Klacht van een moeder tegen de jeugdbeschermer over onderzoek na overlijden van de vader van de minderjarige waarop voorlopige voogdij is gevolgd, alsmede over de bejegening.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter;
Mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 13 oktober 2016, met de bijlagen;
– het verweerschrift van 21 november 2016, met de bijlagen.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de aanwezige partijen ermee ingestemd dat het College in de onderhavige zaak kennisneemt van de beschikking van de rechtbank van 28 september 2016 inzake de opheffing van de voorlopige voogdij, welke beschikking weliswaar niet door de beklaagde in de onderhavige zaak maar wel door de beklaagde in de zaak met klachtnummer 16.134Ta is overgelegd. Hierdoor maakt bedoelde beschikking thans deel uit van het dossier in de onderhavige zaak.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017 in aanwezigheid van beklaagde en de gemachtigde van beklaagde voornoemd. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige [naam]: geboren op [geboortedatum] 2008, hierna: de minderjarige.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, de vader van de minderjarige, waren, hoewel nog gehuwd, al enige tijd uit elkaar. Zij hadden gezamenlijk gezag over de minderjarige, die bij klaagster woonde en gedurende drie dagen per week bij de vader verbleef. De vader had een nieuwe partner, met wie hij niet samenwoonde, maar die, evenals haar zoon uit een eerdere relatie, zeer regelmatig contact had met de minderjarige.

2.3

De minderjarige is in december 2015 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar in verband met de voortdurende strijd tussen klaagster en haar ex-partner, de vader. Bij de minderjarige is sprake van kindeigen problematiek, blijkens het Plan van Aanpak van de GI van 3 oktober 2016 verschilden klaagster en de vader van mening over de achterliggende oorzaak van deze problematiek en de wijze van behandeling; de moeder meent dat er bij de minderjarige sprake is van hooggevoeligheid en een vorm van autisme en de vader meende dat de symptomen te verklaren zijn vanuit het loyaliteitsconflict waarin de minderjarige verkeerde.

2.4

De vader is op [datum] 2016 overleden door suïcide. Door dit overlijden is moeder thans alleen met het gezag over de minderjarige belast.

2.5

Bij beschikking van de rechtbank van 20 september 2016 is de moeder geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige, en is de GI belast met de voorlopige voogdij. Bij beschikking van 28 september 2017 is de beschikking van 20 september 2016 over de minderjarige herroepen met ingang van heden.
De minderjarige heeft in het kader van de voorlopige voogdij in de periode van 21 september 2016 tot en met 28 september 2016 bij de partner van de vader verbleven opdat de minderjarige de uitvaart van de vader op 22 september 2016 zou kunnen bijwonen.

2.6

Beklaagde heeft in de onderhavige casus handelingen namens de GI verricht als jeugdzorgwerker. Deze handelingen bestonden eruit dat zij contacten heeft gehad met klaagster op 22 april 2016 aangaande het scheidingsverloop en op 19 september 2016 na het overlijden van de vader, in een periode dat de betrokken gezinsvoogden afwezig waren. Voorts was zij aanwezig bij de hoorzitting van de rechtbank op 28 september 2016 ter zake de voorlopige voogdij.

2.7

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

I

dat zij de situatie van de minderjarige kort na het overlijden van de vader niet voldoende heeft onderzocht, maar zich heeft laten leiden door onjuiste en onvolledige informatie van de zijde van de nieuwe partner van de vader met een onterechte voorlopige voogdij en het gedurende een week vasthouden van de minderjarige door de partner van de vader tot gevolg;

Toelichting:
Klaagster geeft aan dat zij bijlagen heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij wel degelijk alles in het werk heeft gesteld om de minderjarige bij de uitvaart te laten zijn. Klaagster meent dat het juist de partner en familie van de vader waren die elke poging van klaagster om de minderjarige daar heen te krijgen, dwarsboomden zodat zij vrij spel hadden om de volledige regie te krijgen. Klaagster heeft onder meer emailberichten van kinderrechter [naam kinderrechter] en professor [naam professor] bijgevoegd waaruit blijkt dat de rechten van de minderjarige ernstig zijn geschonden, aldus klaagster.
Klaagster meent dat er geen enkele grond was om het ernstige ingrijpen in de rouwperiode van de minderjarige en zijn familie te rechtvaardigen. De kinderrechter heeft op de hoorzitting in het kader van de voorlopige voogdij aangegeven dat klaagster op geen enkele wijze haar gezag heeft misbruikt, maar vond dat er sprake was van een verschil in visie.

II

dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de expertise van de door klaagster ingeschakelde kinderpsycholoog;

III

dat zij niet luisterde naar de argumenten van klaagster en de wensen van de minderjarige, met een onterechte voorlopige voogdij tot gevolg;

Toelichting:
Hierdoor is de minderjarige volledig onterecht uit huis geplaatst, is het gezag van klaagster voor, tijdens en na de uitvaart van de vader ontnomen, en is de minderjarige nog een week lang vastgehouden. Als gevolg hiervan is de minderjarige nog meer getraumatiseerd, is zijn verlatingsangst verergerd, is hij bang voor vreemde mensen en is zijn gevoel van veiligheid ontnomen.

IV

dat zij een dreigende houding heeft aangenomen.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

Beklaagde geeft aan dat zij op 19 september 2017 twee maal telefonisch contact heeft gehad met klaagster en dat klaagster beide keren duidelijk aangaf dat de minderjarige niet zonder haar naar de begrafenis zou gaan. Beklaagde heeft verklaard dat zij klaagster een aantal keren de vraag heeft gesteld: “kunt u verzekeren dat de minderjarige erbij zal zijn?”, maar dat klaagster geen antwoord gaf. Klaagster ging er volgens beklaagde vanuit dat zij toch bij de begrafenis aanwezig kon zijn, terwijl beklaagde wist –omdat zij contact had gehad met de familie en de partner van de vader en de contactpersoon bij [werkgever vader]- dat dat niet mogelijk was. Desgevraagd heeft beklaagde verklaard dat weliswaar onder punt 13 van haar verweerschrift op regel 16 staat “maar uiteindelijk zegt ze dat hij er zal zijn”, maar dat is aldus bedoeld dat klaagster uiteindelijk aangaf dat hij er zal zijn in haar aanwezigheid.
Klaagster was voorts niet bereid tot overleg en wilde alles zelf bepalen, zonder bemoeienis. Er was vanwege de ondertoezichtstelling echter een rechtsgrond voor de bemoeienis; het belang van de minderjarige was erop gericht dat hij afscheid zou kunnen nemen van de vader. De GI achtte het voor het rouwproces van de minderjarige onontbeerlijk dat de minderjarige afscheid zou kunnen nemen van zijn vader met de familie en de partner van de vader, en baseert zich daarbij onder meer op onderzoek waaruit blijkt dat het schadelijk is voor de ontwikkeling van een minderjarige als deze geen afscheid kan nemen van een voor hem zo belangrijke persoon. Bij een en ander nam de GI tevens in aanmerking dat de begrafenis van de vader een bijzonder ceremonieel karakter had vanwege de hoge functie van de vader bij [werkgever vader]. Een andere wijze van afscheid nemen, achtte beklaagde niet in het belang van de minderjarige.
Beklaagde geeft aan dat klaagster uiteindelijk nog voorstelde dat de oudere zus van de minderjarige mee zou gaan, maar omdat zij al zelfstandig woont, had de GI daar geen zicht op.
Verder speelde ook een rol dat klaagster de minderjarige de oorzaak van het overlijden van zijn vader niet had meegedeeld, en dat de GI zulks wel in zijn belang achtte, mede gelet op de komende begrafenis waarop dit duidelijk zou worden.
Beklaagde heeft verklaard dat zij steeds elke stap in dit proces met de teammanager en de gedragswetenschapper heeft besproken, dat ook de GI geen voorlopige voogdij wilde maar dat zij uiteindelijk geen andere manier zag. Beklaagde stelt dat de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) het met de GI eens was dat er iets moest gebeuren, en dat de GI vervolgens om een spoedmachtiging uithuisplaatsing voor verblijf bij de partner van de vader heeft gevraagd. De kinderrechter gaf echter aan dat een voorlopige voogdij nodig was, die de Raad toen heeft gevraagd en gekregen.
Beklaagde geeft aan dat zij op 19 september 2017 slechts de telefonische contacten met klaagster voor haar rekening heeft genomen, en dat collega’s het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing dan wel voorlopige voogdij en de uitvoering van de uithuisplaatsing hebben gedaan.
Er was geen signaal dat de partner van de vader uit was op wraak. Volgens beklaagde was zichtbaar en werd duidelijk dat de partner en haar zoon heel vertrouwde personen waren in het leven van de minderjarige, en bovendien schatte de GI in aan de hand van gesprekken met de partner dat zij veel capaciteiten in zich heeft om de minderjarige op een geschikte manier in zijn verlies te begeleiden. De intenties van beklaagde waren uitsluitend gericht op het belang van de minderjarige. Beklaagde betwist dat zij de woorden van klaagster heeft verdraaid, dan wel dat zij onjuiste zaken heeft benoemd of klakkeloos heeft aangenomen wat de partner van de vader zei. Uit het verloop van de uitvaart blijkt ook dat de minderjarige het zonder klaagster kon.
Beklaagde meent dat het beeld dat klaagster schetst niet op waarheid is gebaseerd.
Beklaagde meent dat de GI ondanks de tijdsdruk heel zorgvuldig heeft gehandeld, en daarbij ook de impact van de ingrijpende voorziening van voorlopige voogdij heeft betrokken.

II

Er is niet inhoudelijk gesproken met de kinderpsycholoog die contact opnam met de GI, vanwege de geheimhoudingsplicht. Klaagster had niet aangekondigd dat de betreffende kinderpsycholoog contact zou opnemen.

III

Er is wel degelijk geluisterd naar de argumenten van klaagster, maar de professionals waren het niet met haar eens. Beklaagde wijst erop dat klaagster ook voor medio 2016 verschil van mening had met de Raad.

IV

Beklaagde betwist dat zij een dreigende houding heeft aangenomen; wel heeft zij uitgelegd dat een verzoek spoedmachtiging uithuisplaatsing dan wel voorlopige voogdij zou worden ingediend als verder overleg werd geblokkeerd door klaagster. De GI heeft meerdere malen aangeboden bij klaagster thuis in gesprek te gaan met haar, maar klaagster gaf duidelijk aan dat zij geen gesprek wenste met de GI.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I en III

Het College zal de klachtonderdelen I en III vanwege hun samenhang gezamenlijk behandelen.

Het College stelt vast dat de bemoeienis van beklaagde er op 19 september 2016, kort na het overlijden van de vader, uit heeft bestaan dat zij twee maal telefonisch contact heeft gehad met klaagster teneinde onder meer te bespreken of klaagster bereid was om de minderjarige naar de uitvaart van de vader te laten gaan, als zij zelf niet aanwezig mocht zijn. Beklaagde heeft weliswaar genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij elke handeling die dag in samenspraak heeft verricht en ook heeft afgewogen met de teamleider en de gedragswetenschapper, maar het College is van oordeel dat zij zelf verantwoordelijk is voor haar doen en laten gedurende deze twee telefonische contacten met moeder, en het intern overbrengen van de belangrijke informatie uit deze gesprekken. Een en ander heeft uiteindelijk tezamen met andere informatie geleid tot de beslissing in teamverband dat een machtiging uithuisplaatsing althans zo nodig voorlopige voogdij noodzakelijk was om de belangen van de minderjarige in deze acute situatie te kunnen behartigen, zodat het College dit kan toetsen.
Beklaagde heeft aangegeven dat zij in de telefonische contacten met klaagster op 19 september 2016 de overtuiging kreeg dat klaagster niet bereid was de minderjarige zonder haar naar de uitvaart van de vader te laten gaan en daarop uiteindelijk niet durfde te vertrouwen, zulks terwijl de aanwezigheid van de minderjarige bij de uitvaart en het bij die gelegenheid afscheid kunnen nemen van de vader in het bijzijn van de familie en de partner van de vader door de GI van groot belang voor het rouwproces en de verdere ontwikkeling van de minderjarige werd geacht.

Voorts heeft beklaagde duidelijk gemaakt dat de GI geen andere geschikte mogelijkheid zag voor de minderjarige om afscheid te nemen.
Niettegenstaande het zeer ingrijpende karakter van een voorlopige voogdij, te meer nu deze is uitgesproken in een voor alle betrokkenen en dus ook voor de minderjarige en klaagster zeer verdrietige periode, is het College van oordeel dat beklaagde genoegzaam heeft kunnen uitleggen waarom zij genoemde inschatting en afweging heeft gemaakt. Het College acht tegenover het relaas van beklaagde door klager onvoldoende aannemelijk gemaakt dat beklaagde de situatie kort na het overlijden van de vader onvoldoende heeft onderzocht en dat zij zich hierbij heeft laten leiden door onjuiste dan wel onvolledige informatie van de zijde van de nieuwe partner van de vader met een onterechte voorlopige voogdij als gevolg. Evenmin acht het College aannemelijk geworden dat beklaagde niet luisterde naar de argumenten van klaagster en de wensen van de minderjarige. Hierbij neemt het College tevens in aanmerking dat de Raad ook vond dat ingrijpen ter behartiging van de belangen van de minderjarige noodzakelijk was, en dat uiteindelijk, gegeven de omstandigheden, het de dienstdoende kinderrechter was die voorlopige voogdij de geëigende voorziening vond.

Het College betreurt het overigens dat klaagster niet is verschenen bij de mondelinge behandeling van de klacht om haar kant van de zaak te belichten. Aldus kan het College slechts oordelen op basis van wat in het dossier is opgenomen en dat wat ter zitting van de zijde van beklaagde naar voren is gebracht.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

II

Het tweede klachtonderdeel acht het College evenmin gegrond. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College genoegzaam en onweersproken uitgelegd dat zij vanwege haar geheimhoudingsplicht niet inhoudelijk heeft gesproken met de kinderpsycholoog die contact opnam met de GI, omdat klaagster niet had aangekondigd dat de betreffende psycholoog contact zou opnemen en zij derhalve ook geen toestemming had gegeven om informatie aan deze psycholoog te verschaffen.

IV

In het vierde klachtonderdeel klaagt klager erover dat beklaagde een dreigende houding heeft aangenomen.
Voor zover dit klachtonderdeel erop ziet dat beklaagde klaagster telefonisch heeft uitgelegd dat de consequentie van de opstelling van klaagster dat zij de minderjarige niet zonder haar naar de begrafenis zou laten gaan, zou kunnen zijn dat de minderjarige tijdelijk uit huis geplaatst zou worden dan wel dat er een voorlopige voogdij zou worden uitgesproken, en dat zulks dreigend is overgekomen op klaagster, kan het College hierover niet oordelen. Het gaat immers over de beleving van klaagster.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 14 juli 2017 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris