Anders dan door klaagster betoogd, is er regelmatig face-to-face en telefonisch contact geweest met beklaagde. Het College is van oordeel dat deze frequentie voldoende is geweest en dat niet is gebleken dat beklaagde klaagster niet serieus genomen heeft. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. 

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot;
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als pleegzorgwerker bij [Jeugd & opvoedhulporganisatie] te [vestigingsplaats].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mr. M. Kramer, werkzaam bij Kantoor Kramer te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennis genomen van:

− het klaagschrift van 19 augustus 2016, met de bijlagen en de aanvullingen hierop;

− het verweerschrift van 8 december 2016, met bijlagen.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 20 april 2017 in aanwezigheid van beklaagde en haar gemachtigde, zoals voornoemd.

1.3 Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klaagster is pleegmoeder van [jeugdige], geboren op [datum] 2012. [jeugdige] is vanwege een zeer bedreigende thuissituatie op 11 mei 2015 bij klaagster geplaatst in het kader van een crisisplaatsing. Op 2 juni 2015 is deze crisisplaatsing omgezet in een reguliere (perspectief zoekende) plaatsing.

2.2 Beklaagde heeft klaagster sinds 16 december 2015 als pleegzorgwerkster begeleid. Op voornoemde datum heeft ook het kennismakingsgesprek tussen hen plaatsgevonden.

2. 3 Op 28 december 2015, 26 januari 2016 en 23 maart 2016 is beklaagde bij klaagster thuis geweest.

2. 4 Op 14 januari 2016, 4 februari 2016, 29 februari 2016 en 31 maart 2016 hebben er bezoekregelingen plaatsgevonden.

2. 5 Op 10 februari 2016, 26 februari 2016, 10 maart 2016, 11 april 2016, 21 april 2016, 26 april 2016 en 2 mei 2016 hebben er telefonische contacten tussen beklaagde en klaagster plaatsgevonden.

2.6 Op 20 mei 2016 heeft een kennismakingsgesprek tussen klaagster en de nieuwe gezinsvoogd plaatsgevonden. Bij dit gesprek was ook beklaagde aanwezig.

2.7 Op 31 mei 2016 heeft de beklaagde een zorgmelding over [jeugdige] ontvangen, inhoudende dat [jeugdige] rondjes om het huis zou moeten fietsen, omdat zij een stimulans nodig had om in actie te komen, en dat klaagster [jeugdige] met haar hoofd in een ton regenwater zou hebben geduwd toen [jeugdige] niet wilde luisteren. Vanwege de ernst van de melding heeft de beklaagde de gezinsvoogd hiervan op de hoogte gebracht.

2.8 Op 1 juni 2016 hebben beklaagde en de gezinsvoogd een gesprek met de zorgmelder gehad. Vervolgens zijn beklaagde en de gezinsvoogd bij klaagster langsgegaan om de zorgmelding te bespreken.

2.9 De gezinsvoogd heeft op 1 juni 2016 besloten dat [jeugdige] niet langer bij klaagster kon wonen. De pleegzorgplaatsing is per direct beëindigd en [jeugdige] is nog diezelfde dag ondergebracht in een ander pleeggezin.

2.10 Op 15 juni 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere klaagster, beklaagde, de behandelcoördinator en een medewerker van [naam organisatie], teneinde het verloop van de plaatsing van [jeugdige] te bespreken en te reflecteren op de gebeurtenissen. Aan klaagster is toen medegedeeld dat [Jeugd & opvoedhulporganisatie] heeft besloten om de samenwerking met klaagster als pleegouder te beëindigen.

2.11 Op 12 juli 2016 heeft een overleg plaatsgevonden tussen onder andere klaagster, beklaagde, de gezinsvoogd en de behandelcoördinator. De gezinsvoogd heeft tijdens dat gesprek aan klaagster de keuze voor de overplaatsing van [jeugdige] uitgelegd.

2.12 Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

3.1.1 Beklaagde heeft klaagster niet serieus genomen en opmerkingen verdraaid.

3.1.2 Beklaagde heeft de bezoekregelingen niet goed begeleid, terwijl zij zag dat [jeugdige] hierdoor gespannen was. Daarbij heeft klaagster twee voorbeelden genoemd. Zo mocht [jeugdige] van beklaagde niet op een xylofoon spelen, hetgeen zij erg leuk vindt, omdat dit beter was voor het gehoor van beklaagde. Tevens vond beklaagde dat de grootmoeder van [jeugdige] te veel aanwezig was tijdens de bezoekuren en heeft daarom wel eens tegen grootmoeder gezegd dat zij niet op het volgende bezoek mocht komen.

3.1.3 Beklaagde heeft niet aan klaagster gevraagd waarop zij zich baseerde als zij problemen aangaf.

3.1.4 Beklaagde heeft [jeugdige] en haar biologische moeder als ‘dom’ bestempeld. Zo heeft beklaagde regelmatig gezegd dat klaagster te hoge verwachtingen had van [jeugdige], omdat moeder en grootmoeder niet slim zijn kan dat derhalve ook niet van [jeugdige] worden verwacht.

3.1.5 Beklaagde weet niet wie [jeugdige] echt is, omdat beklaagde nauwelijks bij klaagster en [jeugdige] thuis is geweest. Tijdens bezoekregelingen is een heel andere [jeugdige] te zien, dan thuis. Beklaagde wilde daarover ook niets van klaagster aannemen.

3.1.6 Beklaagde heeft bij problemen nooit meegedraaid in het gezin van klaagster om zo een goed inzicht te krijgen.

3.2

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

4 Het verweer

4.1 Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.2 Met betrekking tot de overplaatsing:
Aan klaagster is verteld dat de zorgmelding anoniem was, waarmee werd bedoeld dat de melder voor klaagster anoniem zou blijven. Klaagster begreep daaruit dat de hulpverleners ook niet wisten wie de melding had gedaan. Vanaf het begin was voor de hulpverlening echter duidelijk wie de zorgmelder was. Deze persoon is op verzoek en in overleg met [Gecertificeerde instelling, hierna: GI] voor klaagster anoniem gebleven.

Beklaagde heeft als pleegzorgwerker niet de bevoegdheid om een besluit tot overplaatsing te nemen. Dit besluit is door de gezinsvoogd genomen. Wel kan beklaagde de overplaatsing van [jeugdige] onderschrijven. Beklaagde betreurt het dat er geen toetsing door de kinderrechter heeft plaatsgevonden. In de hectiek van de overplaatsing heeft beklaagde er geen seconde aan gedacht of [GI] wel in zijn recht stond om [jeugdige] bij pleegmoeder weg te halen. Dat [GI] toestemming moet vragen aan de rechter als een kind langer dan een jaar in een pleeggezin woont, in het kader van de OTS, wist beklaagde niet. Als zij dit wel had geweten, had beklaagde dit zeker tegen de gezinsvoogd gezegd en klaagster hierop gewezen.

Beklaagde was aanwezig bij de uithuisplaatsing. Bij klaagster thuis heeft de gezinsvoogd het woord gevoerd. Beklaagde was aanwezig omdat zij voor [jeugdige] meer bekend was dan de gezinsvoogd. Indien de gezinsvoogd zou besluiten om [jeugdige] over te plaatsen, dan zou ze niet met een vreemde mee hoeven te gaan. Beklaagde kan zich voorstellen dat klaagster werd overvallen door de komst van beklaagde en de gezinsvoogd.

4.3 Met betrekking tot de begeleiding:
Het is niet de intentie van beklaagde geweest om klaagster niet goed te begeleiden. Het is beklaagde niet gelukt om klaagster het inzicht te geven tot wat beklaagde tot doel had. Het is beklaagde steeds duidelijker geworden dat klaagster en zij een andere taal hebben gesproken. Tijdens de begeleiding van klaagster, heeft beklaagde gemerkt dat zij vaak en op veel verschillende manieren uitleg heeft moeten geven, omdat zij merkte dat hetgeen zij wilde vertellen niet goed werd begrepen. Ook kreeg beklaagde vaker dezelfde vragen van klaagster. Beklaagde was zich ervan bewust dat klaagster niet tevreden was over de samenwerking met de vorige pleegzorgwerker, was haar inzet een constructieve samenwerking en wilde zij klaagster vertrouwen en ook haar vertrouwen laten ervaren. Klaagster gaf meestal aan dat ze de uitleg, tips en adviezen van beklaagde begreep. Wanneer dit niet het geval was, heeft beklaagde het op een andere manier geprobeerd. Achteraf gezien had beklaagde mogelijk kritischer moeten zijn op de draagkracht van klaagster en of zij voldoende in staat was om [jeugdige] op een veilige manier te begrenzen.

Beklaagde heeft gedurende de begeleiding, na elk bezoek, in overleg en overeenstemming met klaagster, een nieuwe afspraak gemaakt voor een volgend huisbezoek. Over het algemeen is binnen pleegzorg de regel dat er eens in de 4 tot 6 weken een huisbezoek plaatsvindt, tenzij één van de betrokkenen aangeeft dat het anders moet. Klaagster heeft nooit om een extra huisbezoek gevraagd. Het laatste huisbezoek heeft op 23 maart 2016 plaatsgevonden. Tussentijds en nadien heeft er altijd telefonisch contact plaatsgevonden en is vele momenten gesproken over hoe de bezoekregeling doorgang kon vinden, omdat klaagster vanwege haar knieoperatie niet mobiel was. Beklaagde kan niet terughalen waarom er na 23 maart 2016 geen huisbezoeken meer hebben plaatsgevonden.

Anders dan klaagster heeft gesteld, was beklaagde is haar beleving juist intensief betrokken bij het pleeggezin. In tegenstelling tot dat wat klaagster heeft gesteld, duurden de huisbezoeken geen half uur, maar varieerden deze van 90 minuten tot 150 minuten (eerste huisbezoek).

Beklaagde heeft [jeugdige] in totaal 7 keer gezien.

4.4 Met betrekking tot de bejegening:
In gesprekken is regelmatig benoemd dat gedrag op verschillen manieren geïnterpreteerd kan worden, bijvoorbeeld dat [jeugdige] op een rustig moment leerbaar was en sprongen maakte, maar op een waakzaam moment terugval kon laten zien, hetgeen is te verklaren vanuit haar trauma. Dat [jeugdige] op een rustig moment dingen snel oppikt is passend bij haar leeftijd, maar zegt niet direct iets over haar intelligentie (maar over haar mogelijkheden). Beklaagde heeft dit aan klaagster vaak en op verschillende manieren uitgelegd. Beklaagde kan zich niet herinneren dat zij dan zou hebben gezegd dat bij [jeugdige] sprake is van “boeren slimheid”. Het is geen taalgebruik dat beklaagde gebruikt. Wel kan beklaagde zich herinneren dat zij heeft gesproken over instinct en overlevingsgedrag. Beklaagde heeft zich niet laatdunkend over [jeugdige] uitgesproken. Beklaagde heeft [jeugdige] ook nimmer voor dom uitgemaakt. Beklaagde heeft het gedrag van [jeugdige] en haar moeizame leerzaamheid aan de hand van psycho-educatie met betrekking tot haar trauma uitgelegd.

Klaagster was het niet altijd met beklaagde eens. Als ‘je gehoord voelen’ betekent dat je het met elkaar eens moet zijn, dan begrijpt beklaagde dat klaagster zich niet altijd gehoord heeft gevoeld.

Anders dan klaagster heeft gesteld, is er wel naar de uitleg van klaagster over het incident gevraagd. Tijdens het gesprek op 15 juni 2016 is hierover met klaagster gesproken, alsook op 12 juli 2016. Daarnaast heeft klaagster een aantal keer contact gehad met een medewerker van [Jeugd & opvoedhulporganisatie] in het kader van nazorg en opvang.

4.5 Met betrekking tot het thuis meedraaien:
Beklaagde heeft niet bij klaagster thuis meegedraaid om hetgeen klaagster zag te kunnen beoordelen, want een dergelijke interventie valt niet onder de reguliere pleegzorgbegeleiding (gemiddeld eens in de 4 tot 6 weken). Dit kon wel ingezet worden als daar aanleiding toe was, maar dat was in deze zaak niet het geval. Wel is overwogen om [interventie …] in te zetten (ondersteuning door middel van video-opnamen) om zo zicht te krijgen op de interactie tussen klaagster en [jeugdige], maar dit is door [GI] niet doorgezet in verband met een mogelijk gevoel van onveiligheid voor [jeugdige].

4.6 Met betrekking tot het voeren van gesprekken over [jeugdige]:
Beklaagde heeft wel degelijk gesprekken met klaagster gevoerd over [jeugdige]. Zoals ook in het contactjournaal is na te lezen, hebben beklaagde en klaagster het bijna alleen maar gehad over [jeugdige] en haar gedrag, bijvoorbeeld over zorgen die klaagster had over het eetgedrag van [jeugdige], haar “weinig ontwikkelingsgericht” zijn en het contact met de biologische moeder.

Anders dan beklaagde heeft gesteld, heeft beklaagde niet ontkend dat [jeugdige] seksueel is misbruikt. Aan het begin van de pleegzorgplaatsing heeft klaagster aan de voorganger van beklaagde verteld dat zij het vermoeden had dat sprake was geweest van seksueel misbruik. Zowel beklaagde als haar voorganger hebben klaagster vaak uitgelegd dat de signalen die pleegmoeder beschreef goed zouden kunnen duiden op seksueel misbruik. Klaagster kwam hier vaak op terug, waarop beklaagde steeds hetzelfde antwoord heeft gegeven, namelijk dat de signalen erg serieus werden genomen en dat niet werd getwijfeld aan de ernst daarvan, maar dat dit niet betekent dat er direct allemaal hulp ingezet moet of kan worden. Beklaagde heeft ook aangegeven dat het belangrijk is dat klaagster alert is op de signalen van [jeugdige] en dat deze worden/zijn genoteerd.

Gezien de leeftijd van [jeugdige] en de onrust die er reeds bij haar was (gedrag), heeft beklaagde uitgelegd dat goed gekeken moet worden naar het juiste moment. Klaagster was het met die visie niet eens. Om meer zicht te krijgen op het gedrag van [jeugdige] is de inzet van [interventie …] besproken, maar mede omdat niet duidelijk is wat er in het verleden met [jeugdige] is gebeurd (film in combinatie met seksueel misbruik) is door de toenmalige gezinsvoogd besloten dat deze vorm van hulp op dat moment niet wenselijk was. Daarmee is serieus rekening gehouden met de mogelijkheid van seksueel misbruik van [jeugdige] in het verleden. Overigens is [jeugdige] nooit onderzocht en is seksueel misbruik nooit bewezen.

4.7 Met betrekking de zorgen om [jeugdige] en de begeleiding daarin:
Beklaagde is overtuigd van de goede bedoelingen van klaagster. Echter, het hebben van te hoge/niet reële verwachtingen, zowel qua ontwikkelingsperspectief en tijd, kan een valkuil zijn in de opvoeding van (pleeg)kinderen. Het kan frustrerend en pijnlijk zijn voor de opvoeder als de problemen die een kind heeft als gevolg van het traumatische verleden niet snel opgelost kunnen worden.

De basis van de pleegzorgbegeleiding bij klaagster bestond uit psycho-educatie. Het verklaren van gedrag gezien vanuit traumatische ervaringen en wat daarbij van opvoeders gevraagd wordt, vraagt veel geduld en voorspelbaarheid van de opvoeder. Daarbij heeft beklaagde vaak moeten zoeken naar verschillende woorden om aan klaagster uit te leggen wat zij bedoelde. Daardoor zou klaagster het gevoel gekregen kunnen hebben dat beklaagde telkens wat anders heeft gezegd. Beklaagde heeft echter nooit de boel verdraaid of iets gezegd omdat het haar goed dunkte. Wel vond beklaagde dat klaagster soms te snel wilde, hetgeen zij vanuit een gevoelsoptiek begrijpt, en heeft zij geprobeerd klaagster daarin af te remmen.

4.8 Met betrekking tot het niet vragen waarop problemen werden gebaseerd:
Beklaagde begrijpt deze klacht niet. Indien klaagster daarmee heeft bedoeld dat beklaagde niet om uitleg, door middel van het geven van voorbeeld, heeft gevraagd, dan is dat niet juist. Voorbeelden vragen en het uitvragen van de reactie van de ander (zowel emotioneel als gedragsmatig) zijn een wezenlijk onderdeel van het werk van beklaagde.

4.9 Met betrekking tot het niet goed kennen van [jeugdige]:
Beklaagde is van mening dat er verschil zit in iemand kennen (in de zin van iemand veel zien) en het gedrag van iemand ‘zien’, herkennen, duidend en observeren. Op basis van hetgeen klaagster over [jeugdige] heeft verteld, van informatie vanuit de vorige pleegzorgwerker en de geschiedenis van [jeugdige], alsmede op basis van hetgeen beklaagde zelf waarnam in de interactie tussen [jeugdige] en klaagster en [jeugdige] en beklaagde, heeft beklaagde getracht dit gedrag te interpreteren om handvatten te kunnen geven aan klaagster.

4.10 Met betrekking tot de bezoekregeling:
Bij de voorbespreking van de bezoeken, heeft beklaagde met klaagster gesproken over het doel van het contact en over de verwachtingen. Van haar voorganger, heeft beklaagde overgedragen gekregen dat de biologische moeder van [jeugdige] moeite had met de bejegening van klaagster en dat ze zich in haar rol als moeder aangetast voelde. Beklaagde heeft klaagster uitgelegd dat zij als hulpverlener verwacht dat klaagster ook rekening houdt met de emoties van moeder tijdens de bezoeken en dat dus niet alles gezegd hoeft te worden. Klaagster was het hier niet mee eens en wilde een keer apart met moeder praten om haar uit te leggen hoe het volgens haar met [jeugdige] ging. Beklaagde heeft aangegeven dit toen niet wenselijk te vinden en heeft ook de beperking van moeder en grootmoeder genoemd, niet als verwijt, maar om toe te lichten dat de verwachtingen met betrekking tot moeder en grootmoeder reëel moesten blijven.

4.11 Met betrekking tot de weigering van grootmoeder bij de bezoekregeling:
De bezoeken met moeder en grootmoeder waren erg vermoeiend voor [jeugdige]. Beklaagde zag dat grootmoeder en moeder tegelijkertijd een beroep op [jeugdige] deden. [jeugdige] zat daardoor tussen moeder en grootmoeder in. Door de aandacht die grootmoeder tijdens de bezoeken vroeg, kwam moeder naar het idee van beklaagde niet toe aan haar tijd als moeder. Beklaagde heeft dit met de toenmalige gezinsvoogd en later ook met moeder, grootmoeder en de gezinsvoogd besproken. De gezinsvoogd heeft toen besloten dat grootmoeder niet altijd mee mocht komen. Anders dan grootmoeder , toonde moeder hiervoor begrip. Het ‘weigeren’ van grootmoeder was een doelbewuste zet van de gezinsvoogd in het belang van het contact tussen moeder en [jeugdige].

Beklaagde kan zich niet herinneren dat zij zou hebben gezegd dat [jeugdige] niet op een xylofoon mocht spelen. Mocht beklaagde dat al hebben gezegd, dan zal dat zeker als grapje zijn bedoeld.

4.12 Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroeps-uitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

5.2.1 Uit het dossier, waaronder de bijgevoegde contactjournaals, en het verhandelde op zitting is het College gebleken dat, anders dan klaagster heeft gesteld, er regelmatig contact is geweest met beklaagde en dat ook de bezoekregeling uitgebreid met klaagster is besproken. Zo heeft er in een periode van een half jaar drie keer een face-to-face afspraak bij klaagster thuis plaatsgevonden, is er regelmatig tussendoor uitvoerig telefonisch contact geweest en hebben er diverse bezoekregelingen plaatsgevonden. Het College is van oordeel dat deze frequentie van contact voldoende is en dat niet is gebleken dat beklaagde klaagster niet serieus zou hebben genomen. Evenmin is gebleken dat beklaagde opmerkingen van klaagster zou hebben verdraaid.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.2 Het College is van oordeel dat niet is gebleken dat beklaagde de bezoekregelingen niet goed heeft begeleid. Dat beklaagde de grootmoeder van [jeugdige] af en toe niet heeft toegestaan om tijdens het bezoek aanwezig te zijn, maakt dat oordeel niet anders, nu beklaagde daarin – in het belang van [jeugdige] – een goede afweging heeft getracht te maken. Ook hetgeen is aangevoerd omtrent het niet mogen spelen op een xylofoon door [jeugdige] geeft het College geen aanleiding een ander standpunt in te nemen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.3 Anders dan gesteld, komt uit het verweer van beklaagde aantoonbaar naar voren dat zij telkenmale uitvoerig heeft doorgevraagd indien onderwerpen haar niet direct duidelijk waren.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.4 Hoewel door klaagster is gesteld dat beklaagde [jeugdige] en haar biologische moeder als ‘dom’ zou hebben bestempeld, is daarvan niet gebleken. Beklaagde heeft aangevoerd dat zij heeft gesproken over instinct en overlevingsgedrag, maar zij heeft zich geenszins laatdunkend over [jeugdige] en haar moeder uitgesproken. Beklaagde heeft slechts het gedrag van [jeugdige] en haar moeizame leerzaamheid aan de hand van psycho-educatie met betrekking tot haar trauma uitgelegd.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.5 Het College is van oordeel dat er, zoals hiervoor reeds overwogen, voldoende contact-momenten zijn geweest. Beklaagde heeft hierover in haar verweerschrift zelf nog het volgende opgemerkt. Er is een verschil tussen iemand kennen (in de zin van iemand veel zien) en het gedrag van iemand ‘zien’, herkennen, duiden en observeren. Op basis van hetgeen pleegmoeder over [jeugdige] heeft verteld, informatie vanuit de vorige pleegzorgwerker, de geschiedenis van [jeugdige] en hetgeen beklaagde zelf heeft gezien in de interactie tussen [jeugdige] en klaagster en in haar eigen interactie met [jeugdige], heeft zij getracht dit gedrag te interpreteren om zo handvatten te kunnen geven aan klaagster. Hieruit volgt aldus het College dat beklaagde voldoende inzicht had over de persoon van [jeugdige].

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.6 Het College is van oordeel dat beklaagde terecht heeft opgemerkt dat het niet haar taak is als pleegzorgwerkster om in het gezin van klaagster mee te draaien.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.3

Conclusie:

Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld en dat beklaagde geen enkel tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

− verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 15 juni 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort
voorzitter secretaris