Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat de jeugdbeschermer het belang van het kind in het oog dient te houden en dat de jeugdbeschermer daarin zorgvuldig heeft gehandeld. Dat hij of zij een vertrouwensband met de kinderen opbouwt mag niet onder alle omstandigheden worden verwacht.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], appellante, klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

tegen:

[Verweerster], ten tijde van het beklaagde handelen werkzaam bij [GI 1], verweerster, beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Janse, werkzaam als advocaat bij Reezigt Rouwette Advocaten te Apeldoorn.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennis genomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift ontvangen op 13 oktober 2016, en de aanvulling met bijlagen hierop ontvangen op 23 november 2016;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 19 januari 2017, met bijlagen, en de aanvulling hierop met bijlagen ontvangen op 2 februari 2017;
– de door appellante tijdens de zitting bij het College van Toezicht overlegde pleitnota;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 16.133T van 23 mei 2017;
– het door appellante ingestelde beroepschrift ontvangen op 11 juli 2017, met bijlagen;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 5 september 2017;
– de door appellante tijdens de zitting van het College van Beroep overlegde pleitnota.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 11 juli 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 5 september 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 november 2017 in aanwezigheid van appellante en de hiervoor genoemde gemachtigden. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerster het College van Beroep bericht dat zij vanwege omstandigheden niet aanwezig kan zijn bij de zitting. Het College van Beroep heeft besloten dat de mondelinge behandeling ondanks de afwezigheid van verweerster toch doorgang zal vinden.

1.6

Als toehoorder van de zijde van appellante is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aanwezig geweest [vertrouwenspersoon], onafhankelijk vertrouwenspersoon […] van Zorgbelang [vestigingsplaats].

1.7

Als gevolg van een overmachtssituatie kon een lid-beroepsgenoot van het College van Beroep niet aanwezig zijn bij de mondelinge behandeling van het beroep op 22 november 2017. De voorzitter van het College van Beroep heeft daarop besloten dat deze zaak wordt behandeld door een zogenaamd klein college, dat bestaat uit de voorzitter en twee leden-beroepsgenoten. De heer mr. A.P. van der Linden, in het oorspronkelijk samengestelde college lid-jurist, heeft plaatsgenomen als toehoorder bij de zitting en heeft niet deelgenomen aan de totstandkoming van de onderhavige beslissing.

1.8

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken, op 17 januari 2018, verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen door partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, gaat het College uit van de volgende feiten:

2.1

Appellante is pleegmoeder geweest van de minderjarige kinderen [jeugdige1], geboren op [geboortedatum] 2003 (hierna te noemen: [jeugdige 1]), en [jeugdige 2], geboren op [geboortedatum] 2006 (hierna te noemen: [jeugdige 2]). Appellante is de moeder van [jeugdige 3], geboren op [geboortedatum] 2002 (hierna te noemen: [jeugdige 3]). [Jeugdige 1, 2 en 3] worden hierna gezamenlijk aangeduid als de (pleeg)kinderen.

2.2

[Jeugdige 1] is op 13 juli 2006 bij het gezin van appellante geplaatst toen zij drie jaar en drie maanden oud was, na de eerste drie jaar van haar leven bij oma moederszijde te hebben gewoond. Bij beschikking van de kinderrechter van 20 april 2011 is [jeugdige 1] onder voogdij gesteld van de voorloper van [GI 2] (hierna: GI 2).

2.3

[Jeugdige 2] heeft na haar geboorte vijf dagen bij haar biologische moeder gewoond en is daarna in een crisisgezin geplaatst. Op 6 januari 2007 is zij bij het gezin van appellante geplaatst. Bij beschikking van de kinderrechter van 14 maart 2007 is [jeugdige 2] onder voogdij gesteld van de voorloper van [GI 2].

2.4

Appellante en haar ex-partner, hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders, zijn feitelijk in 2011, maar formeel in 2012, gescheiden. [Jeugdige 1] en [jeugdige 2] hebben vanaf 5 mei 2012, na de scheiding van de pleegouders, op het nieuwe adres bij appellante gewoond, tot aan het moment van de crisisplaatsing elders op 30 september 2016.

2.5

Appellante heeft na het vertrek van de pleegkinderen een omgangsregeling met hen, waarbij zij hen eenmaal per maand een uur onder begeleiding ziet. De (voormalige) pleegvader heeft geen omgangsregeling met de (pleeg)kinderen.

2.6

[Jeugdige 1] heeft eenmaal per zes weken begeleid contact met haar biologische moeder, daarnaast is er telefonisch contact. Met haar biologische vader heeft [jeugdige 1] veel minder contact. [Jeugdige 2] heeft op 13 juli 2016 voor het eerst haar biologische moeder ontmoet.

2.7

Verweerster is sinds december 2009 als jeugdbeschermer (gezinsvoogd) verbonden aan [GI 2] en is sinds januari 2010 – in opvolging van twee eerdere voogden – de voogd van beide (pleeg)kinderen. Verweerster is bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (hierna te noemen: SKJ) geregistreerd sinds [datum] 2013. Het handelen van verweerster kan slechts vanaf deze datum getoetst worden, omdat vanaf die datum verweerster onder de Beroepscode voor Jeugdzorgwerkers valt.

2.8

Eind 2015 is door [instelling] een persoonlijkheidsonderzoek omtrent [jeugdige 1] gestart. Uit het psychodiagnostisch onderzoeksrapport van [instelling] (maart 2016) volgt dat bij [jeugdige 1] sprake is van een reactieve hechtingsstoornis en van een ontwikkeling richting een persoonlijkheidsstoornis. Ook [jeugdige 2] is door [instelling] onderzocht. Uit het psychodiagnostisch onderzoeksrapport (maart 2016) volgt dat bij [jeugdige 2] sprake is van een stoornis in de kinderleeftijd en van een ontwikkeling richting een gegeneraliseerde angststoornis.

2.9

[GI 2] heeft, naar aanleiding van de onder punt 2.8 genoemde onderzoeken, op 18 april 2016 besloten om het verblijf van [jeugdige 1] en [jeugdige 2] te wijzigen en heeft daartoe op 20 juni 2016 een verzoek vervangende toestemming tot wijziging verblijf voogdijpupil voor zowel [jeugdige 1] als [jeugdige 2] ingediend bij de rechtbank. Bij beschikking van 12 september 2016 heeft de rechtbank aan [GI 2] toestemming verleend tot wijziging van de verblijfplaats van [jeugdige 1] en [jeugdige 2].

2.10

Op 21 september 2016 heeft verweerster aan de (pleeg)kinderen verteld dat er een andere plek voor hen gevonden zal worden. Op 27 september 2016 heeft verweerster gemeld dat er een plek is gevonden in een gezinshuis. Op 30 september 2016 zijn [jeugdige 1] en [jeugdige 2] (eerst) naar een crisisplek gegaan.

2.11

Op 26 januari 2017 heeft de klachtencommissie van [GI 2] een oordeel uitgebracht, naar aanleiding van een door appellante op 29 september 2016 ingediende klacht tegen [GI 2] (met aanvulling op 1 december 2016). De klachten hebben – kort gezegd – betrekking op de overplaatsing van [jeugdige 1] en [jeugdige 2]. De commissie achtte de klachten ongegrond en heeft zich op twee onderdelen van een oordeel onthouden.

3 De ontvankelijkheid van het beroepschrift

3.1

Verweerster stelt in eerste instantie de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde en bepleit dit op basis van drie gronden. Het College van Beroep zal de ontvankelijkheid toetsen alvorens verder te gaan met de inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift.

3.2

Allereerst stelt verweerster dat appellante sinds de uithuisplaatsing op 30 september 2016 niet meer als pleegouder fungeert en dat zij zelf vanaf 10 augustus 2017 met verlof was totdat zij op 26 december 2017 met pensioen is gegaan. Dit roept volgens verweerster de vraag op welk belang appellante heeft bij een beoordeling van het beroep.

