Klacht tegen jeugdbeschermer/gezinsvoogd over het niet geven van uitleg over de beëindiging van de ondertoezichtstelling.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, jurist,
mevrouw S.J. Ephraïm, beroepsgenoot jeugdzorgwerkers,
mevrouw F.A. Leeflang, beroepsgenoot jeugdzorgwerkers,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, beroepsgenoot jeugdzorgwerkers.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster A], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster A, en

[Klaagster B], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster B, ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], werkzaam als jeugdbeschermer/gezinsvoogd bij [GI] te [vestigingsplaats], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 10 november 2016, met bijlagen;
– het e-mailbericht van klaagster B d.d. 30 november 2016;
– het verweerschrift d.d. 7 januari 2017, met bijlagen.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 6 april 2017 in aanwezigheid van klaagster B en beklaagde. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest: [gebiedsmanager], (gebiedsmanager).

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1 Uit de relatie van klaagster A met haar ex-partner (hierna: vader) zijn op [geboortedatum] 2007 zoon [zoon] en dochter [dochter] (hierna te noemen: de kinderen) geboren. Het ouderlijk gezag berust bij klaagster A.

2.2 Vader heeft sinds april 2014 geen contact meer met de kinderen.

2.3 Op 1 september 2014 heeft vader een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend, strekkende tot gezamenlijk gezag, de verdeling van de zorg- c.q. omgangsregeling en een informatie- en consultatieverplichting. Klaagster A heeft daartegen op 24 oktober 2014 een verweerschrift ingediend. De zitting heeft op 19 januari 2015 plaatsgevonden en ouders zijn een voorlopige informatie- en consultatieregeling overeengekomen.

2.4 Bij beschikking van de rechtbank van 9 februari 2015 achtte de rechtbank zich ten aanzien van het gezag en de zorg- c.q. omgangsregeling onvoldoende ingelicht om een beslissing te nemen. De rechtbank achtte daarom een raadsonderzoek geïndiceerd.

2.5 De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 11 juni 2015 een rapport uitgebracht. Uit het rapport volgt dat de Raad van mening is dat een ondertoezichtstelling (hierna: OTS) voor de periode van een jaar nodig is. De Raad achtte het in het belang van de kinderen dat zij omgang met vader hebben en dat een gedwongen kader nodig is om dit te bewerkstelligen.

2.6 Bij beschikking van de rechtbank [Vestigingsplaats] van 5 oktober 2015 zijn [zoon] en [dochter] onder toezicht gesteld van [GI] (hierna: GI) met ingang van 5 oktober 2015 tot 5 oktober 2016. De kinderrechter oordeelde dat vanwege de bedreigingen in de ontwikkeling van [zoon] en [dochter] gewerkt moet worden aan de volgende punten: herstel van de communicatie tussen klaagster A en vader, contactherstel tussen de kinderen en vader, waartoe eerst hulpverlening moet worden ingezet, en het terugbrengen van het schoolverzuim van de kinderen.

2.7 Op 4 mei 2016 hebben klaagster A, klaagster B en beklaagde een gesprek gehad, waarbij ook een gezinshulpverlener van de vrouwenopvang [opvang] de behandelaar van [instelling] en een medewerker van de politie aanwezig waren. Tijdens dit overleg is een concreet plan gemaakt voor de opstart van de omgang tussen vader en de kinderen.

2.8 Op 15 augustus 2016 heeft [GI] een verzoek tot verlenging van de OTS bij de rechtbank [Vestigingsplaats] ingediend.

2.9 Bij beschikking van 27 september 2016 heeft de rechtbank [Vestigingsplaats] het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat de verscheidene pogingen om de omgang tussen vader en de kinderen op gang te brengen tot niets hebben geleid en dat klaagster A, ondersteund door de standpunten van de vrouwenopvang en de adviezen van het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (hierna: LEC), daaraan ook geen medewerking zal verlenen. Nu er voor het overige onvoldoende zorgen en kind-signalen waren die een verlenging van de OTS rechtvaardigden, heeft de rechtbank geconcludeerd dat gronden voor het verlengen van de OTS ontbraken.

2.10 Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klaagsters hebben een aantal klachtonderdelen geformuleerd. Het College verwijst voor de volledige weergave van de klacht naar het klaagschrift, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Kort samengevat verwijten klaagsters beklaagde het volgende:

I Beklaagde laat de kinderen niet tot hun recht komen:
Beklaagde heeft de kinderen gedurende de periode dat zij actief was als gezinsvoogd slechts twee keer gezien. De eerste keer was in april 2016 en toen heeft beklaagde de kinderen vijf minuten gesproken en vragen aan hen gesteld, zoals of zij vader misten en hoe het op school ging. De tweede keer is beklaagde de kinderen toevallig tegengekomen in de gang toen zij net van school thuiskwamen.
Voorts heeft beklaagde in haar rapportage beweerd dat zij via e-mail contact heeft gehad met de school van de kinderen. Klaagster A heeft hiernaar bij de directie van de school navraag gedaan. De directeur van de school heeft schriftelijk aan klaagster A bevestigd dat beklaagde nooit contact met de school heeft opgenomen.

II Beklaagde is niet bereid om klaagster B te helpen:
Klaagster B mocht geen contact opnemen met beklaagde. Beklaagde heeft dit gedefinieerd als het overhevelen van de eigen problemen van klaagster A aan klaagster B. Beklaagde heeft dit ten onrechte beoordeeld vanuit de Nederlandse cultuur, terwijl het in de [naam land] cultuur gebruikelijk is dat de kinderen in het gezin de familie ondersteunen.

III Beklaagde bevordert het vertrouwen in de jeugdzorg niet:
Beklaagde heeft veel leugens in de rapportage vermeld, hetgeen het vertrouwen van klaagster A in de jeugdzorg negatief heeft beïnvloed. Beklaagde is naar klaagster A gekomen met dreigementen, zoals dat zij wettelijk verplicht was om een omgangsregeling op te starten, terwijl dit in de beschikking van de rechtbank anders was verwoord. De beschikking luidde immers dat er een onderzoek naar de huidige situatie diende te worden verricht. Door de gevaarlijke acties van beklaagde kon de veiligheid van klaagster A en haar kinderen in gevaar komen.

IV Beklaagde toont geen respect:
Door de onveilige acties van beklaagde was klaagster A telkens genoodzaakt om te verhuizen. Vader heeft klaagster A bedreigd nadat de eerste OTS was afgesloten. Een paar maanden later is klaagster A naar beklaagde toegegaan en heeft zij verteld dat vader zich niet meer aan de afspraken hield. Beklaagde vond dat klaagster A naar een advocaat moest stappen. Klaagster A is naar de politie gegaan, maar ook de politie heeft geen gehoor gegeven aan de situatie. Hierna heeft klaagster A het heft zelf in eigen handen moeten nemen en is zij verhuisd naar [plaatsnaam]. Toen de dreigementen aanhielden, heeft klaagster A zich weer gewend tot de politie. Na de zomerperiode, toen klaagster A terug was gekomen van familiebezoek in [naam land], heeft klaagster A zich aangemeld bij de [instelling]. Beklaagde heeft klaagster A op geen enkele wijze geholpen en heeft klaagster A tijdens het kennismakingsgesprek bedreigd door te zeggen dat klaagster A de kinderen aan vader diende te tonen, anders zou beklaagde de kinderen uit huis plaatsen.
Beklaagde heeft klaagster A voortdurend als ouder beledigd tegenover derden in deze zaak. Beklaagde liet klaagster A overkomen als een vrouw die niet voor haar eigen belangen kon opkomen en al het werk door klaagster B liet doen. Klaagster B heeft echter een juridische opleiding afgerond en wilde klaagster A daarom in deze zaak ondersteunen.
Klaagster B heeft beklaagde verzocht om gegevens over haar uit de rapportage weg te laten, maar beklaagde heeft daaraan geen gehoor gegeven.
Beklaagde heeft ook geen respect gehad voor klaagster B. Zij werd door beklaagde omschreven als een volwassen persoon die geen dagbesteding had en geen enkele schoolactiviteit en werkactiviteit had.
Ten slotte heeft beklaagde klaagster A op een onbeschofte manier benaderd in e-mails.

V Beklaagde voorziet klaagster A niet van informatie over de hulp- en dienstverlening:
Klaagster A heeft geprobeerd om mee te werken aan het verzoek van beklaagde tot omgang tussen vader en de kinderen. Achteraf bleek dat beklaagde eerst een onderzoek diende te verrichten naar de stand van zaken. Beklaagde heeft gedreigd om de omgang voort te zetten. Vervolgens heeft klaagster A een andere hulpverlener toegewezen gekregen omdat haar huidige hulpverlener met zwangerschapsverlof ging. De huidige hulpverlener van klaagster A is gespecialiseerd in eergerelateerd geweld. De politie heeft ook een negatief advies voor de omgang met vader gegeven.
Klaagster A is onjuist geïnformeerd door beklaagde. Beklaagde gaf voortdurend aan dat er omgang diende te komen terwijl de rechter dit niet heeft getoetst en klaagster A het eenhoofdige gezag over de kinderen heeft.

VI Beklaagde misbruikt haar macht:
Beklaagde heeft in haar Raadsrapport gelogen over de school van de kinderen. Er is sprake van ‘parentificatie’. Ook heeft beklaagde aangegeven dat klaagster B schulden heeft. Hier is echter geen sprake van en bovendien valt klaagster B buiten deze zaak. Ten slotte heeft beklaagde klaagster A in de war gebracht door het geven van verkeerde informatie.

VII Beklaagde heeft geen uitleg gegeven over de beëindiging van de ondertoezichtstelling:
De kinderen waren verzekerd onder de zorgverzekering van Jeugdzorg [Plaatsnaam]. Deze verzekering is per 10 oktober 2016 beëindigd. Klaagster A is hiervan niet op de hoogte gesteld. Ook is beklaagde niet op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat de OTS is beëindigd. Beklaagde heeft daarover ook geen uitleg aan de kinderen gegeven en evenmin aan klaagster A.

VIII Beklaagde gaat niet vertrouwelijk om met de rapportage van het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (LEC):
Beklaagde heeft het rapport van het LEC openbaar gemaakt door dit naar de rechtbank toe te sturen. In dit rapport stond dat klaagster A in het vrouwenopvanghuis in [Plaatsnaam] heeft verbleven, hetgeen de veiligheid van klaagster A en haar kinderen in gevaar heeft gebracht.
Beklaagde is onzorgvuldig met de rapportage van het LEC omgegaan. Op de zitting van de rechtbank [Vestigingsplaats] d.d. 27 september 2016 heeft beklaagde aangegeven niet op de hoogte te zijn geweest van de importantie van de rapportage van het LEC, hetgeen klaagster A ongeloofwaardig acht.

IX De verslaglegging en dossiervorming bevat onwaarheden:
Beklaagde heeft grote leugens vermeld in de Raadsrapportage. Correcties van klaagster A omtrent feitelijke onjuistheden zijn niet door beklaagde aangepast, hoewel klaagster A die correcties van te voren schriftelijk aan beklaagde had toegestuurd.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I Beklaagde heeft de kinderen gedurende de OTS driemaal gezien: één keer in [Plaatsnaam] (toen klaagster A nog verbleef in het [naam organisatie] en tweemaal in [Plaatsnaam]. Ook tijdens de eerdere OTS (in 2010-2013) heeft beklaagde de kinderen niet heel vaak gezien. De hulpverlening vanuit [GI] richt zich op het organiseren van de hulpverlening rondom de kinderen.
Beklaagde heeft in de periode van 12 juli 2016 tot en met 20 juli 2016 zowel telefonisch als per e-mail contact gehad met de school van de kinderen. Beklaagde heeft aan de betrokken IB-er laten weten dat zij verbaasd was over de e-mail van de directeur, waarin dit contact wordt ontkend.
Vanzelfsprekend heeft beklaagde gecheckt of er geen informatie in het rapport van het LEC stond over de huidige verblijfplaats van klaagster A en haar kinderen.

II Beklaagde heeft klaagster B nooit verboden om met haar contact op te nemen. Wel heeft beklaagde uitgelegd dat zij met klaagster A spreekt over haar verantwoordelijkheden als moeder en dat klaagster A haar eerste aanspreekpunt is. Ook in de overlegsituaties bij de vrouwen-opvang is klaagster B altijd aanwezig geweest.

III [GI] voert de OTS uit in opdracht van de kinderrechter. De kinderrechter heeft in de beschikking van 5 oktober 2015 omtrent de OTS aangegeven wat de opdracht is, te weten: herstel van de communicatie tussen klaagster A en vader, contactherstel tussen de kinderen en de vader, waartoe eerst hulpverlening ingezet moet worden, en het terugbrengen van het schoolverzuim van de kinderen. Ook staat duidelijk in de Raadsrapportage vermeld wat de opdracht omtrent de OTS inhoudt. Op pagina 14 van het Raadsrapport staat duidelijk vermeld wat het standpunt van de Raad is: “De Raad is van mening dat er geen ontzeggingsgronden voor de omgang aanwezig zijn. De Raad is van mening dat contact tussen de kinderen en vader in hun belang is”.
Op 4 mei 2016 heeft een groot overleg plaatsgevonden met de vrouwenopvang, [instelling], politie, klaagster A, klaagster B en [GI]. Tijdens dit overleg is een concreet plan gemaakt voor de opstart van de omgang tussen de kinderen en vader. Alle betrokkenen waren het met het plan eens.

IV Beklaagde is van mening dat zij altijd respect heeft getoond en klaagster A op geen enkele manier in een situatie heeft gebracht waardoor zij moest verhuizen. Wel heeft beklaagde duidelijk aangegeven wat de opdracht van de kinderrechter was binnen het kader van de OTS. Wel heeft beklaagde benadrukt dat klaagster A de moeder van de kinderen is en daarmee het eerste aanspreekpunt is van beklaagde. Gezien de complexe gezinsgeschiedenis en verwevenheden in het gezin en de rol van klaagster B is zij wel meegenomen in de rapportage. De informatie over de dagbesteding van klaagster B was een door de vrouwenopvang geuit punt van zorg, zoals ook volgt uit het verslag van 4 mei 2016.
De e-mailberichten waaraan klaagster A heeft gerefereerd heeft beklaagde niet terug kunnen vinden in productie 7 van de klacht. Beklaagde heeft de aanvullingen van klaagster A op het concept rapport zo goed als mogelijk proberen te verwerken in het definitieve rapport omtrent de kinderen.

V In eerste instantie waren er duidelijke afspraken gemaakt over de start van de omgang, maar in een later stadium bleek de vrouwenopvang door verandering van de medewerker een andere visie op de zaak te hebben. [GI] heeft getracht om met de vrouwenopvang op één lijn te komen. [GI] heeft meerdere keren gevraagd om een gesprek met de vrouwenopvang en met de leidinggevende van de vrouwenopvang. Dit is niet van de grond gekomen aangezien de betrokken medewerkers aangaven dat er geen leidinggevende betrokken was (want er zou sprake zijn van zelfsturende teams). [GI] heeft na intern overleg met de interne deskundige op het gebied van eergerelateerd geweld besloten om de zaak voor te leggen aan de kinderrechter bij het verzoek tot verlenging van de OTS. Dit is ook zo aan klaagster A en de betrokken hulpverlening gecommuniceerd.

VI Beklaagde betwist te hebben gelogen over de contacten met school. Ook is het voor beklaagde onduidelijk wat wordt bedoeld met ‘parentificatie’. Het punt van de schulden is op 4 mei 2016 als zorgpunt aangedragen door de vrouwenopvang. Beklaagde heeft nooit misbruik gemaakt van haar machtspositie. Op het moment dat klaagster A aangaf niet meer te willen meewerken aan contactherstel tussen vader en de kinderen, heeft beklaagde gerefereerd aan de op 4 mei 2016 gemaakte afspraken. Daarna heeft beklaagde aangegeven dat zij de zaak zou voorgeleggen aan de kinderrechter.

VII Het was beklaagde niet bekend dat de kinderen nog verzekerd waren via [GI], hetgeen overigens nooit de bedoeling is geweest, aangezien deze verzekering alleen bestemd is voor kinderen die uit huis geplaatst zijn. De verzekering had dus al in 2011 afgesloten moeten worden. Daarnaast is het altijd de verantwoordelijkheid van de ouders zelf om te voorzien in een zorgverzekering voor de kinderen.
Beklaagde gaat ervan uit dat klaagster A over de afsluiting van de OTS op de hoogte is gesteld door haar advocaat en door de rechtbank. Beklaagde heeft klaagster A daarover inderdaad niet zelf op de hoogte gebracht. In 2013 is de OTS ook afgesloten en toen is dit evenmin met de kinderen gecommuniceerd. Ook heeft beklaagde daarover geen uitleg gegeven aan de kinderen en aan klaagster A. Gezien de eerdere OTS in 2010-2013 ging beklaagde ervan uit dat klaagster A op de hoogte was van de gang van zaken bij het afsluiten van de OTS.

VIII Gezien de complexiteit van de zaak en de verschillende belangen van klaagster A en vader, heeft beklaagde dit dilemma zo transparant mogelijk bij de kinderrechter proberen neer te leggen, met alle informatie die aanwezig was (waaronder de analyse van het LEC). Beklaagde heeft ter zitting aangegeven dat de analyse van het LEC niet verstuurd had mogen worden naar de rechtbank, hetgeen door de politie is aangegeven. Beklaagde was hiervan niet op de hoogte en dat kwam ook niet naar voren in het e-mailbericht dat beklaagde op 18 juli 2016 had gekregen met de analyse. Beklaagde heeft gevraagd om de complete analyse van het LEC en dit werd benoemd als geheim. Vandaar dat beklaagde ervan was uitgegaan dat de conclusie uit de rapportage niet geheim was.

IX [GI] is niet degene die de Raadsrapportage heeft opgemaakt (dit is de Raad voor de Kinderbescherming), zodat de klacht ongegrond is.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

Met betrekking tot klachtonderdeel I:
Het College is van oordeel dat de frequentie waarmee beklaagde de kinderen van klaagster A heeft gezien in dit geval passend was, gelet op de opdracht die zij had gekregen. Beklaagde heeft in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling duidelijk verwoord dat zij het onderwerp globaal met de kinderen heeft besproken, maar dat haar opdracht juist zag op het onderzoeken van de mogelijkheid tot contactherstel en omgang tussen vader en de kinderen. Haar onderzoek was derhalve gericht op de ouders en ging buiten de jonge kinderen om.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van deze klacht, overweegt het College dat uit het door beklaagde overgelegde e-mailbericht aantoonbaar is gebleken dat beklaagde, anders dan klaagsters stellen, wel degelijk contact heeft gehad met de school van de kinderen.

Het klachtonderdeel is ten aanzien van beide punten ongegrond.

Met betrekking tot de klachtonderdelen II en V:
Het College begrijpt de klacht van klaagsters aldus dat beklaagde te weinig oog heeft gehad voor de [naam land] cultuur waarin één en ander zich heeft afgespeeld. Hoewel het wellicht beter was geweest als beklaagde op dit punt iets meer inlevingsvermogen of empathie jegens klaagsters had getoond, zodat zij zich (meer) serieus genomen hadden gevoeld, is beklaagde naar het oordeel van het College niet buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening getreden. Bij dat oordeel heeft het College ook de omstandigheid betrokken dat klaagster A geen medewerking heeft willen verlenen aan het onderzoek naar de mogelijkheid van een omgangsregeling.

