De moeder klaagt over de jeugdbeschermer wegens het opschorten van de omgangsregeling tussen haar en de kinderen

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot;
mevrouw M. Bijnoe, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [de GI], locatie [vestigingsplaats], hierna te noemen: [de GI].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij Das te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 30 november 2016, met bijlagen;
– het verweerschrift van 20 februari 2017, met bijlagen.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en zijn gemachtigde zoals voornoemd.

1.3 Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klaagster is moeder van drie minderjarige kinderen: [de oudste zoon], geboren op [geboortedatum] 2003, [de jongste zoon], geboren op [geboortedatum] 2006, en [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2009, hierna te noemen: de kinderen.

2.2 Klaagster en haar ex-partner, de vader van de kinderen, zijn sinds oktober 2013 uit elkaar. Het ouderlijk gezag beruste, tot aan het overlijden van vader op [overlijdensdatum] 2016, bij beide ouders.

2.3 Op 8 april 2014 zijn de drie kinderen in het kader van de voorlopige voorzieningen aan vader toevertrouwd en is een zorgregeling met klaagster bepaald.

2.4 Medio 2014 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) een onderzoek gedaan inzake de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de regeling voor de verdeling van de zorgtaken. Geadviseerd is de hoofdverblijfplaats te bepalen bij vader met een ruime zorgregeling met klaagster, waarbij de zorg nagenoeg gelijkelijk tussen ouders is verdeeld.

2.5 Bij beschikking van de rechtbank van 30 april 2015 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij vader bepaald, alsmede een voorlopige zorgregeling voor [de jongste zoon] en [de dochter] met klaagster. Eind april 2015 is gebleken dat de regeling door ouders niet conform de beschikking wordt nageleefd.

2.6 Op 8 mei 2015 heeft een zitting in kort geding plaatsgevonden, omdat vader de kinderen niet tijdig aan klaagster heeft meegegeven. Vader heeft zorgen over een vriend van klaagster (betreffende seksueel overschrijdend gedrag jegens [de dochter] en klaagster heeft op haar beurt zorgen over de wijze waarop vader de kinderen tegen haar opzet en de situatie domineert. De Raad heeft ter zitting om een ondertoezichtstelling (hierna te noemen: OTS) verzocht, welke bij beschikking van de rechtbank ook is uitgesproken. De OTS is op 2 februari 2016 verlengd.

2.7 De Raad heeft op 2 juni 2015 gerapporteerd dat de zorgregeling op dat moment geen meerwaarde heeft: de OTS is pas kort van kracht en voor dat moment is de vastgestelde voorlopige zorgregeling volgens de Raad de minst schadelijke.

2.8 Op 29 juli 2015 heeft de rechtbank [locatie] de Raad verzocht nader bericht en advies uit te brengen over een vast te stellen definitieve zorgregeling. Op 30 november 2015 is de Raad gestart met het onderzoek. De Raad heeft in het rapport van 12 januari 2016 geadviseerd om een beslissing inzake de zorgregeling aan te houden voor de duur van zes maanden en als gewijzigde voorlopige zorgregeling voor [de jongste zoon] en [de dochter] vast te stellen dat zij bij ouders verblijven van maandag uit school tot maandagochtend de week erna, dan wel een vergelijkbare regeling. Voor [de oudste zoon] is een begeleid contact-moment geadviseerd, van minimaal eens per maand, opbouwend naar wekelijks contact.

2.9 Op 7 april 2016 heeft beklaagde van de zedenpolitie vernomen dat [de jongste zoon] en [de dochter] eerder die dag gehoord zijn door de zedenpolitie. Dit verhoor vond plaats naar aanleiding van een eerder gedane aangifte door vader tegen een vriend van klaagster. Klaagster heeft op diezelfde datum een e-mail ontvangen van beklaagde, inhoudende dat de zorg- en contactregeling van dat weekend niet door zou gaan en dat [de GI] de rechtbank zou verzoeken om opschorting van de op dat moment bestaande zorg- en contactregeling.

2.10 Op 12 april 2016 heeft klaagster een schriftelijke aanwijzing ontvangen, inhoudende dat zij met onmiddellijke ingang moet meewerken aan het opschorten van de omgang met [de jongste zoon] en [de dochter].

2.11 Op 15 april 2016 heeft [de GI] een verzoek ingediend bij de rechtbank tot het vaststellen/wijzigen van de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang.

2.12 Bij beschikking van de rechtbank van 21 april 2016 is de omgang gelijk verdeeld tussen klaagster en vader voor wat betreft [de dochter] en [de jongste zoon], terwijl [de oudste zoon] minimaal één keer per maand contact zou moeten hebben met klaagster, waarbij moet worden toegewerkt naar wekelijks contact met klaagster. Nadere beslissingen zijn aangehouden tot 26 oktober 2016 omdat er eerst nadere informatie moest komen over de stand van zaken, over de persoonlijkheidsonderzoeken van klaagster en vader en over een eventueel nader raadsonderzoek.

2.13 Op 26 april 2016 heeft [de GI] verzocht om, in aanvulling op de eerdere wijziging van de omgang, de beschikking van 21 april 2016 op te schorten.

2.14 Op 19 mei 2016 heeft [de GI] van de zedenpolitie vernomen dat justitie formeel toestemming heeft gegeven om de zaak voor te leggen aan het expertise team bijzondere zedenzaken.

2.15 Op 23 mei 2016 zijn klaagster en vader door [de GI] geïnformeerd over het toevoegen van een tweede jeugdbeschermer aan de zaak.

2.16 Bij beschikking van de rechtbank van 7 juni 2016 is bepaald dat de zorgregeling wordt geschorst totdat er meer duidelijkheid is over het lopende zedenonderzoek.

2.17 Op 1 juni 2016 heeft klaagster een klaagschrift ingediend bij de klachtencommissie van [de GI]. De zitting heeft op 18 juli 2016 plaatsgevonden en de commissie heeft vier van de vijf klachten ongegrond verklaard. De klacht voor wat betreft het niet voldoen aan de bestuursrechtelijke eisen van de schriftelijke aanwijzing is wel gegrond verklaard, nu daarin het standpunt van beide belanghebbenden ontbrak.

2.18 Beklaagde is werkzaam als [jeugdprofessional] bij [de GI] en is sinds de op 8 mei 2015 uitgesproken OTS belast met de uitvoering hiervan.

2.19 Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1 Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

Klachtonderdeel 1

Vanaf de aanvang van de OTS zijn bij beklaagde bepaalde gedachten tot stand gekomen omtrent seksueel overschrijdend gedrag, welke gedachten niet objectief zijn. Er heeft geen toetsing van feiten plaatsgevonden en de situatie is niet transparant met klaagster besproken, zoals volgens beklaagde wel gebruikelijk is bij [de GI]. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een schriftelijke aanwijzing en het opschorten van de zorg- en contactregeling.

Klachtonderdeel 2

De Raad heeft haar bevindingen en aanbevelingen gerelateerd in een uitgebreid rapport van januari 2016. Eén van de conclusies uit dit rapport is dat “er voor de kinderen geen verschil meer is tussen wat waar en niet waar is. De kinderen kunnen zich niet anders uiten dan in de lijn van vader. Voor vader is het een idee-fixe geworden, waar de kinderen het slachtoffer van zijn.” Met deze informatie heeft [de GI] niets gedaan.

Klachtonderdeel 3

Bij de verlenging van de OTS in februari 2016 is vermeld dat [de GI] nog maar ten dele is toegekomen aan het verkennen van het verhaal van [de dochter], maar dat de algemene indruk bestaat dat ze zich zowel bij vader als bij klaagster veilig voelt. Hoewel beklaagde het voor de kinderen veilig acht bij klaagster, ziet klaagster haar kinderen niet. Het zomaar afbreken van de zorg- en contactregeling komt niet overeen met de behoefte van de kinderen.

Klachtonderdeel 4

De kinderrechter heeft geoordeeld dat de situatie sinds mei 2015 niet is verbeterd, dat het contact tussen klaagster en haar oudste zoon niet tot stand is gekomen, dat de samenwerking tussen beklaagde en klaagster en tussen ouders onderling niet tot stand is gekomen en dat er geen concreet plan is gemaakt om de kinderen beter in hun vel te laten zitten.

Klachtonderdeel 5

Er is geen feitenonderzoek gedaan op basis van de voorinformatie die beklaagde had over mogelijk alcoholisme van vader. Er is geen navraag gedaan in de omgeving en de aangiften die klaagster en derden bij de politie hebben gedaan zijn niet opgevraagd.

Klachtonderdeel 6

Beklaagde is betrokken geweest bij het opstellen van het raadsrapport en heeft alles conclusies onderschreven. De aanwijzing staat haaks op deze conclusies en is derhalve niet te verklaren.

Klachtonderdeel 7

Er is sprake van een grote onzorgvuldigheid op basis van de manier waarop de schriftelijke aanwijzing tot stand is gekomen. De mededeling per e-mail op 7 april 2016 was voor klaagster een complete verrassing. Ook heeft er geen communicatie plaatsgevonden aangaande de verstuurde schriftelijke aanwijzing van 12 april 2016. Evenmin heeft er communicatie plaatsgevonden door vader aangaande het kindverhoor bij de zedenpolitie.

