Voor zover de klacht ziet op een gebrek aan communicatie, kan de oorzaak gevonden worden in de eis van klaagster om slechts via e-mail met haar te communiceren. Ook de overige klachtonderdelen worden ongegrond verklaard door het College. 

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot;
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als Raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [vestigingsplaats].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mr. [gemachtigde], werkzaam bij Suez Advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennis genomen van:

− het klaagschrift van 1 november 2016, met de bijlagen en de aanvullingen hierop;

− het verweerschrift van 29 december 2016, met bijlagen.

1.2 Klaagster heeft haar klacht op 28 maart 2017 ingetrokken. Het College heeft besloten dat de mondelinge behandeling – mede in het belang van beklaagde – desondanks doorgang zal vinden.

1.3 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 20 april 2017 in aanwezigheid van beklaagde en haar gemachtigde, zoals voornoemd. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest: [naam toehoorder].

1.4 Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klaagster is de gezaghebbend ouder van zoon [zoon], geboren op [geboortedatum] 2011.

2.2 Op 4 april 2016 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) een melding van Veilig Thuis [plaatsnaam] ontvangen over de zoon van klaagster, omdat er zorgen zijn rondom zijn algemene ontwikkeling. Klaagster zou afspraken met het consultatiebureau niet nakomen, adviezen niet opvolgen en niet openstaan voor hulp, waardoor er geen zicht was op de thuissituatie van [zoon].

2.3 Op 21 juni 2016 is de zaak op naam van beklaagde gezet.

2.4 Op 24 juni 2016 heeft een intern overleg over het onderzoeksplan met een gedragskundige plaatsgevonden, waarin is besloten dat Veilig Thuis [vestigingsplaats], de GGD/het consultatiebureau en de betrokken logopedist zullen worden benaderd.

2.5 Op 11 juli 2016 is beklaagde bij klaagster op huisbezoek geweest en heeft een gesprek plaatsgevonden, waarin klaagster heeft laten weten zich niet te herkennen in de gemelde zorgen en wel degelijk open te staan voor hulpverlening.

2.6 Naar aanleiding van het huisbezoek heeft een tweede intern overleg met een gedragsdeskundige plaatsgevonden over de verder te nemen stappen. Besloten is dat er een tweede huisbezoek zou worden afgelegd om te bekijken of het mogelijk zou zijn afspraken te maken over de invulling van de vrijwillige hulpverlening, de schoolgang van [zoon] en het opstarten van de opvoedondersteuning. Beklaagde en klaagster hebben hiervoor een afspraak voor 12 augustus 2016 gemaakt.

2.7 Op 11 augustus 2016 is de afspraak door de moeder van klaagster afgezegd, vanwege de slechte gezondheidssituatie van de vader van klaagster. Beklaagde heeft klaagster verzocht een nieuwe afspraak te maken. Ook de hierna voor 5 september 2016 gemaakte afspraak is door klaagster afgezegd.

2.8 Op 8 september 2016 heeft beklaagde, samen met een collega, uiteindelijk een tweede huisbezoek afgelegd. Tijdens dit bezoek heeft klaagster benoemd dat zij het vervelend heeft gevonden dat beklaagde, ondanks dat zij op de hoogte was van de gezondheidstoestand van de vader van klaagster, is blijven aandringen op het plannen van een tweede gesprek.

2.9 Op 9 september 2016 heeft klaagster een klacht ingediend bij de Raad over de werkwijze en de medewerkers van de Raad. De teamleider van beklaagde heeft tweemaal een klachtgesprek gepland, maar klaagster heeft beide afspraken afgezegd. Klaagster heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek om een nieuwe afspraak te maken. Derhalve is aan klaagster bij brief van 14 december 2016 medegedeeld dat de door haar ingediende klacht bij de Raad is afgesloten.

2.10 Op 16 september 2016 heeft beklaagde de bevindingen in een rapport vastgelegd. Besloten is tot het afsluiten van het Raadsonderzoek onder verwijzing van klaagster naar het Centrum voor Jeugd en Gezin voor vrijwillige hulpverlening.

2.11 Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2014.

3 De klacht

3.1 Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

3.1.1 Beklaagde heeft onprofessioneel en niet respectvol gehandeld.

3.1.2 Beklaagde heeft zich dwingerig opgesteld.

3.1.3 Beklaagde heeft de zaak niet voldoende onderzocht.

3.1.4 Beklaagde heeft niet naar klaagster geluisterd.

3.1.5 Beklaagde heeft weinig begrip getoond voor onvoorziene omstandigheden.

3.2 Klaagster heeft daartoe aangevoerd dat beklaagde bij klaagster is langsgekomen om te beoordelen of klaagster eventueel hulp nodig zou hebben of dat [zoon] onder toezicht gesteld zou moeten worden. Beklaagde heeft de leugens over de zorgen echter geloofd en heeft niets gedaan met de door klaagster aangedragen bewijzen.

3.3 Voorts was beklaagde niet begripvol toen klaagster het tweede gesprek, wegens ziekte en onvoorziene omstandigheden, een aantal keer moest afzeggen of verplaatsen. Op het laatst heeft beklaagde zelfs geëist dat klaagster het gesprek niet nogmaals mocht afzeggen, anders zou er intern een oplossing gevonden moeten worden. Gezien de zorgelijke situatie van de vader van klaagster, kwam dit zeer dreigend en niet respectvol over.

3.4 Klaagster acht het zeer onprofessioneel van beklaagde dat zij niet aan waarheidsvinding doet voordat zij iemand gedwongen hulp wil opleggen. Daarbij komt dat het dossier uit 2014 stamt. [Zoon] was toen net drie jaar oud, terwijl hij inmiddels vijf jaar is. Beklaagde had beter naar het dossier moeten kijken en de leugens die daarin worden vermeld niet serieus moeten nemen. Ook heeft beklaagde geen rekening gehouden met de levens/geloofsovertuiging van klaagster.

3.5 Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

4 Het verweer

4.1 Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.2 Beklaagde is er op gericht geweest om de onderzoeken zorgvuldig en conform de werkwijze van de Raad met inachtneming van de gedragsregels uit te voeren. Beklaagde herkent zich dan ook niet in de klachten en stelt zich op het standpunt dat de klachten ongegrond dienen te worden verklaard.

4.3 Beklaagde herkent zich niet in het verwijt dat zij geen begrip zou hebben getoond voor de gezondheidssituatie van de vader van klaagster. Het is zeker niet de bedoeling van beklaagde geweest om hier geen begrip voor te tonen. Echter, beklaagde heeft ondanks die slechte gezondheidssituatie wel moeten aandringen op een tweede gesprek op korte termijn vanwege de zorgen over [zoon] en de taak van de Raad om in een dergelijke situatie voortvarend een onderzoek te doen en af te ronden. Beklaagde kan zich voorstellen dat dit op klaagster als ‘dwingend’ is overgekomen, maar een Raadsonderzoek is geen vrijblijvend onderzoek en het aandringen op een gesprek was daarom noodzakelijk. Beklaagde heeft in het gesprek met klaagster op 8 september 2016 ook benoemd dat zij begrijpt dat dit zo is overgekomen en heeft daarbij ook uitgelegd waarom zij heeft aangestuurd op een gesprek op een zo kort mogelijke termijn. Beklaagde heeft zich voor haar gevoel – en dat van de collega die ook aanwezig is geweest – respectvol en begrijpend opgesteld tijdens het gesprek met klaagster en beklaagde betreurt het dat dit op klaagster anders is overgekomen.

4.4 Beklaagde heeft voorts tegen klaagster gezegd dat het haar goed recht is om het niet eens te zijn met de inhoud van de zorgmelding van Veilig Thuis bij de Raad. De taak van de Raad is echter om een binnengekomen melding serieus te nemen en te onderzoeken of de zorgen die er zijn van dien aard zijn dat er gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

4.5 Op grond van artikel 3.3. van de Jeugdwet moet de Raad zich in het onderzoek richten op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectiveerbaar zijn. Van belang is dat de raadsmedewerker de feiten verzamelt en dat van die feitelijke juistheid van de gegevens die in de rapportage staan vermeld kan worden uitgegaan. In de onderhavige zaak viel niet of moeilijk feitelijk vast te stellen wat de juiste informatie was, omdat klaagster en de hulpverlening een verschillende beleving hebben van de aard en omvang van de zorgen over [zoon]. Van belang is om in een dergelijke situatie de werkelijkheid van de opvoedsituatie rond het kind, qua ontwikkeling en veiligheid, zo goed mogelijk na te gaan.

4.6 De informanten (Veilig Thuis, Centrum voor Jeugd en Gezin, consultatiebureau en logopedist) zijn conform de werkwijze van de Raad benaderd en gesproken en de weergave van de door hen verstrekte informatie is schriftelijk ter goedkeuring aan hen voorgelegd. Beklaagde gaat ervan uit dat de informanten staan achter de informatie die zij hebben gegeven. Het gegeven dat klaagster het niet eens is met hun bevindingen, maakt echter niet dat daarmee ook gesteld kan worden dat er leugens zijn verteld. Tevens heeft beklaagde wel degelijk ook naar de visie van klaagster (en haar moeder) geluisterd en dit meegenomen in het onderzoek. Doordat klaagster in de gesprekken met beklaagde heeft laten weten open te staan voor een verwijzing van het CJG, heeft dit ertoe geleid dat, hoewel Veilig Thuis een ondertoezichtstelling van [zoon] noodzakelijk achtte, de Raad heeft geconcludeerd dat eerst nog geprobeerd diende te worden om de hulpverlening in het vrijwillig kader in te zetten. Het is voor beklaagde dan ook niet duidelijk waarop het verwijt, dat zij niet naar klaagster zou hebben geluisterd dan wel leugens serieus zou hebben genomen, is gebaseerd.

4.7 Gelet op het voorgaande, dient geconcludeerd te worden dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat de klachten ongegrond dienen te worden verklaard.

4.8 Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1 Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroeps-uitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2 Het College toets het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2 Het College oordeelt als volgt:

5.2.1 Uit het verhandelde ter zitting als ook uit het dossier, en meer in het bijzonder uit het door beklaagde opgemaakte Raadsrapport, is niet gebleken dat beklaagde onprofessioneel en niet respectvol zou hebben gehandeld, integendeel.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.2 Het College kan begrijpen dat wanneer beklaagde als Raadsonderzoeker bij klaagster thuis een niet-vrijblijvend onderzoek doet naar de gemelde zorgen, het op klaagster zou kunnen overkomen dat beklaagde zich dwingend opstelt, maar het is nou eenmaal de taak van beklaagde om een dergelijk onderzoek uit te voeren. Niet is gebleken dat beklaagde daarbij buiten de kaders van de beroepscode is getreden.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.3 Hoewel gesteld, is niet gebleken dat beklaagde onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het onderzoek is – voor zover dat mogelijk was – volledig verricht.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.4 Uit de Raadsrapportage en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat beklaagde niet naar klaagster zou hebben geluisterd, integendeel.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.5 Ook nadat klaagster al verschillende keren een afspraak had afgezegd, is beklaagde blijven proberen om een afspraak met klaagster te maken voor een tweede huisbezoek. Dit tweede bezoek heeft uiteindelijk op 8 september 2016 plaatsgevonden. Voor zover de klacht ziet op een gebrek aan communicatie, merkt het College op dat dit bemoeilijkt werd door de eis van klaagster om slechts via e-mail met haar te communiceren dan wel telefonisch via de moeder van klaagster.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.3 Conclusie:
Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de beroepscode heeft gehandeld en dat beklaagde geen enkel tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

− verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 15 juni 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort
voorzitter secretaris