Klacht tegen jeugdbeschermer geen oog gehad te hebben voor de hechting van de dochter en over het niet informeren van klaagster over het buitenlandse reisje van de dochter.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
mevrouw drs. E.A. van EK, lid-beroepsgenoot;
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot;
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

mevrouw [klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

mevrouw [beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI], hierna te noemen: de [GI].

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door de heer mr. I. Mercanoglu, werkzaam bij Mercanoglu Advocatenkantoor te Almelo.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift van 29 november 2016, met bijlagen;

– het verweerschrift van 16 februari 2017, met bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest haar moeder. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is aanwezig geweest mevrouw [toehoorder], gebiedsmanager bij de [GI].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige dochter, geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna te noemen: jeugdige of dochter).

2.2

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 17 januari 2011 is een ondertoezichtstelling uitgesproken (hierna te noemen: OTS). De maatregel wordt uitgevoerd door de [GI].

2.3

Sinds 31 maart 2011 is de dochter met een machtiging uit huis geplaatst. De machtiging uithuisplaatsing (hierna te noemen: MUHP) is sindsdien steeds verlengd.

2.4

De dochter heeft van maart 2011 tot 17 maart 2012 in een crisispleeggezin gewoond.

2.5

Op 17 maart 2012 is de dochter geplaatst in een perspectief biedend pleeggezin.

2.6

Op 7 november 2013 heeft de [GI] een onderzoek aangevraagd bij de Raad van de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) naar een verderstrekkende maatregel.

2.7

Op 20 februari 2014 heeft de Raad advies uitgebracht en bepaald dat de OTS de geëigende maatregel is voor dat moment.

2.8

In de loop van 2014 besluit de [GI] geen MUHP meer te verzoeken bij de rechter en de dochter thuis te plaatsen. De [GI] verzoekt de Raad in november 2014 dit besluit te toetsen.

2.9

Op 12 december 2014 wordt de bezoekregeling tussen de moeder en de dochter wekelijks uitgebreid, als voorbereiding op de naderende thuisplaatsing.

2.10

De Raad is niet akkoord met thuisplaatsing en verzoekt de rechtbank op 6 januari 2015 de MUHP voor twee maanden te verlengen.

2.11

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 12 januari 2015 is de OTS verlengd tot 17 januari 2016 en is de MUHP verlengd met twee maanden tot 17 maart 2015.

2.12

Op 26 februari 2015 heeft de Raad de rechtbank verzocht om de MUHP te verlengen voor de duur van de OTS, omdat de Raad van oordeel is dat de dochter het beste in het pleeggezin kan opgroeien.

2.13

Bij beschikking van de rechtbank van 16 maart 2015 is de MUHP verlengd tot april 2015.

2.14

Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de rechtbank de MUHP verlengd voor de duur van de OTS, dat wil zeggen tot 17 januari 2016, en op verzoek van de pleegouders een andere gecertificeerde instelling (hierna te noemen: GI) aangewezen.

2.15

Op 16 juni 2015 is klaagster in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking. Bij beschikking van het gerechtshof d.d. 4 augustus 2015 wordt de verlening van de MUHP tot 17 januari 2016 bekrachtigd, maar wordt de benoeming van de andere GI afgewezen; de [GI] blijft zoals voorheen de maatregel uitvoeren.

2.16

Op 16 november 2015 heeft de [GI] in het kader van de uitvoering van de OTS en het doel van de uithuisplaatsing besloten de omgangsregeling te wijzigen naar éénmaal per drie weken bij klaagster thuis tussen 10:00 uur en 18:00 uur. Hiervoor was de regeling elke donderdagmiddag en de zaterdag.

2.17

Bij beschikking van de rechtbank van 24 december 2015 is zowel de OTS als de MUHP voor de duur van één jaar verlengd, tot 17 januari 2017.

2.18

Op 11 januari 2016 treedt beklaagde aan als zevende gezinsvoogd in het gezin van klaagster en op 4 februari 2016 vindt er een kennismakingsgesprek plaats met klaagster, oma (moederszijde) en de advocaat. Beklaagde krijgt van de [GI] de opdracht om onderzoek te laten verrichten naar [jeugdige] en beklaagde benadert daarvoor [de instelling] (hierna te noemen: de instelling).

2.19

Op 2 maart 2016 stuurt beklaagde een aankondiging, met daarin het voornemen een schriftelijke aanwijzing te geven voor de omgang. De omgang wordt beperkt tot de woensdagmiddag één keer per drie weken, en vindt deels begeleid plaats. Op 14 maart 2016 wordt de aanwijzing met de beperkte omgangsregeling gegeven.

2.20

Op 31 maart 2016 heeft school een overleg geïnitieerd over [jeugdige], waarbij aanwezig waren beklaagde, de pleegouders en de pleegzorgwerker.

2.21

Op 11 april 2016 doet beklaagde bij de Raad een verzoek tot onderzoek naar een
gezagsbeëindigende maatregel, zoals zij eerder tijdens de kennismaking op 4 februari had aangekondigd.

2.22

Op 28 april 2016 heeft beklaagde een evaluatieverslag over de omgangsregeling opgesteld.

2.23

Op 3 mei 2016 wijst de rechtbank het verzoek van de moeder tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing van 14 maart 2016 af.

2.24

Op 7 juli 2016 doet beklaagde een aankondiging schriftelijk wijziging van de omgangsregeling. De omgangsregeling wordt gewijzigd van deels begeleid éénmaal per drie weken bij klaagster thuis naar volledig begeleid één uur per maand op neutraal terrein. Op 21 juli 2016 volgt de aanwijzing.

2.25

Op 28 november 2016 stuurt beklaagde een verzoek tot verlenging van de OTS en de MUHP naar de rechter.

2.26

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 4 januari 2017 is het ouderlijk gezag van klaagster beëindigd.

2.27

Op 17 januari 2017 bekrachtigt het gerechtshof de beschikking van de rechtbank van 3 mei 2016.

2.28

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

3.1.1

Er was geen oog voor de hechting van de dochter. Beklaagde en de gedragsdeskundige hebben ten onrechte de indruk gewekt dat [jeugdige] gehecht is aan de pleegouders, terwijl de gedragsdeskundige van de [GI] geen onderzoek heeft gedaan naar de gehechtheid van [jeugdige]. [jeugdige] is psychologisch onderzocht maar tijdens dit onderzoek heeft klaagster meermalen verzocht om de gehechtheid van de dochter te onderzoeken. Haar verzoeken zijn keer op keer afgewezen. Beklaagde heeft de richtlijnen van de gehechtheid niet nageleefd door uitspraken te doen over gehechtheid van de dochter. Zij heeft de rechtbank misleid door beweringen te doen die niet concreet zijn onderbouwd. Tot slot is er geen observatie geweest ten aanzien van de gehechtheid van [jeugdige] richting klaagster.

3.1.2

Beklaagde heeft vooringenomen en niet integer gehandeld jegens klaagster zodra zij betrokken werd als jeugdzorgwerker bij [jeugdige]. Tijdens het gesprek van 4 februari 2016 heeft klaagster haar bezorgdheid geuit over de bekendheid van beklaagde met het pleeggezin. In dit gesprek heeft beklaagde aangegeven neutraal in deze zaak te staan en dat zij geen belang heeft om voor de pleegouders te kiezen. Uit het contactjournaal van de Raad blijkt echter dat beklaagde op 9 februari 2015 reeds contact heeft opgenomen met de Raad om te pleiten voor de continuering van de pleeggezinsplaatsing van [jeugdige]. Zij was destijds slechts betrokken bij het andere pleegkind in hetzelfde pleeggezin. Uit dit contactjournaal blijkt dat beklaagde partij heeft gekozen voor de pleegouders en zij deze informatie voor klaagster verborgen heeft gehouden. Door op een cruciaal moment contact op te hebben genomen met de Raad heeft beklaagde een mogelijke beslissing van de Raad willen beïnvloeden. Door klaagster niet over het vooringenomen standpunt over de continuering van de pleeggezinsplaatsing te informeren, heeft zij essentiële informatie verzwegen en niet integer gehandeld.

3.1.3

Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen door klaagster niet te informeren over het verblijf van [jeugdige] in het buitenland en voorts over een gesprek dat op school heeft plaatsgevonden zonder klaagster. Beklaagde heeft nagelaten om te handelen vanuit de juridische kaders die voor een uithuisplaatsing van toepassing zijn.

3.1.4

Beklaagde heeft geen maatregelen getroffen om de veiligheid van de dochter te waarborgen. Op diverse momenten is door klaagster aan beklaagde gevraagd of de [GI] de veiligheid van [jeugdige] in het pleeggezin heeft gewaarborgd. Hier heeft klaagster geen of geen volledig antwoord op gekregen.

3.1.5

Beklaagde heeft in strijd met de wettelijke bepalingen gehandeld door de tekening, gemaakt door [jeugdige], niet veilig te stellen. Klaagster heeft op meerdere momenten, waaronder op 8 juli 2016, aan beklaagde gevraagd om de betreffende tekening veilig te stellen. Beklaagde heeft aan klaagster aangegeven dat zij de tekening op school heeft opgevraagd. Echter, uit de opgevraagde contactjournaals van de [GI] blijkt niet of, en wanneer beklaagde deze tekening heeft opgevraagd.

3.1.6

Beklaagde heeft de privacy geschonden door ongevraagd foto’s te maken van [jeugdige] en de aanwezige personen op het kinderfeest van de minderjarige. Beklaagde geeft onterecht aan dat zij vooraf toestemming heeft gevraagd aan klaagster.

3.1.7

Beklaagde heeft geen respect voor haar cliënten. Beklaagde doet er alles aan om het contact tussen klaagster en [jeugdige] te verbreken in plaats van klaagster te helpen in het optimaliseren van het contact. Voorts handelt de [GI] in strijd met het vereiste van professionaliteit door klaagster te diskwalificeren. Klaagster is onvoldoende geïnformeerd over de OTS en onvoldoende betrokken bij de uitvoering daarvan. Ook heeft beklaagde niet adequaat gereageerd op de signalen van onvrede van klaagster.

3.1.8

Beklaagde heeft geen oog voor de familiebanden van de dochter door de omgang abrupt te beëindigen zonder enkele toelichting te geven over onder welke voorwaarden en wanneer de omgang hervat kan worden. Door het beëindigen van de bezoekregeling heeft [jeugdige] al geruime tijd geen contact gehad met haar broertjes en grootouders.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1

Beklaagde merkt op dat bij de overdracht van de zaak haar onder andere is meegegeven psycho-diagnostisch onderzoek aan te vragen voor de dochter. Dit onderwerp is met een aantal andere onderwerpen besproken tijdens het kennismakingsgesprek met onder andere klaagster op 4 februari 2016. De onderzoeksvragen zijn door beklaagde doorgenomen met de gedragswetenschapper. Het onderzoek was gericht op de ontwikkeling en het functioneren van de dochter. Daarbij is aandacht besteed aan de seksuele ontwikkeling vanwege uitspraken van [jeugdige] met betrekking tot het pleeggezin. Bij dit onderzoek is onder andere de vraag gesteld aan de [instelling] hoe [jeugdige] het contact ervaart met voor haar belangrijke personen met betrekking tot de hechting. Van hechting aan de pleegouders wordt gesproken in verband met de duur van het verblijf van de dochter in het pleeggezin, zoals in meerdere stukken als overgelegd naar voren komt. Voorts heeft beklaagde in een e-mailwisseling met de advocaat van klaagster van 17 februari 2016 uitgelegd waarom bepaalde onderzoeksvragen die klaagster heeft aangeleverd, niet worden meegenomen.

4.1.2

De integriteit van beklaagde wordt in twijfel getrokken omdat zij de pleegouders waar [jeugdige] zou worden ondergebracht al jaren kende. Beklaagde is namelijk de jeugdbeschermer van een ander pleegkind in dat zelfde gezin. Uit de overgelegde contactjournaals blijkt dat beklaagde op 9 februari 2015 contact met de Raad heeft opgenomen. Klaagster stelt dat uit dit contact blijkt dat beklaagde vooringenomen was en niet integer is geweest. Beklaagde heeft de Raad echter geïnformeerd over haar samenwerking met het pleeggezin, overigens met instemming van de toenmalige jeugdzorgwerker in het gezin en na intern overleg met de gebiedsmanagers. Beklaagde ziet niet in dat zij hierdoor niet integer zou zijn geweest in het contact met klaagster. Om praktische redenen is besloten dat beklaagde daarna ook de jeugdzorgwerker zou worden van [jeugdige]. De gebiedsmanager van beklaagde heeft dit per e-mail aan klaagster medegedeeld. Beklaagde heeft dit nogmaals aangehaald in het kennismakingsgesprek en is verder transparant geweest.

4.1.3

Beklaagde erkent dat zij klaagster niet heeft ingelicht over een weekje vakantie in [landnaam]. Dit is in het kader van de veiligheid van de dochter geweest en overigens na overleg met de gedragswetenschapper besloten. Er is een zorgvuldige afweging aan deze beslissing vooraf gegaan.

Beklaagde verklaart voorts dat zij is uitgenodigd door school voor een aldaar geïnitieerd overleg op 31 maart 2016. De pleegmoeder en pleegzorgwerker waren hierbij ook aanwezig. Nadien heeft beklaagde op 5 april 2016 klaagster en haar advocaat een e-mail gestuurd om hen te informeren over de inhoud van dit overleg. De advocaat was not amused dat klaagster niet was uitgenodigd voor dit gesprek. Beklaagde heeft, ondanks dat zij dit overleg niet zelf heeft georganiseerd, toch de verantwoordelijkheid genomen en aangegeven er op toe te zien dat het volgende keer anders zal gaan.

4.1.4

Beklaagde wijst erop dat de onderzoeksvragen, zoals aan de [instelling] gericht, mede op de seksuele ontwikkeling van de dochter toezien. Voordat beklaagde betrokken was, is aan [instelling 2] opdracht gegeven een veiligheidsplan te maken, dat wil zeggen een plan waarin duidelijk omschreven wordt hoe het pleeggezin met het thema seksualiteit om gaat. Enerzijds om hier meer zicht op te krijgen, anderzijds vooral ook om klaagster gerust te stellen. Aanvankelijk werd door [instelling 2] geweigerd het plan aan beklaagde te overleggen, maar na enig aandringen, heeft beklaagde het veiligheidsplan toch ontvangen en aan klaagster doorgestuurd.

4.1.5

Beklaagde heeft wel degelijk inspanningen verricht om de tekening van de dochter boven water te krijgen. De school heeft de tekening weggegooid. Dat de [GI] school al in december 2015 om de tekening had moeten vragen, kan beklaagde niet worden aangerekend. Zij was in die periode nog niet betrokken.

4.1.6

Beklaagde heeft gevraagd aan klaagster of het goed is dat zij een paar foto’s maakt op de verjaardag van [jeugdige]. Klaagster heeft niet aangegeven hier bezwaar tegen te hebben. Beklaagde heeft drie foto’s gemaakt en deze doorgestuurd naar de pleegmoeder waarna zij de foto’s uit haar telefoon heeft verwijderd. Er zijn overigens geen foto’s gemaakt van andere aanwezige personen. Beklaagde ziet niet in dat zij met het nemen van deze foto’s de privacywetgeving heeft geschonden.

4.1.7

Beklaagde merkt op dat dit klachtonderdeel niet nader geconcretiseerd is. Beklaagde herkent zich in ieder geval niet in de beschrijving. ‘Diskwalificeren’ van ouders is een term die zij niet gebruikt. Er was voldoende aanleiding om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel, en dat is ook steeds met klaagster besproken. Uiteindelijk is het gezag van klaagster ook beëindigd met de beschikking van 4 januari 2017.

4.1.8

Beklaagde merkt op dat deze klacht voornamelijk ziet op het abrupt wijzigen van de omgangsregeling zonder klaagster hiervan in kennis te stellen, en op het niet bekend maken van de voorwaarden om de omgang weer te hervatten. Tijdens de zitting van 3 januari 2017 ten aanzien van de verlenging van de OTS en de MUHP heeft de rechtbank opgemerkt dat het welzijn, het functioneren en de veiligheid van de dochter leidend moeten zijn. Aan het contact tussen klaagster en de dochter moeten voorwaarden verbonden worden om de ruis in de communicatie te stoppen. Beklaagde heeft in het nieuwe voogdijplan de voorwaarden, die aan klaagster zijn opgelegd, vastgesteld.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I
Het eerste klachtonderdeel handelt erover dat beklaagde geen oog heeft gehad voor de hechting van de dochter. Ten onrechte heeft beklaagde volgens klaagster de indruk gewekt dat [jeugdige] gehecht was aan haar pleegouders, terwijl daar geen onderzoek naar is gedaan. Beklaagde heeft zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling van de zaak verklaard dat na haar aantreden er psycho-diagnostisch onderzoek is aangevraagd voor [jeugdige]. De [instelling] werd daarmee belast. Het College heeft geconstateerd dat een van de vragen die in dat onderzoek zijn gesteld, was hoe [jeugdige] het contact ervaart met de voor haar belangrijke personen, waaronder de pleegouders, moeder, opa en oma van moederszijde met betrekking tot de hechting. Daar wordt in het rapport van de [instelling] van 31 mei 2016 wel degelijk aandacht aan besteed. Dat de verzoeken van moeder onderzoek te doen naar de gehechtheid van [jeugdige] zijn afgewezen, kan het College dan ook niet constateren.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

II
In klachtonderdeel twee verwijt klaagster beklaagde dat zij vooringenomen en niet integer heeft gehandeld, omdat zij het pleeggezin van [jeugdige] al jaren kende. Tijdens de kennismaking heeft beklaagde klaagster aangegeven neutraal te staan in deze zaak, doch later is klaagster gebleken dat beklaagde op 9 februari 2015 contact heeft opgenomen met de Raad om te pleiten voor continuering van de plaatsing van [jeugdige] bij dit pleeggezin. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde verklaard dat zij heeft gedacht vanuit een ander perspectief. Zij zou de zevende gezinsvoogd worden voor het gezin. Haar overwegingen waren dat iemand de zaak moest aannemen, dat [jeugdige] bekend was met haar en dat, nu zij de pleegouders en het andere pleegkind kende, het juist in het belang van [jeugdige] zou zijn als zij de zaak zou aannemen. Tevens is klaagster vooraf door de gebiedsmanager geïnformeerd over de achtergrond van beklaagde in relatie tot het pleeggezin.
Ten aanzien van het contact met de Raad heeft het College uit het verweerschrift en uit het verhandelde ter zitting begrepen dat beklaagde ruim een jaar voordat zij aantrad als gezinsvoogd namelijk op 9 februari 2015 contact heeft opgenomen met de Raad. Met de mededeling dat zij goede ervaringen had met de betreffende pleegouders, doordat een van haar jeugdige cliënten daar verbleef. Er deden op dat moment kennelijk negatieve verhalen de ronde. Ter zitting heeft beklaagde nogmaals benadrukt dat het nemen van deze beslissing voor haar een dilemma was, dat zij er lang over na heeft gedacht en het heeft besproken met haar teamleider. Het doel van de handeling was zeker niet om terugplaatsing van de dochter bij de moeder te voorkomen.

Nu beklaagde onweersproken heeft gesteld dat, nog los van de complexe situatie waarin zij als zevende gezinsvoogd terecht is gekomen, voorafgaande aan haar start als jeugdzorgwerker omtrent haar positie door de gebiedsmanager een e-mail is gestuurd aan klaagster, hetgeen is bevestigd door de advocaat, is het College van oordeel dat beklaagde door zo te handelen zich integer en transparant heeft opgesteld. Zij heeft niet in strijd met enig artikel uit de Beroepscode gehandeld.

Desgevraagd heeft beklaagde ter zitting verklaard dat zij deze handeling, dat wil zeggen het bellen met de Raad, niet in het dossier van de dochter heeft vastgelegd. Het College is van oordeel dat beklaagde met het informeren van de Raad over haar ervaringen met het betreffende pleeggezin niet buiten de grenzen van haar beroepsmatig handelen is getreden. Het College meent dat het voorkomen van terugplaatsing bij de moeder ook niet aan de orde is, nu de Raad al voor het telefoongesprek met beklaagde, de rechter heeft verzocht om de uithuisplaatsing van [jeugdige] bij de pleegouders te verlengen. Echter nu beklaagde het heeft gevoeld als een dilemma, was het naar het oordeel van het College beter geweest deze handeling wel op te nemen in de rapportage. De enkele omstandigheid dat zij dat heeft nagelaten, is voor het College nog geen reden om te twijfelen aan haar integriteit en maakt haar handelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Uit het dossier noch uit hetgeen ter zitting is besproken, kan worden vastgesteld dat beklaagde enige vorm van tegenwerking heeft betracht tijdens de begeleiding van [jeugdige], dan wel daarvoor.

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

III
Het derde klachtonderdeel bestaat uit twee gedeelten. Het eerste deel gaat erover dat klaagster niet is geïnformeerd over een reisje van [jeugdige] naar het buitenland. Beklaagde heeft aangegeven hiertoe te zijn overgegaan omdat zij het van belang achtte dat de pleegouders en [jeugdige] in alle rust, zonder enige vorm van dreiging, een weekje weg konden. Dat was ook in het belang van [jeugdige] en heeft zij besproken met de gedragswetenschapper. Het is het College derhalve gebleken dat beklaagde zonder voorafgaande mededeling aan moeder hiervoor haar toestemming heeft gegeven en dat juist de aanwezige dreiging de reden was om dit zo te doen. Het College stelt zich op het standpunt dat een moeder met gezag voor een vakantie in principe voorafgaande toestemming moet geven. Ook in dit geval had dat gedaan moeten worden. De enkele omstandigheid dat er sprake zou zijn van dreiging doordat het pleeggezin condoleance kaarten heeft ontvangen, en er andere negatieve uitingen zijn gedaan, is onvoldoende om de met gezag belaste ouder geen toestemming te vragen. Aan de moeder had gezegd kunnen worden dat het om een kort reisje gaat, zonder specifiek de bestemming te noemen.

Het tweede deel van het klachtonderdeel betreft een gesprek dat op school heeft plaatsgevonden, waarover klaagster niet is geïnformeerd. Beklaagde heeft aangegeven dat zij op enig moment een uitnodiging van school heeft ontvangen, dat zij daarheen is gegaan en aldaar concludeerde dat moeder niet aanwezig was. Het College is van oordeel dat het beter zou zijn geweest als beklaagde moeder voor het overleg in kennis had gesteld, dan wel aan school had gevraagd of moeder ook was uitgenodigd. Dat zij dit heeft nagelaten, maakt haar optreden nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hierbij merkt het College nog op dat uit het verweerschrift blijkt dat beklaagde heeft aangegeven, dat ondanks dat zij dit overleg niet heeft georganiseerd, zij erop zal toezien dat het een volgende keer anders zal gaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde dit nogmaals benadrukt. Meer in het algemeen merkt het College nog op dat onderling overleg niet indruist tegen de geldende beroepsstandaard.

Het eerste deel van dit klachtonderdeel is gegrond; het tweede deel is ongegrond.

IV
Het College begrijpt de klacht van klaagster aldus dat beklaagde geen maatregelen heeft getroffen om de veiligheid van de dochter te waarborgen. Beklaagde heeft verklaard dat er door pleegzorginstelling [instelling 2], die al was ingeschakeld voordat zij aantrad, wel degelijk een veiligheidsplan is opgesteld. Dat plan is op diverse momenten met de pleegouders en met de betrokken organisaties besproken. In dat plan is wel degelijk aandacht besteed aan de seksuele ontwikkeling van [jeugdige]. Voorts zijn er verschillende sessies gestart om te onderzoeken of er signalen waren en of er actie moest worden ondernomen en dat bovendien de onderzoeksvragen, zoals aan de [instelling] voorgelegd, mede gericht waren op de seksuele ontwikkeling van [jeugdige]. Het College stelt vast dat beklaagde aldus tijdens de zitting genoegzaam heeft aangetoond dat er een veiligheidsplan was, op welke wijze dat is uitgevoerd en dat het altijd onderwerp van gesprek is geweest. Voorts heeft zij er, na aanvankelijke weigering door [instelling 2], voor gezorgd dat het veiligheidsplan ook bij klaagster terecht kwam. Nu klaagster haar klacht verder niet met voorbeelden heeft onderbouwd, komt het College tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld en geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

V
Ten aanzien van dit vijfde klachtonderdeel waarin klaagster heeft gesteld dat de tekening van de dochter niet is veilig gesteld door beklaagde, oordeelt het College als volgt. Nu de handelingen met betrekking tot de tekening zijn gelegen voor het tijdstip van aantreden van beklaagde als gezinsvoogd is klaagster in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk. Ten overvloede merkt het College op dat beklaagde in de periode dat zij wel bij de zaak betrokken was, op verschillende momenten inspanningen heeft verricht om deze tekening als nog boven water te krijgen.

