De jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld omtrent het verzoek tot correctie van het gezinsplan en zij heeft niet gereageerd op verzoeken van klaagster, onder meer over afschrift van het dossier. Ook heeft zij – ondanks gewijzigde omstandigheden – niet willen heroverwegen of de gronden voor een ondertoezichtstelling nog aanwezig waren.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter;
Mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 13 oktober 2016, met de bijlagen;
– het verweerschrift van 21 november 2016, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017 in aanwezigheid van beklaagde en de gemachtigde van beklaagde voornoemd. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige [naam minderjarige]: geboren op [datum] 2008, hierna: de minderjarige.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, de vader van de minderjarige, waren, hoewel nog gehuwd, al enige tijd uit elkaar. Zij hadden gezamenlijk gezag over de minderjarige, die bij klaagster woonde en gedurende drie dagen per week bij de vader verbleef. De vader had een nieuwe partner, met wie hij niet samenwoonde, maar die, evenals haar zoon uit een eerdere relatie, zeer regelmatig contact had met de minderjarige.

2.3

De minderjarige is in december 2015 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar in verband met de voortdurende strijd tussen klaagster en haar ex-partner, de vader. Bij de minderjarige is sprake van kindeigen problematiek, blijkens het Plan van Aanpak van de GI van 3 oktober 2016 verschilden klaagster en de vader van mening over de achterliggende oorzaak van deze problematiek en de wijze van behandeling; de moeder meent dat er bij de minderjarige sprake is van hooggevoeligheid en een vorm van autisme en de vader meende dat de symptomen te verklaren zijn vanuit het loyaliteitsconflict waarin de minderjarige verkeerde.

2.4

De vader is op [datum] 2016 overleden door suïcide. Door dit overlijden is moeder thans alleen met het gezag over de minderjarige belast.

2.5

Bij beschikking van de rechtbank van 20 september 2016 is de moeder geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige, en is de GI belast met de voorlopige voogdij. Bij beschikking van 28 september 2017 is de beschikking van 20 september 2016 over de minderjarige herroepen met ingang van heden.
De minderjarige heeft in het kader van de voorlopige voogdij in de periode van 21 september 2016 tot en met 28 september 2016 bij de partner van de vader verbleven opdat de minderjarige de uitvaart van de vader op 22 september 2016 zou kunnen bijwonen.

2.6

De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 24 november 2016 verlengd met een jaar tot 17 december 2017.
In de beschikking verlenging ondertoezichtstelling heeft de kinderrechter het volgende overwogen: “Hoewel de vader van [de minderjarige] er niet meer is, ziet het er naar uit dat de strijd zich voortzet, waarbij deze nu niet meer tussen de ouders, maar tussen de moeder enerzijds en de familie en dierbaren van de vader anderzijds speelt. Illustratief hiervoor is de brief van de moeder aan de grootmoeder van 27 oktober 2016. Verder is gebleken dat er tussen enerzijds de moeder en anderzijds de GI (en voorheen vader) verschil van inzicht bestaat over de aard van de oorzaak van de kind-problematiek van [de minderjarige]. De GI is van mening dat het loyaliteitsconflict van [de minderjarige] (mede) ten grondslag ligt aan zijn kind-problematiek. De moeder wijt dit echter aan de hoogbegaafdheid en de hoogsensitiviteit van [de minderjarige] en classificeert hem tevens als autistisch. De moeder heeft de regie voor de hulpverlening voor [de minderjarige] naar zich toegetrokken en wil dat [de minderjarige] hulpverlening krijgt die aansluit bij de (nog) niet gestelde diagnose autisme. Zij schermt [de minderjarige] daarbij af voor de hulpverlening die de GI wil inzetten. Daar komt bij dat de moeder geen zicht geeft op de opvoedsituatie die zij [de minderjarige] biedt. De moeder staat het contact tussen [de minderjarige] en [naam gezinsvoogdijwerker], de gezinsvoogdijwerker die is aangesteld voor [de minderjarige], immers niet toe of verbindt hier voorwaarden aan. Illustratief voor het feit dat de moeder de regie voor de hulpverlening naar zich toe getrokken heeft, is het feit dat zij [naam vertrouwenspersoon] als vertrouwenspersoon voor [de minderjarige] heeft aangesteld, dit terwijl [naam vertrouwenspersoon] in eerste instantie de vertrouwenspersoon van de moeder zelf was. De kinderrechter is van oordeel dat [naam vertrouwenspersoon] niet op een professionele manier gehandeld heeft. Daar komt bij dat de kinderrechter zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de moeder [de minderjarige] niet de ruimte biedt om een eigen identiteit te ontwikkelen.”
De ondertoezichtstelling is op 18 april 2017 beëindigd.

2.7

Beklaagde is als jeugdzorgwerker werkzaam bij de GI. Zij heeft contacten gehad met klaagster op 21 september 2016 bij de aanzegging van de voorlopige voogdij, op 27 september 2016 -toen zij aanwezig was bij het startgesprek van Ambulante Spoed Hulp in het gezin van klaagster- en is op 28 september 2016 contactpersoon geworden in de voorlopige voogdij c.q. ondertoezichtstelling.

2.8

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

I

dat zij de situatie van de minderjarige kort na het overlijden van de vader niet voldoende heeft onderzocht, maar zich heeft laten leiden door onjuiste en onvolledige informatie van de zijde van de nieuwe partner van de vader met schending van de artikelen 3 en 16 IVRK en artikel 8 EVRM, een onterechte voorlopige voogdij en het gedurende een week vasthouden van de minderjarige door de partner van de vader tot gevolg;

II

dat zij zich partijdig opstelt en zich laat zich leiden door eenzijdige informatie van niet belanghebbenden;

III

dat zij de wensen van klaagster en het belang van de minderjarige niet respecteerde;

IV

dat zij een dreigende houding heeft aangenomen;

V

dat zij weigert onjuistheden in het gezinsplan aan te passen;

Toelichting:
Klaagster geeft aan dat zij recht heeft op verbetering van de op haar betrekking hebbende gegevens, indien deze onjuist of onvolledig zijn, dan wel gelet op de doelstelling van het onderzoek niet ter zake dienen of onrechtmatig zijn verkregen. Ook heeft klaagster beklaagde bij brief van 31 oktober 2016 gevraagd het gezinsplan op diverse punten aan te passen.

VI

dat zij weigert te antwoorden op de door klaagster gestelde vragen en verzoek om documenten op grond waarvan beslissingen zijn genomen;

Toelichting:
Klaagster geeft aan dat zij op 29 september 2016 een drietal vragen heeft gesteld aan beklaagde, en wederom op 6 oktober 2016, met het verzoek om haar alle bijbehorende diagnosedocumenten, contactjournaals en werkaantekeningen te sturen, die tot een bepaalde beslissing hebben geleid, maar dat zij die na herhaald verzoek nog steeds niet heeft ontvangen.

VII

dat zij de ondertoezichtstelling wil verlengen op gronden die niet meer aanwezig zijn.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

Beklaagde geeft aan dat haar rol beperkt was; zij is in de periode kort na het overlijden van de vader slechts op 21 september 2017 -omdat zij die dag de bureaudienst deed- namens de GI aanwezig geweest bij de mededeling van de medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) aan klaagster dat er door de rechter een voorlopige voogdij was uitgesproken en waarom. Overigens betwist beklaagde dat zij niet aan feitenonderzoek en waarheidsvinding heeft gedaan.

II

Beklaagde betwist dat zij de gedragsregels heeft geschonden.

III

Beklaagde betwist dat zij de gedragsregels heeft geschonden.

IV

Beklaagde ontkent dat zij een dreigende houding heeft aangenomen.

V

Beklaagde verwijst naar de brieven die zij in antwoord op de brieven van klaagster heeft verzonden. Zij geeft aan dat het gezinsplan is opgesteld door de gedragswetenschapper, dat het weliswaar administratief op haar naam staat maar niet haar stuk is en dat zij dit aan klaagster heeft uitgelegd. Voorts is het niet aan de GI om aanpassingen te doen in rapportages die door anderen zoals de Raad zijn opgesteld.

VI

Beklaagde verwijst naar de brieven die zij in antwoord op de andere brieven van klaagster heeft verzonden. Zo geeft zij aan dat klaagster haar mail van 29 september 2016 gericht heeft aan “[naam teamleider]’ en niet aan beklaagde.

VII

Het besluit om verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken, wordt genomen in een team. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling was genomen kort voordat de vader van de minderjarige overleed. De gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling zijn opgesteld door de gedragsdeskundige, op basis van informatie van de collega’s. Er bestonden voldoende gronden.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel overweegt het College dat vast staat dat het handelen van beklaagde rond het uitspreken van de voorlopige voogdij beperkt was tot haar aanwezigheid namens de GI bij het aanzeggen aan klaagster van de voorlopige voogdij door de Raad. Het College vermag dan ook niet in te zien dat beklaagde betrokken was bij het onderzoek naar de situatie van de minderjarige kort na het overlijden van de vader, zodat reeds om die reden dit klachtonderdeel ongegrond is.

II

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt het College dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat beklaagde zich partijdig opstelt en zich laat leiden door eenzijdige informatie van niet belanghebbenden. Ook overigens is zulks niet uit de stukken dan wel hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, gebleken.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

III

Het College begrijpt dat het derde klachtonderdeel samenhangt met het eerste klachtonderdeel, in die zin dat klager zich op het standpunt stelt dat beklaagde binnen het onderzoek naar de situatie rond de jeugdige de wensen van klaagster en het belang van de minderjarige niet respecteerde. Ook ten aanzien van het derde klachtonderdeel overweegt het College dan ook dat vast staat dat het handelen van beklaagde rond het uitspreken van de voorlopige voogdij beperkt was tot haar aanwezigheid namens de GI bij het aanzeggen van de voorlopige voogdij door de Raad. Het College vermag dan ook niet in te zien dat beklaagde betrokken was bij het onderzoek naar de situatie van de minderjarige kort na het overlijden van de vader, zodat reeds om die reden dit klachtonderdeel ongegrond is.

IV

Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel, waarin klager erover klaagt dat beklaagde een dreigende houding heeft aangenomen, overweegt het College dat klaagster zulks niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook overigens is naar het oordeel van het College niet uit de stukken dan wel hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, gebleken dat beklaagde een dreigende houding heeft aangenomen.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

V

In het vijfde klachtonderdeel klaagt klager erover dat beklaagde weigert onjuistheden in het gezinsplan aan te passen. Het College overweegt dat op grond van het privacyreglement gecertificeerde instelling de betrokkene de GI kan verzoeken de hem betreffende persoonsgegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn. Het College acht niet aannemelijk geworden dat er sprake is van feitelijke onjuistheden in het gezinsplan, en dat om die reden het gezinsplan verbeterd zou moeten worden.
Het College meent dat het wel een geschikt gebaar van beklaagde, als contactpersoon voor klaagster in het kader van de ondertoezichtstelling, was geweest om de reactie van klaagster van 31 oktober 2016 op het kennelijk recent aangepaste gezinsplan toe te voegen aan het gezinsplan, in het kader van de door beklaagde genoemde frisse start.
De schriftelijke reactie van beklaagde van 2 november 2016 op de brief van beklaagde van 31 oktober 2016, inhoudende dat het gezinsplan slechts administratief verwerkt is onder de naam van beklaagde, en -naar het College begrijpt- dat het derhalve om die reden niet aan haar is om te reageren op het verzoek om correctie, acht het College overigens onjuist. Beklaagde was immers op dat moment contactpersoon voor klaagster in het kader van de ondertoezichtstelling.
Het daarnaast in de brief van beklaagde van 2 november 2016 door beklaagde gebezigde argument dat het niet aan de GI is om aanpassingen te doen in rapportages zoals door de Raad zijn opgesteld, acht het College evenmin juist, reeds omdat klaagster immers niet vraagt om aanpassing van de rapportage van de Raad, maar om aanpassing van de weergave ervan in het gezinsplan. Het College begrijpt overigens ten aanzien van dit laatste dat het gaat om een letterlijke weergave van het rapport van de Raad, en dat om die reden aanpassing niet aan de orde is omdat het niet gaat om een feitelijke onjuistheid.

Het klachtonderdeel is dan ook deels gegrond.

VI

In het zesde klachtonderdeel klaagt klaagster erover dat beklaagde weigert te antwoorden op de door de klaagster gestelde vragen en verzoek om documenten op grond waarvan beslissingen zijn genomen.

Uit het dossier en hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, komt naar voren dat klaagster op 29 september 2016 een emailbericht heeft verzonden dat gericht was aan zowel [naam teamleider], de teamleider ten tijde van het uitspreken van de voorlopige voogdij, als aan beklaagde, maar dat klaagster kort na verzending het bericht heeft gekregen dat het bericht niet bezorgd kon worden bij beklaagde, en dat klaagster vervolgens de in genoemd emailbericht gestelde vragen alsmede haar verzoek om afschrift van dossierstukken in uitgebreide vorm in een brief aan beklaagde heeft gezonden, op 6 oktober 2016. De vragen die beklaagde in haar brief van 6 oktober 2016 stelt, gaan onder meer over de noodzaak van de voorlopige voogdij, de zorgvuldigheid van het onderzoek dat daaraan ten grondslag lag en de afwegingen die hierin zijn gemaakt, alsmede over of bemoeienis van de GI in de vorm van ondertoezichtstelling thans nog noodzakelijk is, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling na het overlijden van de vader niet meer bestaan.
Beklaagde heeft hierop bij brief aan klaagster van 11 oktober 2016 gereageerd, in die zin dat zij aangeeft dat de op 29 september 2016 verzonden email aan de juiste persoon is verzonden, te weten [naam teamleider], en dat beklaagde om die reden niet ingaat op de door beklaagde gestelde vragen behalve punt 11, te weten een vraag over de bemoeienis van de GI met de zorgverzekering van de minderjarige.

Beklaagde heeft over de vragen van klaagster bij de mondelinge behandeling verklaard dat klaagster antwoord zou hebben gekregen op haar vragen als zij ze aan de juiste persoon had gesteld. Omdat zij toen nog betrokken was, had [naam teamleider] moeten reageren op de vragen, aldus beklaagde, en dat heeft [naam teamleider] kennelijk niet gedaan. Beklaagde geeft aan dat zij vindt dat het in ieder geval niet op haar weg lag om de gestelde vragen te beantwoorden.
Het College volgt deze laatste stelling van beklaagde niet, in die zin dat hij van oordeel is dat het op de weg van beklaagde als contactpersoon voor klaagster namens de GI sinds 28 september 2016 had gelegen bedoelde vragen te beantwoorden dan wel zich ervan vergewissen dat bedoelde vragen binnen een redelijke termijn zouden worden beantwoord; hetzelfde geldt voor de beantwoording van het verzoek van klaagster om afschrift van dossierstukken.

Het klachtonderdeel is dan ook gegrond.

VII

Ten aanzien van het zevende klachtonderdeel waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde de ondertoezichtstelling wil verlengen op gronden die niet meer aanwezig zijn, overweegt het College dat het de taak is van de beklaagde als gezinsvoogd om -samen met haar staf- af te wegen in hoeverre er nog sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige en in hoeverre de moeder de zorg die nodig is om die bedreiging op te heffen niet voldoende accepteert, en te bezien of verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De omstandigheid dat, zoals beklaagde aangeeft, reeds een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling was ingediend door haar voorganger voor het overlijden van de vader -terwijl dit verzoek nog niet door de rechtbank was behandeld-, ontslaat haar niet van deze taak; er kan immers sprake zijn van een wijziging van omstandigheden die heroverweging nodig maakt. In dit geval was er ook sprake van gewijzigde omstandigheden, in die zin dat de vader was overleden en dat in de periode kort na dit overlijden een voorlopige voogdij is uitgesproken.
Het College vermag overigens niet in te zien dat er in die periode geen gronden meer waren voor verlenging van de ondertoezichtstelling, zoals door klaagster betoogd; de rechtbank heeft immers de ondertoezichtstelling verlengd bij beschikking van 24 november 2017.

Het klachtonderdeel is derhalve deels gegrond.

5.3

Hoewel de klachtonderdelen VI geheel, en V en VII gedeeltelijk gegrond zijn, ziet het College geen aanleiding om een maatregel op te leggen, vanwege de geringe ernst van de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het betreffende handelen van beklaagde.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, II, III, IV, V (deels), VII (deels) ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen V (deels), VI en VII (deels) gegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 14 juli 2017 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris