Een minderjarige dient een klacht in tegen de jeugdbeschermer, omdat zij vindt dat sprake is van gedwongen omgang met haar vader en dat er niet naar haar geluisterd wordt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter;
Mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als gezinsvoogd bij [de GI], hierna te noemen: de GI.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar moeder, [naam moeder] (verder te noemen: de moeder), en haar meerderjarige zus, [naam zus] (verder te noemen: de zus), als gemachtigden.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. J. Stappaerts-Zijlmans, advocaat.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 14 oktober 2016, met de bijlagen en de aanvulling(en) hierop;
– het verweerschrift van 13 februari 2017, met de bijlagen en de aanvulling(en) hierop.

1.2

Gelet op het feit dat klaagster nog geen twaalf jaar is, en derhalve ten tijde van de indiening van haar klacht overeenkomstig het Tuchtreglement versie 1.1 niet bevoegd was om zelfstandig een tuchtprocedure bij het College van Toezicht aanhangig te maken, heeft SKJ klaagster gevraagd zich te laten bijstaan door een volwassene, welke volwassene zou kunnen volstaan met een gedateerde en ondertekende brief aan SKJ. Zowel klaagsters moeder als klaagsters zus hebben vervolgens schriftelijk aangegeven dat zij de klacht van klaagster ondersteunen, waarna zij als gemachtigden zijn aangemerkt.

1.3

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017 in aanwezigheid van beklaagde en de advocaat van beklaagde. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen; haar gemachtigden evenmin.
De moeder van klaagster heeft SKJ op 14 mei 2017 per e-mail bericht dat de afspraak van de zijde van klaagster niet door kan gaan in verband met een begrafenis; van dit bericht heeft SKJ eerst op 30 mei 2017 kennis kunnen nemen omdat het niet verzonden was aan een van de eerder in de onderhavige zaak door SKJ gebruikte emailadressen maar aan een ander emailadres, van een werknemer die vanwege vakantie gedurende langere tijd afwezig was. Het College ziet in dit emailbericht van 14 mei 2017 geen aanleiding de zaak niet alsnog af te doen, reeds omdat er van de zijde van klaagster weliswaar is aangegeven dat de afspraak niet door kan gaan, maar er geen verzoek om aanhouding is gedaan.

1.4

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is geboren op [geboortedatum] 2005. Zij woont bij de moeder.

2.2

De relatie tussen de moeder en de vader van klaagster is verbroken.

2.3

Bij beschikking van 23 maart 2016 is klaagster onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. De kinderrechter overweegt –voor zover in deze van belang- als volgt:
“Vaststaat dat [klaagster] de vader ruim een jaar niet meer heeft gezien en geen contact heeft met hem. Uit de hiervoor weergegeven passages van het raadsrapport volgt dat de moeder [klaagster] daarin negatief beïnvloedt, omdat de moeder de behoefte van [klaagster] om zaken met haar vader te willen uitpraten negeert. De raad wijt dit met name aan de negatieve ervaringen die de moeder met de vader zegt te hebben gehad. Ter zitting komt deze negatieve beïnvloeding naar voren wanneer de moeder verklaart dat zij niets doet om de omgang op gang te brengen, omdat de vader voor haar verleden tijd is. Uit het raadsrapport volgt dat uit onderzoek blijkt dat bovenstaande ontwikkelingen negatieve gevolgen kunnen hebben wat betreft de identiteitsontwikkeling en het zelfvertrouwen van [klaagster]. Dit is een zorg die de kinderrechter deelt met de raad.
Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de emotionele ontwikkeling van [klaagster]. De moeder lijkt [klaagster] weinig ruimte te geven om een eigen mening te vormen en een eigen identiteit te ontwikkelen, als die afwijkt van hetgeen de moeder graag zou willen zien. Zo volgt uit het raadsrapport dat de moeder niet wilde dat er apart met [klaagster] werd gesproken en dat het gesprek met een raadsvertegenwoordigster en [klaagster] daarom onder begeleiding van de moeder heeft plaatsgevonden. Uit het rapport volgt dat de moeder tijdens dat gesprek erg moeilijk in staat was om [klaagster] alleen aan het woord te laten. Zij vulde [klaagster] regelmatig aan, onderbrak [klaagster] en ventileerde menig keer haar eigen mening. [klaagster] heeft, zo volgt uit het raadsrapport, meermaals aangegeven behoefte te hebben aan contact met de vader. Zo heeft [klaagster] in een gesprek met Veilig Thuis aangegeven dat zij haar vader een beetje mist maar dat de moeder dat niet mag weten omdat zij dan boos op [klaagster] wordt. Verder heeft zij aangegeven dat zij wel de behoefte heeft om, met hulp, zaken met de vader uit te praten en dat zij in principe dan wel weer contact met haar vader wil.”
Bij beschikking van 3 november 2016 van het gerechtshof is genoemde beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

2.4

Bij beschikking van 17 oktober 2016 heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over klaagster voortaan aan de moeder en de vader gezamenlijk toekomt. Voorts is in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld dat de vader gerechtigd is tot contact met klaagster gedurende een weekend in de veertien dagen alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de gezinsvoogd de regie heeft over het tempo en de wijze waarop wordt opgebouwd naar de vastgestelde regeling.

2.5

Beklaagde is werkzaam als gezinsvoogd bij de GI en sinds de uitgesproken ondertoezichtstelling belast met de uitvoering hiervan. Beklaagde is namens de GI dan ook contactpersoon voor klaagster en haar ouders.

2.6

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

I

Dat beklaagde klaagster dwingt om omgang te hebben met haar vader, terwijl zij dat niet wil;

Toelichting:
Klaagster geeft aan dat haar vader een pedofiel is en dat hij haar zus seksueel heeft misbruikt. Ook heeft haar vader aan de borsten van klaagster gezeten. Verder zegt de vader dat hij niet de vader is van de andere zus van klaagster, en dat hij haar al jaren laat barsten.

II

Dat beklaagde niet naar klaagster luistert.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I en II

Beklaagde verwijst naar de overwegingen van de kinderrechter die ten grondslag lagen aan de beslissing tot ondertoezichtstelling, overeenkomstig het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad). Zij geeft aan dat het aan haar als gezinsvoogd was om de standpunten van de beide ouders in kaart te brengen en de mogelijkheden van contactherstel te onderzoeken. Ondanks verschillende pogingen lukte het beklaagde niet inhoudelijk met moeder hierover te spreken. Beklaagde geeft aan dat vader al voor de aanvang van de ondertoezichtstelling een verzoek bij de rechtbank had ingediend ter zake een omgangsregeling, dat de rechtbank op 17 oktober 2016 een omgangsregeling vaststelde en bepaalde dat zij als gezinsvoogd de regie had over het tempo en de wijze waarop werd opgebouwd. Aangezien de moeder het gesprek met beklaagde niet aanging en ook de vader afspraken niet nakwam waarmee duidelijk werd dat het op gang brengen van omgang ook bij hem geen prioriteit had, nam de GI begin januari 2017 de beslissing om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken. De Raad diende vervolgens wel een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in, hetgeen door de rechter werd toegewezen.
Beklaagde geeft aan dat zij graag het gesprek met klaagster wilde aangaan maar daarvoor eerst meer achtergrondinformatie (onder meer de standpunten van de ouders) wilde vernemen van beide ouders. Aangezien dit niet is gelukt, heeft zij geen gesprek gehad met klaagster. Klaagster stuurde beklaagde op 11 april 2016 een emailbericht waarin zij aangaf dat zij met rust gelaten wilde worden, niet wilde praten en niet naar de vader wilde. Hierop zond beklaagde klaagster de dag erna een mail waarin zij aangaf dat zij graag het gesprek met klaagster wilde aangaan nadat zij de moeder had gesproken. Hierop mailde klaagster dat zij niet met beklaagde wenste te praten.
Deze mailwisseling maakte volgens beklaagde des te duidelijker dat beklaagde eerst met de moeder moest gaan praten om te doorgronden waar de hartgrondige weerstand van klaagster vandaan kwam en in hoeverre die ingegeven werd door moeder. Beklaagde heeft aangegeven dat zij weliswaar heeft overwogen klaagster rechtstreeks te benaderen, maar dat dit rechtstreeks benaderen niet lukte omdat de moeder alle contact en informatie tegenhield en het niet mogelijk is gebleken de moeder te omzeilen.
Beklaagde geeft aan dat niet zij heeft besloten dat er omgang met de vader dient plaats te vinden. De rechter heeft dat besloten. Het is aan beklaagde deze beschikking uit te voeren. Beklaagde geeft aan dat zij geen druk bij klaagster heeft neergelegd.
Beklaagde meent dat zij evenmin voorbij is gegaan aan hetgeen klaagster in haar mail aangaf te willen. Zij wilde echter nog wel een gesprek met haar hierover aangaan. Uiteindelijk is dit niet gebeurd vanwege de houding van de ouders. Beklaagde meent dan ook dat niet gezegd kan worden dat zij klaagster niet serieus heeft genomen en niet naar haar mening heeft geluisterd. Beklaagde betreurt het dat klaagster de dupe wordt van de houding van haar ouders maar stelt zich op het standpunt dat zij er alles aan heeft gedaan om deze houding van ouders te veranderen, hetgeen helaas niet is gelukt.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde haar dwingt om omgang te hebben met haar vader, terwijl zij dat niet wil, overweegt het College dat vast is komen te staan dat er geen omgang tot stand is gekomen tussen de vader en klaagster, en dat er reeds om die reden er geen sprake van is dat beklaagde klaagster heeft gedwongen, zoals zij stelt. Voorts acht het College van belang dat blijkens de beschikking van 23 maart 2016 aan de beslissing klaagster onder toezicht te stellen onder andere ten grondslag lag dat klaagster haar vader al geruime tijd niet meer heeft gezien, en geen contact meer met hem heeft, en dat zulks en de negatieve beïnvloeding van klaagster door de moeder dienaangaande een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van klaagster. Daarnaast neemt het College in aanmerking dat bij beschikking van 17 oktober 2016 een omgangsregeling is vastgesteld tussen klaagster en de vader, en dat is bepaald dat de gezinsvoogd -beklaagde- de regie heeft over het tempo en de wijze van de opbouw naar de vastgestelde regeling.
Een en ander tezamen genomen, leidt tot het oordeel van het College dat het tot de taak van beklaagde als gezinsvoogd behoorde te trachten uitvoering te geven aan de vastgestelde omgangsregeling. Een en ander heeft tot gevolg dat beklaagde is gebleven binnen de grenzen van hetgeen van haar in haar beroepsmatig handelen verwacht mag worden.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

II

Het tweede klachtonderdeel waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde niet naar haar luistert, is evenmin gegrond. Beklaagde heeft immers onweersproken verklaard dat klaagster op 11 april 2016 aan beklaagde heeft laten weten dat zij niet wilde dat beklaagde contact met haar opnam en niet naar haar vader wilde, dat beklaagde vervolgens niet eerder contact met klaagster heeft willen opnemen dan nadat zij de moeder had gesproken om de achtergrond van de weerstand te onderzoeken, en dat het vervolgens niet tot contact tussen beklaagde en klaagster is gekomen en evenmin tot contact tussen klaagster en de vader. Gelet op het voorgaande acht het College niet aannemelijk geworden dat beklaagde niet naar klaagster heeft geluisterd, zoals klaagster stelt. Ook overigens is niet gebleken dat beklaagde niet naar klaagster zou hebben geluisterd.

5.3

Ten overvloede overweegt het College het volgende:

Het College wijst klaagster erop dat de krenkende bewoordingen die klaagster in haar klachten, bijlagen en toelichting op de klachten gebruikt in de toekomst aanleiding kunnen zijn om klachten niet inhoudelijk in behandeling te nemen.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 14 juli 2017 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
Mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris