De jeugdbeschermer heeft zonder overleg met collega’s het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing ter zitting ingetrokken en hij heeft geen melding gedaan bij de Centrale Overheid in land Q.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,
de heer W.V.V. Toebosch, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. B. Marell.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:
De heer A. en mevrouw B., hierna te noemen: klagers, ingediende klacht tegen:
De heer C., werkzaam bij [GI], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 29 juli 2016 met bijlagen;
– het verweerschrift van 9 oktober 2016;
– de door klagers overgelegde pleitnotitie op 13 december 2016.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 december 2016 in aanwezigheid van klagers en beklaagde en zijn gemachtigde mr. E. Lam.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klagers waren van 17 juni 2015 tot 29 februari 2016 pleegouders van Z., geboren op [datum] 2013, over wie zijn moeder het gezag heeft.

2.2

Z. is op 3 maart 2014 onder toezicht gesteld van [GI]. Er bestaan al langere tijd grote zorgen om de opvoedingssituatie van Z.. De zorgen betreffen met name de vele wisselingen van verblijfplaatsen, meerdere huisuitzettingen, huiselijk geweld, signalen van alcoholmisbruik door de moeder van Z., financiële problemen en onvoldoende beschikbaarheid van de opvoeders voor Z..

2.3

Op 3 april 2015 werd Z. met spoed uit huis geplaatst. Hij werd aangetroffen in een zeer verwaarloosde en gevaarlijke opvoedomgeving. Zijn ouders werden door de woningbouwvereniging uit huis gezet. Z. werd geplaatst in een crisispleeggezin, van waaruit hij op 17 juni 2015 door [GI] via bemiddeling van pleegzorgorganisatie S., geplaatst is bij klagers. In het verslag van het matchingsgesprek van S. pleegzorg van 1 juni 2015 heeft de toenmalige gezinsvoogd van Z. aangegeven dat haar advies was een perspectief biedende plaatsing, maar dat er geen garantie kan worden gegeven voor een langdurige plaatsing.

2.4

De laatste ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) en machtiging uithuisplaatsing (hierna te noemen: uhp) zijn telkens verlengd tot 3 maart 2016. [GI] had een verzoek tot verlenging van de ots en uhp voor een jaar nadien ingediend, maar beklaagde heeft dat ter zitting van 24 februari 2016 ingetrokken, zodat de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing per 3 maart 2016 zijn geëindigd.

2.5

Op 29 februari 2016 is Z. bij zijn ouders teruggeplaatst, die dan sinds enige maanden in Q. wonen.

2.6

Beklaagde is werkzaam als gezinsvoogd bij [GI]. Hij is geregistreerd sinds 21 oktober 2013. Hij is van 18 februari 2016 tot 3 maart 2016 als gezinsvoogd betrokken geweest in het kader van de ots van Z..

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I:

Beklaagde is nalatig geweest in het waarborgen van de veiligheid van Z..

Klagers geven aan dat voor de terugplaatsing onderzoek gedaan zou worden naar de huidige woonsituatie van moeder. Het eerdere onderzoek naar de verblijfplaats van moeder in Y., is mislukt omdat moeder niet op het door haar opgegeven adres bekend was. Hierna, in november 2015 hebben de moeder en stiefvader van Z. tijdens de zitting verlenging ots en uhp verteld dat hun nieuwe verblijfplaats in Q. is, waarna de rechter [GI] gelast het onderzoek door de Centrale Autoriteit (hierna te noemen: CA) naar Q. te verleggen. Klagers menen dat beklaagde door het intrekken van de eis niet gezorgd heeft voor uitvoering van dit onderzoek naar de nieuwe thuissituatie van moeder terwijl dit wel de opdracht van de rechter was. [GI] heeft tijdens die zitting ook toegezegd dat aan het onderzoek zoals opgedragen uitvoering zou worden gegeven. Voorts geven klagers aan dat de informatie over de thuissituatie zoals door de moeder tijdens de zitting verwoord noch door beklaagde noch door de Centrale Autoriteit is geverifieerd. Ook heeft beklaagde in de ogen van klagers na de zitting op 24 februari 2016 geen enkele actie ondernomen om alsnog een onderzoek door de CA te laten doen, of om tijd te krijgen voor een onderzoek of terugkeertraject, en heeft hij evenmin de juridische mogelijkheden onderzocht. Doordat beklaagde tijdens de zitting van 24 februari 2016 zijn verzoek tot verlenging van de ots en uithuisplaatsing heeft ingetrokken is Z. zonder gedegen onderzoek en nazorg in zijn nieuwe thuissituatie in Q. terecht gekomen, en daarmee is een onverantwoord risico genomen.
Bovendien geeft de CA aan dat –anders dan in een bemiddelingsgesprek op 11 april 2016 door [GI] is aangegeven – er tot op heden geen melding is gedaan van Z.’s komst naar Q., noch dat een onderzoek of verzoek daartoe gaande is.

II:

Beklaagde heeft structureel niet overlegd met collega professionals en heeft zijn eigen koers gevaren.

Klagers wijzen hierbij op het ter zitting van 24 februari 2016 zonder enig overleg intrekken van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Voorts stellen klagers dat beklaagde zowel voor en direct na deze zitting niet heeft overlegd met de juristen van [GI] om beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechter. Beklaagde heeft dit overleg pas op 29 februari 2016 gevoerd nadat klagers hierop hadden aangedrongen. Ook heeft beklaagde geen contact opgenomen met S. om de voorbereiding dan wel de uitkomst van deze zitting te bespreken. Klagers stellen voorts dat beklaagde ten onrechte niet heeft overlegd met collega’s of met de rechter naar aanleiding van de tot dan toe onbekende informatie die beklaagde zou hebben aantroffen in een ongelezen mail van zijn voorganger, zulks terwijl deze informatie van essentieel belang was voor een juist advies aan de rechter. Klagers geven aan dat zij contact hebben opgenomen met de voorganger van beklaagde en dat die bestrijdt wat beklaagde hierover vertelt; zij geeft aan dat er in december 2015 slechts een loonstrookje uit juni 2015 alsmede een binnen afzienbare tijd aflopend huurcontract is binnengekomen bij [GI], en voorts dat er na deze mail wel degelijk actie is ondernomen, namelijk drie verzoeken zijn gedaan om aanvullende informatie en dat er bij het [GI] een plan is besproken om zelf een onderzoek uit te voeren.

III:

Beklaagde heeft op onprofessionele wijze de relatie met kind en klagers en S. beëindigd.

Klagers menen dat beklaagde op geen enkele wijze de richtlijnen voor terugplaatsing heeft gevolgd doordat Z. binnen enkele dagen, zonder enige voorbereiding, werd teruggeplaatst. Klagers vinden dit te meer onbegrijpelijk nu beklaagde zelf aangeeft dat [GI] al geruime tijd voornemens was om Z. terug te plaatsen. Daarnaast stellen klagers dat beklaagde het intrekken van zijn verzoek ter zitting van 24 februari 2016 ten onrechte niet heeft overlegd dan wel verantwoord heeft aan S. en pleegouders. Klagers geven aan dat beklaagde de terugplaatsing niet zelf heeft georganiseerd en niet aanwezig is geweest bij de overdracht, en ten onrechte geen contact heeft gezocht met zijn [..] collega’s voordat Z. naar Q. vertrok. Klagers verwijten beklaagde dat hij geen nazorg heeft geregeld voor klagers, en bovendien vragen van S. en klagers niet heeft beantwoord omdat “het dossier al gesloten was”. Klagers geven aan dat in het bemiddelingsgesprek van 11 april 2016 veel tegenstrijdige informatie naar voren kwam en dat zij daardoor met veel onbeantwoorde vragen blijven zitten.

IV:

Er is sprake van onvoldoende verslaglegging/dossiervorming

Klagers wijzen er op dat [GI] geen (geanonimiseerde) e-mail kan laten zien van eind december 2015, een e-mail van de advocaat van ouders aan de voorganger van beklaagde. Bovendien is het rechtbankverslag ondanks toezeggingen nooit met klagers gedeeld. Klagers hebben nooit het verslag van het bemiddelingsgesprek van 11 april 2016 ontvangen terwijl beklaagde notulist was. Voorts vragen klagers zich af hoe de onderzoeksvraag luidt die aan de CA is gesteld.

V:

Beklaagde heeft de belangen van Z. ten onrechte ondergeschikt gemaakt aan die van de ouders.

Beklaagde wilde na de zitting op 24 februari 2016 niet de tijd nemen om mogelijkheden te verkennen om toch een onderzoek naar de thuissituatie te verzoeken voordat Z. naar Q. zou gaan, mede omdat ouders op dat moment in Nederland waren en ze Z. gelijk zouden kunnen meenemen. Klagers menen dat, getuige een gesprek op 22 februari 2016, beklaagde hierbij alleen oog had voor de belangen van ouders.
Klagers menen dat beklaagde door zijn verzoek ter zitting van 24 februari 2016 in te trekken zonder een passend alternatief in het belang van Z. voor te stellen, niet het belang van Z. gediend heeft, maar voor een snelle “gemakkelijke” terugkeer heeft gekozen met hierbij een mogelijk onveilige thuissituatie.

VI:

Beklaagde heeft niet eerlijk en open gecommuniceerd, noch met klagers, noch met S.

Beklaagde heeft klagers niet eerlijk verteld dat hij zelf het verzoek had ingetrokken. Beklaagde heeft in het bemiddelingsgesprek van 11 april 2016 bevestigd dat Z.’s vertrek naar Q. was gemeld bij de CA, terwijl de CA het tegendeel aangeeft.
Voorts beschuldigt beklaagde zijn voorganger van nalatigheid door e-mails niet te openen, terwijl de voorganger gemotiveerd aangeeft dat dit niet juist is.
Tot slot was beklaagde de dag na de zitting vanwege cursus voor klagers niet bereikbaar, de dag erna vrij en wilde hij op 29 februari 2016 telefonisch geen inhoudelijk gesprek met klagers voeren. Voorts heeft beklaagde de mails van 28 en 29 februari 2016 met dringende vragen niet beantwoord.

VII:

Beklaagde heeft geen overleg gehad met de pleegzorgbegeleider over de relatie van Z. met zijn moeder.

Klagers wijzen erop dat beklaagde tijdens de eerste ontmoeting met klagers op 23 februari 2016 direct na een begeleid bezoek, aangaf dat hij Z. “vervreemd vond van zijn moeder”; klagers vinden dit een vreemde uitspraak omdat dit de eerste keer was dat beklaagde Z. en zijn moeder ontmoette. Voorts heeft beklaagde deze bevinding niet gedeeld met de pleegzorgbegeleider voor de zitting van 24 februari 2016. Klagers zien hierin de grondslag van het structurele gebrek aan samenwerking van beklaagde en met de hulpverlening alsmede van de vooringenomen positie van beklaagde ten aanzien van de uitkomst.

VIII:

Beklaagde heeft mondeling aangegeven geen vertrouwen te hebben in de procedures die bij zijn functie horen

Klagers geven aan met beklaagde op 23 februari 2016 gesproken te hebben over de mogelijkheid van een huisbezoek door de CA als onderdeel van een onderzoek naar de nieuwe woonsituatie van Z.’s ouders in Q.. Beklaagde heeft de waarde van zo’n huisbezoek gebagatelliseerd omdat het zou gaan over “een afgesproken tijdstip en ouders dan zouden zorgen dat ze niet dronken zijn”, terwijl in het bemiddelingsgesprek van 11 april 2016 aan klagers is verteld dat zo’n onderzoek uitgebreid is en gekeken wordt naar de opvoedsituatie.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

Algemeen

Beklaagde geeft aan dat naar aanleiding van het bericht van de moeder en haar partner dat zij verhuisd waren naar Q., gedaan ter zitting verlening uithuisplaatsing van 30 november 2015 er in het casuïstiekteam is besloten dat onderzocht zou gaan worden of een terugplaatsing van Z. bij zijn moeder en haar partner aan de orde zou kunnen zijn. Besloten was om bepaalde informatie op te vragen en een melding te doen bij de CA om via deze weg inzicht te krijgen in de woon- en opvoedsituatie van de moeder en haar partner.

Beklaagde geeft aan dat hij op 18 februari 2016 contact heeft gehad met een hulpverlener van moeder, die liet weten dat er door de moederdocumenten aan [GI] waren gestuurd over hun situatie en dat daar nog niet naar gekeken zou zijn. Op 22 februari 2016 heeft beklaagde deze documenten met de hulpverlener van de moeder doorgenomen en is besproken over de situatie bij de moeder en haar partner. Beklaagde beoordeelde de situatie van de moeder en haar partner op basis van de documenten en het gesprek met de hulpverlener als positief.

Op 23 februari 2016 heeft beklaagde een omgang begeleid tussen de moeder, haar partner en Z.. Beklaagde heeft hierbij waargenomen dat het contact tussen Z. en zijn moeder moeizaam is verlopen doordat Z. en zijn moeder niet dezelfde taal spreken. Het contact tussen Z. en de partner van de moeder verloopt verder goed.

Beklaagde heeft op 23 februari 2016 aan klagers laten weten dat er de volgende dag zitting is terzake de verlenging van de ots en uhp maar dat hij niet weet of de verzoeken wel worden toegewezen en dat het ook zo kan zijn dat de verzoeken worden afgewezen en Z. dan zal moeten terugkeren naar zijn ouders.

Beklaagde heeft ter zitting van 24 februari 2016 op de vraag van de kinderrechter of de recente positieve informatie ten aanzien van de ouders betekent dat hij zijn verzoek om verlenging van een jaar intrekt, instemmend geantwoord, omdat hij begreep dat hem werd gevraagd of verlenging voor een kortere duur dan een jaar werd verzocht. Beklaagde heeft de vraag van de rechter positief beantwoord. De rechter heeft zijn antwoord begrepen als een intrekking van het verzoek tot verlenging. Beklaagde heeft geen ruimte meer gezien/gekregen om uit te leggen dat hij heeft bedoeld zijn verzoek te wijzigen in die zin dat hij verlenging vroeg voor een kortere termijn. Beklaagde geeft aan dat hij direct na de zitting contact heeft gezocht met zijn werkbegeleider, en contact heeft gehad met klagers. Beklaagde geeft aan dat, omdat de ondertoezichtstelling nog tot 3 maart 2016 liep, vervolgens intern overleg heeft plaatsgevonden over de vraag of het verantwoord was dat Z. direct naar zijn ouders zou terugkeren, en dat deze vraag toen bevestigend is beantwoord.

De rechter heeft in november 2015 besloten dat [GI] de situatie van de ouders in Q. moest onderzoeken, en dat hoewel beklaagde zelf pas op 18 februari 2016 betrokken is geraakt, de verantwoordelijkheid voor een en ander ten onrechte volledig bij beklaagde wordt neergelegd. Beklaagde geeft aan dat, hoewel het niet zijn bedoeling was het verzoek tot verlenging voor een jaar volledig in te trekken, hij gelet op de informatie uit het dossier, het gesprek met de hulpverlener van ouders, de overgelegde documenten en het liefdevolle contact tijdens het begeleide bezoek aan de moeder en haar partner, ook thans nog achter de terugplaatsing kan staan. Het is maar zeer de vraag of, als hij zijn verzoek had gehandhaafd, dit was toegewezen.

I:

Gelet op informatie die klagers aangeven van de voorgaande gezinsvoogd mevrouw D. te hebben ontvangen, kan beklaagde zich voorstellen dat klagers zich zorgen maken over het waarborgen van de veiligheid van Z.. Tussen beklaagde en zijn voorgangster mevrouw D. heeft geen overdracht heeft plaatsgevonden, zodat hij het moest doen met de informatie uit het dossier, het laatste stafbesluit dat melding zou worden gedaan bij de CA om de situatie in Q. te onderzoeken, het gesprek met de hulpverlener van ouders, zijn bevindingen ten aanzien van het begeleide bezoek van de moeder en haar partner en zijn aanwezigheid bij de casuïstiek-overleggen. Hoewel zijn voorgangster de situatie als onvoldoende had ingeschat, heeft beklaagde samen met zijn werkbegeleider op basis van vorenstaand een de door de moeder overgelegde informatie een positieve indruk gekregen van de situatie van de moeder en haar partner. Om die reden twijfelde hij aan de haalbaarheid van de toewijzing van het verzoek tot verlenging van de ots en muhp. Beklaagde heeft, binnen de korte tijd die hij had voor de zitting van 24 februari 2016, al datgene gedaan wat binnen zijn mogelijkheden lag en van hem verwacht mocht worden om een goed beeld te krijgen van de situatie en de belangen van Z. goed te behartigen. Direct na de zitting op 24 februari 2016 heeft beklaagde contact gezocht met zijn werkbegeleider om te overleggen hoe te handelen. Voorafgaand aan de cursus op 25 februari 2016 heeft beklaagde spoed-stafoverleg gehad over de situatie, waarbij in samenspraak met de juristen de mogelijkheden zijn doorgenomen. Besloten is de situatie te laten voor wat hij is en Z. terug te plaatsen bij zijn ouders. Door de beëindiging van de ots had [GI] na 3 maart 2016 geen bemoeienis meer met de zaak.

II:

Beklaagde betwist dat hij een eigen koers heeft gevaren. Hij heeft zo goed als mogelijk in de korte tijd die hij had uitvoering gegeven aan het genomen stafbesluit. Beklaagde erkent dat hij ter zitting om schorsing had kunnen vragen, maar is overvallen door het feit dat zijn antwoord werd begrepen als het volledig intrekken van zijn verzoek en door het verdere verloop van de zitting, dat nog maar zeer beperkt was.
Beklaagde heeft gereflecteerd op zijn eigen handelen tijdens deze zitting en heeft ervan geleerd dat hij meer alert moet zijn en dat hij het woord vraagt als hij het gevoel heeft dat zijn woorden niet juist zijn uitgelegd, en dat hij zo nodig om schorsing kan verzoeken ten behoeve van overleg met zijn collega’s. Op 29 februari 2016- is overleg geweest met de juristen en is contact opgenomen met S., te weten de vervanger van de betrokken pleegzorgwerker omdat zij op vakantie was.

III:

Door het einde van de ots per 3 maart 2016 heeft [GI] vanaf dat moment geen bemoeienis meer met de zaak gehad. De ouders waren volledig gerechtigd Z. mee te nemen. Het is aan de pleegzorgorganisatie om klagers begeleiding en nazorg te bieden. Vanwege het feit dat ouders in Q. verblijven, zij hun terugreis al hadden geboekt en de maatregel per 3 maart 2016 zou beëindigen, is besloten de overdracht zo spoedig mogelijk te laten plaatsvinden. Beklaagde heeft op 29 februari 2016 zijn agenda vrijgemaakt om op het kantoor van S. Z. aan zijn ouders te kunnen meegeven.
Nu beklaagde niet voornemens is geweest zijn verzoek ter zitting in te trekken, heeft hij daarom niet kunnen overleggen met S . Beklaagde heeft direct na de zitting aan het einde van de dag dan wel het begin van de avond contact heeft opgenomen met zijn werkbegeleider en met klagers, en daags na de zitting is S. op de hoogte gesteld.
Het is juist dat beklaagde na het vertrek van Z. geen contact heeft opgenomen met de Q’se autoriteiten doordat er na 3 maart 2016 geen bemoeienis meer was met de zaak. Voorts heeft beklaagde tot het bemiddelingsgesprek op 11 april 2016 in de veronderstelling verkeerd dat er een melding was gedaan bij de CA ten behoeve van een onderzoek. Hij heeft echter geen aanleiding gezien om contact met de CA op te nemen om naar de stand van zaken van het onderzoek te vragen.

IV:

Ingevolge privacyregels hebben klagers geen recht op stukken als deze niet direct gerelateerd zijn aan de opvoedsituatie van de minderjarige. Deze stukken maken onderdeel uit van het dossier van Z. en gaan niet over klagers zelf.
Beklaagde geeft aan dat hij geen melding heeft gedaan bij de CA en dat hij daarom ook niets hierover heeft opgenomen in het dossier.

V:

Beklaagde betwist dat hij het belang van Z. ondergeschikt heeft gemaakt aan dat van ouders. Hij heeft tijdens de zitting wel degelijk het belang van Z. voor ogen gehad. Beklaagde geeft aan dat klagers voorbij lijken te gaan aan de taak van een gecertificeerde instelling binnen een ots, te weten dat ouders zoveel mogelijk zelf de verantwoordelijkheid houden voor de verzorging en opvoeding en dat de banden tussen de ouders en het kind zoveel mogelijk dienen te worden bevorderd. Dat klagers zich zorgen maken over de opvoedsituatie van ouders, dan wel in de veronderstelling verkeerden dat Z. perspectief-biedend geplaatst was, maakt niet dat daarmee gesteld kan worden dat beklaagde de belangen van Z. niet goed behartigd zou hebben.

VI:

Beklaagde heeft klagers direct na de zitting op de hoogte gesteld van de uitkomst. Dat hij mogelijk niet heeft gezegd dat hij het was die het verzoek heeft ingetrokken, is geen bewuste keuze geweest. Voor klagers was van belang dat zij ervan op de hoogte waren dat Z. teruggeplaatst zou gaan worden. Beklaagde geeft aan dat hij ter zitting van 24 februari 2016 ten aanzien van de stelling van de advocaat van ouders dat al in december 2015 verschillende stukken waren toegestuurd, heeft gezegd dat hij er niet van op de hoogte was hoe een en ander was verlopen, en dat hij in elk geval samen met de hulpverlener van de moeder documenten over de moeder heeft bekeken en deze als positief heeft beoordeeld.
Beklaagde heeft niet gereageerd op de mails van 28 en 29 februari 2016 omdat hij op 29 februari 2016 doende was met de overdracht en tijdens het bemiddelingsgesprek op vragen van klagers is ingegaan.

VII:

Beklaagde heeft ten aanzien van zijn bevindingen met betrekking tot het begeleide bezoek opgemerkt dat merkbaar was dat Z. en zijn moeder door de taalbarrière niet met elkaar konden communiceren en dat dit een ontwikkelingsbedreiging is voor het kind. Beklaagde heeft niet geconstateerd en ook niet gezegd heeft dat Z. vervreemd zou zijn van zijn moeder en haar partner. Het is juist dat beklaagde na het begeleide contact op 23 februari 2016 geen contact meer heeft gehad met S. omdat de zitting al de dag er na was.

VIII:

De procedures en werkzaamheden van de CA maken geen onderdeel uit van de functie van beklaagde. Beklaagde kan zich niet herinneren dat hij met klagers heeft gesproken over de functie van de CA, dan wel dat hij zich hierover negatief heeft uitgelaten.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van instellingen te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

I:

Klagers klagen in dit eerste klachtonderdeel over het nalatig zijn geweest door beklaagde in het waarborgen van de veiligheid van hun toenmalige pleegzoon Z..
Het College stelt op grond van de aanvraag pleegzorg en/of verblijf (bijlage 8 van het klachtschriftuur) vast dat Z. op 3 april 2015 met spoed uit huis is geplaatst omdat hij werd aangetroffen in een zeer verwaarloosde en gevaarlijke opvoedomgeving. Z. is aangetroffen, aldus het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 april 2015, in een zeer vervuilde woning, waarbij de ouders zeer regelmatig onder invloed verkeren en onvoldoende oog hebben voor de veiligheid en verzorging van Z. Op woensdag 1 april 2015 wordt door de politie geconstateerd dat de moeder en haar partner beiden onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, Z.’s broek doordrenkt was van urine en in de woning een groot aantal flessen wijn en sterke drank werd aangetroffen waar Z. bij kon komen. Voorts lagen er scherven, medicatie, glas en spijkers op de grond. De woning zou al jaren verwaarloosd zijn, gezien de hoeveelheid stof en beschimmeld afval als ook de geur die door de politie werd waargenomen in de woning.
Voorts blijkt uit de hiervoor genoemde aanvraag dat “gezien moeders gebrek aan motivatie, verantwoordelijkheid en openheid” het aannemelijk is dat de problemen (alcohol, financiën, afhankelijkheid) onverminderd groot zijn en door moeder in stand worden gehouden.
Na de spoeduithuisplaatsing is er door of namens [GI] een onderzoek in Y. geweest om de situatie van moeder in Y. te onderzoeken. Het door haar opgegeven adres bleek echter onjuist. Na de zitting in november 2015 waarbij onder andere de verlenging van de uhp is besproken, heeft de moeder verteld dat zij en haar partner inmiddels in Q. verblijven. Hierna heeft de rechter het verzoek tot verlenging van de ots en uhp toegewezen en onderzoek gelast naar de thuissituatie in Q. Het is het College niet gebleken dat dit onderzoek is uitgezet door [GI]. Niet gebleken is dat CA een verzoek hieromtrent heeft ontvangen, [GI] was derhalve in het geheel niet op de hoogte van de thuissituatie in Q.
Beklaagde heeft deze zaak overgedragen gekregen zonder dat er sprake is geweest van een behoorlijke overdracht. Hij heeft met zijn voorgangster, mevrouw D. niet over deze zaak gesproken maar heeft zich slechts laten voorlichten op basis van het dossier waarin inbegrepen het laatste stafbesluit waarin uitdrukkelijk is verwoord de opdracht van de rechter om onderzoek te doen in Q. naar de thuissituatie van de moeder en haar partner. Ook zou beklaagde een ongeopende email hebben ingezien over de thuissituatie van moeder. Hierna heeft beklaagde een gesprek gehad met een hulpverlener van moeder uit Q. en is hij aanwezig geweest bij een begeleide omgang tussen Z. met zijn moeder en haar partner.
Ter gelegenheid van de zitting van 24 februari 2016 heeft beklaagde het verlengingsverzoek ots en uhp zonder overleg met een collega of enig andere deskundige ingetrokken. Zijn verklaring dat zijn antwoord op de vraag van de rechter of [GI] de verzoeken intrekt verkeerd zou zijn uitgelegd door de rechter en de advocaat van de moeder acht het College niet geloofwaardig. Niet alleen heeft beklaagde een jarenlange ervaring als gezinsvoogd maar is hij ook bekend met de procedure op een zitting bij de kinderrechter. Daarnaast had beklaagde alle gelegenheid om direct nadat de rechter de in zijn ogen verkeerde uitleg had bevestigd kunnen mededelen dat hij de verlengingsverzoeken niet wilde intrekken. Dat beklaagde de duur van de verlenging ter sprake wilde brengen tijdens de zitting vindt geen enkele bevestiging in het dossier. Beklaagde heeft ook na de zitting geen stappen ondernomen om de “verkeerde” uitleg van de rechter recht te zetten of de CA in kennis te stellen van zijn beslissing. Het gevolg was dat de lopende ots en uhp per 3 maart 2016 afliep en Z. is overgedragen aan zijn moeder die vervolgens zonder dat de plaatselijke autoriteiten hiervan op de hoogte zijn geraakt, samen met Z. naar Q. is afgereisd. Op vragen gesteld door het College heeft beklaagde verklaard dat tot de dag van de zitting bij SKJ hij de CA niet in kennis heeft gesteld van de komst van Z. en zijn moeder naar Q.

Op grond van vorenstaande is het College van oordeel dat beklaagde zeer tekort geschoten en nalatig is geweest in het waarborgen van de veiligheid van Z.. De mededeling van beklaagde dat hij op basis van een enkel gesprek met een [..] hulpverlener van moeder en een begeleide omgang een positieve indruk kreeg van moeder en haar partner staat in geen verhouding met de zeer zorgelijke situatie waarin Z. zich slechts een half jaar daarvoor bevond. Dit laatste klemt te meer nu door zijn handelen geen vangnet kon worden opgezet door de plaatselijke autoriteiten in Q. omdat beklaagde simpelweg niet de moeite heeft genomen de CA van zijn intrekking en de gevolgen hiervan in kennis te stellen.

Klachtonderdeel 1. is gegrond.

II:

Klagers stellen in dit tweede klachtonderdeel dat beklaagde niet structureel overleg heeft gehad met zijn collega professionals en zijn eigen koers heeft gevaren. Meer in het bijzonder wijzen klagers op het gebeuren tijdens de zitting van 24 februari 2016.
In dit kader verwijst het College naar hetgeen zij hierover schrijft in de beoordeling van klachtonderdeel 1. Hierbij dient opgemerkt te worden dat beklaagde op elk moment tijdens een zitting bij de kinderrechter een verzoek tot onderbreking van de zitting had kunnen doen om nader te overleggen met collegae of juristen van [GI]. Ook dit klemt te meer nu beklaagde zoals hij zelf heeft verklaard tijdens de SKJ-zitting dat hij een slechte overdracht heeft gehad en maar een korte inwerkperiode heeft gekregen voor deze zaak. Ook heeft hij na vragen door het College tijdens de zitting hieromtrent vertelt dat hij wist van het stafbesluit waarin besloten was een nader onderzoek te doen naar de thuissituatie van moeder in Q. Dat beklaagde zoals hij zelf stelt zijn werkbegeleider heeft geïnformeerd direct na de zitting bij de kinderrechter en dat de volgende dag een spoed-stafoverleg is geweest met als uitkomst de situatie te laten zoals voor wat het was komt het College ongeloofwaardig voor nu er nog wel degelijk mogelijkheden waren om de veiligheid van Z. op korte termijn te waarborgen.

Dat beklaagde het standpunt inneemt dat hij na 3 maart 2016, het einde van de lopende ots en uhp, geen bemoeienis meer had met Z. en hij daarom niet meer gehouden is alles te doen wat noodzakelijk is om de veiligheid van Z. te waarborgen, is een opstelling waarin het College aanleiding ziet ernstig te twijfelen aan de capaciteiten van beklaagde. Zeker nu hij tijdens de SKJ-zitting op vragen door het College gesteld heeft medegedeeld dat hij onder dezelfde omstandigheden hetzelfde zou handelen. Het College neemt beklaagde dit zeer kwalijk.

Klachtonderdeel 2. is gegrond.

III:

In dit derde klachtonderdeel wordt geklaagd dat beklaagde op onprofessionele wijze de relatie met kind en klagers en S. heeft beëindigd. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat beklaagde de richtlijnen voor terugplaatsing niet heeft gevolgd.
Het College stelt vast dat beklaagde door het intrekken van de verzoeken tot verlening ots en uhp de rechter geen mogelijkheid meer heeft gegeven een beslissing te nemen over de ots en uhp. Dat er door dit vacuüm ook geen voorwaarden konden worden gesteld door de rechter voor de terugplaatsing. Door de CA niet in kennis te stellen hebben de [..] autoriteiten [in Q.] ook niet de mogelijkheid gehad om een vangnet in te richten op het moment dat het verkeerd zou gaan en de moeder zou terugvallen in haar oude gewoontes, voor zover deze gewoontes al waren gewijzigd . De [..] autoriteiten [in Q.] zijn onwetend gebleven over het feit dat er mogelijk een zeer jeugdig kind van twee jaar oud bij een alcoholistische moeder verblijft in een onveilige thuissituatie. De opmerking die aldus de klagers is gemaakt door beklaagde “ het dossier is al gesloten” past in die opstelling van beklaagde dat hij geen bemoeienis meer heeft met Z. na 3 maart 2016. Het College twijfelt derhalve niet dat deze opmerking is gemaakt naar de klagers.
Dat de formele relatie tussen klagers en beklaagde op 3 maart 2016 ten einde liep neemt niet weg dat het op de weg van beklaagde had gelegen om klagers in te lichten over het wel en wee van Z.. Beklaagde was immer degene die de verzoeken heeft ingetrokken en vervolgens gezorgd heeft dat Z. binnen afzienbare tijd naar Q. zou afreizen. Onder die omstandigheid is het juist professioneel om klagers, als zijnde de pleegouders van Z. tot dat moment, op de hoogte te houden van ontwikkelingen direct na overdracht. Overigens is het College ook niet gebleken dat beklaagde op wat voor wijze dan ook de pleegzorgorganisatie S. op de hoogte heeft gehouden van de verdere ontwikkelingen.

Klachtonderdeel 3 is gegrond.

IV:

In dit vierde klachtonderdeel wordt geklaagd omdat er sprake zou zijn van onvoldoende verslaglegging / dossiervorming.
Beklaagde stelt terecht dat klagers geen recht hebben op stukken wanneer deze niet direct gerelateerd zijn aan de opvoedsituatie van de minderjarige door de pleegouder. De door de klagers genoemde al dan niet geanonimiseerde email berichten van de advocaat van de moeder en haar partner behoeven door beklaagde in dit verband niet aan klagers getoond te worden zo ook niet het rechtbankverslag. Het moet het College van het hart dat onweersproken door klagers is gesteld dat beklaagde dit laatste wel heeft toegezegd. Het College begrijpt dan ook niet waarom dit wel is toegezegd maar nooit is overgelegd aan de klagers.
Daar waar de klacht zich richt op de notulen van het bemiddelingsgesprek dat beklaagde bij afwezigheid van de notulist zou maken merkt het College op dat dit document natuurlijk wel ter beschikking diende te worden gesteld aan klagers. In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond.

Klachtonderdeel 4. is deels gegrond.

V:

In dit vijfde klachtonderdeel wordt geklaagd dat beklaagde de belangen van Z. ondergeschikt heeft gemaakt aan die van de moeder. Als voorbeeld noemen klagers de omstandigheid dat beklaagde geen mogelijkheden heeft onderzocht om toch onderzoek naar de thuissituatie te doen voordat Z. naar Q. zou gaan.
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor omtrent het intrekken van de verzoeken door beklaagde is geoordeeld zal het College ook dit klachtonderdeel gegrond verklaren. De enkele opmerking van beklaagde dat de taak van de GI binnen een ots zijnde de ouders zoveel mogelijk zelf de verantwoordelijkheid laten houden voor de verzorging en opvoeding en dat de banden tussen ouders en het kind zoveel mogelijk dienen te bevorderen, neemt al het vorengaande niet weg.

Klachtonderdeel 5 is gegrond.

VI:

Dit zesde klachtonderdeel richt zich op het niet eerlijk en open communiceren van beklaagde naar de pleegouders of naar de pleegzorgorganisatie S. Klagers stellen dat beklaagde niet direct na de zitting van 24 februari 2016 eerlijk heeft gezegd dat hij degene is geweest die de verzoeken heeft ingetrokken en daardoor een verkeerd beeld heeft gegeven van de loop van de zitting bij de kinderrechter. Beklaagde heeft erkend dat hij dit niet direct heeft gezegd, dat hij dit niet bewust heeft gedaan en dat hij klagers wel op de hoogte heeft gebracht van de uitkomst. Volgens beklaagde was in dit verband slechts van belang was voor klagers om te weten dat Z. zou worden teruggeplaatst naar zijn moeder. Het komt het College ongeloofwaardig voor dat indien door klagers wordt gevraagd naar het verloop van de zitting bij de kinderrechter beklaagde onbewust heeft verzuimd mede te delen dat hij de verzoeken heeft ingetrokken en derhalve de ots en uhp zijn geëindigd op 3 maart 2016. Voor beklaagde was dit direct na de zitting een bijzonder moment, aldus eigen zeggen tijdens de SKJ zitting . Hij zou verkeerd begrepen zijn door de rechter en de advocaat van de moeder. Het College begrijpt niet waarom beklaagde dit dan niet zou hebben gezegd tegen klagers anders dan dat hij dit niet wilde zeggen om voor hem moverende redenen.
Het College kan, nu klagers dit wel stellen maar beklaagde dit niet erkend, niet vaststellen of beklaagde tegen klagers in strijd met de waarheid heeft gezegd dat de CA op de hoogte is gesteld over de komst van Z. naar Q..

Het klachtonderdeel 6 is deels gegrond.

VII:

In dit klachtonderdeel stellen klagers dat beklaagde geen overleg heeft gehad met mevrouw E., begeleidster van Z. namens de pleegzorgorganisatie S., over de relatie van Z. met zijn biologische moeder.
Het College stelt vast dat beklaagde erkent dat hij geen contact heeft gehad met mevrouw E. van S.. Het College stelt op grond van het vorenstaande vast dat beklaagde op basis van dit voor hem eerste begeleid bezoek van Z. met zijn moeder, voor hem wel vaststond dat er sprake was van een taalbarrière, hetgeen ook wordt erkend door beklaagde. Echter dit begeleid bezoek was voor beklaagde wel mede aanleiding om een positief gevoel over te houden. Het zou professioneel zijn geweest deze ervaring te toetsen aan die van mevrouw E., zeker nu het slechts tot een ontmoeting is gebleven. Deze ontmoeting en het positieve gevoel was immers van grote invloed om na het intrekken van de verzoeken bij de kinderrechter geen verdere actie te ondernemen. Dat beklaagde, zoals hij zelf stelt, geen tijd heeft gehad om zich te verstaan met mevrouw E. neemt al het vorengaande niet weg.

Het zevende klachtonderdeel is gegrond.

VIII:

Het laatste klachtonderdeel betreft de uitlatingen van beklaagde die hij zou hebben gedaan over de mogelijkheid van de CA om in Q. een onderzoek te doen naar de thuissituatie van de moeder van Z. en haar partner. Nu door klagers wel is gesteld doch door beklaagde niet is erkend kan bij gebreke aan andere aanwijzingen niet vastgesteld worden dat beklaagde zich negatief uitgelaten heeft over de functie en taken van de CA.

Het achtste klachtonderdeel is ongegrond.

Nu het merendeel van de klachtonderdelen gegrond zijn, overweegt het College het volgende.
Beklaagde heeft zonder enig overleg met een collega of deskundige een verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing en de verlenging van de ots tijdens de zitting van 24 februari 2016 ingetrokken. Slechts vanwege het hebben van een positief gevoel over de mogelijke thuissituatie van Z. bij zijn moeder en haar partner in Q. heeft hij hierna ook geen verdere actie ondernomen om alsnog een vangnet te creëren voor Z. in Q. die toen drie jaar oud was en geen enkele mogelijkheid had voor zichzelf op te komen. Beklaagde kan geen enkele schriftelijke onderbouwing overleggen waarop hij dit gevoel baseerde, beklaagde is niet in staat de door hem genoemde overgelegde documenten uit Q. te tonen. Daarnaar gevraagd ter zitting bij het College heeft hij ook geen specifieke positieve onderwerpen weten te benoemen noch kan hij de inhoud van het gesprek met de hulpverlener van moeder benoemen die hebben bijgedragen aan dit positieve gevoel. Tenslotte noemt beklaagde slechts een liefdevolle ontmoeting tussen Z. en zijn moeder die elkaar niet kunnen verstaan vanwege een taalbarrière. Hij heeft na zijn actie tijdens de zitting bij de kinderrechter de CA niet ingelicht over de komst van Z. naar Q., wetende dat Z. minder dan een jaar daarvoor onder zeer slechte omstandigheden met spoed uit huis was geplaatst waarbij onder andere een alcoholprobleem bij moeder een rol speelde. Tot op heden heeft beklaagde nog immer geen contact opgenomen met de CA om zich ervan te vergewissen dat de gezondheid van Z. niet in gevaar komt. Een jeugdbeschermer dient altijd te zorgen voor een borgingsplan na afsluiting van de ots tenzij hiertoe geen aanleiding bestaat ook niet voor de langere termijn, waarvoor in casu geen sprake is. Ter gelegenheid van de zitting bij het College heeft beklaagde, desgevraagd, te kennen gegeven dat hij geen aanleiding ziet om bij een soortgelijke situatie anders te acteren. Ook niet ten aanzien van de andere hiervoor genoemde en gegrond verklaarde klachtonderdelen. Het College neemt dit beklaagde zeer kwalijk en merkt daarbij op dat het beklaagde ontbreekt aan zelfreflectie op dit punt.

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) , H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), I. (beëindiging van de professionele relatie), N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

De ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan de gegrond verklaarde klachtonderdelen zijn zodanig en het handelen van beklaagde is zodanig verwijtbaar dat het College beklaagde een voorwaardelijke schorsing oplegt conform artikel 5 lid 1 sub c van het Tuchtreglement.

Het College legt beklaagde ter voorkoming van een schorsing op om een LVSC gecertificeerd supervisietraject te volgen op een door het bestuur te bepalen wijze met de onderwerpen ‘reflectief handelen’ en ‘omgaan met cliënten’.
De schorsing treedt in werking wanneer beklaagde nalaat om aan het bestuur van SKJ binnen zes maanden na de datum van de beslissing een LVSC gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen.

Het College oordeelt dat wenselijk is dat de voorwaardelijke schorsing met een uitvoering bij voorraad wordt opgelegd. Beklaagde heeft immers verwijtbaar gehandeld en het kan de kwaliteit van het handelen van beklaagde bevorderen indien direct tot uitvoering wordt overgegaan.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing.
Het College van Toezicht:
– verklaart de klachtonderdelen I., II., III. en V. gegrond,
– verklaart klachtonderdelen IV. en VI. gedeeltelijk gegrond,
– verklaart klachtonderdeel VIII. ongegrond.
– legt op een maatregel van voorwaardelijke schorsing.

Deze schorsing treedt in werking gedurende de periode van een jaar wanneer beklaagde nalaat een supervisietraject te volgen en nalaat om binnen zes maanden na de datum van deze uitspraak een LVSC gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen.

De opgelegde maatregel is uitvoerbaar bij voorraad. De maatregel zal worden gepubliceerd op een door het Bestuur te bepalen wijze, deze uitspraak wordt tevens aan de werkgever van beklaagde ter kennis gebracht.

Aldus gedaan op 7 februari 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
Mevrouw mr. B. Marell, secretaris