haar biologische moeder.

2.4

Op 4 november 2013 zijn de kinderen, door kinderrechter van de rechtbank […], onder toezicht gesteld. De ots is telkens verlengd. [De GI] heeft tot en met 17 mei 2015 de ots uitgevoerd. Op 18 mei 2015 heeft [de GI] (hierna te noemen: [de GI]) de ots overgenomen.

2.5

Twee gezinsvoogden, tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, hebben de ots namens [de GI] uitgevoerd. Beklaagde is teamleider van de gezinsvoogden.

2.6

De rechtbank heeft bij rechterlijke beschikking d.d. 18 september 2014 klager belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Het Gerechtshof heeft dit bij beschikking van de rechtbank bekrachtigd op 15 juli 2015. Het Gerechtshof heeft voorts een uitgebreid onafhankelijk onderzoek van klager, de verzorgster, moeder en de kinderen door het NIFP gelast. Tevens is [de GI] opgedragen op korte termijn doch in ieder geval binnen twee maanden begeleide omgang tussen de kinderen en moeder op gang te brengen.

2.7

Op verzoek van [de GI] zijn de kinderen bij rechterlijke beschikking d.d. 27 mei 2016 uit huis geplaatst. Klager heeft op 11 juli 2016 beroep ingesteld bij het Gerechtshof.

2.8

In een schriftelijke aanwijzing d.d. 28 juni 2016 is een bezoekregeling vastgesteld. Klager heeft eens in de twee weken op woensdagmiddag onder begeleiding contact met de kinderen.

2.9

Op 9 november 2015 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Bij dit gesprek waren beklaagde, klager, mevrouw [naam] een contactpersoon van het AKJ en twee gezinsvoogden aanwezig. Beklaagde heeft het gesprek voorgezeten. Een notuliste heeft een verslag opgesteld.

2.10

Klager heeft op 5 juli 2016 bij de klachtencommissie van [de GI] een klacht tegen beklaagde en de twee gezinsvoogden ingediend. De klachtencommissie van [de GI] heeft op 25 oktober 2016 uitspraak gedaan en de klachten ongegrond bevonden.

2.11

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2014.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

Beklaagde heeft niet naar klager geluisterd tijdens het bemiddelingsgesprek van 15 februari 2016.

II

Beklaagde heeft het beleid van zijn medewerkers ondersteund.

III

Beklaagde heeft het belang van de kinderen niet voorop gesteld.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

Tijdens het bemiddelingsgesprek op 15 februari 2016 heeft beklaagde met oprechte belangstelling naar klager geluisterd. In het gesprek heeft beklaagde nadrukkelijk erkend dat hij begreep dat de situatie voor klager als vader belastend ervaren kan worden. Hij heeft de wettelijke kaders van de ots benoemd.

II

Het behoort tot de taak van beklaagde om de gezinsvoogden te faciliteren en te ondersteunen in de uitvoering van hun taakstelling. Uit de functieomschrijving van beklaagde volgt dat bij beklaagde geen sprake is van functionele of andere betrokkenheid bij de inhoudelijke invulling van de OTS en het gevoerde beleid door de gezinsvoogden. Beklaagde vervult hierin als teammanager geen inhoudelijke beslissende rol. Er is sprake van een professionele autonomie van de desbetreffende jeugdzorgwerkers, zijnde gezinsvoogden en de gedragswetenschapper. De invulling van de OTS valt aldus niet binnen de bevoegdheden van beklaagde. Beklaagde is in tuchtrechtelijke zin niet verantwoordelijk voor het beleid en gedrag van de gezinsvoogden.

III

Beklaagde heeft bij zijn handelswijze het belang van de kinderen voorop gesteld. Beklaagde respecteert de kinderen van klager. De hulp aan de kinderen valt echter niet onder de taak en bevoegdheid van een Teammanager.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

1

Na de toelichting van partijen ter zitting begrijpt het College deze klacht aldus dat klager na lezing van het verslag van het bemiddelingsgesprek heeft ervaren dat beklaagde tijdens dat gesprek niet naar hem heeft geluisterd, nu dit verslag volgens klager geen goede weergave is van hetgeen toen is besproken. Klager heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat juist is dat hij na afloop van het gesprek zich gehoord heeft gevoeld en dit toen ook heeft uitgesproken. Het verslag kwam echter niet overeen met de herinnering van klager aan het gesprek.
Het College overweegt dat klager door beklaagde in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verslag en dat de opmerkingen van klager aan het verslag zijn gehecht. Het College heeft geen aanwijzingen dat het verslag geen juiste weergave is van het besprokene. Dat klager zich niet kan vinden in deze weergave is teleurstellend, maar niet valt in te zien dat verweerder in deze een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

2 en 3

Deze klachtonderdelen hebben betrekking op beklaagde’s functie als teamleider. Hij is leidinggevende van de uitvoerende jeugdprofessionals. De te nemen beslissingen worden in teamverband besproken. Met klager heeft beklaagde geen contact omtrent de uitvoering van de jeugdbeschermingsmaatregelen. Beklaagde heeft in de periode waar de klacht betrekking op heeft, slechts eenmaal rechtstreeks contact met klager gehad. Dat was tijdens het bemiddelingsgesprek op 9 november 2015. Niet is komen vast te staan dat beklaagde zich toen ten opzichte van klager tuchtrechtelijk laakbaar heeft gedragen, zoals reeds is overwogen bij de beoordeling van klachtonderdeel I. Het College is voorts niet bevoegd te oordelen over de klachten met betrekking tot de wijze waarop beklaagde zijn functie uitoefent. Klager is derhalve niet ontvankelijk in deze klachten.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– Verklaart klachtonderdeel I. ongegrond,

– Verklaart klager niet ontvankelijk in klachtonderdelen II. en III.

Aldus gedaan op 21 december 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. D.J. Markx                                                mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                            secretaris