3.3

Het College neemt bij de beoordeling van deze grond in overweging dat appellante gedurende een lange periode pleegmoeder is geweest. Het verbreken van deze band betekent op zichzelf niet dat appellante daardoor geen belanghebbende meer is, waarbij aangetekend kan worden dat appellante nog omgang heeft met de (pleeg)kinderen en ook op die grond belanghebbende is in deze procedure. De omstandigheid, dat verweerster met pensioen is gegaan, maakt dit oordeel niet anders.

3.4

Als tweede grond voor de niet-ontvankelijkheid van het beroepschrift beargumenteert verweerster dat de grieven een letterlijke herhaling zijn van de klachten die zijn ingediend bij het College van Toezicht en dat om die reden het beroepschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ter zitting verwijst verweerster hierbij naar een beslissing van het College van Beroep van 7 augustus 2017, waarin volgens haar een beroepschrift om dezelfde reden niet-ontvankelijk is verklaard.

3.5

Het College van Beroep is van mening dat de grieven in beroep voldoende onderbouwd zijn. Anders dan in de door verweerster aangehaalde beslissing van 7 augustus 2017, verwijst appellante in deze zaak wel naar het oordeel van het College van Toezicht, en beschrijft zij waarom en op welke punten dit oordeel onjuist zou zijn. Ook deze grond wordt afgewezen.

3.6

Als derde grond voor de niet-ontvankelijkheid van het beroepschrift stelt verweerster dat appellante ten aanzien van grief C een oordeel verlangt over een gesprek tussen verweerster en [jeugdige 1], terwijl appellante dat niet in eerste aanleg heeft gevraagd. De grief die voorts is toegevoegd heeft betrekking op een gesprek dat heeft plaatsgevonden na de mondelinge behandeling door het College van Toezicht, waardoor dit gesprek naar de mening van verweerster niet kan worden meegenomen bij de beoordeling van het beroepschrift. In zoverre dient grief C niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.7

Het College van Beroep is van oordeel dat de ingediende stukken behorend bij grief C op zichzelf wel als illustratie kunnen dienen van de wijze waarop verweerster omging met de (pleeg)kinderen. Het College van Beroep concludeert aldus tot (algehele) ontvankelijkheid van het beroep, en zal in de verdere beoordeling inhoudelijk ingaan op de afzonderlijke grieven.

4 Algemene overwegingen

4.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de klachtonderdelen A, B, C en E (welke corresponderen met de klachtonderdelen I, II, III en V in de beslissing van het College van Toezicht), die door dat College ongegrond zijn verklaard.

4.4

Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een concluderende beslissing ten aanzien van alle grieven.

5 Klachtonderdeel I (grief A)

5.1

Appellante stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder I – kort samengevat – op het standpunt dat de zorgsignalen over [jeugdige 1] jarenlang stelselmatig zijn genegeerd.

5.2

Het College van Toezicht oordeelde dat verweerster de zorgsignalen niet heeft genegeerd. Verweerster heeft getracht om iets aan de zorgen die er rondom [jeugdige 1] bestonden te doen en deze bespreekbaar te maken binnen de organisatie, maar de direct leidinggevende van verweerster verwees de zorgen door naar pleegzorgvoorziening [instelling 2]. Pas op het moment dat er binnen de organisatie een wijziging van teamhoofd had plaatsgevonden, heeft verweerster daadwerkelijk iets met de zorgsignalen kunnen doen.

5.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat de commissie (het College van Beroep begrijpt: het College van Toezicht), in het eindoordeel over deze klacht te kort door de bocht is gegaan. De klachten kunnen worden beoordeeld, zo heeft het College van Toezicht aangegeven, vanaf de periode vanaf [datum] 2013, omdat verweerster sinds die datum geregistreerd staat bij SKJ. Ook na de datum van registratie heeft verweerster echter geen actie ondernomen. In augustus 2013 heeft appellante aangegeven dat zij vindt dat er beter gekeken moet worden naar [jeugdige 1] middels een persoonlijkheidsonderzoek. Appellante heeft heel vaak aangegeven dat zij niet goed raad wist met de gedragsproblemen van [jeugdige 1]. Dit werd door [GI 2] afgedaan als een gebrek aan opvoedingscapaciteiten en inzet van appellante. Deze klacht is naar het oordeel van appellante door het College van Toezicht te eenvoudig afgedaan door slechts te herhalen wat verweerster ter zitting aangaf, namelijk dat zij er niets aan kon doen omdat het niet mocht van haar teamhoofd. Verweerster heeft haar eigen verantwoordelijkheid niet genomen en heeft daardoor de situatie laten verergeren, terwijl appellante de noodklok bleef luiden. Ter zitting voert appellante nog aan, dat het sinds de registratie van verweerster op [datum] 2013 nog een jaar geduurd heeft voordat het probleem structureel werd aangepakt, en nog twee jaar voordat de kinderen werden aangemeld bij [instelling]. Het was verweerster vanaf het moment van haar registratie bij SKJ al jarenlang duidelijk dat appellante om handvatten vroeg voor en onderzoek naar de gedragsproblemen van [jeugdige 1]. Dat het dan nog twee jaren moet duren voordat een professionele instantie om onderzoek wordt gevraagd, vindt appellante absoluut verwijtbaar. Zij verwijst daarbij naar de artikelen C, D en F van de beroepscode.

5.4

Verweerster is van mening dat het College van Toezicht terecht gewezen heeft op het proces van rolverandering en de consequentie daarvan voor de toetsing van jeugdprofessionals in het algemeen en het handelen van verweerster in deze casus. Appellante gaat hier in grief A volledig aan voorbij. Ter zitting verwijst verweerster nog naar de overweging van het College van Toezicht, dat het bij een tuchtrechtelijke toetsing er niet om gaat of het beter had gekund, maar om beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College van Toezicht heeft naar de mening van verweerster terecht overwogen dat bij de invoering van het tuchtrecht een ontwikkeling heeft plaatsgevonden waarbij langzamerhand duidelijk werd dat een jeugdzorgwerker een eigen verantwoordelijkheid heeft. Die heeft zij ook genomen, maar desalniettemin heeft verweerster in deze overgangsfase, voor zover er sprake van zou zijn dat zij zich achter besluiten van haar team verschuilt, haar best gedaan om actie te ondernemen. In deze zaak kan volgens verweerster niet worden gezegd dat zij niet haar eigen verantwoordelijkheid heeft genomen. Zij had naar haar gevoel voldoende zicht op de (pleeg)kinderen en de zorgsignalen die werden geuit heeft zij binnen haar mogelijkheden opgepakt.

5.5

Het College van Beroep stelt vast dat in deze casus de verantwoordelijkheid om hulp in te zetten voor het pleeggezin in de eerste plaats ligt bij de pleegzorgvoorziening. Appellante heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat de verhouding met de pleegzorgmedewerker uitstekend was. Het College van Beroep overweegt voorts dat uit het dossier blijkt dat de samenwerking met de verschillende pleegzorgmedewerkers op bepaalde punten juist moeizaam is geweest. Zo is het startgesprek met een nieuwe pleegzorgmedewerker meerdere keren afgezegd, terwijl in dat startgesprek afspraken hadden kunnen worden gemaakt. Ter zitting geeft appellante aan dat daarbij van haar kant sprake was van een overmachtssituatie gezien haar gezondheidsproblemen destijds. Het College van Beroep begrijpt dat dit onvermijdbare beperkingen met zich heeft meegebracht, maar is van oordeel dat het daardoor niet passend is om de verantwoordelijkheid voor de vertraging in het proces bij verweerster neer te leggen, die bovendien niet primair verantwoordelijk was om hulp in te zetten voor het pleeggezin.
Het College van Beroep is van oordeel dat er onvoldoende grond is om de grief te laten slagen, mede gelet op de problemen waar verweerster op stuitte binnen haar eigen organisatie en gezien de omstandigheid dat indertijd bij de invoering van het tuchtrecht een ontwikkeling heeft plaatsgevonden waarbij pas langzamerhand duidelijk werd dat een jeugdzorgwerker een eigen verantwoordelijkheid heeft. Aldus is verweerster met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.

6 Klachtonderdeel II (grief B)

6.1

Appellante stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder II – kort samengevat – op het standpunt dat onderzoeksrapporten zijn misbruikt om de (pleeg)kinderen uit huis te plaatsen. Bovendien zou verweerster de onderzoeken negatief hebben beïnvloed, zou zij foutieve informatie naar de kinderrechter hebben gestuurd, en zou [jeugdige 2] zijn ‘meegelift’ op de gedragsproblemen van haar pleegzus [jeugdige 1]. Verweerster zou daardoor niet hebben gehandeld in het belang van de (pleeg)kinderen.

6.2

Het College van Toezicht oordeelde dat niet is gebleken dat reeds bij de start van het onderzoek door [instelling] vaststond dat daarop een uithuisplaatsing zou volgen. Na afloop van het onderzoek heeft verweerster pas geconcludeerd tot uithuisplaatsing van de (pleeg)kinderen. Van misbruik van de rapporten is het College van Toezicht aldus niet gebleken. Evenmin is volgens het College van Toezicht gebleken dat verweerster het onderzoek negatief heeft beïnvloed dan wel dat zij foutieve informatie aan de rechtbank heeft gegeven. Tenslotte is het College van Toezicht niet gebleken van enig ‘meeliften’ van [jeugdige 2] met de gedragsproblemen van haar pleegzus [jeugdige 1].

6.3

Appellante voert als grief aan, dat het oordeel van het College van Toezicht niet is onderbouwd en het College van Toezicht niet specifiek in gaat op de klacht, terwijl appellante ter zitting bij het College van Toezicht de klacht nog gedetailleerd heeft onderbouwd. Zo heeft appellante een second opinion gevraagd over de situatie bij een gz-psycholoog en orthopedagoog, [naam gedragswetenschapper]. Het verweer tegen deze second opinion was dat [naam gedragswetenschapper] de kinderen niet heeft gezien. Het klopt dat de conclusies van [naam gedragswetenschapper] uitsluitend zijn gebaseerd op dossieronderzoek. Hij laat zich dan ook niet uit over de juistheid van de diagnose, aangezien hij daarvoor de (pleeg)kinderen zou moeten onderzoeken. Hij concludeert slechts dat niet duidelijk uit het dossier blijkt welke interventies er zijn geweest om gesignaleerde kritiekpunten te verbeteren, en dat er geen plan van aanpak met analyse en verbeterdoelen is opgesteld. [Naam gedragswetenschapper] constateert tevens dat in veel verslagen subjectieve en normatieve opmerkingen liggen besloten en dat alleen risicofactoren worden beschreven. Dit is vast te stellen door het dossier te onderzoeken, daarvoor hoeft geen contact met de (pleeg)kinderen plaats te vinden. In het rapport van [jeugdige 1] staat dat zij gebaat is bij een affectief niet belastend opvoedklimaat, vanwege haar reactieve hechtingsstoornis. Dit is in het verzoekschrift over [jeugdige 2] eenvoudigweg opgenomen alsof het over [jeugdige 2] zou zijn gegaan. Dit is waarop appellante doelt wanneer zij aangeeft dat meegelift is op het rapport van [jeugdige 1]. De onderzoeksrapporten wijzen niet eenduidig op een wijziging verblijfplaats, maar door de toevoegingen van verweerster zelf, heeft de rechtbank verweerster gevolgd in haar eigen zienswijze, waarbij verweerster aangeeft dat de onderbouwing daarvan ligt in de onderzoeksrapporten. De onderbouwing ligt echter niet in de onderzoeksrapporten, maar zaken zijn door verweerster uit hun context getrokken en uit de rapporten zijn onjuiste conclusies getrokken. Daardoor is wat appellante betreft wel degelijk sprake van misbruik van de rapportages om het gewenste doel te bereiken, namelijk de (pleeg)kinderen weghalen bij appellante met wie verweerster het lastig vond om samen te werken.
Ter zitting benadrukt appellante nog dat in de procedure over de uithuisplaatsing door verweerster keer op keer is aangegeven dat [instelling] adviseert de (pleeg)kinderen uit huis te plaatsen. Dit is door de rechtbank als waarheid aangenomen. Tevens stelt zij dat verweerster op eigen houtje conclusies trekt uit de rapportages van [instelling], terwijl zij niet aanwezig is geweest bij het eindgesprek toen de rapportages werden toegelicht.

6.4

Verweerster betwist dat het aan het College van Toezicht is om te onderbouwen waarom niet zou zijn gebleken dat het onderzoek van [instelling] negatief door verweerster is beïnvloed. Verweerster meent dat het aan appellante is om te bewijzen dat het onderzoek door verweerster negatief is beïnvloed.

6.5

Naar het oordeel van het College van Beroep is er geen sprake van dat diagnostiek over [jeugdige 1] ten onrechte ook is toegeschreven aan [jeugdige 2]. Het College van Beroep heeft de twee verzoekschriften naast elkaar gelegd. Geconstateerd wordt dat de beide alinea’s waar appellante naar verwijst (“Over het opvoedklimaat”) inderdaad letterlijk hetzelfde zijn in beide verzoekschriften. Echter kan naar de mening van het College van Beroep in beide gevallen eenzelfde conclusie gebaseerd worden op de onderliggende onderzoeken van [instelling]. In het onderzoek van [instelling] naar [jeugdige 2] valt te lezen (pagina 4 en 5): “Alhoewel [jeugdige 2] in eerste instantie vrolijk en expressief overkomt blijkt zij in de basis een onzeker meisje wat in de huidige omstandigheden versterkt wordt door de zorgen die zij heeft om haar pleegmoeder en de wens haar biologische moeder te ontmoeten.” “[Jeugdige 2] heeft vanuit haar onzekerheid en gevoeligheid een leefklimaat nodig waar continuïteit is, waar het veilig is en waar zij langer kan blijven wonen.” Het College van Beroep acht een conclusie zoals in het verzoekschrift van [jeugdige 2], dat de huidige opvoedsituatie voor teveel onveiligheid zorgt en dat zij baat heeft bij een meer neutrale aanpak en een veilige woonplek, goed te volgen na het lezen van de onderzoeken van [instelling]. Deze conclusie, die aldus in de verzoekschriften van [jeugdige 2] en [jeugdige 1] woordelijk hetzelfde is, staat in het onderzoek van [instelling] naar [jeugdige 1] wat stelliger weergegeven dan in de wat meer abstracte conclusie in het onderzoek naar [jeugdige 2]. Niettemin is het College van Beroep van mening dat het te begrijpen valt dat eenzelfde conclusie wordt getrokken op basis van deze onderling verschillende onderzoeksrapporten.
Daarbij neemt het College van Beroep in aanmerking dat verweerster ook eigen ervaringen en opvattingen heeft kunnen en mogen meenemen bij het opstellen van het verzoekschrift. Dat zij niet aanwezig is geweest bij het eindgesprek met [instelling] is naar het oordeel van het College van Beroep niet zonder meer noodzakelijk, nu het ging om een diagnostisch onderzoek met een duidelijk advies. Het College van Beroep stelt vast dat er dan ook geen sprake is, dat [jeugdige 2] heeft meegelift met het onderzoeksrapport van [jeugdige 1]. Misbruik van de beide rapportages is evenmin komen vast te staan. De grief wordt aldus afgewezen.

7 Klachtonderdeel III (C)

7.1

Appellante stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder III – kort samengevat – op het standpunt dat verweerster niet heeft gehandeld in het belang van de (pleeg)kinderen en dat zij geen vertrouwensband met hen heeft opgebouwd. Ter onderbouwing van haar standpunt dat geen sprake was van een vertrouwensband heeft appellante een tweetal door de (pleeg)kinderen geschreven brieven aan het College van Toezicht overgelegd.

7.2

Het College van Toezicht heeft uet CvT it het dossier en het verhandelde ter zitting geconcludeerd dat [jeugdige 1] en [jeugdige 2] de brieven in opdracht van appellante hebben moeten schrijven. Voorts heeft appellante het gestelde tijdens de zitting van het College van Toezicht ontkend. Het College van Toezicht oordeelt dat niet kan worden gesteld dat geen sprake was van een vertrouwensband en ook niet dat de pleegkinderen bang voor verweerster waren.

7.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat zij de (pleeg)kinderen inderdaad in de gelegenheid heeft gesteld de brieven te schrijven. Zij heeft daartoe geen opdracht verstrekt en al helemaal niet de (pleeg)kinderen verteld wat zij inhoudelijk moesten opschrijven. Het was voor de (pleeg)kinderen ook een hele moeilijke situatie, waarin het op schrift stellen van de ervaren problemen helpend kan zijn. Voorts was de wijze van communiceren van verweerster met de (pleeg)kinderen onprettig, zo gaven de kinderen aan. Inmiddels heeft [jeugdige 1] een gesprek gevoerd met verweerster, welk gesprek ook onprettig verliep. [Jeugdige 1] besloot toen dit gesprek op te nemen. Een transcriptie van het gesprek is als productie 7 bij het beroepschrift overgelegd. Het gesprek gaat over de reden waarom [jeugdige 1] is weggeplaatst naar het gezinshuis. Uit dit gesprek blijkt volgens appellante duidelijk dat verweerster op onverantwoorde en niet-constructieve manier met de (pleeg)kinderen praat. Zij sluit niet aan bij de (pleeg)kinderen, ontkent hun gevoelens en geeft geen behoorlijk antwoord op vragen.
Ter zitting vraagt appellante om toestemming om de geluidsopname, behorend bij de transcriptie, af te mogen spelen, nu verweerster ontkent dat zij de bewoordingen heeft gebruikt die in de transcriptie beschreven zijn.

7.4

Volgens verweerster kan het gespreksverslag (waarvan de opname niet in verweersters bezit is en de transcriptie dus niet op juistheid/nauwkeurigheid kan worden geverifieerd) niet dienen tot bewijs van een verwijtbare opstelling van verweerster. Uit het verslag blijkt dat [jeugdige 1] kennelijk nog steeds onder invloed van haar voormalige pleegmoeder, appellante, staat door een ‘stiekeme’ opname van een gesprek te maken en aan appellante ter beschikking te stellen. Dit past bij een loyaliteitsconflict waar kinderen in scheidingssituaties mee plegen te worstelen. Dat de transcriptie geen correcte weergave van het gesprek is, blijkt alleen al uit het feit dat verweerster door [jeugdige 1] volgens de transcriptie steevast met ‘u’ wordt aangesproken, terwijl [jeugdige 1] haar altijd tutoyeerde.

7.5

Het College van Beroep heeft ter zitting eerst een beslissing genomen ten aanzien van het al of niet toelaten van bedoelde geluidsopname. Het College van Beroep heeft dit niet toegestaan, om reden dat voor het indienen van geluidsopnames een procedure bestaat die met waarborgen is omkleed, namelijk art. 8.11 van het Tuchtreglement. Nu deze procedure niet is gevolgd heeft het College van Beroep geoordeeld dat er te weinig waarborgen zijn om toe te staan de geluidsopnames alsnog ter zitting af te luisteren.
Ten aanzien van de ingediende transcriptie oordeelt het College van Beroep als volgt. Het is begrijpelijk dat de transcriptie is ingediend ter illustratie van klachtonderdeel C, om welke reden het College van Beroep dit in eerste instantie ook heeft toegelaten tot de procedure. Indien de transcriptie een waarheidsgetrouwe weergave is van het gesprek tussen verweerster en [jeugdige 1], heeft het College van Beroep wel enige kritiek op de wijze waarop dit gesprek is gevoerd. In de oordeelsvorming kan de transcriptie echter niet meewegen, nu het gesprek later heeft plaatsgevonden dan in de periode waarover het College van Beroep te oordelen heeft.

Teruggaande naar de oorspronkelijke klacht spreekt appellante van het ontbreken van een vertrouwensband en het niet handelen in belang van de (pleeg)kinderen. Met betrekking tot deze klacht merkt het College van Beroep op, dat een gezinsvoogd wel het belang van de kinderen in het oog moet houden, maar dat niet onder alle omstandigheden verwacht mag worden dat een gezinsvoogd een vertrouwensband opbouwt met de onder toezicht staande (pleeg)kinderen. In zoverre volgt het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht. Verder oordeelt het College van Beroep, dat niet althans onvoldoende is gebleken, dat verweerster als gezinsvoogd de belangen van de (pleeg)kinderen niet zou hebben behartigd. Ook dit klachtonderdeel faalt dus.

8 Klachtonderdeel V (grief E)

8.1

Appellante stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder V – kort samengevat – op het standpunt dat verweerster meerdere malen bij de rechtbank heeft aangegeven dat sprake is van een onveilige situatie bij pleegmoeder, maar dat zij dit niet heeft aangetoond door bijvoorbeeld een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de RvdK).

8.2

Het College van Toezicht oordeelde dat het genoemde onderzoek, door de RvdK, niet mogelijk was vanwege de eerdere betrokkenheid in deze zaak. Het is het College van Toezicht voorts gebleken dat verweerster haar zorgen – al vóór haar registratie bij SKJ op [datum] 2013 – bespreekbaar heeft gemaakt binnen de organisatie.

8.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat het College van Toezicht de stelling van de gezinsvoogd overneemt, namelijk dat een onderzoek door de RvdK niet mogelijk is vanwege de eerdere betrokkenheid van de RvdK. Het is voor appellante onbegrijpelijk waarom een eerder onderzoek door de RvdK een nieuw onderzoek uitsluit. De RvdK kan altijd een onderzoek doen, wanneer daarom verzocht wordt. Bovendien zag het eerdere onderzoek van de RvdK op voogdij. Dit had niets te maken met onderzoek naar de situatie bij appellante. Voorts geeft het College van Toezicht aan dat haar gebleken is dat verweerster haar zorgen bespreekbaar heeft gemaakt binnen de organisatie. Wanneer dit juist is, maakt dit nog niet dat daarmee de onveiligheid vaststaat bij appellante thuis. Dan blijft de uitspraak ongefundeerd, terwijl de rechtbank wel van de juistheid van de uitspraak uitgaat. Appellante stelt dat verweerster hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld.
Ter zitting voert appellante nog aan dat duidelijk is geworden dat een nieuw onderzoek door de RvdK wel degelijk mogelijk was, nu er ook daadwerkelijk onlangs een onderzoek door de RvdK heeft plaatsgevonden.

8.4

Voor een reactie op deze laatste grief verwijst verweerster naar haar standpunt in eerste aanleg, dat volgens haar terecht door het College van Toezicht is overgenomen.

8.5

Naar het oordeel van het College van Beroep is – op zich genomen – door het College van Toezicht ten onrechte geoordeeld dat het feitelijk onmogelijk is om een nieuw onderzoek uit te laten voeren door de RvdK. Dit is een technisch-juridische kwestie. Nu door de kinderrechter echter is bevestigd dat een nader onderzoek in de situatie op dat moment niet opportuun was, kan verweerster ter zake geen verwijt worden gemaakt. Het College van Beroep wijst dus ook deze grief af.

9 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– handhaaft de beslissing van het College van Toezicht van 23 mei 2017, zij het met aanvulling en verbetering van gronden.

Aldus gedaan door het College van Beroep in de genoemde samenstelling en op 17 januari 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen                                     mevrouw mr. R.A.E. Thijssen
voorzitter                                                                                   secretaris