Klacht tegen een casemanager van de gemeente met betrekking tot de aanvraag voor jeugdhulp (PGB), privacy en de melding die zij gedaan heeft aan de Jeugdbeschermingstafel.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist;
Mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw M. Bijnoe, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster] en [klager], hierna te noemen: klaagster en klager, tezamen te noemen: klagers, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als casemanager bij de gemeente [naam gemeente].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, [naam gemachtigde], jurist.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 23 juli 2016, ontvangen op 27 juli 2016, met bijlagen, en de aanvullingen van 5 december 2016;
– het verweerschrift van 1 februari 2017, met bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 april 2017 in aanwezigheid van klagers, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klagers zijn de ouders met gezag van de minderjarige [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005, hierna: de minderjarige.

2.2

De minderjarige woont samen met zijn zus bij zijn ouders, klagers.

2.3

De minderjarige is op 27 februari 2013 gediagnosticeerd met PDD-NOS en ADHD. Hij heeft gedragsproblemen, een leerachterstand en ervaart veel angst.

2.4

Klagers hebben sinds 2013 – toen de minderjarige thuis kwam te zitten van school – contact met jeugdzorg, eerst met Bureau Jeugdzorg en sedert 2015 met [de gemeente] (met dezelfde medewerkers als voor de transitie), ten behoeve van aanvragen voor jeugdhulp. Klagers wensen jeugdhulp, te financieren middels een Persoonsgebonden Budget (hierna: PGB).

2.5

Van 31 maart 2016 tot en met 22 december 2016 is beklaagde als casemanager van [de gemeente] betrokken geweest bij de minderjarige.

2.6

Beklaagde heeft op 21 juni 2016 een verzoek tot onderzoek/melding Jeugdbeschermingstafel gedaan aan de gemeente [naam gemeente]. De Jeugdbeschermingstafel heeft op 23 augustus 2016 besloten dat de hulp doorgang vindt in het vrijwillig kader; er zijn daartoe afspraken gemaakt met klagers.

2.7

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijten klagers beklaagde het volgende:

I

Nalatigheid omdat zij al haar tijd heeft gestoken in het verslag ten behoeve van de Jeugdbeschermingstafel in plaats van in andere belangrijke zaken, zoals het tijdig verstrekken van indicaties en zoeken naar een gezamenlijke oplossing van passende zorg voor de minderjarige;

Toelichting:
Klagers zijn al een aantal jaren doende zorg aan te vragen voor de minderjarige en dat verloopt niet soepel. Toen beklaagde als casemanager aantrad, moest het vertrouwen dan ook groeien; klagers zijn beklaagde neutraal tegemoet getreden. Klagers liepen steeds aan tegen de volgens beklaagde beperkte mogelijkheden van de gemeente in die zin dat de zorgaanbieder geen contract had met de gemeente dan wel dat beklaagde geen zicht had op de kwaliteit van de door klagers gewenste zorg. Klagers hadden in contact met beklaagde steeds het gevoel dat de jeugdhulp die zij voor ogen hadden, niet gefaciliteerd kon worden. Niet alleen beklaagde maakte zich echter zorgen over de minderjarige, ook klagers deden dat. Klagers hadden het gevoel dat beklaagde voortdurend bezig was de voor de minderjarige noodzakelijke zorg te stagneren. Klagers wilden beklaagde een kans geven, maar de melding bij de Jeugdbeschermingstafel was de druppel.

II

Het niet zorgvuldig omgaan met vertrouwelijke informatie;

Toelichting: Beklaagde heeft informatie uit verslagen die voor een ander doel waren opgemaakt, gebruikt ten behoeve van haar verslag voor de Jeugdbeschermingstafel en deze informatie uit zijn verband getrokken, waardoor klaagster daarin in een slecht daglicht is gesteld.
Klagers geven aan dat beklaagde in de melding Jeugdbeschermingstafel zonder hun akkoord informatie heeft gebruikt van [naam coach], van “[…..]”, en van kinderarts dr. [naam kinderarts], terwijl deze informatie bovendien niet aan beklaagde was gegeven ten behoeve van een melding aan de Jeugdbeschermingstafel.

III

Zonder medeweten dan wel goedkeuring van de gezaghebbende ouder verslagen of aanvulling hierop te vragen bij de betrokken hulpverleners;

IV

Onnodig veel en steeds nader gespecificeerde informatie te verlangen, alsmede steeds op de stoel van de zorgverleners te willen zitten en hiermee uitspraken te doen die niet passen bij haar functie;

Toelichting:
Beklaagde heeft bijvoorbeeld aangegeven dat klaagster incapabel is en net als de minderjarige hulp nodig heeft. Klaagster stelt dat beklaagde bovendien constante twijfel heeft over alle hulpverlening omdat zij deze ofwel niet kan toetsen ofwel er geen contract is met de gemeente. Klaagster stelt dat hierdoor de hulpverlening aan de minderjarige stagneert.

3.2

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

[De gemeente] toetst onder meer zorgaanvragen en kan beschikkingen afgeven ten behoeve van jeugdhulp. Klager lijkt er van uit te gaan dat zij als moeder als enige kan aangeven wat de minderjarige nodig heeft. [De gemeente] hanteert echter als uitgangspunt dat de professional samen met ouders en de jeugdige beslist over de inzet van zorg, waarbij de professionals bij [de gemeente] inhoudelijke specialisten zijn die tevens een afweging kunnen maken welke jeugdhulp er nodig is. Zulks kan een spanningsveld opleveren tussen de professional en het gezin. Beklaagde meent dat klaagster andere verwachtingen had en dat deze bijdragen aan haar ontevredenheid. Zo gaf klaagster aan dat zij het vervelend vond om weer in gesprek te moeten gaan over het PGB en dat [de gemeente] dat gewoon behoorde af te geven, zonder verdere informatie te hoeven ontvangen dan wel een afweging hiertoe te maken. Beklaagde meent zich als professional gemotiveerd te hebben ingezet voor hulp, waarbij goede communicatie en afstemming van belang is. Beklaagde verwijst ter zake naar de beleidsregels van de gemeente [naam gemeente] ten aanzien van het PGB.
Beklaagde meent dat zij volgens de richtlijnen heeft gehandeld. De minderjarige werd in zijn ontwikkeling bedreigd. Zijn school had aangegeven dat hij niet langer op school kon blijven, maar klagers maakten geen keuze voor een vervolgschool, waardoor de minderjarige weer (volledig) thuis dreigde te komen zitten. Daarnaast kwam het hulpverleningstraject niet van de grond en trokken ouders hun toestemming in om de informatie die met toestemming was verkregen van de heer [naam begeleider] van “[…..]” te gebruiken. Beklaagde kon geen duidelijkheid krijgen over hoe het met de minderjarige ging, omdat zij van klagers bepaalde vragen niet aan hulpverleners mocht stellen. Dit maakte het werken in vrijwillig kader onmogelijk, hetgeen beklaagde heeft besproken in het multidisciplinaire team, alwaar is besloten tot het schrijven van een verzoek tot onderzoek.
Beklaagde geeft aan dat het juist is dat het schrijven van het verzoek tot onderzoek enige tijd in beslag heeft genomen. Omdat het gaat om een belangrijk stuk dat veel impact heeft, moet dit schrijven zorgvuldig gebeuren en wordt multidisciplinair beoordeeld, aldus beklaagde.
Beklaagde meent dat zij steeds tijdig de verleningsbeschikkingen heeft afgegeven, te weten 2 dagen, 4 weken, 10 dagen en 13 dagen na de aanvraag, daar waar binnen 8 weken moet zijn beslist. Zulks ondanks dat klagers steeds verzuimd hadden tijdig de aanvraag te doen, hoewel beklaagde hen hierop had gewezen en ze werden ondersteund door Stichting [naam Stichting].
Ten aanzien van het zoeken naar een gezamenlijke oplossing van passende zorg, brengt beklaagde naar voren dat tijdens een overleg op school een aantal vormen van passende zorg zijn aangedragen en dat [de gemeente] tevens een zorgaanbod heeft gedaan, te weten dagbehandeling bij een GGZ instelling, waarbij de minderjarige ook onderwijs zou kunnen krijgen. Klagers hebben dit aanbod echter direct van de hand gewezen; zij hebben de vormen van zorg die zijn aangedragen door school onderzocht en enkel de ABA als passend ervaren. Beklaagde geeft aan dat zij met klagers eens is dat ABA passend zou kunnen zijn, maar stelt dat ABA training niet snel inzetbaar is.
Beklaagde heeft aangegeven dat de zaak een leerproces is geweest voor haar. Desgevraagd heeft beklaagde verklaard dat zij bij nader inzien te veel is meegegaan in het advies van haar voorganger om ten behoeve van dossiervorming per mail contact te hebben met klagers, en dat zij voortaan meer tijd zou nemen om de ouders door middel van een gesprek te leren kennen, en te investeren in de relatie. Beklaagde vindt het jammer dat het niet goed is gelukt om samen te bezien wat er gebeurt, en wat er nodig was voor de minderjarige.

II

Beklaagde geeft aan dat de gebruikte informatie afkomstig is van klagers zelf, vanuit overleg met medewerkers van Bureau Jeugdzorg of [de gemeente], en deels uit verslagen van bij de minderjarige betrokken professionals, te weten school, de heer [naam begeleider] voornoemd, de heer [naam coach] en de kinderarts. De verslagen zijn of met toestemming van klaagster dan wel via klaagster zelf verkregen. Als een deel van verslagen is gebruikt, dan is het betreffende deel aan de hulpverlener gemaild voor akkoord. De heer [naam coach] heeft in april 2016 telefonisch zijn zorgen geuit over de gezinssituatie van de minderjarige, hij heeft direct na dit gesprek ingestemd met de schriftelijke weergave van dit gesprek door beklaagde maar heeft uiteindelijk in juni 2016 zijn toestemming ten aanzien van deze schriftelijke weergave ingetrokken. Beklaagde heeft na intern overleg besloten – de informatie was van belang omdat de heer [naam coach] als direct betrokken hulpverlener zijn zorgen aan [de gemeente] had geuit – alsnog de volgende passage op te nemen in het verzoek tot onderzoek: “De heer [naam coach] geeft in een telefoongesprek met [de gemeente] op 12 april 2016 aan dat er in het begin heel weinig voortuitgang was in de ontwikkeling van [de minderjarige], maar dat dit later beter ging. Daarbij geeft de heer [naam coach] aan wat de redenen hiervoor zijn. Er is afgesproken dat de heer [naam coach] het proces van de stagnatie en later de vooruitgang in zijn verslag beschrijft en dit met ouders bespreekt. De heer [naam coach] heeft tot op heden het verslag met deze aanpassingen niet verstuurd naar [de gemeente]”. [De gemeente] heeft ouders uitgenodigd voor een gesprek toen duidelijk werd dat de heer [naam coach] niet zelf aan klagers zou laten weten dat hij zijn zorgen had neergelegd bij [de gemeente].
Ten aanzien van de informatie van de kinderarts, geeft beklaagde aan dat [naam kinderarts] zich niet kon vinden in de informatie die beklaagde aanvankelijk had opgenomen in haar melding Jeugdbeschermingstafel, maar dat zij na overleg akkoord is gegaan met de informatie die thans is opgenomen.
De heer [naam begeleider] heeft laten weten dat hij niet akkoord was, zodat zijn stuk niet is gebruikt, zo stelt beklaagde.

III

Beklaagde wijst op haar beroepsgeheim, en geeft aan dat zij voor het telefoongesprek met de heer [naam begeleider] per mail toestemming heeft gevraagd aan klaagster, en haar heeft uitgelegd waar zij het over wilde hebben met de heer [naam begeleider]. Klaagster geeft nu aan dat beklaagde niet mocht vragen aan de heer [naam begeleider] of hij een gedragsverandering merkte bij de minderjarige nadat hij medicatie is gaan slikken, maar dit had zij in haar mail niet aangegeven, want anders had beklaagde dit niet gevraagd. Beklaagde geeft aan dat zij als [de gemeente] medewerker niet wekelijks contact heeft met kinderen en alleen informatie over een kind kan verkrijgen door dit te vragen aan de mensen die wekelijks, of, zoals in dit geval, dagelijks met de minderjarige werken. Deze informatie is volgens beklaagde nodig om te kunnen bepalen of het kind de juiste zorg krijgt, en de zorg, ingekocht vanuit het PGB, van voldoende kwaliteit is.
Bij de beslissing een verzoek tot onderzoek te doen, wegen volgens beklaagde de belangen van het kind het zwaarst. [De gemeente] was van mening dat de minderjarige in zijn ontwikkeling werd bedreigd, dat hulp in het vrijwillig kader niet van de grond kwam en dat het voor [gemeente] niet duidelijk kon worden hoe het precies met de minderjarige ging omdat klaagster niet alle informatie meer wilde delen met [de gemeente]. Beklaagde geeft aan dat, in de situatie dat ouders geen toestemming geven voor het indienen van een verzoek tot onderzoek, en de veiligheid van de minderjarige dit vereist, de hulpverlener een verzoek tot onderzoek kan indienen. In het kader van een verzoek tot onderzoek is toestemming van ouders niet nodig voor het meezenden van informatie, wel moeten ouders hiervan op de hoogte worden gesteld, aldus beklaagde. Als ouders geen toestemming verlenen voor gebruik van bijvoorbeeld psychologische onderzoeken, dan dient dat in het verzoek tot onderzoek te worden aangegeven. Beklaagde stelt dat zij de informatie uit het dossier die zij wilde gebruiken voor het verzoek tot onderzoek heeft neergelegd bij de betrokken hulpverleners zodat zij de informatie konden accorderen en dat klagers op de hoogte waren van de inhoud van de informatie.
Beklaagde geeft aan dat zij geen toestemming aan klaagster heeft gevraagd om recente informatie op te vragen bij de betrokken hulpverleners, en dat zij in de veronderstelling was dat dit mocht vanwege de bedreiging van de minderjarige. Beklaagde geeft aan dat zij per mail aan klaagster heeft bericht dat zij informatie bij de heer [naam begeleider] zou opvragen, en dat een reactie uitbleef. Klaagster heeft beklaagde er echter later op gewezen dat zij geen toestemming had gegeven. Beklaagde geeft aan dat zij zich er toen van bewust is geworden dat zij onjuist heeft gehandeld. Beklaagde heeft na dit voorval klaagster altijd meegenomen in de cc waarvoor klaagster haar regelmatig bedankte. Beklaagde geeft aan dat zij los van het verzoek tot onderzoek altijd toestemming heeft gevraagd aan klaagster om contact op te nemen met de betrokken hulpverleners.
Beklaagde geeft aan dat zij geschrokken is van het feit dat zij onjuist heeft gehandeld en het in een volgende zaak anders heeft gedaan. Ook heeft zij dit als leerpunt ingebracht in haar team.
Beklaagde stelt dat klagers in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het verzoek tot onderzoek.

IV

Beklaagde ontkent dat zij informatie aan het verzamelen is geweest voor het verzoek tot onderzoek, zoals klaagster stelt. Beklaagde geeft aan dat zij, toen de samenwerking met ouders stagneerde, met klaagster heeft gesproken over het indienen van een verzoek tot onderzoek, en dat zij na dat gesprek is gaan kijken welke informatie relevant zou kunnen zijn voor het verzoek tot onderzoek.
Ten aanzien van de nadere specificaties, geeft beklaagde aan dat de heer [naam begeleider] in zijn verslag niet duidelijk kon aangeven aan welke doelen hij de komende periode wilde gaan werken, en dat zij het gezien de bedreigde ontwikkeling van de minderjarige van belang vond gelet op haar taak om deze informatie helder te krijgen. Beklaagde heeft in een latere mail onder andere gevraagd om een hulpverleningsplan van de heer [naam begeleider].
Beklaagde geeft aan dat zij zich ervan bewust is dat zij geen zorgverlener is, maar dat het haar taak is om een analyse te maken van de zorgen, krachten en wensen van de cliënten en daar een passend zorgaanbod voor te zoeken. Beklaagde ontkent dat zij heeft gezegd dat klaagster incapabel is. Zij heeft in het verzoek tot onderzoek getracht uit te leggen wat het gedrag van klaagster is en wat het effect hiervan is op de minderjarige.
Beklaagde geeft aan dat zij steeds geprobeerd heeft te voorkomen dat de zorg voor de minderjarige stagneerde. Het beleid van de gemeente houdt in dat bij iedere aanvraag voor zorg alle gevraagde stukken moeten worden aangeleverd, ook als er voor een eerdere aanvraag soortgelijke stukken zijn overgelegd. In het geval van klaagster is het voorgekomen dat een verlenging van een beschikking niet kon worden afgegeven en dat om die reden om aanvullende informatie is gevraagd, maar dat klaagster en de heer [naam begeleider] het niet nodig vonden om de aanvullende informatie aan te leveren waardoor uiteindelijk de beschikking 10 weken na de aanvraag is afgegeven.

4.2

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I

Het College is van oordeel dat noch uit het dossier noch ter zitting is gebleken dat beklaagde onnodig veel tijd heeft besteed aan het verslag ten behoeve van de melding bij de Jeugdbeschermingstafel en daardoor niet is toegekomen aan belangrijke zaken zoals het tijdig verstrekken van verleningsbeslissingen en het zoeken naar een gezamenlijke oplossing van passende zorg voor de minderjarige. Hoewel beklaagde ongetwijfeld tijd heeft moeten besteden aan het schrijven van het verslag voor de Jeugdbeschermingstafel, ten aanzien waarvan beklaagde terecht aangeeft dat dit zorgvuldig moet gebeuren, is niet aannemelijk geworden dat dit ten koste is gegaan van tijd die is besteed aan het faciliteren van jeugdhulp voor de minderjarige. Het College is van oordeel dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld door naar aanleiding van de zorgaanvraag van klagers een afweging te maken welke jeugdhulp nodig en passend is voor de minderjarige alsmede dat zij daarvoor diende te beschikken over voldoende informatie. Evenmin is tegenover de gemotiveerde betwisting door beklaagde aannemelijk gemaakt dat beklaagde niet tijdig verleningsbeslissingen heeft afgegeven.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

II

Het College acht het tweede klachtonderdeel, waarin klagers stellen dat beklaagde niet zorgvuldig omgaat met vertrouwelijke informatie, eveneens ongegrond. Aan klagers kan worden toegegeven dat beklaagde informatie heeft gebruikt van de heer [naam coach], terwijl hij deze heeft gegeven voor een ander doel, maar nu beklaagde deze informatie heeft gebruikt ten behoeve van een verzoek tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming althans een melding aan de Jeugdbeschermingstafel omdat zij van mening was dat de veiligheid van de minderjarige in het geding was, en zulks heeft gedaan na intern multidisciplinair overleg en met afschrift aan klagers – waarop klagers weer hebben kunnen reageren –, is het College van oordeel dat beklaagde zorgvuldig en overeenkomstig haar taak heeft gehandeld. Van belang is bovendien dat de inhoud van deze informatie niet ter discussie stond. Ook overigens acht het College niet aannemelijk geworden dat beklaagde niet zorgvuldig met vertrouwelijke informatie omgaat.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

III

In het derde klachtonderdeel klagen klagers erover dat beklaagde zonder medeweten dan wel goedkeuring van de gezaghebbende ouder verslagen of aanvulling hierop heeft gevraagd bij de betrokken hulpverleners.
Het College begrijpt – gelet op hetgeen op de hoorzitting is besproken – dat het klagers in deze te doen is om de informatie die beklaagde heeft gebruikt in haar verzoek tot onderzoek/melding aan de Jeugdbeschermingstafel.
Het College acht gelet op hetgeen uit het dossier en op de hoorzitting naar voren is gekomen, voldoende aannemelijk geworden dat ten aanzien van de in het verzoek tot onderzoek/melding aan de Jeugdbeschermingstafel door beklaagde opgenomen informatie van betrokken hulpverleners, deze betrokken hulpverleners zelfstandig – en dus niet door tussenkomst van de gezaghebbende ouders – hun toestemming hebben gegeven aan beklaagde om deze informatie te gebruiken. Mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de bijzondere aard van een verzoek tot onderzoek/melding Jeugdbeschermingstafel is het College van oordeel dat beklaagde aldus niet buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

IV

In het vierde klachtonderdeel verwijten klagers beklaagde dat zij veel en steeds nader gespecificeerde informatie verlangde, op de stoel van de zorgverleners zat en aldus uitspraken deed die niet passen bij haar functie.
Het College is van oordeel dat het aan klagers is om ten behoeve van een aanvraag voor jeugdhulp voldoende informatie bij te voegen om het [de gemeente] in staat te stellen deze aanvraag te kunnen beoordelen en hierop te beslissen. Voorts is het aan beklaagde als casemanager in het vrijwillig kader om te beoordelen of zij voldoende informatie heeft om de aanvraag te kunnen onderzoeken en zo nodig meer informatie te verlangen, een en ander om een afweging te kunnen maken of en zo ja welke voorziening noodzakelijk is, en of er aan de voorwaarden is voldaan om ten behoeve van de jeugdhulp – overeenkomstig de wens van klagers – een PGB te verstrekken.
Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde door naar aanleiding van de aanvraag ten behoeve van jeugdhulp, in te zetten door middel van een PGB, meer (gespecificeerde) informatie te verlangen zorgvuldig en overeenkomstig haar functie heeft gehandeld. Voorts meent het College dat beklaagde zorgvuldig en overeenkomstig haar functie heeft gehandeld door de verkregen informatie te wegen, mede te beoordelen of de in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijke zorg door de ouders voldoende wordt geaccepteerd en vanwege twijfel aangaande dit laatste dit multidisciplinair te bespreken en daardoor te reflecteren.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 8 juni 2017 aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris