De jeugdbeschermer wordt onder andere verweten niet aan waarheidsvinding te hebben gedaan en vooringenomen te zijn.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M.H. Bijnoe, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. B. Marell.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als medewerker jeugdbescherming bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam gemachtigde].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J. Stappaerts-Zijlmans, werkzaam bij Claassen Advocaten.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 5 oktober 2016 met de bijlage, binnengekomen op 7 oktober 2016;
– het verweerschrift met de bijlagen, binnengekomen op 24 november 2016;
– de uitspraak van de klachtencommissie van de GI van 2 mei 2016, op verzoek van het College overgelegd door de gemachtigde van beklaagde, binnengekomen op 22 maart 2017;
– het contactjournaal van 22 januari 2016, op verzoek van het College overgelegd door beklaagde, binnengekomen op 23 maart 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en hun gemachtigden zoals voornoemd. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest: [naam toehoorder] [(functie toehoorder)].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [dochter 1], geboren op [geboortedatum] 2000, [dochter2], geboren op [geboortedatum] 2003 en [zoon], geboren op [geboortedatum] 2005, hierna: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, zijn sinds 2014 gescheiden. Klager en de moeder oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

2.3

In het ouderschapsplan is de zorgregeling tussen klager en de kinderen vastgesteld. Dit ouderschapsplan is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking d.d. 4 december 2014.

2.4

De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 3 september 2015 de kinderen onder toezicht gesteld van 3 september 2015 tot 3 september 2016. De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 31 augustus 2016 de ondertoezichtstelling (verder: OTS) van de kinderen verlengd tot 3 september 2017.

2.5

In een overleg tussen de GI en de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) d.d. 28 september 2015 heeft de Raad geadviseerd het contact tussen klager en de kinderen tijdelijk te stoppen. De GI heeft dit advies telefonisch met klager en de moeder besproken. Op 8 oktober 2015 is door de GI aan klager schriftelijk bevestigd dat het contact tussen klager en de kinderen opgeschort is met ingang van 28 september 2015.

2.6

Beklaagde heeft namens de GI op 15 februari 2016 de kinderrechter verzocht een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen c.q. te wijzigen. De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 6 april 2016 de voornoemde zorgregeling gewijzigd. In die zin dat klager het recht op omgang met de kinderen is ontzegd.

2.7

Op 2 mei 2016 heeft de klachtencommissie van de GI uitspraak gedaan naar aanleiding van de klachten die door klager zijn ingediend. Deze klachtencommissie heeft het eerste klachtonderdeel deels ongegrond en deels gegrond verklaard, voorts zijn klachtenonderdelen twee en drie gegrond verklaard.

2.8

Zowel op 15 februari 2016 als op 24 juni 2016 heeft vanuit de GI een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen klager, beklaagde en de teammanager van beklaagde.

2.9

Beklaagde is werkzaam als medewerker jeugdbescherming bij de GI en is sinds 12 januari 2016 als derde gezinsvoogd belast met de uitvoering van de uitgesproken OTS. Derhalve is beklaagde namens de GI contactpersoon voor klager, de moeder en de kinderen.

2.10

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klager beklaagde het volgende:

I

Beklaagde heeft geweigerd contactjournaals en het dossier naar klager toe te sturen. Ondanks dat klager dit zowel schriftelijk als telefonisch meermaals verzocht heeft.

II

Beklaagde heeft nooit aan waarheidsvinding gedaan en dit heeft gemaakt dat zij zich partijdig – aan de zijde van de moeder – heeft opgesteld. Dit is bevestigd in een uitgelekt e-mailbericht van januari 2016, afkomstig van beklaagde en gericht aan haar collega(‘s). In dit bericht is klager compleet belachelijk gemaakt.

III

Beklaagde is vanaf het begin van haar betrokkenheid vooringenomen geweest en is op basis van verhalen van de moeder tot de conclusie gekomen dat klager psychisch labiel is. Deze conclusie heeft vervolgens gemaakt dat beklaagde de rechter verzocht heeft klager het recht op omgang met zijn kinderen te ontzeggen. Voorts heeft beklaagde (bij herhaling) geweigerd contact te onderhouden met zowel klager als opa (vaderszijde). Ondanks dat dit contact zou bijdragen aan een breder perspectief van beklaagde. Hoewel opa (vaderszijde) beklaagde ook rechtstreeks verzocht heeft contact met hem op te nemen, heeft beklaagde een lange periode niet gereageerd op de berichten van opa (vaderszijde). Ook na de uitspraak van de klachtencommissie van de GI, waarin de klachten (deels) gegrond zijn verklaard, is onvoldoende sprake geweest van hoor en wederhoor.

IV

Beklaagde heeft geweigerd – zonder opgave van reden – om op huisbezoek te komen.

V

Beklaagde heeft de politie foutief ingelicht. Hoewel slechts sprake is geweest van het ontzeggen van het recht op omgang tussen klager en zijn kinderen, heeft beklaagde de politie bericht dat sprake is van een omgangs- en contactverbod voor klager ten opzichte van zijn kinderen.

VI

Beklaagde heeft klager verkeerd ingelicht betreffende de hulpverlening voor de kinderen, te weten het traject bij de psycholoog. Klager is verteld dat dit traject bedoeld zou zijn om de kinderen te begeleiden en weerbaarder te maken. Na één gesprek met de psycholoog, is het klager echter gebleken dat dit traject bedoeld was om te onderzoeken in hoeverre het voor de kinderen nog mogelijk zou zijn om contact te onderhouden met klager.

VII

Beklaagde heeft tijdens een zitting bij de kinderechter aangestuurd op gezagsbeëindiging van klager.

3.2

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde heeft verweer gevoerd. Beklaagde meent dat haar geen verwijt treft en stelt zich – samengevat en zakelijk weergegeven – op de volgende standpunten:

I

Klager heeft op 24 mei 2016 aan beklaagde verzocht het volledige dossier toe te sturen. Op 26 mei 2016 heeft beklaagde aan klager hierover bericht dat zij de vraag, betreffende welke gegevens aan klager verstrekt mochten worden, had uitgezet naar de juridische helpdesk. Dit mede in verband met zowel de privacy van de moeder als (met name) de oudste twee kinderen. Op 31 mei 2016 heeft klager aan beklaagde bericht dat hij afstand deed van het verstrekken van het dossier voor zover dit de twee oudste kinderen raakte. Gezien deze keuze van klager, werd besloten het resterende deel van het dossier niet naar klager op te sturen. In de correspondentie tussen beklaagde en klager in de eerste helft van juni 2016 stelde klager een aantal voorwaarden om in gesprek met beklaagde te willen gaan, waaronder het verstrekken van het resterende deel van het dossier. Aangezien er geen overeenstemming werd gevonden om in gesprek te gaan, heeft op 24 juni 2016 een tweede bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Klager is in dit gesprek niet teruggekomen op het verstrekken van dit dossier. Klager heeft recentelijk in een mailwisseling met de teammanager van beklaagde aangegeven dat beklaagde de contactjournaals niet heeft willen verstrekken. Dit bericht is door beklaagde en de teamleider als een nieuw verzoek aangemerkt. De contactjournaals betreffende het contact met klager en die deel uitmaken van dit dossier zullen worden verstrekt aan klager.

II

Beklaagde stelt dat het in het contact met de kinderen meer gaat om de beleving van de kinderen dan om de vraag of de feiten op waarheid berusten. Beklaagde heeft (alsmede de betrokken rechters) meermaals uitgebreid met de (oudste twee) kinderen gesproken. Beklaagde heeft tevens met de ouders, de wijkagent, het Centrum voor Jeugd en Gezin (verder: CJG) en de scholen van de kinderen gesproken. Beklaagde is van oordeel dat zij daardoor juist uit de strijd van de ouders is gebleven en zich heeft gericht op het belang van de kinderen zoals van haar verwacht mag worden. Beklaagde stelt dat zij zich hierin juist onpartijdig heeft opgesteld.

Het is juist dat beklaagde per abuis op 22 januari 2016 een e-mail, bestemd voor haar teammanager, heeft verzonden naar klager. Beklaagde kwam hier dezelfde dag achter en heeft hierop direct telefonisch contact opgenomen met klager. Beklaagde heeft aan klager haar excuses aangeboden en hem gevraagd of hij met haar verder kon als gezinsvoogd. Klager heeft hierop gereageerd dat hij geen problemen had met de opmerking in de e-mail en dat hij met beklaagde verder kon als gezinsvoogd.

III

Beklaagde heeft de rechter verzocht klager het recht op omgang te ontzeggen, vanwege het gegeven dat de omgang tussen klager en zijn kinderen al langere tijd door de GI stopgezet was en het niet in de lijn der verwachting lag dat op zeer korte termijn de vastgestelde omgangsregeling hervat zou worden. Beklaagde stelt dat het onjuist is dat zij niet met opa (vaderszijde) in gesprek is gegaan. Beklaagde heeft op 7 juli 2016 aan klager toestemming gevraagd om met opa (vaderszijde) een gesprek te voeren. Klager heeft niet op dit bericht gereageerd, beklaagde heeft op 8 juli 2016 een gesprek met opa (vaderszijde) gevoerd.

IV

Beklaagde is op 2 februari 2016 ’s avonds bij klager op huisbezoek geweest. Beklaagde heeft tijdens dit huisbezoek met klager onder andere besproken dat de GI voornemens was een verzoek bij de rechter in te dienen betreffende het wijzigen van de omgangsregeling tussen klager en zijn kinderen. Na deze mededeling wenste klager niet verder in gesprek te gaan met beklaagde en heeft hij beklaagde verzocht zijn huis te verlaten. Klager liet hierbij heftige emoties zien en beklaagde heeft zich niet meer veilig gevoeld. In de maanden die volgden liep de samenwerking met klager zeer moeizaam. Gezien het verloop van het huisbezoek op 2 februari 2016, heeft beklaagde onvoldoende zekerheid gevoeld dat zij zich veilig zou voelen tijdens een thuisbezoek. Dit heeft gemaakt dat beklaagde aan klager heeft bericht dat zij het gesprek met hem slechts op het kantoor van de GI wilde aangaan.

V

Beklaagde heeft naar aanleiding van de beschikking van de kinderrechter d.d. 6 april 2016 contact opgenomen met de wijkagent. Slechts de inhoud van de beschikking van de kinderrechter is gecommuniceerd met de politie. Dit telefoongesprek is schriftelijk bevestigd aan de politie d.d. 22 april 2016.

VI

De opdracht aan de psycholoog is in het evaluatie en het vervolgplan van aanpak OTS d.d. 26 juli 2016 als volgt omschreven: “Een neutrale deskundige zal in een gesprek met de kinderen kijken wat op dit moment wenselijk is in het contact.” Klager was derhalve voorafgaand aan zijn gesprek met de psycholoog bekend met de opdracht aan de psycholoog.

VII

Nu beklaagde – vanwege vakantie – niet aanwezig is geweest op de bedoelde zitting op de rechtbank d.d. 22 augustus 2016, betwist beklaagde dat zij zou hebben aangestuurd op gezagsbeëindiging van klager. Overigens heeft noch de zittingsvertegenwoordiger noch de rechter in zijn beschikking d.d. 31 augustus 2016 gerept over eenhoofdig gezag van de moeder dan wel gezagsbeëindiging van klager.

Ten overvloede merkt beklaagde op dat zij in deze casus te allen tijde heeft gehandeld in het belang van de kinderen, zorgvuldig te werk is gegaan en zich daarbij onpartijdig en respectvol heeft opgesteld richting klager. Desalniettemin is helaas de samenwerking met klager altijd stroef verlopen. Oplossingen voor de problemen, zoals begeleide omgang bij het Omgangshuis en het aanstellen van een tweede gezinsvoogd zijn meermaals door klager van de hand gewezen. Beklaagde kan hiervan geen verwijt worden gemaakt.

4.2

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

Op grond van de ingebrachte stukken en het behandelde ter zitting wordt allereerst door het College geconstateerd dat in een kort tijdsbestek, te weten binnen vier en een halve maand, beklaagde als derde gezinsvoogd is aangesteld en zodoende betrokken is geraakt bij klager. De overdracht tussen de tweede en derde gezinsvoogd is niet naar behoren verlopen. Voorts was, ten tijde van deze overdracht, de reorganisatie van de GI volop aan de gang. Deze omstandigheden hebben gemaakt dat met betrekking tot de uitvoering van de OTS in deze casus te lang gewacht is met het nemen van beslissingen. Voorts heeft beklaagde te maken gehad met het gegeven dat klager al gefrustreerd is geweest sinds de betrokkenheid van de tweede gezinsvoogd.

I

Ten aanzien van de contactjournaals stelt klager zich op het standpunt dat hij slechts een gedeelte van de contactjournaals heeft ontvangen. Het College oordeelt dat beklaagde slechts de contactjournaals naar klager mag toezenden die zien op het contact tussen beklaagde en klager. Voorts is gebleken dat aan klager het aanbod is gedaan om op het kantoor van de GI langs te komen om zijn dossier compleet te maken. Klager heeft tot op heden niet op dit aanbod gereageerd. Gelet op deze omstandigheden, oordeelt het College dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden betreffende het al dan niet ontbreken van (een gedeelte van) de contactjournaals. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

II

Uit het e-mailbericht van beklaagde van 22 januari 2016, gericht aan haar teammanager maar tevens naar klager verzonden, kan een vooringenomen standpunt ten opzichte van klager worden gelezen. Begrijpelijkerwijs heeft dit bericht bij klager de indruk achtergelaten dat beklaagde reeds een vooringenomen standpunt over hem zou hebben. Het College begrijpt echter dat op het moment dat beklaagde zich bewust werd van het gegeven dat het bericht tevens naar klager verzonden was, beklaagde dit direct telefonisch met klager besproken heeft en haar excuses richting klager heeft aangeboden. Beklaagde heeft voorts aan klager de vraag gesteld of hij met haar verder kon als gezinsvoogd. Klager heeft deze vraag bevestigend geantwoord. Het College concludeert dat vanaf dat moment gesteld kan worden dat klager zijn oordeel liet varen met betrekking tot het vooringenomen standpunt van beklaagde. Voorts heeft beklaagde gedurende het verloop van de OTS niet alleen met de ouders en kinderen gesproken, maar ook met de wijkagent, het CJG en de scholen van de kinderen. Het College is dan ook niet gebleken dat beklaagde een objectieve dan wel subjectieve vooringenomen standpunt ten opzichte van klager zou hebben. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

III

Beklaagde heeft na haar aanstelling als gezinsvoogd op 12 januari 2016 snel duidelijkheid willen scheppen in de gewijzigde omgang tussen klager en zijn kinderen en heeft terecht het verzoekschrift, betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op 15 februari 2016 ingediend bij de kinderrechter. Het College kan zich voorstellen dat deze mededeling van beklaagde, te weten: het voornemen om de omgangsregeling voor te leggen aan de kinderrechter, in het eerste gesprek op 2 februari 2016 met klager, direct duidelijk doch indringend is overgekomen. Deze mededeling heeft gemaakt dat klager beklaagde vervolgens de deur heeft gewezen. Gezien de reeds ontstane frustratie bij klager met betrekking tot de uitvoering van de OTS, is deze reactie van klager begrijpelijk te achten. Desondanks is het College voldoende gebleken dat beklaagde na dit incident meermaals, tevergeefs, geprobeerd heeft het gesprek met klager aan te gaan. Evenmin hebben de twee bemiddelingsgesprekken kunnen bijdragen aan een verbeterd contact tussen klager en beklaagde. Hoewel het College deze constatering betreurt, is hierin geen tuchtrechtelijk verwijt te maken richting beklaagde. Het College is van oordeel dat beklaagde zich voldoende heeft ingezet om het contact met klager te (willen) verbeteren. Klager stelt zich voorts op het standpunt dat beklaagde niet in gesprek heeft willen gaan met opa (vaderszijde) waardoor onvoldoende sprake is geweest van hoor en wederhoor. Beklaagde heeft verklaard dat zij op 8 juli 2016 een gesprek met opa (vaderszijde) heeft gevoerd. Het College kan uit de stukken niet opmaken of een gesprek tussen beklaagde en opa (vaderszijde) heeft plaatsgevonden. Nu de vaststelling van deze feiten ontbreekt, kan het College hier geen oordeel over geven. Het klachtonderdeel wordt in zijn geheel ongegrond verklaard.

IV

Met in acht neming van het verloop van het eerste huisbezoek en de dreiging die beklaagde vanuit klager aan het einde van dit huisbezoek gevoeld heeft, hetgeen voldoende ter zitting is uitgelegd door beklaagde, acht het College het begrijpelijk dat beklaagde hierna slechts op het kantoor van de GI met klager heeft willen afspreken. Zulks mede gelet op het gegeven dat de kinderen niet in de thuissituatie van klager woonden en het niet in de verwachting lag dat hierin op korte termijn verandering in zou komen. Beklaagde kan betreffende het weigeren van een volgend huisbezoek, na het verloop van het huisbezoek op 2 februari 2016, geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

V

Hoewel klager gesteld heeft dat beklaagde de politie foutief ingelicht heeft betreffende het omgangs- en contactverbod van klager ten opzichte van zijn kinderen, heeft klager hier geen stukken van overgelegd noch is dit het College gebleken. Ter zitting heeft beklaagde nader toegelicht waarom zij de politie na het huisbezoek van 2 februari 2016 heeft ingelicht. Zij heeft dit gedaan in het belang van de kinderen, omdat klager de kinderen mogelijk onrechtmatig bij de moeder zou weghalen. Nu niet is gebleken dat beklaagde de politie foutief heeft ingelicht en zij voorts in het belang van de kinderen heeft gehandeld, kan haar hierin geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Het klachtenonderdeel wordt ongegrond verklaard.

VI

In de evaluatie en het vervolgplan van aanpak OTS d.d. 26 juli 2016 staat op pagina elf de opdracht aan de psycholoog als volgt geformuleerd: “Het is van belang dat binnen de huidige kaders onderzocht kan worden hoe de kinderen het contact met hun vader vorm willen geven en op welk moment. Het doel daarbij is een onbelast positief contact tussen vader en de kinderen. Een neutrale deskundige zal in een gesprek met de kinderen kijken wat op dit moment wenselijk is in het contact.” Het College is van oordeel dat klager, nu hij in het bezit is van dit vervolgplan, derhalve voorafgaand aan zijn gesprek met de psycholoog bekend was c.q. redelijkerwijs bekend had moeten zijn met de opdracht die aan de psycholoog was voorgelegd. Beklaagde kan betreffende dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Het klachtenonderdeel wordt ongegrond verklaard.

VII

Hoewel klager gesteld heeft dat beklaagde tijdens een zitting op de rechtbank aangestuurd heeft op gezagsbeëindiging van klager, heeft klager betreffende dit klachtenonderdeel geen stukken overgelegd noch is het College gebleken op welke zitting klager doelt. Nu onderbouwende stukken ten aanzien van dit klachtenonderdeel ontbreken en derhalve vaststelling van de feiten ontbreekt, wordt het klachtenonderdeel ongegrond verklaard.

5.3

Het College komt op basis van het vorengaande tot de vaststelling dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 18 mei 2017 aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O Mooy, voorzitter
Mevrouw mr. B. Marell, secretaris