De uitvoering van de OTS is gericht op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van het kind, welke bij de moeder woont. Dat er daardoor in casu meer aandacht uitgaat naar de moeder, maakt volgens het College niet dat beklaagde klager niet gelijkwaardig met moeder zou behandelen. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy , voorzitter,
de heer E. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Bynoe, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

de heer A., wonende te […], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

de heer B., werkzaam als gezinsvoogd bij [de gecertificeerde instelling, hierna ‘GI’] […], locatie […], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

− het klaagschrift d.d. 1 augustus 2016, met bijlagen;
− het verweerschrift d.d. 9 september 2016, met bijlagen;
− de door klager tijdens de zitting overgelegde stukken, te weten het door mevrouw […] opgemaakte Evaluatieverslag van 17 april 2016 en de beschikking van de rechtbank […] van 8 februari 2016 (zorgregeling).

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 3 november 2016 in aanwezigheid van klager en beklaagde. Klager werd bijgestaan door mevrouw mr. M.C. Lugard-van Beijma, advocaat te […]. Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat bij […] te […].

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1 Uit het huwelijk van klager met zijn ex-partner (hierna: moeder) is op […] […] 2006 dochter Z. geboren. Klager en moeder zijn met elkaar gehuwd geweest tot […] […] 2015.

2.2 Het ouderlijk gezag berust bij klager en moeder. De hoofdverblijfplaats van Z. is sinds [..] […] 2014 bij moeder.

2.3 Naar aanleiding van een op 30 oktober 2014 gedane zorgmelding over de lichamelijke en sociaal-emotionele ontwikkeling van Z., heeft de Raad voor de Kinderbescherming een beschermingsonderzoek uitgevoerd en geconcludeerd in het rapport van 16 december 2014 dat er gronden aanwezig zijn voor een ondertoezichtstelling (hierna: OTS). De bedreiging bestaat uit het feit dat er onrust is gedurende de omgangsregeling, de voortdurende strijd en spanningen tussen ouders en het feit dat ouders hierdoor de belangen van Z. uit het oog lijken te verliezen. Daarnaast is sprake van een afwezige dan wel gebrekkige communicatie tussen ouders en bestaan er zorgen over de opvoedfactoren.

2.4 Bij beschikking van 19 januari 2015 is de OTS van Z. uitgesproken voor de duur van een jaar en deze is in januari 2016 met een jaar verlengd tot 19 januari 2017.

2.5 Naar aanleiding van voornoemde OTS is een gezinsvoogd van [GI], locatie […], aangesteld. Klager heeft daarnaast in februari 2016 een contactpersoon van de locatie […..] toegewezen gekregen, om de afstand en lijnen kort te kunnen houden, de vestiging […] bleef belast met de uitvoering van de OTS. Op 22 april 2016 is de uitvoering van de OTS, in verband met een nieuwe regio-indeling en herverdeling van zaken, overgedragen aan beklaagde. Beklaagde is de derde gezinsvoogd in rij.

2.6 Op 19 april 2016 is aan klager, door de vorige gezinsvoogd, een schriftelijke aanwijzing gegeven, nadat hiertoe eerst een vooraankondiging was gegeven. Klager werd daarin opgedragen om schriftelijke toestemming te geven voor de noodzakelijk geachte hulpverlening van Z., in de vorm van: behandeling/verwijzing door de huisarts, behandeling door de […]kliniek, door een fysiotherapeut en door een speltherapeut en het aanstellen van een vertrouwenspersoon voor Z. in de vorm van een kindercoach van […].

2.7 Voornoemde schriftelijke aanwijzing is door [GI] ter bekrachtiging aan de kinderrechter voorgelegd. Op 14 juni 2016 heeft de rechtbank […] een tussenbeschikking gewezen, omdat ter zitting bleek dat klager en [GI] openstonden voor een gesprek om gezamenlijk tot afspraken in het belang van Z. te komen. Bij beschikking van 28 juli 2016 is voornoemde schriftelijke aanwijzing ten aanzien van de behandeling door de […]kliniek en het aanstellen van een vertrouwenspersoon voor Z. in de vorm van een kindercoach van […] vervallen verklaard, is de behandeling door een speltherapeut ingetrokken en is het verzoek van klager om de schriftelijke aanwijzing ten aanzien van de behandeling/verwijzing door de huisarts en de behandeling door een fysiotherapeut vervallen te verklaren, afgewezen.

2.8 Beklaagde is op 6 juni en 6 juli 2016 naar […] gegaan voor het voeren van een gesprek bij [instelling] […] met beide ouders en eenmaal voor een gesprek met klager op het kantoor van [GI] te […..]. De afspraak bij [instelling] […] was er op gericht een gesprek tussen ouders te laten plaatsvinden. Klager heeft zich echter, nog voordat moeder bij het gesprek aansloot, op een dusdanige wijze gedragen dat de aangewezen medewerkers van [instelling] […] hem hebben verzocht het kantoor te verlaten. Een gesprek tussen de beide ouders is hierdoor niet tot stand gekomen, terwijl dit door [GI] als voorwaarde werd gesteld voor een uitbreiding van de omgangsregeling tussen klager en Z.

2.9 Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager heeft een aantal klachtonderdelen geformuleerd. Het College verwijst voor de volledige weergave van de klacht naar het klaagschrift, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Kort samengevat verwijt klager beklaagde het volgende.

3.1 Beklaagde handelt onprofessioneel. Voorbeelden hiervan zijn dat beklaagde klager bejegent met een gebrek aan empathie en dat hij klager op stellige wijze verbiedt om geluidsopnames te maken van een gesprek bij [instelling] […], hetgeen agressie bij klager oproept. Ook legt beklaagde de schuld buiten zichzelf door te stellen dat hij pas verantwoordelijk is vanaf het moment van overname van het dossier. Beklaagde brengt klager niet op de hoogte van diens afwezigheid en klager wordt vervolgens door de telefoniste van het kastje naar de muur gestuurd.

3.2 Beklaagde is partijdig, discrimineert en behandelt klager niet gelijkwaardig met moeder. Zo is beklaagde bevooroordeeld, kiest hij partij voor moeder en ziet hij de ernst van het verhaal van klager niet in. Beklaagde schendt voorts het recht van Z. op een evenredige omgang met beide ouders. Wanneer klager verontrustende uitspraken van Z. aan beklaagde rapporteert worden die genegeerd in plaats van onderzocht, terwijl uitspraken van moeder over klager tot op de bodem uitgezocht worden. Hiermee handelt beklaagde niet in het belang van Z. en wordt haar ouderverstotingssyndroom gevoed. Ook gaat beklaagde mee in door Z. zelf verzonnen uitspraken en documenteert beklaagde deze als waarheidsgetrouw.

3.3 Beklaagde communiceert niet met klager, terwijl klager een ouder met gezag is. Ook betrekt beklaagde klager niet in de besluitvorming en handelt hij zonder toestemming van klager. Zo is klager nooit om toestemming gevraagd voor het contact met diverse artsen. Daarnaast wordt informatie niet of te laat verstrekt door beklaagde. Door de gebrekkige informatie valt het niet mee om tot overeenstemming te komen.

3.4 Beklaagde houdt zich niet aan de afspraken die door zijn voorgangers zijn gemaakt. Ook houdt beklaagde zich niet aan de uitspraak van de rechter. Een opdracht van de rechtbank wordt niet uitgevoerd en er worden maatregelen door beklaagde verzonnen.

3.5 Beklaagde heeft een incompleet dossier, pleegt valsheid in geschrifte en saboteert de observatie door bevindingen aan te passen en uit het dossier te laten. Klager benoemt dat hij zich gebrandmerkt voelt door valse aantijgingen van moeder over seksueel misbruik van Z. In plaats van hierover met klager overleg te voeren, is tijdens de tweede observatie aangegeven dat dit nader onderzocht moet worden. Hoewel dit verwijt definitief is weerlegd, heeft beklaagde dit tweede onderzoek uit het dossier willen houden. Ook na herhaaldelijk vragen, weet klager nog niet zeker dat het dossier overeenkomstig is aangepast.

3.6 Beklaagde wendt het machtsmiddel van de schriftelijke aanwijzing aan om klager in te laten stemmen met de behandeling en het onderzoek van Z. Zo blijft beklaagde stellen dat Z. fysiotherapie nodig heeft en heeft beklaagde niet de expertise om de hulpvraag van klager te horen.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

4.1 Klager heeft op 17 februari 2015 informatie over de OTS en een functieomschrijving van de eerste gezinsvoogd toegestuurd gekregen door [GI] […]. Beklaagde heeft van de vorige twee gezinsvoogden vernomen dat zij klager hierover ook hebben geïnformeerd. Beklaagde is zelf naar het kantoor in […..] gereisd om met klager een gesprek te voeren over de uitvoering van de OTS. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat hij (en [GI]) zich voldoende hebben ingespannen om klager van de benodigde informatie over de uitvoering van de OTS te voorzien.
Beklaagde is zich er niet van bewust dat hij klager met een gebrek aan empathie zou bejegenen en herkent zich dan ook niet in de klacht.
Tijdens het overleg van 6 juni 2016 bij [instelling] […] zou een observatieverslag worden besproken. Klager wilde toen ongevraagd het gesprek opnemen. Dit werd niet toegestaan door zowel [instelling] […] als [GI]. Toen klager dit werd medegedeeld, gooide hij het opnameapparaat stuk tegen de muur en volgde er een dusdanige escalatie dat klager uit het pand is gezet door [instelling] […] Beklaagde stelt zich op het standpunt dat er op dat moment door zowel [instelling] […] als door [GI] zorgvuldig is gehandeld en er geen aanleiding is gegeven voor het handelen van klager.
Van een situatie dat beklaagde de schuld buiten zichzelf legt is geen sprake. Beklaagde is nog maar kort betrokken en heeft daarom geen bemoeienis gehad met eerder genomen besluiten. Een aantal verwijten van klager hebben betrekking op het handelen van de vorige gezinsvoogden c.q. besluiten die vóór de bemoeienis van beklaagde door [GI] zijn genomen. Daarvan stelt beklaagde zich op het standpunt dat hij hierover geen verwijten kunnen worden gemaakt.

4.2 Beklaagde herkent zich niet in het verwijt dat hij zich partijdig in het voordeel van moeder zou hebben opgesteld. Beklaagde heeft met klager net zoveel contact als met moeder. Beklaagde acht het hierbij wel van belang om op te merken dat Z. bij moeder woont en dat de uitvoering van de OTS gericht is op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van Z., zodat er goed zicht op de thuissituatie van Z. dient te zijn. Bij de uitvoering van de OTS is het belang van het kind leidend en beklaagde richt zich bij de uitvoering van de OTS van Z. hier dan ook op.
Beklaagde herkent zich evenmin in het verwijt dat hij te snel zou zijn meegegaan in de beschuldiging van moeder dat klager Z. seksueel misbruikt zou hebben. Voor beklaagde noch [GI] is dit in het contact met andere hulpverleners een onderwerp van gesprek geweest en ook heeft beklaagde hiervan in de door hem opgestelde rapportages geen uiting gegeven.
[GI] heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgang tussen klager en Z. niet kan worden uitgebreid zolang er geen gesprek tussen ouders plaatsvindt. Reden hiervan is dat [GI] het voor een goed verloop van de omgangsregeling noodzakelijk acht dat ouders in staat zijn om met elkaar in gesprek te gaan omtrent Z. Door toedoen van klager heeft het geplande gesprek tussen ouders bij [instelling] […] geen doorgang kunnen vinden.
Voor zover klager doelt op (vertrouwelijke) gesprekken die tussen Z. en beklaagde plaatsvinden buiten de aanwezigheid van ouders, merkt beklaagde op dat klager wil weten wat Z. in deze gesprekken vertelt. Deze gesprekken zijn echter vertrouwelijk en dit is zowel door beklaagde als door de kinderrechter aan klager uitgelegd.

4.3 Beklaagde heeft hierover met klager gesproken en is klager tegemoet gekomen door met [instelling] […] in gesprek te gaan over een vertrouwenspersoon voor Z. Beklaagde herkent zich dan ook niet in dit verwijt.
Het is beklaagde bekend dat klager van mening is dat hij door beklaagde wordt gezien als dader en niet als gezaghebbend vader, maar dit is niet iets wat beklaagde zelf vindt of (bewust) uit zou stralen. Beklaagde ervaart klager als iemand die heel betrokken is bij het belang en welzijn van Z., maar ook als iemand die veel vragen heeft over- en vraagtekens zet bij voorstellen met betrekking tot de hulpverlening voor Z. Het al dan niet toestemming geven is een terugkerend onderwerp in de samenwerking met klager. Doordat klager gedetailleerd wil weten hoe de hulpverlening er uit ziet voordat hij zijn handtekening zet en hier in de communicatie met klager veel aandacht en tijd naar uitgaat, stagneert het inzetten van de voor Z. benodigde hulpverlening, reden waarom door de vorige gezinsvoogd een schriftelijke aanwijzing is gegeven. Mogelijk dat klager hierdoor het gevoel heeft gekregen niet in de besluitvorming te zijn betrokken of dat zijn toestemming niet wordt gevraagd. Beklaagde ziet het vooral als een verschil in visie over de voor Z. noodzakelijk geachte hulpverlening.
Voor wat betreft het geven van toestemming, merkt beklaagde nog op dat, hoewel het uitgangspunt is dat de ouder(s) met gezag om toestemming wordt gevraagd, er binnen een OTS voor het inzetten van de voor de jeugdige benodigde jeugdhulp geen toestemming van de ouder(s) met gezag nodig is. Beklaagde is er in ieder geval wel degelijk op gericht om samen met ouders tot overeenstemming te komen over de in te zetten hulpverlening voor hun kind.
Het is beklaagde bekend dat klager het inzetten van fysiotherapie niet nodig acht, omdat klager zelf heeft ervaren dat dat niet helpt. Beklaagde heeft over de noodzaak hiervan contact gezocht met het ziekenhuis en uit dit contact is gebleken dat het ziekenhuis fysiotherapie op dit moment niet noodzakelijk acht, maar wel als Z. weer slechter zou gaan lopen. Beklaagde heeft richting klager nooit de uitspraak gedaan dat dit nu wel noodzakelijk zou zijn.
Beklaagde herkent zich voorts niet in het verwijt dat hij klager niet bij de hulpverlening heeft betrokken of hem te laat van informatie zou voorzien. Overigens is door beklaagde nog geen nieuw Gezinsplan/Plan van Aanpak opgesteld, zodat voor hem niet duidelijk is op basis waarvan klager meent te kunnen stellen dat beklaagde deze onderling zou hebben besproken.
Beklaagde streeft er in ieder geval naar om klager steeds tijdig te voorzien van informatie en ook om ouders tegelijk te informeren over zaken rondom Z., zodat ze beiden dezelfde informatie krijgen.

4.4 Het is beklaagde niet duidelijk welke door zijn voorgangers gemaakte afspraken hij zou hebben geschonden. Beklaagde is er in elk geval op gericht om het reeds door [GI] ingezette beleid met betrekking tot de uitvoering van de OTS van Z. voort te zetten.
Voorts is beklaagde zich er niet van bewust dat hij zich niet aan rechterlijke uitspraken zou houden of zelf maatregelen zou verzinnen. Voor zover klager meent dat beklaagde zou hebben gezegd dat er een vertrouwenspersoon van […] zou moeten worden ingezet, merkt beklaagde op dat hij ter zitting (van de behandeling van de schriftelijke aanwijzing) heeft geopperd dat dit een mogelijkheid is, maar zoals ook blijkt uit de beschikkingen, is afgesproken dat conform de wens van klager, een vertrouwenspersoon van [instelling] […] zal worden ingezet, tenzij deze organisatie dit niet kan bieden. Beklaagde is op dit moment met [instelling] […] in gesprek over hun mogelijkheden om een vertrouwenspersoon in te zetten.

4.5 Het is beklaagde bekend dat klager het idee heeft dat voor hem positieve stukken uit het dossier worden gehouden. Beklaagde betwist echter dat hij dit zou doen.

4.6 De schriftelijke aanwijzing waar klager op doelt is afgegeven voordat beklaagde betrokken was bij de uitvoering van de OTS. Dat deze schriftelijke aanwijzing is gegeven kan beklaagde dan ook niet worden verweten. Beklaagde wil hierbij opmerken wel achter de inhoud van de schriftelijke aanwijzing te staan en ook conform de schriftelijke aanwijzing (voor zover nog relevant en bekrachtigd door de kinderrechter) te handelen. Beklaagde heeft klager zelf geen schriftelijke aanwijzing gegeven.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

Met betrekking tot klachtonderdeel 1:

Het College is van oordeel dat hetgeen klager in dit kader heeft aangevoerd, niet uit de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 2:

In geval van een gecompliceerde echtscheiding is het gebruikelijk dat een gezinsvoogd gesprekken voert met elke ouder afzonderlijk, in plaats van gezamenlijk. Het College hecht eraan te benadrukken dat zij begrip heeft voor deze werkwijze. Doordat Z. bij moeder woont en de uitvoering van de OTS gericht is op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van Z., dient er goed zicht te zijn op de thuissituatie van Z. Dat er daardoor wellicht meer aandacht uitgaat of uit lijkt te gaan naar moeder, maakt naar het oordeel van het College niet dat beklaagde klager niet gelijkwaardig met moeder zou behandelen of partijdig zou zijn.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 3:

Beklaagde is direct na de overdracht van de uitvoering van de OTS naar [….] afgereisd voor het voeren van een face-to-face gesprek met klager. Beklaagde heeft gesteld hieraan belang te hechten om zo het vertrouwen van klager in de hulpverlening terug te winnen. Dat beklaagde niet met klager zou hebben gecommuniceerd, is dan ook niet gebleken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 4:

Uit de beschikking van de rechtbank […] van 8 februari 2016 volgt dat de rechtbank heeft bepaald dat “de zorgregeling, waarbij Z. één weekend in de veertien dagen van zaterdag tot zondag bij klager verblijft, na een periode van drie maanden zal worden geëvalueerd en dat deze zorgregeling bij een goed verloop daarvan zal worden uitgebreid naar een zorgregeling waarbij Z. één weekend in de veertien dagen van vrijdag tot zondag bij klager zal verblijven, één en ander ter beoordeling en nadere invulling van de jeugdhulpverlener”. Anders dan klager stelt, volgt uit die beslissing van de rechtbank niet dat de zorgregeling automatisch uitgebreid zou worden. Dat beklaagde zich op dit punt niet aan de beschikking van de rechtbank zou houden, is dan ook niet gebleken. Klager heeft geen andere voorbeelden genoemd waaruit zou kunnen blijken dat beklaagde gemaakte afspraken niet is nagekomen of zich niet houdt aan rechterlijke uitspraken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 5:

Klager heeft ter zitting gesteld dat het dossier van beklaagde niet compleet is, omdat daarin de veiligheidsrisicotaxatie ontbreekt. Beklaagde heeft aangevoerd dat dit stuk in eerste instantie inderdaad ontbrak, omdat het doorsturen daarvan binnen de organisatie was misgelopen wegens ziekte van de contactpersoon van klager en dat de afstand tussen […..] en […] daarin ook een rol heeft gespeeld. Op het moment dat beklaagde het stuk alsnog ontving, heeft hij dit direct in het dossier gevoegd en aan klager toegestuurd. Het College is derhalve van oordeel dat beklaagde, hoewel het dossier in eerste instantie niet compleet was, in deze niet verwijtbaar heeft gehandeld. Voorts is niet gebleken dat beklaagde met betrekking tot de veiligheidsrisicotaxatie valsheid in geschrifte heeft gepleegd, zoals door klager ter zitting is gesteld. Het College heeft vastgesteld dat het stuk waarover klager beschikt identiek is aan het stuk dat zich in het dossier van beklaagde bevindt.
Klager heeft voorts gesteld dat hij door beklaagde is gesaboteerd, omdat klager het gevoel heeft dat beklaagde hem telkens brandmerkt in verband met het plegen van seksueel misbruik van Z., hetgeen niet heeft plaatsgevonden. Het College is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat beklaagde klager benadert op basis van zijn vermeende seksueel misbruik van Z. en klager is hier ook niet voor vervolgd. Een concreet door klager gegeven voorbeeld is de mededeling van deze vermeende gedraging door beklaagde aan [instelling] […] in verband met het verrichten van een observatie. Het College stelt vast dat beklaagde op het moment dat de opdracht aan deze organisatie werd gegeven (op 23 februari 2016) nog geen betrokkenheid had bij het gezin van klager. Reeds daarom is dit klachtonderdeel ongegrond. Hierbij wenst het College de opmerking te plaatsen dat ook al zou beklaagde tijdens het geven van de opdracht aan [instelling] […] dit vermeend misbruik van Z. genoemd hebben, dit niet direct geleid zou hebben tot een gegrondverklaring van dit klacht-onderdeel. Het is immers de taak van de jeugdwerker om alle aspecten te noemen die van invloed kunnen zijn ten tijde van een observatie, waarbij nadrukkelijk niet gezegd is dat klager dit handelen ook daadwerkelijk zou hebben verricht.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 6:

De schriftelijke aanwijzing is op 19 april 2016 aan klager gegeven en daarmee enkele dagen voordat beklaagde als gezinsvoogd bij de uitvoering van de OTS betrokken is geraakt. Dat deze schriftelijke aanwijzing is gegeven raakt derhalve niet het handelen van beklaagde.
Voor zover klager heeft aangevoerd dat beklaagde zijn hulpvraag aangaande de fysiotherapie voor Z. niet hoort, heeft beklaagde aangevoerd dat hij contact heeft gezocht met het ziekenhuis en dat daaruit is gebleken dat dit niet noodzakelijk wordt geacht tot het moment waarop Z. weer slechter gaat lopen. Niet is gebleken dat beklaagde de hulpvraag van klager niet heeft gehoord en daar niet naar heeft gehandeld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Conclusie:

Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 3 november 2016 en op 29 december 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

Mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort, secretaris