De moeder klaagt over het zeer ondeugdelijk uitvoeren van het raadsonderzoek

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

[beklaagde 1], werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming […], hierna te noemen: de Raad

en tegen

[beklaagde 2], werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming […] , de laatsten hierna te noemen: beklaagden.

Als gemachtigde van klaagster is opgetreden [gemachtigde klaagster].
Als gemachtigde van beklaagden is opgetreden [gemachtigde beklaagden].

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennis genomen van:

  • het klaagschrift van 21 september 2016, met de bijlagen en de aanvullingen hierop;
  • het verweerschrift van 5 december 2016, met de bijlagen en de aanvulling hierop.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 3 maart 2017, tegelijkertijd met de zaak met nummer 16.116Tb, in aanwezigheid van klaagster, beklaagde in de onderhavige zaak, en beklaagde in de zaak met nummer 16.116Tb. Klaagster en beklaagde werden bijgestaan door gemachtigden zoals voornoemd.

1.3 Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen meegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1 Klaagster is de moeder van de minderjarige zoon [naam zoon], geboren in 2011, hierna: de zoon. Klaagster heeft nog een dochter: [naam dochter], hierna: de dochter, uit een eerdere relatie.

2.2 De relatie tussen de ouders is gedurende de zwangerschap van de zoon verbroken. De zoon heeft vanaf diens geboorte bij klaagster gewoond. Klaagster is aanvankelijk eenhoofdig met het ouderlijk gezag belast. Bij beschikking van 2 oktober 2013 zijn de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast.

2.3 De zoon heeft van 22 december 2014 tot en met 22 december 2015 onder toezicht gestaan. De ondertoezichtstelling (verder: OTS) is op 22 december 2015 na toetsing door de Raad beëindigd.

2.4 De rechtbank heeft bij beschikking van 23 maart 2016 een voorlopige OTS voor de duur van drie maanden uitgesproken over de zoon. De gecertificeerde instelling [de GI] (hierna te noemen: de GI) wordt belast met de uitvoering van de OTS.

2.5 De rechtbank heeft bij beschikking van 13 juni 2016 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de zoon bij de vader verleend van 14 juni 2016 tot 23 juni 2016.

2.6 De rechtbank heeft bij beschikking van 22 juni 2016 de OTS van de zoon verlengd tot 23 juni 2017.

2.7 De rechtbank heeft bij beschikking van 6 juli 2016 de hoofdverblijfplaats van de zoon met ingang van die datum bepaald bij de vader.

2.8 Beklaagde is werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad en is – samen met beklaagde in de zaak met nummer 16.116Tb, tegen wie klaagster een gelijkluidende klacht heeft ingediend – belast geweest met de uitvoering van het raadsonderzoek naar de meest wenselijke hoofdverblijfplaats en gezagsvoorziening voor de zoon. Het raadsonderzoek betreffende de voorlopige ondertoezichtstelling van de zoon is tegelijkertijd uitgevoerd.

2.9 Klaagster heeft op 28 augustus 2016 een klachtbrief gestuurd naar de regiodirecteur van de Raad. Naar aanleiding hiervan heeft op 13 oktober 2016 een klachtgesprek plaatsgevonden. Op 30 november 2016 zijn de ingediende klachten van klaagster door de Raad ongegrond verklaard.

2.10 Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1 Klaagster heeft een aantal klachtonderdelen geformuleerd. Het College verwijst voor de volledige weergave van de klacht naar het klaagschrift, de bijlagen en aanvullingen, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

3.2 Klaagster verwijt beklaagden in de kern samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

Klachtonderdeel 1

Beklaagden hebben zeer ondeugdelijk onderzoek uitgevoerd. De raadsonderzoekers hebben feiten verdraaid en niet vermeld in het raadsrapport. Beweringen van de vader over klaagster zijn aangenomen zonder enige verificatie. Hierdoor is een onjuiste beeldvorming over klaagster ontstaan.

Klachtonderdeel 2

Beklaagden hebben geen referenten en deskundigen geraadpleegd. Beklaagden hebben moedwillig informatie uit deskundigenrapporten achtergehouden.

Klachtonderdeel 3

Beklaagden hebben alleen de mening van de voormalige gezinsvoogd aangenomen. Deze gezinsvoogd heeft ernstig gefaald en is daarom inmiddels niet meer betrokken. Klaagster heeft nooit toestemming gegeven om voornoemde gezinsvoogd als informant te benaderen.

Klachtonderdeel 4

Beklaagden hebben zich niet aan het eigen onderzoeksplan gehouden. Zo zijn rapporten en stukken van de hulpverleningsinstelling [de instelling] niet geraadpleegd, ondanks het feit dat deze organisatie de ouders een jaar heeft begeleid. Voorts zijn de andere in het gezin verblijvende kinderen niet betrokken in het onderzoek. De Raad had ook de zorgen over de andere kinderen, verblijvend in het gezin van de vader, moeten onderzoeken.
Klaagster kreeg ná de uithuisplaatsing van de zoon slechts drie werkdagen de tijd om inhoudelijk op het raadsrapport te reageren, in plaats van de wettelijke zeven werkdagen die hiervoor staan.

Klachtonderdeel 5

Beklaagden hebben nagelaten om een deskundigenonderzoek in te stellen. Onderzoek naar de uitspraken die de zoon over zijn vader deed en onderzoek naar de terugval in het gedrag van de zoon (wat ook door derden is waargenomen), is niet uitgevoerd ten tijde van het raadsonderzoek. Indien gedegen onderzoek naar de zoon is uitgevoerd, verzoekt klaagster beklaagden om de naam van de onderzoeker en diens rapport te overleggen.

Klachtonderdeel 6

Beklaagden hebben onjuiste conclusies getrokken. Het weghalen van de zoon bij klaagster, uit zijn vertrouwde omgeving, is gebeurd zonder dat sprake is geweest van zeer ernstige gronden die objectief en feitelijk door de Raad onderbouwd zijn.

Klachtonderdeel 7

Beklaagden hebben klaagster en haar kinderen onjuist bejegend. In het rapport zijn uitspraken en stellingen vermeld die klaagster niet heeft gedaan. Beklaagden hebben voorts de dochter van klaagster op een onjuiste manier ingelicht over de (spoed)uithuisplaatsing van de zoon.

Klachtonderdeel 8

Beklaagden hebben het definitieve raadsrapport nooit aan klaagster gezonden. Klaagster is ook niet op de mogelijkheid gewezen dat vanaf dat moment nog twee weken waren om wijzigingen aan te brengen.

Klachtonderdeel 9

Beklaagden hebben nagelaten om een folder te overhandigen die toelicht wat het ‘verhoor’ van het kind bij de Raad inhoudt. Beklaagden hebben nagelaten om klaagster te wijzen op de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon van het kind gedurende het verhoor aanwezig te laten zijn.

Klachtonderdeel 10

Beklaagden hebben het raadsrapport met een zeer vooringenomen houding geschreven. Gedegen rapporten en feiten van een GZ-psycholoog zijn bewust uit de rapportage gehouden.

Klachtonderdeel 11

Beklaagden hebben zaken die klaagster heeft gemeld, over stalkmeldingen en het stoken van de vader in de familie van de vader van de dochter, volledig weggelaten in het rapport. Daarentegen is een verhaal verzonnen door beklaagden betreffende klaagster en haar relatie met mannen. Uit het tweede raadsrapport blijkt hierover ook het tegendeel.

Klachtonderdeel 12

De partner van de vader is advocaat en heeft een familierechtspraktijk bij de rechtbank en is derhalve goed bekend met veel raadsmedewerkers.

4 Het verweer

4.1 Beklaagden hebben verweer gevoerd. Het College verwijst voor de volledige weergave van het verweer naar het verweerschrift, de bijlagen en de aanvulling hierop, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. Beklaagden menen dat hun geen verwijt gemaakt kan worden en stellen zich in de kern samengevat en zakelijk weergegeven op het volgende.

Klachtonderdeel 1

De Raad doet onafhankelijk onderzoek en bekijkt alle beschikbare informatie die tijdens het onderzoek verkregen wordt. Op basis hiervan wordt multidisciplinair overleg gevoerd om zo kritisch en objectief mogelijk te blijven kijken naar alle beschikbare informatie om van daaruit de rechtbank te adviseren.
Beklaagden menen dat zij dit tijdens dit onderzoek ook op deze wijze hebben gedaan.

Klachtonderdeel 2

Beklaagden hebben als raadsonderzoeker getracht om een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de situatie van de zoon en in overleg en/of samenspraak met de ouders informanten benaderd. Raadonderzoekers hebben geen enkel belang om informatie moedwillig achter te houden. Daarnaast hebben de ouders de tijd gekregen om op het conceptrapport te reageren. Klaagster heeft niet binnen de afgesproken inzagetermijn gereageerd.

Klachtonderdeel 3

Aan klaagster is bij het huisbezoek op 12 april 2016 medegedeeld dat in het onderzoek informanten benaderd worden, waaronder de GI. Klaagster heeft op 26 april 2016 de toestemmingsverklaring ondertekend. Beklaagden verwijzen hierbij naar bijlage 7. Daarnaast hebben de informanten akkoord gegeven op de door hen aangeleverde informatie. Beklaagden verwijzen hierbij naar bijlage 8. Beklaagden stellen dat zij hiermee conform de interne richtlijnen hebben gehandeld.

Klachtonderdeel 4

Beklaagden hebben het onderzoek vormgegeven zoals het kwaliteitskader voorschrijft; er is regelmatig overleg gepleegd over de te nemen stappen en de ouders zijn hierover geïnformeerd. Zowel de andere kinderen in het gezin van klaagster als die in het gezin van de vader zijn betrokken geweest tijdens het onderzoek. Er zijn geen zorgen over de andere kinderen van de vader door professionals aan de Raad gemeld.

Klachtonderdeel 5

De Raad heeft – na een intern overleg – besloten geen psychoseksueel onderzoek bij de zoon te adviseren, omdat de Raad de meerwaarde daarvan niet zag. Beklaagden verwijzen hiervoor naar pagina 7 van bijlage 4 (het raadsrapport). Ook zijn deze punten besproken in de klachtbeslissing van de Raad. De Raad heeft in het rapport geschreven dat diverse observaties in de afgelopen jaren gedaan zijn door verschillende hulpverleners.

Klachtonderdeel 6

Na het onderzoek zijn, samen met de gedragswetenschapper en de jurist, zorgvuldig de krachten en zorgen afgewogen en vanuit hier zijn, namens de Raad, conclusies getrokken.

Klachtonderdeel 7

Beklaagden hebben gedurende het gehele onderzoek open en transparant gewerkt, waarbij te allen tijde geprobeerd is de communicatie met klaagster te behouden. Tevens heeft beklaagde er alles aan gedaan om zorgvuldig met zowel klaagster als de zoon en de dochter om te gaan.

Klachtonderdeel 8

Uit het contactjournaal blijkt dat de definitieve versie van het raadsrapport naar klaagster is gezonden. Beklaagden betreuren het dat klaagster het definitieve raadsrapport kennelijk niet heeft ontvangen. De Raad heeft, na de klachtenprocedure bij de Raad, klaagster alsnog een afschrift van het definitieve raadsrapport gezonden, na invoeging van de door klaagster ingebrachte punten. Het klopt overigens niet dat na het definitieve raadsrapport nog twee weken aan ouders de ruimte geboden wordt om te reageren en wijzigingen aan te brengen, zie het kwaliteitskader 2015, pagina 12.

Klachtonderdeel 9

Aan beide ouders is toestemming gevraagd om de zoon te spreken. Klaagster heeft hiervoor haar toestemming gegeven. Beklaagden verwijzen hierbij naar bijlage 6. De Raad, blijkens ook de klachtbeslissing, weet niet op welke folder klaagster doelt. Het klopt dat beklaagden klaagster niet expliciet hebben gewezen op de mogelijkheid dat een vertrouwenspersoon bij het gesprek met de zoon aanwezig kon zijn. Vanwege de – goede – verstandhouding met klaagster zijn beklaagden ervan uitgegaan dat klaagster eventuele twijfels over het alleen spreken met de zoon zou hebben geuit.

Klachtonderdeel 10

Het is beklaagden niet duidelijk op welke rapporten en feiten van een GZ-psycholoog klaagster doelt. Hulpverleningsinstelling [de instelling] is benaderd tijdens het onderzoek en de door hen beschikbaar gestelde informatie is opgenomen in het rapport.

Klachtonderdeel 11

De zorgen van klaagster over het handelen van vader en zijn gezin staan vermeld in het raadsrapport. Het verhaal van klaagster over haar relatie met mannen is opgenomen omdat klaagster dit aan beklaagden heeft verteld. Nu klaagster niet binnen de inzagetermijn heeft gereageerd, is dit verhaal in het rapport niet gewijzigd door beklaagden. In de klachtbeslissing van de Raad is overigens vastgelegd dat het rapport alsnog gewijzigd gaat worden met de punten die klaagster na de zitting destijds heeft ingebracht.

Klachtonderdeel 12

Raadsonderzoekers hebben gedurende het onderzoek niet of nauwelijks met advocaten van doen, en indien dit wel het geval is, is dit slechts op een beroepsmatige manier. De partner van vader is in het onderzoek eenmalig gesproken, en wel in haar rol als partner van vader.

4.2 Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de ontvankelijkheid

5.1 Het College stelt het volgende vast. Ter zitting heeft klaagster verklaard dat zij over beklaagden gelijkluidend beoogt te klagen. Beklaagden hebben verklaard gezamenlijk verweer te voeren en zich ieder afzonderlijk voor het geheel verantwoordelijk te stellen.

5.2 Het College zal de klachten, nu deze voor ieder der beklaagden als gelijkluidend dient te worden aangemerkt en nu beklaagden zich ieder voor het geheel verantwoordelijk stellen, in één beslissing afdoen.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

6.1 Het College wijst allereerst op het volgende.

6.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

6.1.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

6.1.3 Het College overweegt en oordeelt het volgende.

6.2 Klachtonderdeel 1

Het College stelt vast dat klaagster ten bewijze van de stelling dat beklaagden zeer ondeugdelijk onderzoek hebben uitgevoerd een aantal stellingen aanvoert. Het College ziet in de schriftelijke stukken in deze procedure en op grond van hetgeen ter zitting is verhandeld geen houvast voor deze stellingen en derhalve geen aanleiding om te oordelen dat beklaagden hebben gehandeld zoals klaagster stelt.
Klachtonderdeel I is derhalve ongegrond.

6.3 Klachtonderdeel 2, 5 en 10

Het College neemt klachtonderdeel 2, 5 en 10 tezamen en overweegt als volgt.
Het College stelt vast dat klaagster het verwijt dat beklaagden moedwillig informatie hebben achtergehouden uit de rapportage, niet onderbouwt. Het College ziet in de schriftelijke stukken in deze procedure en op grond van hetgeen ter zitting is verhandeld geen aanleiding om te oordelen dat beklaagden hebben gehandeld zoals klaagster stelt.
Het College stelt vast dat beklaagden op het verwijt dat het rapport ondeugdelijk tot stand is gekomen nu er geen deskundigenonderzoek is ingesteld als volgt verweer voeren.
Beklaagden hebben met ouders gesproken over het inzetten van een psychologisch onderzoek bij ouders. De hulpverleningsinstantie [de instelling] had dit in het kader van hun hulpverleningstraject aangedragen, maar dit was bij hen niet van de grond gekomen. De visie van beide ouders op een dergelijk onderzoek is in het raadsonderzoek opgenomen. De Raad heeft in een intern multidisciplinair overleg gesproken over de noodzaak voor het inzetten van een psychologisch onderzoek naar ouders. Beklaagden hebben geoordeeld dat dit onderzoek geen informatie naar voren zou brengen waardoor een ander of nieuw licht op de onderzoeksvragen zou worden geworpen.
De Raad heeft na intern overleg en onder afweging van de voor- en nadelen van het inzetten van het psychoseksueel onderzoek bij de zoon, besloten om daartoe niet te adviseren omdat de Raad en beklaagden op dat moment de meerwaarde daarvan niet zagen.
Het College oordeelt dat het verwijt van klaagster in het licht van het verweer geen stand houdt.
Klachtonderdeel 2, 5 en 10 zijn ongegrond.

6.4 Klachtonderdeel 3

Het College stelt vast dat beklaagden als volgt verweer voeren op het verwijt dat de voormalig gezinsvoogd als informant is geraadpleegd.
Aan klaagster is bij het huisbezoek op 12 april 2016 meegedeeld dat in het onderzoek informanten benaderd worden, waaronder de GI. Klaagster heeft op 26 april 2016 de toestemmingsverklaring ondertekend.
Het klachtonderdeel voor zover inhoudend dat beklaagden zonder toestemming van klaagster informatie bij de voormalig gezinsvoogd hebben opgevraagd, houdt derhalve geen stand.

Het klachtonderdeel voor zover inhoudend dat beklaagden alleen de mening van de voormalige gezinsvoogd hebben aangenomen, wordt door klaagster niet onderbouwd. Het College stelt bovendien vast dat uit het dossier blijkt dat ook, onder meer, de school van de zoon om informatie over de zoon is gevraagd.
Het klachtonderdeel houdt derhalve ook voor het overige geen stand.
Klachtonderdeel 3 is ongegrond.

6.5 Klachtonderdeel 4

Het College stelt vast dat beklaagden gemotiveerd en als volgt verweer voeren op het verwijt van klaagster dat rapporten en stukken van de hulpverleningsinstelling [de instelling] niet zijn geraadpleegd door beklaagden en dat de andere kinderen niet zijn betrokken in het onderzoek.
Er is door beklaagden regelmatig overleg gepleegd over de te nemen stappen en de ouders zijn hierover geïnformeerd. Zowel de andere kinderen in het gezin van klaagster als die in het gezin van de vader zijn betrokken geweest tijdens het onderzoek. Door professionals zijn geen zorgen over de andere kinderen van de vader aan de Raad gemeld.
Het College acht aannemelijk dat beklaagden hebben gehandeld als door hen beschreven en ziet voorts in de schriftelijke stukken in deze procedure en op grond van hetgeen ter zitting is verhandeld geen aanleiding om te oordelen dat beklaagden op dit onderdeel onzorgvuldig hebben gehandeld.
Het College stelt voorts vast dat, wat er zij van het verwijt van klaagster dat zij na de uithuisplaatsing van de zoon zeven werkdagen had dienen te krijgen om een reactie te kunnen geven op de conceptrapportage, klaagster bij handhaving van dit onderdeel van klachtonderdeel 4 geen belang meer heeft waardoor daaraan de grondslag komt te ontvallen, nu door gemachtigde van beklaagden ter zitting is toegezegd dat zij bij de Raad zal bewerkstelligen dat feitelijke onjuistheden uit de eerste raadsrapportage niet in de nieuw op te stellen rapportage zullen worden opgenomen en dat een gesprek zal worden belegd, waarin klaagster haar punten over de rapportage zal kunnen inbrengen en waarin de Raad zal afwegen welke wijzigingen kunnen worden aangebracht.
Klachtonderdeel 4 is ongegrond.

6.6 Klachtonderdeel 6

Het College stelt vast dat klaagster het verwijt dat beklaagden onjuiste conclusies hebben getrokken en dat de uithuisplaatsing van de zoon is gebeurd zonder dat sprake was van gronden die objectief en feitelijk door de Raad onderbouwd zijn, niet onderbouwt.
Het College ziet in de schriftelijke stukken in deze procedure en op grond van hetgeen ter zitting is verhandeld geen houvast voor deze stellingen en derhalve geen aanleiding om te oordelen dat beklaagden hebben gehandeld zoals klaagster stelt.
Klachtonderdeel 6 is ongegrond.

6.7 Klachtonderdeel 7, 8 en 11

Het College neemt klachtonderdeel 7, 8 en 11 tezamen. Het College leest daarin de grief dat de raadsrapportage uitspraken en stellingen bevat die klaagster niet zou hebben gedaan en dat door klaagster ingebrachte informatie ontbreekt.
Het College stelt hiertoe het volgende vast. De Raad heeft, na de klachtenprocedure bij de Raad, klaagster alsnog een afschrift van het definitieve raadsrapport gezonden en heeft in oktober 2016 met een brief aan klaagster meegedeeld dat overeengekomen aanpassingen verwerkt zouden worden. Klaagster stelt dat zij sindsdien daarop niets meer heeft gehoord van de Raad. De gemachtigde van beklaagden heeft ter zitting verklaard dat zij bij de Raad zal bewerkstelligen dat feitelijke onjuistheden uit de eerste raadsrapportage niet in de nieuw op te stellen rapportage zullen worden opgenomen. Gemachtigde heeft, op verzoek van gemachtigde van klaagster ter zitting, toegezegd dat een gesprek zal worden belegd, waarin klaagster haar punten over de rapportage zal kunnen inbrengen en waarin de Raad zal afwegen welke wijzigingen kunnen worden aangebracht.
Het College overweegt dat klaagster bij handhaving van de klachtonderdelen 7, 8 en 11 geen belang meer heeft waardoor daaraan de grondslag komt te ontvallen.
Het College beoordeelt klachtonderdeel 7, 8 en 11 daarom als ongegrond.

6.8 Klachtonderdeel 9

Het College stelt vast dat beklaagden als volgt verweer voeren op de klacht dat zij klaagster onvoldoende hebben geïnformeerd over de wijze waarop met een jeugdige door raadsonderzoekers wordt gesproken en dat zij hebben nagelaten te wijzen op de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon gedurende het onderzoek voor de zoon aanwezig te laten zijn.
Beklaagden hebben aan beide ouders toestemming gevraagd om de zoon te spreken. Klaagster heeft hiervoor haar toestemming gegeven. De Raad, blijkens ook de klachtbeslissing, weet niet op welke folder klaagster doelt. Het klopt dat beklaagden klaagster niet expliciet hebben gewezen op de mogelijkheid dat een vertrouwenspersoon bij het gesprek met de zoon aanwezig kon zijn. Vanwege de – goede – verstandhouding met klaagster zijn beklaagden ervan uitgegaan dat klaagster twijfels over het spreken met de zoon zonder aanwezigheid van een vertrouwenspersoon, zou hebben geuit.
Het College overweegt als volgt. Nog daargelaten het feit dat klaagster niet nader beschrijft welke folder beklaagden zouden hebben nagelaten te overhandigen aan klaagster, motiveert klaagster niet nader waarom de wijze waarop beklaagden klaagster en de zoon over het raadsonderzoek hebben geïnformeerd in strijd is met de voor beklaagden geldende professionele standaard.
Het College ziet in de schriftelijke stukken in deze procedure en op grond van hetgeen ter zitting is verhandeld geen aanleiding om te oordelen dat beklaagden op dit punt in strijd met de voor hen geldende professionele standaard hebben gehandeld.
Klachtonderdeel 9 is ongegrond.

6.9 Klachtonderdeel 12

Het College stelt vast dat klaagster stelt dat de partner van de vader advocaat is en een familierechtspraktijk bij de rechtbank heeft en derhalve goed bekend is met veel raadsmedewerkers.
Het College stelt vast dat het in deze stelling geen klacht kan lezen.
Klachtonderdeel 12 is ongegrond.

7 Beslissing

7.1 Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

7.2 Aldus gedaan op 28 april 2017 en op diezelfde datum door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns
voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs
secretaris