De leidinggevende heeft de toezeggingen niet waargemaakt die zij heeft gedaan aan de pleegouders, te weten dat een onderzoek naar de thuissituatie van hun voormalig pleegkind zou worden aangevraagd bij de Centrale Autoriteit in land Q.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mw. F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,
de heer W.V.V. Toebosch, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. B. Marell.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door
De heer [naam] en mevrouw [naam] , hierna te noemen: klagers, ingediende klacht tegen:
Mevrouw [naam], werkzaam bij [gecertificeerde instelling, hierna te noemen “GI”], hierna te noemen: beklaagde.

Klagers worden in deze zaak bijgestaan door mw. F. Nieland, werkzaam bij […].
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. E. Lam, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 29 juli 2016 met bijlagen;
– het verweerschrift van 7 oktober 2016;
– de overgelegde pleitnotitie van klagers op 13 december 2016.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 december 2016 in aanwezigheid van klagers, de gemachtigde van klagers en de gemachtigde van beklaagde. Beklaagde heeft vooraf bericht dat zij wegens gezondheidsredenen niet aanwezig kan zijn bij de mondelinge behandeling, dat zij het belangrijk vindt dat de mondelinge behandeling desondanks doorgang vindt en dat zij zich laat vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klagers waren van 17 juni 2015 tot 29 februari 2016 pleegouders van [minderjarige], geboren op [datum] 2013, over wie zijn moeder het gezag heeft.

2.2

[minderjarige] is op 3 maart 2014 onder toezicht gesteld van [GI]. Er bestaan al langere tijd grote zorgen om de opvoedingssituatie van [minderjarige]. De zorgen betreffen met name de vele wisselingen van verblijfplaatsen, meerdere huisuitzettingen, huiselijk geweld, signalen van alcoholmisbruik door de moeder van [minderjarige], financiële problemen en onvoldoende beschikbaarheid van de opvoeders voor [minderjarige].

2.3

Op 3 april 2015 werd [minderjarige] met spoed uit huis geplaatst. Hij werd aangetroffen in een zeer verwaarloosde en gevaarlijke opvoedomgeving. Zijn ouders werden door de woningbouwvereniging uit huis gezet. [minderjarige] werd geplaatst in een crisispleeggezin, van waaruit hij op 17 juni 2015 door het [GI], via bemiddeling van pleegzorgorganisatie [naam pleegzorgorganisatie], geplaatst bij klagers. In het verslag van het matchingsgesprek van [naam pleegzorgorganisatie] van 1 juni 2015 heeft de toenmalige gezinsvoogd van [minderjarige] aangegeven dat haar advies was een perspectief biedende plaatsing, maar dat er geen garantie kan worden gegeven voor een langdurige plaatsing.

2.4

De ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) en machtiging uithuisplaatsing (hierna te noemen: uhp) zijn verlengd tot 3 maart 2016. [GI] heeft een verzoek tot verlenging van de ots en uhp voor een jaar nadien ingediend, maar de gezinsvoogd heeft dat ter zitting ingetrokken, zodat de ots en uhp per 3 maart 2016 zijn geëindigd.

2.5

Op 29 februari 2016 is [minderjarige] bij zijn ouders teruggeplaatst, die dan sinds enige maanden in [land] wonen.

2.6

Beklaagde is werkzaam als leidinggevende bij [GI]. Zij is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I:

Beklaagde is nalatig geweest in het regelen van een overdracht tussen de gezinsvoogd, mevrouw [naam], en haar opvolger, [naam].

De gezinsvoogd [naam], de voorganger van [naam], had haar laatste werkdag op 11 februari 2016. Op 22 februari 2016 heeft [naam] het dossier van [minderjarige] gekregen zonder dat er sprake was van een mondelinge overdracht tussen mevrouw [naam]. Zulks terwijl het dossier van [minderjarige] complex is door de vele beroepen en internationale aspecten, en het gezien het naderende einde van het eerste jaar van de ondertoezichtstelling per 3 maart 2016. Hierdoor is [naam], als vertegenwoordiger van [GI] slecht voorbereid verschenen op de zitting inzake het verzoek tot verlenging van de ots en muhp, hetgeen heeft geleid tot een intrekken van deze verzoeken ter zitting.
Daarnaast was op 9 februari 2016 nog afgesproken met beklaagde dat de nieuwe gezinsvoogd voor de bezoekregeling van 23 februari 2016 kennis zou maken met [minderjarige], maar beklaagde heeft zich niet aan deze afspraak gehouden.

II:

Beklaagde heeft toegestaan dat verschillende gezinsvoogden een verschillende koers hebben gevaren in hetzelfde dossier.

Beklaagde had de volgende signalen moeten opvangen:
o In de maanden januari 2016 en februari 2016 hebben klagers van mevrouw [naam] gehoord dat [GI] voornemens was een onderzoek in te stellen naar de nieuwe situatie van de ouders in [land]. Dat plan is echter nooit uitgevoerd als gevolg van onvoldoende toezicht en onzorgvuldige overdracht.
o Het handelen van de gezinsvoogd ter zitting van 24 februari 2016 – het onbedoeld – volledig intrekken van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing en het niet verzoeken om schorsing tijdens de zitting bij de kinderrechter ten behoeve van overleg met collega’s en na de zitting bij de kinderrechter door niet te overleggen met de juristen van [GI] en zijn collega’s.
Beklaagde heeft ten onrechte verzuimd in te grijpen in deze situatie.

III:

Beklaagde was er niet van op de hoogte wat de gezinsvoogden aan derden heeft meegedeeld, en of deze uitingen klopten of niet. Er is geen duidelijkheid gegeven over de gebeurtenissen. Er zijn veel tegenstrijdige verklaringen.

Klagers geven aan dat beklaagde heeft bericht dat de koers in [minderjarige]’s dossier al sinds oktober 2015 duidelijk was, namelijk terugkeren naar moeder. Klagers stellen dat de gezinsvoogden hen hebben verteld dat de koers echter, te weten een lange termijn perspectief, in […] lag (bij klagers).
Beklaagde heeft aangegeven dat mevrouw [naam] het doel, zijnde terugplaatsing hetgeen was besloten in het casuïstiek-overleg niet heeft besproken met klagers omdat zij het hiermee niet eens was.
Het ontbreken van enig overgangsplan voor deze nieuwe koers heeft beklaagde moeten opvallen. Klagers menen dat zij hierdoor onterecht de verwachting kregen dat [minderjarige] bij hen zou blijven. Klagers twijfelen aan de lezing van beklaagde omdat mevrouw [naam] hen in een telefoongesprek op 9 februari 2016 heeft verteld dat de koers van [GI] ongewijzigd was en dat er voor klagers geen reden was voor ongerustheid. De juriste van [GI] was niet op de hoogte van deze koerswijziging. Het is vreemd dat ondanks de koerswijziging een verzoek tot verlenging van de ots en uhp is ingediend.
Beklaagde heeft in een bemiddelingsgesprek op 11 april 2016 gezegd dat er alsnog een onderzoek is aangevraagd bij de Centrale Autoriteit (hierna te noemen: CA), maar de CA geeft aan dit verzoek nooit te hebben ontvangen.

IV:

Er is sprake van onvoldoende toezicht op verslaglegging/dossiervorming

Klagers menen dat er sprake is van onzorgvuldige dossiervorming onder gezinsvoogd [naam] en ten aanzien van [minderjarige]’s gehele dossier. Voorbeelden zijn;

o Er kan geen geanonimiseerde email worden getoond van de advocaat van ouders aan de eerdere gezinsvoogd, mevrouw [naam] met betrekking tot documentatie;
o Klagers hebben het rechtbankverslag van de zitting van 24 februari 2016 ondanks verschillende toezeggingen nog niet mogen ontvangen;
o Bij ziekte van de notulist heeft de heer [naam] notulen gemaakt van het bemiddelingsgesprek van 11 april 2016 waar beklaagde als leidinggevende bij was, maar klagers hebben dit verslag niet ontvangen.;
o Het is klagers niet duidelijk hoe de onderzoeksvraag aan de CA is geformuleerd en hoe deze is verstuurd nu deze, aldus de CA nimmer is ontvangen;
o De uitleg over de koerswijziging van beklaagde en de heer [naam] is nergens gedocumenteerd.

V:

De aansturing van beklaagde voldoet niet aan de beroepsstandaarden en schaadt het vertrouwen in de jeugdzorg

o Er zijn binnen 1 jaar vier gezinsvoogden betrokken geweest bij de ondertoezichtstelling van [minderjarige], hetgeen de kwaliteit van de uitvoering van de ondertoezichtstelling negatief heeft beïnvloed;
o De afhandeling van het dossier van [minderjarige] voldoet niet aan de beroepsstandaarden. In de nasleep van de zaak van [minderjarige] zijn vragen onbeantwoord gebleven en/of is de waarheid niet verteld.
o De gezinsvoogden verwijten elkaar dat ze niet goed werk hebben geleverd en dat het dossier niet goed is overgedragen;
o De voormalige gezinsvoogden komen naar buiten met typeringen van de dagelijkse gang van zaken bij [GI], die een extern onderzoek rechtvaardigen.

4 Het verweer

Algemeen:

Beklaagde is niet belast geweest met de feitelijke uitvoering van de ots en is evenmin als werkbegeleider bij dit dossier betrokken geweest. Wel heeft zij, op 9 februari 2016 telefonisch contact gehad met klagers en is zij betrokken geweest bij de klachtbemiddeling.
Een melding aan de CA heeft niet plaatsgevonden. Vanwege het vertrek van mevrouw [naam] is een andere gezinsvoogd is aangesteld, te weten de heer [naam]. Beklaagde geeft voorts aan dat tijdens de zitting van 24 februari 2016 namens [GI] te kennen is gegeven door de heer [naam] dat het perspectief bij de ouders ligt, waarna de kinderrechter aan de gezinsvoogd heeft gevraagd of [GI] het verzoek om verlenging van de ots en uhp intrekt, op welk verzoek door de gezinsvoogd (onbedoeld) bevestigend is geantwoord.
Hoewel pleegouders er op voorbereid moeten zijn dat een kind teruggeplaatst wordt bij de ouders, kan beklaagde zich voorstellen dat als zij van een van de betrokken gezinsvoogden hebben begrepen dat [minderjarige] perspectief-biedend bij hen geplaatst zou worden, de terugplaatsing onverwachts voor hen is geweest en dat er bij hen onvrede bestaat over de gang van zaken rond de terugplaatsing.
Beklaagde begrijpt dat klagers teleurgesteld zijn over de terugplaatsing en dat zij zich zorgen maken over [minderjarige], of hij wel in goede handen is bij de ouders. Hoewel het verloop van de zitting op 24 februari 2016 de terugplaatsing heeft versneld, heeft [GI] na deze zitting besloten dat de situatie voldoende veilig is voor een terugplaatsing. Dat klagers zich niet in deze beslissing kunnen vinden, maakt niet dat de beslissing ten onrechte zou zijn genomen dan wel dat [GI] aan klagers zou moeten aantonen dat de situatie voldoende veilig is.

I:

Beklaagde was niet de leidinggevende van de betrokken gezinsvoogden. Beklaagde heeft eerst op 9 februari 2016 voor het eerst contact gehad met klagers. Reden voor dit contact was dat klagers gevraagd hadden of er al een nieuwe gezinsvoogd was toegewezen. De betrokken leidinggevende was op dat moment niet aanwezig, en daarom heeft beklaagde klagers te woord gestaan. In dit gesprek heeft zij aangegeven dat een nieuwe gezinsvoogd het reeds ingezette beleid verder zal gaan uitvoeren. Beklaagde is aanwezig geweest bij het besluit in november 2015 om te onderzoeken of [minderjarige] thuis kan worden geplaatst, maar is verder inhoudelijk niet op de hoogte van de stand van zaken. De opmerking over het voortzetten van het beleid door de nieuwe gezinsvoogd, was van algemene aard. Het was verder niet aan beklaagde om een nieuwe gezinsvoogd aan te wijzen dan wel te bepalen wanneer de gezinsvoogd kennis zou maken met [minderjarige] en zij heeft hierover dan ook geen afspraken met klagers gemaakt.

II:

Beklaagde was niet als leidinggevende bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] betrokken. Zij ziet niet wat haar op grond daarvan verweten zou kunnen worden.

III:

Beklaagde was niet verantwoordelijk voor de uitvoering van de ots van [minderjarige]. Overigens valt voor een leidinggevende moeilijk te controleren welke mededelingen door een situatie veranderen en koerswijziging noodzakelijk maken. Bovendien is van belang dat klagers als pleegouders geen recht hebben op informatie betreffende de situatie van de ouders als deze niet direct gerelateerd is aan de opvoedingssituatie van de minderjarige; hierdoor hebben zij wellicht het gevoel niet over alles te zijn geïnformeerd.
De door klagers genoemde koerswijziging was conform de opdracht van de kinderrechter; het is beklaagde niet bekend waarom de op dat moment betrokken gezinsvoogd, mevrouw [naam], dit niet aan klagers heeft gecommuniceerd.
Beklaagde vermoedt dat het vertrek van de vorige gezinsvoogd, onduidelijkheid over de door ouders toegestuurde stukken en het verloop van de zitting van 24 februari 2016, tot gevolg hebben gehad dat het stafbesluit (handelen conform de opdracht van de kinderrechter) niet is omgezet naar een melding van de Centrale Autoriteit (hierna te noemen: CA).
Ten tijde van het bemiddelingsgesprek verkeerde beklaagde in de veronderstelling dat deze melding conform de opdracht van de kinderrechter en het besluit van [GI] hierover ook daadwerkelijk had plaatsgevonden.

IV:

Beklaagde is en kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de dossiervorming van de gezinsvoogd. Ten aanzien van het verzoek tot het overleggen van de e-mail van de advocaat van ouders en het rechtbankverslag merkt beklaagde op dat pleegouders hier geen recht op hebben op grond van het privacyreglement.
Het is juist dat, hoewel toegezegd, het verslag van het bemiddelingsgesprek niet is opgemaakt. Beklaagde betreurt dit en biedt hiervoor haar excuses aan. Overleg met de juristen heeft uitgewezen dat op grond van het privacyreglement klagers geen recht hebben op de stukken die klagers hebben opgevraagd; het laten opvragen en het laten toetsen hiervan heeft enige tijd op zich laten wachten waardoor deze zaken in de vergetelheid zijn geraakt en uiteindelijk niet meer zijn gecommuniceerd naar klagers.

V:

Beklaagde verwijst naar haar verweer inzake de overige klachtonderdelen. De vele wisselingen van de gezinsvoogden vindt beklaagde ook geen wenselijke situatie. Door veranderingen in de organisatie, persoonlijke omstandigheden van een van de gezinsvoogden en het vertrek van de opvolgend gezinsvoogd, hebben zich er inderdaad in korte tijd mutaties van de gezinsvoogden voorgedaan. De beroepscode ziet overigens met name toe op de omgang met cliënten en gaat niet over de manier waarop jeugdzorgwerkers moeten worden aangestuurd.
Ten aanzien van de stelling van klagers dat de situatie bij [GI] zich leent voor een extern onderzoek, merkt beklaagde op dat de tuchtrechtprocedure zich niet leent voor het uiten van klachten over de organisatie, en dat klagers zich hiervoor moeten wenden tot de klachtencommissie van [GI].

5 Beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van instellingen te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

I:

In dit eerste klachtonderdeel klagen klagers over het nalatig zijn geweest door beklaagde tijdens het regelen van een overdracht tussen de gezinsvoogd, mevrouw [naam] en haar opvolger de heer [naam]. Het College stelt vast dat mevrouw [naam] haar laatste werkdag had op 11 februari 2016 en dat de heer [naam] het dossier van [naam] heeft ontvangen op 22 februari 2016. Voorts stelt het College vast dat het dossier van [minderjarige] vanwege onder andere de internationale aspecten een complex dossier was en voorts dat er sprake was van tijdsdruk nu de ots en uhp per 3 maart 2016 afliepen. Het College stelt ook vast dat beklaagde werkbegeleidster is bij [GI], het College kan niet vaststellen dat zij ook de leidinggevende is geweest van de heer [naam]. Beklaagde heeft op 9 februari 2016 telefonisch contact gehad met klagers. Tijdens dit telefoongesprek is gesproken over de opvolging van mevrouw [naam]. Beklaagde, die aldus het verweerschrift al vanaf november 2015 op de hoogte was van de casus van [minderjarige] en de wens dat een (internationaal) onderzoek zou worden gedaan naar de thuissituatie, heeft tijdens dit telefoongesprek aan klagers verteld dat de nieuwe gezinsvoogd het reeds ingezette beleid verder zou gaan uitvoeren. Het College volgt klagers, nu dit door beklaagde in het verweerschrift niet wordt ontkend, dat tijdens dit telefoongesprek met beklaagde ook is gesproken over een kennismaking met de nieuwe gezinsvoogd en klagers voordat een ontmoeting zou plaatsvinden tussen [minderjarige] en zijn moeder op 23 februari 2016. Deze kennismaking heeft niet plaatsgevonden.
Uit het verweer van beklaagde blijkt niet dat zij ook daadwerkelijk heeft gesproken met de leidinggevende van de heer [naam]. Hieruit volgt dan ook dat zij de inhoud van het gesprek met klagers niet heeft overgebracht aan de leidinggevende van de heer [naam].
Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij de uitdrukkelijke wens van de pleegouders niet heeft doorgegeven aan de leidinggevende van de heer [naam].

Het klachtonderdeel is gegrond.

II:

In het tweede klachtonderdeel verwijten klagers beklaagde dat zij heeft toegestaan dat verschillende gezinsvoogden een verschillende koers hebben gevaren in hetzelfde dossier.
Meer in het bijzonder verwijten klagers haar dat de ingezette koers om een onderzoek te doen naar de thuissituatie in Q. niet door [GI] is doorgezet en dat in afwijking hiervan de heer [naam], zijnde de gezinsvoogd op dat moment, volledig van dit beleid is afgeweken en ter zitting van 24 februari 2016 het verzoek verlenging van de ots en verlenging uhp heeft ingetrokken voordat dit onderzoek naar de thuissituatie in [land] was opgestart.
Het College kan zoals hiervoor aangegeven, niet vaststellen dat beklaagde de leidinggevende is geweest van de heer [naam]. Uit het dossier blijkt voorts dat het ongelukkige optreden van de heer [naam] niet vooraf besproken is met zijn collega’s binnen [GI]. Wel blijkt dat achteraf zijn handelen ter zitting als ook andere mogelijkheden direct na het intrekken van de verzoeken, zijn besproken binnen [GI] maar dat niet onomstotelijk door het College kan worden vastgesteld dat beklaagde hier een actieve rol dan wel centrale rol in heeft gespeeld.

Onder deze omstandigheden zal het College bij gebreke van aanknopingspunten in het dossier, het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

III:

Klagers verwijten beklaagde in dit derde klachtonderdeel dat zij er niet van op de hoogte was wat gezinsvoogden aan derden meedeelden, en of deze uitingen klopten of niet. Er is geen duidelijkheid gegeven over de gebeurtenissen en er zijn veel tegenstrijdige verklaringen.
In de kern verwijten klagers beklaagde dat zij niet op de hoogte zijn gebracht van een nieuwe koerswijziging ten aanzien van het beleid van de terugplaatsing van [minderjarige] naar zijn moeder, ook niet tijdens het telefoongesprek dat klagers met beklaagde hebben gehad op 9 februari 2016. In dit klachtonderdeel klagen klagers voorts over de omstandigheid dat beklaagde tijdens het bemiddelingsgesprek op 11 april 2016 heeft toegezegd dat er een (internationaal) onderzoek zou worden aangevraagd bij de CA terwijl dit nooit in gang is gezet.
Nu het College niet kan vaststellen dat beklaagde de leidinggevende is geweest van mevrouw [naam] en de heer [naam] kan zij niet worden verweten dat zij geen vinger aan de pols heeft gehouden door deze gezinsvoogden te bevragen of het – gewijzigde – beleid van [GI] ten aanzien van [minderjarige]’s terugplaatsing naar zijn moeder, met klagers is besproken. In zoverre is dit gedeelte van het klachtonderdeel ongegrond.

Het tweede deel van dit klachtonderdeel, de toezegging dat er onderzoek zou worden gedaan door de CA in [land], is gegrond. Beklaagde stelt dat zij in de veronderstelling verkeerde dat dit onderzoek reeds was ingezet, maar hiernaar geen onderzoek heeft gedaan. Gezien de omstandigheid dat [minderjarige], in relatieve korte tijd voor de terugplaatsing naar moeder, met spoed uit huis was geplaatst in verband met ernstige verwaarlozing en alcohol misbruik door moeder, was dit onderzoek van zeer groot belang. Immers na onderzoek konden de [..] autoriteiten [in land] op de hoogte worden gebracht van de omstandigheden waaronder [minderjarige] naar [land] zou komen. Die autoriteiten konden op deze wijze een vangnet voor hem inrichten. Door dit verzoek niet uit te doen gaan is [minderjarige], een jongen van drie jaar oud, aan zijn moeder overgedragen zonder dat sprake is geweest van enige begeleiding. Tot op heden heeft [GI] geen enkele actie ondernomen om dit alsnog te doen laten uitvoeren. Door niet zelf na te gaan of het gewraakte onderzoek in [land] daadwerkelijk was ingezet heeft beklaagde, die wel kennis droeg van de situatie van [minderjarige], haar toezegging naar klagers niet waargemaakt maar ook [minderjarige] zelf geen enkele kans gegeven op een begeleide thuiskomst.

Het klachtonderdeel is deels gegrond

IV:

Klagers verwijten beklaagde dat zij onvoldoende toezicht heeft gehad op de verslaglegging en dossiervorming.
Wat er ook van de verslaglegging en dossiervorming zij, zoals hiervoor overwogen kan beklaagde hierop niet worden aangesproken nu niet blijkt dat zij de leidinggevende is geweest van de heer F. Voor wat betreft het onderdeel waarin klagers klagen over het feit dat zij geen afschrift hebben ontvangen van het bemiddelingsgesprek van 11 april 2016, het volgende. Tijdens dit gesprek zou de heer F., bij afwezigheid van een notulist, het gespreksverslag opmaken. Beklaagde, als leidinggevende binnen [GI] heeft het verslag aan klagers ook toegezegd en heeft bij gebreke van dit verslag haar excuses aan klagers aangeboden. Het overhandigen van rechtbankverslagen is door of namens [GI] terecht onthouden aan klagers nu zij, formeel, geen recht hebben op deze verslagen. Het College begrijpt de frustratie hierover bij klagers, die eerder niet door de heer F. zijn ingelicht over het feit dat hij degene is geweest die de verzoeken heeft ingetrokken waardoor Z. binnen enkele dagen moest worden overgedragen aan zijn moeder. Het komt het College voor dat met inachtneming van privacy aspecten [GI] wel degelijk klagers op de hoogte had kunnen brengen over de inhoud van de rechtsgang bij de kinderrechter. Dat een en ander in de vergetelheid is geraakt, zoals uit het verweerschrift valt op te maken is geen rechtvaardiging. Beklaagde, als leidinggevende aanwezig tijdens het bemiddelingsgesprek waar dit aan de orde is geweest, heeft geen vervolgstappen ondernomen. Het College neemt haar dit kwalijk.

Het klachtonderdeel is deels gegrond.

V:

In dit laatste klachtonderdeel klagen klagers over het feit dat beklaagde geen aansturing heeft gegeven aan de gezinsvoogden die betrokken zijn geweest bij [minderjarige], voorts dat zij hierdoor het vertrouwen in de jeugdzorg heeft geschaad.
Het College komt tot het oordeel dat de wijze waarop de heer [naam] voor, tijdens en na de zitting heeft geacteerd, in onderling verband beschouwd, het vertrouwen in de jeugdzorg ernstig heeft geschaad. Dit neemt echter niet weg dat beklaagde niet verantwoordelijk kan worden gehouden dat zij onvoldoende aansturing heeft gegeven aan de vier gezinsvoogden. Nogmaals, niet vastgesteld kan worden dat beklaagde de leidinggevende is geweest van de gezinsvoogden die betrokken zijn geweest bij [minderjarige]. Voor zover beklaagde een andere bijdrage heeft gehad aan deze in dit klachtonderdeel beschreven aansturing is hiervoor reeds een oordeel gegeven door het College.

Onder die omstandigheid is dit klachtonderdeel ongegrond.

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) , F (informatievoorziening over de hulp-en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

Het College van Toezicht:
– verklaart klachtonderdeel I gegrond,
– verklaart klachtonderdelen III en IV gedeeltelijk gegrond
– verklaart klachtonderdelen II en V ongegrond

De ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan de gegrond verklaarde klachtonderdelen zijn zodanig en het handelen van beklaagde is zodanig verwijtbaar dat het College beklaagde de maatregel berisping oplegt.

Aldus gedaan op 7 februari 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
Mevrouw mr. B. Marell, secretaris