Klachtonderdeel 8

De schriftelijke aanwijzing voldoet niet aan de bestuursrechtelijke eisen, te weten: de eisen van zorgvuldigheid, onder andere inhoudende dat belanghebbenden voorafgaand aan de te nemen beslissing worden gehoord, het beginsel van een evenredige afweging en een deugdelijke motivatieplicht.

Klachtonderdeel 9

De zedenpolitie heeft een standaard zorgmelding gedaan, welke normaal gesproken bij [de GI] wordt gedaan indien er nog geen OTS is opgelegd. De zedenpolitie heeft expliciet uitgesproken dat beklaagde zich ten onrechte baseert op de zorgmelding.

Klachtonderdeel 10

De politie was niet in het bezit van documenten van [de GI] en het raadsrapport. Kennis van deze stukken was van belang geweest bij de beslissing of de kinderen al dan niet verhoord zouden worden. Beklaagde heeft dit niet doorgegeven in het telefonisch onderhoud dat hij met de zedenpolitie heeft gevoerd.

Klachtonderdeel 11

Beklaagde had in het voortraject contact moeten opnemen met de zedenpolitie en hen moeten voorzien van alle informatie. Nadat klaagster het e-mailbericht van 7 april 2016 heeft gelezen heeft zij gelijk een afspraak gemaakt met de zedenpolitie en heeft zij hen het raadsrapport doen toekomen.

Klachtonderdeel 12

Klaagster heeft op 21 april 2016 een gesprek met beklaagde gevoerd, waarbij ook de advocaat en vertrouwenspersoon (vanuit [organisatie]) van klaagster aanwezig waren. Tijdens dit gesprek heeft beklaagde aangegeven te zijn ‘overruled’ door de politie. De politie onderschrijft dit echter niet. Van het gehele gesprek is een opname gemaakt.

Klachtonderdeel 13

Gebleken is dat [de GI] een protocol/beleid hanteert, inhoudende dat er geen standpunt wordt ingenomen zolang er een aangifte ligt. Hier is niet naar gehandeld en hiervan is klaagster niet op de hoogte gesteld.

Klachtonderdeel 14

Beklaagde heeft op de zittingen van 24 maart 2016 en 1 april 2016 geen enkele mededeling gedaan aangaande de onveiligheid van de kinderen.

Klachtonderdeel 15

In april 2016 heeft klaagster haar dossier bij beklaagde opgevraagd. Klaagster kreeg toen te horen dat zij alleen de gegevens die op haarzelf betrekking hadden ter inzage kon krijgen en dat beklaagde tijd nodig had om het dossier in orde te maken. Klaagster heeft aangegeven dat zij recht heeft op inzage van het gehele dossier. Beklaagde heeft aangegeven dat dit niet mocht en dat hierop de wet op de privacy van toepassing is. Klaagster wil echter haar gehele dossier inzien, inclusief de stukken die betrekking hebben op het intern overleg. Volgens de Wet openbaarheid van Bestuur (WoB) heeft klaagster hier recht op.

Klachtonderdeel 16

Beklaagde geeft aan onpartijdig te willen zijn, maar luistert niet naar de geluidsopnames, terwijl hij wel naar de tekening van [de dochter] kijkt. Naar aanleiding van de tekening heeft beklaagde de conclusie getrokken dat het bij klaagster niet veilig is. Beklaagde heeft echter geen conclusies getrokken uit de geluidsopnames waaruit volgt dat het bij vader niet veilig is.

Klachtonderdeel 17

Beklaagde is betrokken gebleven als [jeugdbeschermer], terwijl werd aangegeven dat het vertrouwen van klaagster in beklaagde zo onder druk stond dat zij maar een andere instelling moest zoeken. Er heeft slechts uitbreiding met een nieuwe [jeugdbeschermer] plaatsgevonden. Klaagster krijgt geen eerlijke kans als er niet objectief naar de zaak wordt gekeken. De gedragsdeskundige en beklaagde zullen hun mening immers niet bijstellen.

Klachtonderdeel 18

In het intern overleg is besloten dat klaagster de kinderen één keer per drie weken mag zien op het kantoor van [de GI]. Daarnaast mag klaagster de kinderen één keer per week bellen, mits het de kinderen niet te veel belast. Klaagster vraagt zich af wie dit beoordeelt. Klaagster meent dat dit aantoont dat zij geen schijn van kans heeft bij beklaagde. Hij handelt niet objectief.

Klachtonderdeel 19

Beklaagde heeft geen feitenonderzoek gedaan en gaat op dezelfde voet verder. Sterker nog, beklaagde zet nog sterker in tegen klaagster. Dit lijkt onomkeerbaar, terwijl duidelijk uit de feiten blijkt dat de situatie gemanipuleerd werd door vader.

Klachtonderdeel 20

Klaagster beschikt over getuigenverklaringen, geluidsopnamen en politieaangiften, maar beklaagde heeft hiermee niets gedaan.

4 Het verweer

4.1 Beklaagde voert daartegen het volgende aan:

Klachtonderdeel 1

Beklaagde heeft veelvuldig getracht samen te werken met klaagster. Helaas is deze samenwerking niet altijd tot stand gekomen. Beklaagde heeft ook meermaals aan klaagster aangegeven niet partijdig te zijn. Voor beklaagde staat de veiligheid en het welzijn van de kinderen centraal tijdens een OTS. Beklaagde heeft geen waardeoordeel over hetgeen wordt verteld, echter, in het belang van de uitvoering van de OTS, moet beklaagde reageren op de verhalen van de kinderen en op eventuele tekeningen die aan beklaagde worden gegeven.
Bij de aanvang van de OTS hebben de gesprekken met klaagster en vader in het teken gestaan van het maken van afspraken over de veiligheid en bescherming van [de dochter] Het laatste gesprek tussen klaagster, vader en de gedragswetenschapper vond plaats in juli 2015. Beklaagde was wegens vakantie afwezig. Beklaagde had wel een tijdelijke vervanger gevonden om contact te kunnen houden met de kinderen. Na dit gesprek verloopt de samenwerking niet goed. Vervolgens vindt in september 2015 een klachtgesprek plaats en verloopt de samenwerking beter. Begin december 2015 geeft klaagster weer een opening om met elkaar in gesprek te gaan. Het blijkt evenwel moeilijk om een afspraak te maken wegens niet overeenkomende werktijden, ziekte en andere verplichtingen. De grootmoeder van de kinderen (vaderszijde) is begin maart 2016 overleden. Tevens vinden er verschillende zittingen plaats. Begin april 2016 vindt het studioverhoor plaats.
Doordat de samenwerking lange tijd moeizaam verliep en er geen overeenstemming bereikt kon worden over de doelen en de te volgen stappen was het voor beklaagde moeilijk om hetgeen [de dochter] vertelde te verkennen. Het winnen van het vertrouwen van de kinderen, het leren kennen van de kinderen en het bespreken van de situatie was wel mogelijk. Beklaagde zag de kinderen alleen bij hun vader. De contactjournaals die gemaakt zijn naar aanleiding van de gesprekken die beklaagde voerde met de kinderen zijn naar klaagster verstuurd.
Op 7 april 2016 vernam beklaagde van de zedenpolitie dat [de jongste zoon] en [de dochter] eerder die dag gehoord waren door de zedenpolitie. De verhorende rechercheur deelde mee dat de beide kinderen tijdens dit verhoor signalen hadden afgegeven die wezen op de mogelijkheid dat de kinderen (in het bijzonder [de dochter]), tijdens hun verblijf bij klaagster slachtoffer waren geworden van grensoverschrijdende seksuele handelingen gepleegd door een vriend van klaagster. Beklaagde neemt de zorgen van de politie serieus. Als de politie in het kader van een zedenonderzoek haar zorgen uitspreekt over de veiligheid van de kinderen bij één van de ouders (i.c. klaagster) is dat altijd een reden om het contact van de kinderen met de betreffende ouder opnieuw te beoordelen. Dit is dan ook de reden dat de omgangsregeling opgeschort diende te worden totdat er meer duidelijkheid was over het lopende politieonderzoek. Er werd dan ook een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling ingediend bij de rechtbank. Aangezien een dergelijke procedure enige tijd in beslag neemt en de omgang met onmiddellijke ingang opgeschort diende te worden, is aan klaagster de schriftelijke aanwijzing gegeven. Klaagster was niet bereikbaar op het nummer dat bekend was bij beklaagde. Op 14 april 2015 belde klaagster naar beklaagde en gaf zij aan voortaan bereikbaar te zijn op het nummer waar zij op dat moment mee belde.

Klachtonderdeel 2

De Raad had als voorstel om gedurende zes maanden de omgang met klaagster uit te breiden. Beklaagde kon zich vinden in dit voorstel en heeft daartoe ook inspanningen verricht. Immers, omgang van de uitbreiding geeft beklaagde de mogelijkheid om de situatie van de kinderen verder te onderzoeken en hen te begeleiden in de omgang met klaagster. Ook kan duidelijk worden of de kinderen meer rust gaan ervaren als zij een even lange tijd bij klaagster en hun vader verblijven en/of als er minder wisselmomenten zijn. Het tot stand brengen van een dergelijke uitbreiding is echter alleen mogelijk als beide ouders zich (blijven) inzetten om een goede samenwerking met Jeugdzorg tot stand te laten komen. Ten gevolge van verschillende omstandigheden (overlijden grootmoeder, zittingen en het studioverhoor) blijkt het moeilijk om tot concrete afspraken te komen. Het is derhalve onterecht om te stellen dat beklaagde met de informatie uit het raadsrapport niets heeft gedaan.

Klachtonderdeel 3

Het is juist dat tijdens de verlenging van de OTS de indruk bestond dat de kinderen zich zowel bij klaagster als bij vader veilig voelen en dat de kinderen recht hebben op omgang met beide ouders. Echter, in april 2016 raakte beklaagde op de hoogte van de omstandigheid dat de zedenpolitie zich zorgen maakte om de veiligheid van de kinderen als zij bij klaagster waren. Dit was ten tijde van de verlenging van de OTS nog niet bekend. Daar beklaagde, als uitvoerder van de OTS, mede verantwoordelijk is voor de veiligheid en het welzijn van de kinderen, kan een duidelijke zorgmelding van de zedenpolitie niet genegeerd worden. Deze zorgmelding heeft er derhalve toe geleid dat de omgang van klaagster met haar kinderen opnieuw beoordeeld moest worden. Deze herbeoordeling is dan ook de reden dat er aan klaagster een schriftelijke aanwijzing is gegeven en dat de rechtbank werd verzocht de zorgregeling per beschikking op te schorten lopende het politieonderzoek. Van het zomaar afbreken van de zorg- en contactregeling is derhalve geen sprake.

Klachtonderdeel 4

Beklaagde heeft verschillende pogingen ondernomen om het contact tussen klaagster en haar oudste zoon tot stand te brengen. Op 17 juni 2015 vond een afspraak plaats bij een ijssalon, waarbij klaagster, haar oudste zoon en beklaagde aanwezig waren. Deze afspraak verliep goed. [De oudste zoon] was goed in staat om zijn grenzen aan te geven en klaagster was voorzichtig in het aftasten van hetgeen haar zoon wilde in het contact met haar. Klaagster stelde open en belangstellende vragen. Na een kwartier bemerkte klaagster dat het contact voor haar zoon lang genoeg had geduurd en uit eigen beweging stelde klaagster voor de afspraak te stoppen. Vervolgens werd afgesproken dat er twee weken later weer een contactmoment zou zijn. Een week later stuurde klaagster [de oudste zoon] een bericht met de vraag of zij elkaar de daaropvolgende week zouden zien. [De oudste zoon] vond dit bericht niet prettig, hij voelde zich onder druk gezet en wilde geen contact meer met klaagster. Ondanks vele pogingen van beklaagde om [de oudste zoon] te laten meewerken aan een tweede afspraak, heeft deze lang op zich laten wachten. Tijdens de gesprekken met [de oudste zoon] is het contact met klaagster regelmatig besproken. [De oudste zoon] gaf aan geen vertrouwen te hebben in klaagster en was bang dat zij de desbetreffende vriend mee zou brengen of dat deze in de buurt zou zijn. [De oudste zoon] wilde ook geen begeleid contact met klaagster.
Uiteindelijk vond een tweede afspraak plaats op 24 februari 2016. Deze afspraak werd gepland nadat [de oudste zoon] tegen de kinderrechter had gezegd dat hij klaagster wilde zien, maar dat hij er zeker van wilde zijn dat de vriend niet in de buurt zou zijn. Deze ontmoeting verliep ook goed. [De oudste zoon] gaf aan dat hij het leuk had gevonden en met hem sprak beklaagde af dat er in de volgende week contact zou zijn om een nieuwe afspraak te maken. Op 2 maart 2016 had beklaagde het afgesproken gesprek met [de oudste zoon] en er werd een volgende ontmoeting met klaagster afgesproken voor 23 maart 2016. Op 14 maart 2016 is een contactjournaal aan klaagster verzonden met daarin de gemaakte afspraak voor 23 maart 2016. Op 22 maart 2016 zegde klaagster de gemaakte afspraak af, omdat zij de zitting van 24 maart 2016 diende voor te bereiden. Een nieuwe afspraak is niet tot stand gekomen in verband met het opschorten van de zorgregeling. Op 9 mei 2016 heeft klaagster nog begeleid contact gehad met [de jongste zoon] en [de dochter] Dit contact vond plaats op het kantoor van beklaagde. De kinderen werden gebracht en gehaald door vader. Beklaagde heeft vader expliciet gevraagd om ook [de oudste zoon] mee te brengen, dit is echter niet gebeurd.
Voor wat betreft het verwijt dat de samenwerking tussen beklaagde, klaagster en vader niet tot stand is gekomen, merkt beklaagde het volgende op. Op 17 juni 2015 vindt een eerste gesprek plaats met klaagster waarbij naast beklaagde ook zijn teamleider en de gedragsdeskundige aanwezig zijn. Klaagster geeft aan bang te zijn dat haar verhaal te weinig wordt gehoord. Dit gesprek verloopt prettig en wordt naar tevredenheid afgerond. Op 28 september 2015 vindt wederom een gesprek plaats, hierbij zijn aanwezig klaagster, beklaagde en de vertrouwenspersoon van klaagster. Dit gesprek wordt eveneens naar tevredenheid afgerond.
Zoals reeds [bij klachtonderdeel 1] is aangegeven, heeft beklaagde meermaals getracht de samenwerking met klaagster tot stand te brengen. Het feit dat deze samenwerking niet altijd even goed tot stand is gekomen valt beklaagde niet aan te rekenen. Beklaagde is dan ook van mening dat hem ter zake geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
Voor het tot stand brengen van de werkdoelen in deze casus is het belangrijk dat klaagster en vader op één lijn komen voor wat betreft deze doelen en als zij zich (blijven) inzetten om een goede samenwerking met Jeugdzorg tot stand te laten komen. Ten gevolge van verschillende omstandigheden (overlijden grootmoeder, zittingen en het studioverhoor) is het moeilijk gebleken om tot een datum te komen om de werkdoelen op te stellen.

Klachtonderdeel 5

Beklaagde heeft contact gehad met externe instanties maar heeft niet in de woonomgeving navraag gedaan over het functioneren van klaagster en vader, zulks is ook niet gebruikelijk. Beklaagde reageert alleen op signalen vanuit bijvoorbeeld scholen, politie en/of andere hulpverlenende instanties. Tijdens het klachtgesprek van 28 september 2015 is afgesproken dat beklaagde bij de politie zou informeren over de aangiftes die door klaagster en de vriend zijn gedaan tegen de ex-echtgenoot. Beklaagde zou klaagster informeren over de uitkomsten van deze navraag. Op 30 september 2015 heeft beklaagde aan klaagster laten weten dat hij, conform afspraak, navraag had gedaan bij de politie. Beklaagde werd echter verteld dat de politie de verzochte informatie niet aan hem kon/mocht verstrekken. Klaagster diende deze informatie zelf bij de politie op te vragen waarna deze aan beklaagde kon worden overgelegd.
In november 2015 heeft klaagster aan beklaagde een viertal aangiftes verzonden zoals die tegen vader waren gedaan. De eerste drie aangiftes waren gedaan voordat de OTS was gestart. De vierde aangifte zag op smaad, laster en bedreiging. Deze aangifte dateert van 16 juli 2015. Helaas heeft beklaagde niet op deze door klaagster toegezonden aangiftes gereageerd waarvoor hij tijdens het klachtgesprek d.d. 21 april 2016 zijn excuses heeft aangeboden. Beklaagde merkt nog op dat het aan de politie is om aan de hand van de aangiftes aan waarheidsvinding te doen. Zulks is geen taak van de jeugdbescherming.

Klachtonderdeel 6

Beklaagde gaat er vanuit dat klaagster doelt op de schriftelijke aanwijzing die is gegeven na het studioverhoor van de kinderen begin april 2016. Beklaagde heeft zijns inziens genoegzaam uiteengezet op grond waarvan de schriftelijke aanwijzing is gegeven. Teneinde een herhaling van zetten te voorkomen verwijst beklaagde naar hetgeen hij [bij klachtonderdeel 3] heeft opgemerkt.

Klachtonderdelen 7 en 8

Deze klachten zijn beoordeeld door de Klachtencommissie [van de GI] d.d. 27 juli 2016. Zoals eerder aangegeven kreeg beklaagde op 7 april 2016 bericht van de zedenpolitie dat de [de dochter] en [de jongste zoon] die ochtend gehoord waren door de zedenpolitie in een kindvriendelijke studio. Van belang is dat beklaagde hiervan niet door vader op de hoogte is gebracht, waardoor beklaagde niet in staat was om klaagster eerder dan 7 april 2015 te informeren. Beklaagde meent dan ook dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
Informatie over en uit het verhoor mocht beklaagde niet delen met klaagster om het onderzoek niet te belemmeren. Ook mocht er geen nadere informatie gedeeld worden over de zorgmelding die de politie op 8 april 2016 naar [de GI] heeft gezonden en die eerst op 12 april 2016 met beklaagde werd gedeeld. Gelet op de door de politie geuite zorgen, vond beklaagde het noodzakelijk dat de omgangsregeling per direct werd opgeschort totdat het politieonderzoek meer duidelijkheid zou geven. Op 7 april 2015 heeft beklaagde verschillende pogingen ondernomen om contact met klaagster te krijgen. Telefonisch was klaagster niet bereikbaar (zie ook [onder klachtonderdeel 1]), beklaagde heeft klaagster thuis bezocht, zij was echter niet thuis. Vervolgens heeft beklaagde klaagster een e-mail gezonden waarin hij het besluit om de omgangsregeling per direct op te schorten heeft medegedeeld. Beklaagde kan zich voorstellen dat deze mededeling rauw op het dak van klaagster is gevallen. Echter, hij heeft pogingen ondernomen om het besluit persoonlijk aan klaagster mede te delen. Wegens omstandigheden die niet aan beklaagde zijn toe te rekenen was er geen andere mogelijkheid dan het verzenden van de mededeling per e-mail. Op 12 april 2016 is vervolgens de daadwerkelijke schriftelijke aanwijzing aan klaagster gestuurd. Eveneens is op 12 april 2016 het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling ingediend bij de rechtbank.
Klaagster stelt dat de schriftelijke aanwijzing niet op grond van de bestuursrechtelijke eisen tot stand is gekomen. De Klachtencommissie heeft deze klacht gegrond verklaard, daar het standpunt van de belanghebbenden ontbreekt. Op 25 augustus 2016 heeft de Raad van Bestuur een brief aan klaagster verzonden met betrekking tot de afhandeling van de klacht. In deze brief biedt de Raad van Bestuur haar excuses aan en wordt aangegeven dat zij zich conformeert aan het oordeel van de Klachtencommissie.

Klachtonderdelen 9, 10 en 11

In november 2015 heeft klaagster aan beklaagde de aangiftes verzonden die gedaan waren tegen vader. Vervolgens heeft beklaagde contact opgenomen met de zedenpolitie en zich kenbaar gemaakt als de aangewezen jeugdbeschermer. Hierna heeft de politie geen contact meer opgenomen met beklaagde, ook niet voorafgaand aan het studioverhoor. Immers, eerst nadat dit verhoor had plaatsgevonden werd beklaagde geïnformeerd. Beklaagde werd te kennen gegeven dat hij geen nadere informatie aan klaagster en vader mocht verstrekken. Beklaagde heeft vervolgens aangegeven dat hij dan de omgangsregeling van klaagster met haar kinderen, omwille van de veiligheid van de kinderen, zou opschorten. De politie gaf vervolgens aan dat zij zich een dergelijk besluit kon voorstellen.
Het is niet aan beklaagde of [de GI] om de politie te voorzien van rapporten van de Raad. Beklaagde heeft de politie kenbaar gemaakt dat de uitvoering van de OTS bij [de GI] lag en heeft daarmee naar behoren gehandeld. Van een tuchtrechtelijk verwijt ter zake is dan ook geen sprake.

Klachtonderdeel 12

Het is beklaagde niet duidelijk wat klaagster met dit klachtonderdeel bedoelt. Het is voor beklaagde dan ook niet mogelijk verweer te voeren. Voor zover klaagster bedoelt dat de door de zedenpolitie gedane mededeling de schriftelijke aanwijzing niet zou rechtvaardigen merkt beklaagde op dat hij, gelet op de geuite zorgen, expliciet te kennen heeft gegeven de zorgregeling te willen opschorten. De politie heeft vervolgens aangegeven een dergelijk besluit te begrijpen.

Klachtonderdeel 13

Klaagster is op 17 juni 2015 wel degelijk op de hoogte gebracht van het protocol/beleid dat als er een aangifte ligt het de taak van de politie is om aan waarheidsvinding te doen. Waarheidsvinding is geen taak van beklaagde of [de GI].

Klachtonderdeel 14

Zoals eerder aangegeven, bereikte beklaagde eerst op 7 april 2016 het bericht dat een studioverhoor had plaatsgevonden. Tijdens de door klaagster genoemde zittingen was er geen reden om melding te maken van onveiligheid. Zowel uit het raadsrapport van februari 2016 als uit de gesprekken met de kinderen blijkt dat zij bij beide ouders veilig lijken te zijn.

Klachtonderdeel 15

Beklaagde heeft klaagster laten weten dat zij recht heeft op inzage in het deel van de dossiergegevens die haar aangaan, volgens de geldende privacyregels. Vervolgens heeft klaagster geen afspraak gemaakt om de gewenste inzage te verkrijgen. Klaagster heeft alle officiële stukken toegezonden gekregen. Zo ook, via beveiligde e-mail of per post, de contactjournaals van de gesprekken die zijn gevoerd met de kinderen.

Klachtonderdeel 16

Tijdens het klachtgesprek d.d. 21 april 2016 werden de aanwezigen overrompeld door de mededeling van klaagster dat zij opnames had waaruit zou blijken dat vader [de dochter] seksueel zou misbruiken. Klaagster heeft de transcriptie van deze opnames voorgelezen. Klaagster is vervolgens geadviseerd om deze opname met de politie te delen, daar het de taak van de politie is om aan waarheidsvinding te doen. Hetgeen klaagster voorlas was geen reden om maatregelen te treffen. Vanuit de kinderen werden geen signalen ontvangen dat het bij vader niet veilig zou zijn.

Klachtonderdeel 17

Tijdens het klachtgesprek d.d. 21 april 2016 gaf klaagster aan dat de klachten niet naar tevredenheid besproken konden worden. Dit was, volgens klaagster, reden om de rechtbank te verzoeken om de uitvoering van de OTS over te dragen aan een andere gecertificeerde instelling. Het door klaagster gedane verzoek werd op 24 mei 2016 door de rechtbank afgewezen. Wel werd op 23 mei 2016 aan klaagster kenbaar gemaakt dat er een tweede [jeugdbeschermer] benoemd was. Beklaagde blijft betrokken in het kader van de continuïteit en vanwege de inmiddels opgebouwde band met de kinderen. Van een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde is dan ook geen sprake.

Klachtonderdelen 18 en 19

Het door klaagster bedoelde besluit werd genomen tijdens de afwezigheid van beklaagde wegens ziekte. Beklaagde is niet betrokken bij dit besluit. Het is beklaagde niet duidelijk wat klaagster bedoelt met de opmerking dat hij sterker tegen haar zou inzetten. Beklaagde kan derhalve geen deugdelijk verweer op dit punt voeren.

Klachtonderdeel 20

Het is beklaagde niet bekend wat klaagster hem verwijt, zodat het ook niet mogelijk is om een deugdelijk verweer op dit punt te voeren. In algemene zin herhaalt beklaagde dat het aan de politie is om aan waarheidsvinding te doen. Zulks is niet een aan beklaagde opgedragen taak.

Conclusie
Op grond van al het voorgaande meent beklaagde dat hem geen enkel tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Beklaagde verzoekt het College derhalve om de klachten ongegrond te verklaren.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1 Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2 Het College oordeelt als volgt:

5.2.1 Gelet op het verhandelde ter zitting zien de klachten van klaagster in de kern op de opschorting van de omgangsregeling van klaagster met haar kinderen en de rol die beklaagde hierin heeft gespeeld.

5.2.2 Het College is met beklaagde van oordeel dat hij, op grond van de voor hem beschikbare informatie, op 12 april 2016 niet anders kon dan de omgang tussen klaagster en haar kinderen op te schorten. Beklaagde heeft in het belang van de veiligheid van de kinderen terecht het zekere voor het onzekere genomen. Het College staat dan ook achter die beslissing. Beklaagde is vervolgens ziek geworden, waardoor een nieuwe [jeugdbeschermer] is aangesteld, en is pas later weer bij de zaak betrokken geraakt, al zij het marginaal.

5.2.3 Ook overigens is niet gebleken dat beklaagde door zijn handelen buiten de kaders van de beroepscode is getreden.

5.3 Conclusie:

5.3.1 Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de beroepscode heeft gehandeld en dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zodat de klachten ongegrond zijn.

5.3.2 Wel acht het College het buitengewoon verwonderlijk dat na de terechte opschorting van de omgangsregeling in [maand] 2016, de kinderen na het overlijden van vader (op [overlijdensdatum] 2016) plotseling – zonder nader onderzoek – weer bij klaagster zijn teruggeplaatst, terwijl dit in [maand] 2016 nog onmogelijk was en als onveilig was beoordeeld. Ook de lange duur van de opschorting is opmerkelijk te noemen. Het College kan zich dan ook voorstellen dat klaagster hierbij grote vraagtekens heeft gezet en dat hierop door [de GI] een antwoord had moeten komen, hetgeen niet is gebeurd.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 13 juli 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy
voorzitter

mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort
secretaris