Voorts beklagen klaagsters zich erover dat zij onjuist door beklaagde zijn geïnformeerd over de precieze inhoud van de onderzoeksopdracht aangaande het contactherstel en de omgangsregeling. Nu klaagsters echter zelf in het bezit waren van de beschikking van de rechtbank en van het Raadsrapport, waarin de onderzoeksopdracht duidelijk wordt beschreven, is het College van oordeel dat klaagsters zelf op de hoogte waren van de omstandigheid dat er een onderzoek door beklaagde zou worden gedaan en wat dat onderzoek inhield. Dat klaagsters hierover onjuist zijn geïnformeerd is dan ook niet gebleken.

Beide klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdelen III, IV en VIII:
Het College stelt vast dat klaagsters beklaagde in de kern verwijten dat zij vader door haar handelen in staat heeft gesteld om het verblijfsadres van klaagsters en de kinderen te achterhalen. Klaagsters hebben daartoe aangevoerd dat vader tegenover de politie heeft verklaard dat hij hun verblijfsadres heeft vernomen van de Raad. Klaagsters hebben begrepen dat beklaagde degene moet zijn geweest die het adres heeft genoemd, omdat de Raad op dat moment niet betrokken was. Het College heeft in het dossier en het verhandelende ter zitting echter geen aanknopingspunten aangetroffen waaruit blijkt dat beklaagde verantwoordelijk is geweest voor het aan vader doorgeven van het geheime adres van het opvanghuis. Evenmin is gebleken dat beklaagde niet vertrouwelijk is omgegaan met de rapportage van het LEC. Dat klaagster via de politie van vader zou hebben gehoord dat hij het geheime adres via de Raad heeft vernomen maakt het vorenstaande niet anders.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel VI:
Het College begrijpt de klacht, voor zover dit ziet op ‘parentificatie’, aldus dat beklaagde op enig moment heeft aangegeven dat zij niet met klaagster B in gesprek wilde gaan over het onderzoek. Het College is van oordeel dat, nu het onderzoek van beklaagde zich in verband met de omgangsregeling enkel richtte op de relatie tussen klaagster A en vader en het herstel van de communicatie tussen hen, beklaagde daar per definitie niet met klaagster B over diende te spreken. Klaagster B heeft immers ook geen gezag over de twee kinderen. Door aldus te handelen heeft beklaagde zich juist professioneel opgesteld en het College onderschrijft dit handelen.

Ook overigens is het College niet gebleken van enig machtsmisbruik door beklaagde.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel VII:
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij geen uitleg heeft gegeven over de beëindiging van de OTS van de kinderen en dat zij op dit punt een betere inschatting had moeten maken en derhalve anders had moeten handelen. In dit geval had beklaagde klaagster A en de kinderen hierover zelf moeten informeren.

Het klachtonderdeel is ten aanzien van dit punt gegrond.

Voor zover de klacht ziet op het verwijt dat beklaagde heeft nagelaten om klaagsters te informeren over de beëindiging van de zorgverzekering van de kinderen, is het College van oordeel dat dit het handelen van beklaagde niet raakt, nu dit de verantwoordelijkheid van de ouders zelf is.

Het klachtonderdeel is ten aanzien van dit punt ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel IX:
Hoewel gesteld, is niet gebleken dat beklaagde onjuistheden of onwaarheden heeft vermeld in de door haar opgemaakte rapportage.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Conclusie:
Het College acht klachtonderdeel VII. deels gegrond. Beklaagde heeft ter zitting blijk gegeven de onjuistheid van haar eigen professionele handelen op dit punt in te zien en in staat te zijn op die tekortschieting te reflecteren. In dit geval komt het College derhalve tot het oordeel dat een maatregel – gelet op de totale aard van de zaak – niet op zijn plaats is.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen I., II., III., IV., V., VI., VIII. en IX. ongegrond;

– verklaart klachtonderdeel VII. deels gegrond, maar acht dit punt in dit geval niet van zodanig gewicht dat oplegging van een maatregel noodzakelijk is.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 1 juni 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy     mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort
voorzitter                                 secretaris