Het College verklaart klaagster niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

VI
In het zesde klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde de privacy geschonden te hebben door ongevraagd foto’s te maken van [jeugdige] en andere aanwezige personen op het kinderfeest. Beklaagde heeft daarentegen aangegeven niet expliciet van klaagster gehoord te hebben dat dat niet mocht. Het College stelt dat gezien de omstandigheden waarin deze foto’s zijn genomen, namelijk op het verjaardagsfeest van de dochter waarbij beklaagde aan het einde aanwezig was, zij er als gezinsvoogd van uit mocht gaan dat zij toestemming had foto’s te maken. Dit geldt temeer nu beklaagde zowel in haar verweer maar ook tijdens de mondelinge behandeling heeft medegedeeld dat de foto’s exclusief voor [jeugdige] waren voor bij de pleegouders thuis, en dat zij de foto’s direct daarna van haar telefoon heeft verwijderd. Het College is van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

VII
In klachtonderdeel VII geeft klaagster aan dat beklaagde geen respect heeft voor haar cliënten. Dit klachtonderdeel is wel gesteld, maar niet verder geconcretiseerd, dan wel onderbouwd.

Het klachtonderdeel wordt om die reden ongegrond verklaard.

VIII
Klaagster heeft erover geklaagd dat er geen oog is voor familiebanden nu op 6 juni 2016 het contact tussen [jeugdige] en oma is gestopt. Het College ziet zich bij het achtste klachtonderdeel derhalve voor de vraag gesteld of er terecht een begeleide omgang is vastgesteld voor [jeugdige] en haar moeder. Immers onder die omstandigheden kunnen er geen andere familieleden, zoals grootouders en broertjes bij de omgang betrokken worden. Nu het College vaststelt dat de [GI] op 14 maart 2016 een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven met betrekking tot de beperkte omgang tussen de moeder en [jeugdige] en de rechtbank het verzoek tot vervallen verklaren van deze aanwijzing heeft afgewezen, en bovendien deze beslissing van de rechtbank op 17 januari 2017 door het hof is bekrachtigd, is de omgang op de juiste wijze vastgesteld. Dan ontkomt het College er niet aan om ook vast te stellen dat terecht de grootouders, de broertjes en andere familieleden, niet bij deze omgang aanwezig kunnen zijn. Deze vastgestelde, begeleide omgang tussen de moeder en [jeugdige] heeft als consequentie dat er geen contact is/kan zijn met andere familieleden dan met de betreffende ouder. Het College is van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.3

Het College legt op:

Het eerste deel van klachtonderdeel III is gegrond verklaard door het College. Echter nu er sprake was van meerdere bedreigingen aan het adres van het pleeggezin, zoals condoleanceberichten, pamfletten in het dorp, berichten op facebook en andere media-uitingen, waarbij beklaagde het belang van [jeugdige] en het pleeggezin in de vorm van een week vakantie zonder dreigende berichten diende af te wegen, en beklaagde dat ook besproken heeft met de gedragswetenschapper, acht het College het niet zodanig verwijtbaar dat [jeugdige] met medeweten van beklaagde doch zonder toestemming van de moeder met de pleegouders naar het buitenland is geweest. Het College legt gezien deze bijzondere omstandigheden dan ook geen maatregel op.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, II, III deel 2, IV, VI, VII en VIII ongegrond;

– Verklaart klachtonderdeel III deel 1 gegrond;

– verklaart klager ten aanzien van klachtonderdeel V niet-ontvankelijk;

– volstaat met de constatering maar legt aan beklaagde geen maatregel op.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 10 augustus 2017 aan partijen toegezonden.

heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris