De jeugdbeschermer wordt verweten dat zij onterecht om een gezagsbeëindigende maatregel  heeft verzocht, terwijl klaagster zich heeft ingezet om haar persoonlijke omstandigheden te verbeteren.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
mevrouw drs. E.A. van EK, lid-beroepsgenoot;
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot;
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

Mevrouw [naam klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

mevrouw [naam beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], locatie: [standplaats], hierna te noemen: [GI].

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar vertrouwenspersoon [vertrouwenspersoon].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar advocaat, mevrouw mr. E. Lam, werkzaam bij Suez Advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift binnengekomen op 22 december 2016;

– het verweerschrift binnengekomen op 15 februari 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de behandeling van de klacht aanwezig geweest [naam toehoorder].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een minderjarige dochter [dochter], geboren op 8 januari 2011.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, de vader van de dochter, zijn uit elkaar. Klaagster heeft het gezag. Tussen de vader en de dochter is geen contact.

2.3

Op 17 maart 2011 is de dochter onder toezicht gesteld (hierna te noemen: OTS) van [GI]. Kort na de verlening van de OTS is op 6 mei 2011 een machtiging uit huisplaatsing (hierna te noemen: MUHP) uitgesproken.

2.4

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI] en vanaf het begin van de OTS betrokken bij het gezin van klaagster.

2.5

Op 9 mei 2011 is [dochter] uit huis geplaatst en heeft voor de periode van één maand bij pleegmoeder [naam pleegmoeder] (hierna te noemen: [naam pleegmoeder]) gewoond. Op 8 juni 2011 is [dochter] teruggeplaatst bij klaagster.

2.6

Op 1 oktober 2012 is [dochter] opnieuw uit huis geplaatst en heeft zij voor acht maanden bij [naam pleegmoeder] gewoond.

2.7

Op 19 december 2012 heeft klaagster een Eigen Plan-Bijeenkomst (hierna te noemen: EPB) georganiseerd. Een familielid van moederszijde heeft hierbij aangegeven dat zij de zorg van de dochter op zich kan nemen.

2.8

Op 23 april 2013 is besloten dat de dochter in een netwerkpleeggezin geplaatst zal worden nadat door pleegzorgorganisatie [de instelling] een netwerkonderzoek is uitgevoerd.

2.9

Op 13 juni 2013 is de dochter definitief geplaatst bij een nicht van de oma van [dochter] van moederszijde [naam pleegmoeder 2] (hierna te noemen: [naam pleegmoeder 2]), nadat klaagster in een rechtszaak had verzocht om een netwerkplaatsing.

2.10

Op 3 februari 2014 heeft [GI] een schriftelijke aanwijzing gegeven over de invulling van de omgangsregeling en de vraagpunten die als uitgangspunt worden genomen bij de beantwoording van de vraag of [dochter] bij [naam pleegmoeder 2] blijft of terug gaat naar klaagster. Daarin staat tevens opgenomen dat als klaagster zich niet aan deze aanwijzing houdt er een opvoedbesluit zal worden genomen. Op 24 februari 2014 is deze aanwijzing met klaagster in bijzijn van haar psychologe besproken.

2.11

In maart 2014 zijn de OTS en MUHP verlengd voor de duur van één jaar.

2.12

Op 23 september 2014 is klaagster per brief geïnformeerd over het formele besluit van [GI] dat de dochter niet wordt terug geplaatst bij klaagster. Voorts is verteld dat [GI] voornemens is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) een verderstrekkende maatregel te laten onderzoeken.

2.13

Bij beschikking van de rechtbank [standplaats] d.d. 1 december 2014 is een omgangsregeling vastgesteld met klaagster. De omgangsregeling houdt een omgang in van éénmaal per twee weken twee achtereenvolgende uren waarbij de gezinsvoogd beslist over het moment en de plek.

2.14

Op 20 april 2015 is de Raad verzocht onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

2.15

Op 26 juni 2015 heeft de Raad haar rapport uitgebracht; de rechtbank is verzocht het ouderlijk gezag te beëindigen en [GI] te belasten met de voogdij.

2.16

Op 13 augustus 2015 heeft de familie van klaagster een EPB georganiseerd, om een netwerkplaatsing van [dochter] bij een andere tante van moederszijde te bespreken, nadat [naam pleegmoeder 2] heeft aangegeven de pleegzorg te willen stoppen.

2.17

Bij beschikking van de rechtbank [plaats] d.d. 2 december 2015 is het éénhoofdige gezag beëindigd, waarbij een perspectief biedende plaatsing van [dochter] binnen het betrokken netwerk is opgelegd en [GI] tot voogd van [dochter] is benoemd.

2.18

Op 16 maart 2016 is er opnieuw een EPB georganiseerd om overplaatsing van [dochter] bij de tweede tante te bespreken.

2.19

In mei 2016 heeft [naam pleegmoeder 2] de pleegzorg beëindigd en is [dochter] geplaatst bij de tweede tante [naam tante] (hierna te noemen: [naam pleegmoeder 3]).

2.20

Op 6 juli 2016 is het hoger beroep behandeld bij het gerechtshof [plaats], waarin klaagster heeft verzocht de beschikking van 2 december 2015 ten aanzien van de gezagsbeëindiging te vernietigen. De Raad heeft het hof laten weten het verzoek van klaagster te ondersteunen.

2.21

Op 30 augustus 2016 heeft het hof de beschermingsmaatregelen OTS en UHP, alsmede de gezagsbeëindigende maatregel, vernietigd, waardoor [dochter] nu binnen het vrijwillig kader bij [naam pleegmoeder 3] verblijft.

2.22

De Raad heeft op 31 augustus 2016 een nieuw onderzoek gestart naar het opgroeiperspectief van de dochter, nu dit na gewijzigde omstandigheden onduidelijk was. Dit onderzoek is op 15 september 2016 afgerond zonder verder vervolg.

2.23

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

3.1.1

Beklaagde heeft onterecht om een gezagsbeëindigende maatregel verzocht, terwijl klaagster zich aantoonbaar heeft ingezet om haar persoonlijke omstandigheden te verbeteren en haar medewerking aan hulpverlening te laten zien. Klaagster heeft zich aan de afspraken gehouden rondom de omgangsregeling en heeft op eigen initiatief opvoedingsondersteuning van [de instelling 2] en [de instelling 3] gevraagd. Klaagster en haar therapeute hebben beklaagde uitgenodigd voor een gesprek maar daar is beklaagde niet op ingegaan. Klaagster vindt het onzorgvuldig en zeer kwalijk dat beklaagde om een gezagsbeëindigende maatregel heeft verzocht, terwijl een thuisplaatsing onvoldoende was onderzocht en klaagster juist had laten zien de gestelde doelen ter harte te nemen. Mogelijk is de handelswijze van beklaagde een schending van de Beroepscode, en wel van de artikelen A, D, E en H.

3.1.2

Beklaagde heeft onvoldoende activiteiten verricht om binnen het netwerk van klaagster te zoeken naar een mogelijke pleegzorg-plaatsing. Er zijn steeds beloftes gedaan door beklaagde voor een tijdelijke uithuisplaatsing van maximaal twee jaar met een perspectief op thuisplaatsing bij klaagster. Er was echter op geen enkel moment sprake van toewerken naar deze thuisplaatsing. Na een verzoek tot gezagsbeëindiging heeft de eerste tante haar pleegzorg-taken neergelegd. Beklaagde heeft toen aangegeven een perspectief biedend bestandspleeggezin te zullen zoeken. Klaagster heeft hier direct op gereageerd omdat het de taak is van beklaagde eerst te kijken binnen het eigen netwerk. Klaagster heeft toen op eigen initiatief een EPB georganiseerd. Beklaagde had geen interesse in een netwerkberaad. Zij is dan ook niet gekomen en heeft geen inspanningen verricht om een netwerkplaatsing te onderzoeken. Het betreft hier mogelijk strijd met de artikelen A, D, E, G en H van de Beroepscode.

3.1.3

Beklaagde heeft klaagster het recht op twee uren omgang met de dochter conform de beschikking ontnomen tijdens een omgangsmoment. In de beschikking van 1 december 2014 staat beschreven dat klaagster een begeleide omgang heeft van twee achtereenvolgende uren per twee weken. Beklaagde mocht conform deze beschikking bepalen waar en wanneer de omgang plaatsvond. Al vrij snel konden de omgangsmomenten plaatsvinden bij de tante thuis zonder aanwezigheid van de pleegzorgbegeleider. In maart 2016 was het niet mogelijk het omgangsmoment bij tante te laten plaatsvinden en werd het éénmalig verplaatst naar het kantoor van [de instelling]. Dat bezoek werd al na één uur beëindigd. De pleegzorgbegeleider die daarbij aanwezig was, gaf aan dat haar agenda het niet toeliet langer te blijven. Klaagster verzette zich daartegen maar beklaagde gaf aan niet in discussie te willen gaan en het bezoek was ten einde gekomen. Dit illustreert de scheve machtsverhouding. Beklaagde voert haar rol als jeugdbeschermer niet goed uit en heeft mogelijk de artikelen D en H geschonden.

3.1.4

Beklaagde heeft onvoldoende activiteiten verricht om passende hulp te organiseren voor een betere ontwikkeling van de dochter. In de periode dat de dochter bij [naam pleegmoeder 2] verbleef, is er extra hulp ingezet voor de dochter, zonder dat beklaagde dit aan klaagster heeft gemeld. Bij de overdracht van [dochter] van [naam pleegmoeder 2] naar [naam pleegmoeder 3] in mei 2016 bleek de ingezette hulp niet tussentijds te zijn geëvalueerd door beklaagde. [naam pleegmoeder 3] heeft toen aan beklaagde gevraagd welke hulp er reeds was ingezet voor het gedrag van de dochter. Er waren in haar gedrag namelijk aantoonbare aandachtspunten. Uit het dossier bleek dat er sinds de OTS geen passende hulp voor het gedrag van [dochter] is ingezet. Beklaagde zou [naam pleegmoeder 3] hebben verzocht dit zelf te regelen. Dit is onprofessioneel gedrag van beklaagde en mogelijk is dit een schending van de artikelen A, G en O van de Beroepscode.

3.1.5

Beklaagde heeft onvoldoende activiteiten verricht om de banden tussen familieleden en de dochter te behouden, te stimuleren en/of te vergroten. De familie van klaagster is vanaf de geboorte van [dochter] betrokken geweest. Sinds de uithuisplaatsing is het netwerk nauwelijks door de hulpverlening betrokken. Klaagster heeft beklaagde verzocht om de contacten tussen [dochter] en de familie te behouden, maar beklaagde heeft hiertoe geen acties ondernomen. Klaagster heeft in het verslag van de Raad van 26 juni 2015 gelezen dat beklaagde het netwerk van klaagster onbetrouwbaar vond. Ook de familie van de vader is niet betrokken. De EPB die is georganiseerd op 13 augustus 2015 en waarbij vier familieleden aanwezig waren, was bedoeld om netwerkplaatsing van [dochter] bij een tante te bespreken nadat de eerste [naam pleegmoeder 2] had aangegeven de pleegzorg te willen stoppen. Beklaagde is niet naar deze bijeenkomst gekomen. Mogelijk is dit een schending van de artikelen A en E van de code.

3.1.6

Beklaagde heeft onterecht gebruik gemaakt van krachttermen om de ernst van de opvoedsituatie van de dochter en de beperkingen van klaagster te duiden. Beklaagde heeft aan de Raad gemeld dat stichting [de instelling 2] heeft vastgesteld dat klaagster op moeilijk lerend niveau functioneert en dat er sprake is van een Borderline stoornis. Stichting [de instelling 2] heeft te kennen gegeven dat zij een dergelijke diagnose niet stelt en bovendien zonder toestemming van klaagster geen informatie aan derden verstrekt. In deze periode heeft klaagster ook behandeling gekregen van een specialist in persoonlijkheidsproblematiek en ook hier is geen persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd. Klaagster vindt het kwalijk dat beklaagde dit gebruikt om haar kwetsbaarheid te duiden. Voorts heeft klaagster herhaaldelijk aan beklaagde gevraagd of er bij [dochter] sprake was van een hechtingsstoornis, daar dit terugkerend beschreven staat in de rapportages van [GI] om de ernst van de opvoedsituatie van [dochter] te benadrukken. De Raad heeft dit nagevraagd bij [GI] maar dit bleek niet het geval. Klaagster vindt het kwalijk dat beklaagde dit gebruikt om de zorgelijke opvoedsituatie van [dochter] aan te scherpen. Mogelijk is dit een schending van de artikelen A, D, E, M en andere artikelen uit de Beroepscode.

3.1.7

Beklaagde heeft klaagster niet betrokken bij een overleg met school. Beklaagde heeft in de periode van januari 2015 tot mei 2016 meerdere malen (telefonisch) overleg gehad met de juf van [dochter]. Klaagster, ouder met gezag, was hierbij niet betrokken. Zij heeft pas achteraf in een verslag gelezen dat dit contact er was geweest. Mogelijk is dit een schending van de artikelen D, E, G en J van de Beroepscode.

3.1.8
Beklaagde heeft klaagster belet gebruik te maken van de interne klachtenroute om haar onvrede bespreekbaar te maken met een leidinggevende van [GI]. Klaagster heeft meerdere keren aan beklaagde gevraagd of het mogelijk was een andere gezinsvoogd toegewezen te krijgen, gezien de moeizame samenwerking en het gebrek aan vertrouwen. De moeizame communicatie werd onder andere geïllustreerd in de verslaglegging van beklaagde, waarin de uitspraken van klaagster anders werden weergegeven. Beklaagde heeft klaagster telkens laten weten dat het niet mogelijk was om een andere gezinsvoogd te krijgen. Klaagster heeft ook meerdere keren gevraagd om een gesprek met de leidinggevende. Ook hierop werd afwijzend geantwoord, met de mededeling dat dat geen zin zou hebben omdat de leidinggevende achter beklaagde zou staan. Mogelijk is dit handelen in strijd met artikel F.

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde de volgende artikelen uit de Beroepscode geschonden te hebben: artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van vertrouwen in jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), J (vertrouwelijkheid), M (verslaglegging/dossiervorming) en O (beroepsuitoefening en samenwerking).

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1

Het is beklaagde bekend dat klaagster graag zelf voor de dochter wilde zorgen. Zij kan zich ook goed voorstellen dat de beslissing van [GI] dat de dochter bij de pleegmoeder zou opgroeien, voor haar ingrijpend is geweest. Echter, anders dan klaagster, stelt beklaagde zich op het standpunt dat [GI] terecht en op goede gronden in september 2014 het besluit heeft genomen om de dochter perspectief biedend bij de pleegmoeder te plaatsen. Het belang van de dochter is bij dit besluit leidend geweest. De dochter ontwikkelde zich bij de pleegmoeder goed en zij is zich aan pleegmoeder gaan hechten. Over klaagster bleven zorgen bestaan. Om aan klaagster duidelijk kenbaar te maken dat het noodzakelijk was om aan bepaalde voorwaarden te voldoen, alvorens beoordeeld kon worden of een terugplaatsing mogelijk was, zijn voorwaarden gesteld en deze zijn in een schriftelijke aanwijzing van 3 februari 2014 neergelegd. In deze aanwijzing is benoemd dat indien klaagster zich niet aan de gegeven aanwijzing zou houden, [GI] genoodzaakt is een opvoedbesluit te nemen, inhoudende het verzoek aan de Raad. Beklaagde wil hierbij opmerken dat aan klaagster te kennen is gegeven, dat het voldoen aan de aanwijzing niet automatisch betekent dat de dochter zal worden teruggeplaatst, maar dat dan onderzocht zal worden of een terugplaatsing in het belang van de dochter zou zijn. Helaas heeft [GI] moeten vaststellen dat het klaagster (toentertijd) niet gelukt is om binnen een voor de dochter aanvaardbare termijn aan de voorwaarden te voldoen, om te gaan onderzoeken of klaagster zelf voor haar dochter zou kunnen gaan zorgen. [GI] was daarom genoodzaakt een opvoedbesluit te nemen om de dochter op die manier duidelijkheid te geven dat ze bij pleegmoeder zou blijven wonen. Beklaagde realiseert zich overigens dat het voor een ouder een hard gelag is als deze ouder aan zichzelf werkt en een positieve ontwikkeling doormaakt, er dan toch besloten wordt dat het kind niet terug wordt geplaatst omdat het kind niet langer in onzekerheid kan worden gelaten over zijn of haar opvoedperspectief.

Belangrijk is op te merken dat op het moment dat het opvoedbesluit werd genomen nog niet te voorzien was dat er grote spanningen tussen de pleegmoeder en de familie zouden gaan ontstaan, die uiteindelijk pleegmoeder het besluit zou doen nemen niet langer voor de dochter te zorgen. Beklaagde kan overigens de opmerking van de Raad over dat onvoldoende zou zijn ingezet op het onderzoeken van een thuisplaatsing niet plaatsen, omdat ook de Raad zelf had geconcludeerd onvoldoende vertrouwen te hebben in een thuisplaatsing en het opnieuw verbreken van de hechtingsrelatie van de dochter niet in haar belang was. Het gegeven dat beklaagde tijdens de EPB van maart 2016 benoemde dat een thuisplaatsing bij klaagster wellicht een optie zou kunnen zijn, kwam voort uit het gegeven dat de omstandigheden dusdanig waren gewijzigd dat er een nieuw perspectief voor de dochter noodzakelijk was. Beklaagde staat gezien de situatie in die tijd nog steeds achter de beslissing ten aanzien van het opvoedbesluit en betreurt het voor de dochter dat zij wederom met een overplaatsing geconfronteerd moest worden. Klaagster was het – hoewel zij de wens bleef houden om zelf voor haar dochter te gaan zorgen – ook eens met de plaatsing bij de tweede pleegmoeder.

Het klopt dat beklaagde in eerste instantie het nut van nog een EPB niet zag. Dit omdat de insteek van de EPB niet in overeenstemming was met het genomen opvoedbesluit van [GI]. Beklaagde heeft [naam pleegmoeder 2] geadviseerd om niet te gaan, omdat zowel beklaagde als de pleegzorgwerker niet aanwezig konden zijn en beklaagde twijfelde of pleegmoeder in haar eentje weerstand kon bieden aan de familie en andere aanwezigen die voor overplaatsing waren.

Beklaagde meent dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Niet, dan wel onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat beklaagde ten aanzien van dit klachtonderdeel niet in lijn met de Beroepscode heeft gehandeld. Beklaagde heeft terugkijkend, niet het gevoel dat door [GI] toentertijd een onjuiste beslissing is genomen. Zij betreurt echter hoe de beslissing voor de dochter uiteindelijk heeft uitgepakt. Wat beklaagde betreft, is het belang van de dochter op duidelijkheid en continuïteit door klaagster en de familie onvoldoende voorop gesteld.

4.1.2

Beklaagde herkent zich niet in deze klacht. De beslissing van de eerste [naam pleegmoeder 2] om uiteindelijk niet langer voor de dochter te willen zorgen, was ingegeven door de druk van en ruzie met de familie. Door klaagster wordt dan ook een verkeerd beeld geschetst. Beklaagde wil benadrukken dat klaagster altijd achter een plaatsing bij pleegmoeder stond en de plaatsing juist daar heeft plaatsgevonden omdat klaagster de dochter graag binnen het netwerk geplaatst wilde hebben.

Beklaagde kan het verwijt dat zij klaagster de mogelijkheid heeft ontnomen om een netwerkberaad te organiseren, dan ook niet plaatsen. De EPB heeft ondanks dat beklaagde verhinderd was, gewoon plaatsgevonden.

Met betrekking tot het ‘onbetrouwbaar vinden van de familie’, merkt beklaagde op dat zij heeft ervaren dat de familie zich niet altijd coöperatief wilde opstellen en dat beklaagde in gesprekken door de familie werd genegeerd. Beklaagde kan dit verwijt dat haar wordt gemaakt niet goed plaatsen.

4.1.3

Beklaagde herkent de door klaagster geschetste situatie niet en is hier in ieder geval niet bij betrokken geweest. In de visie van beklaagde is de omgangsregeling steeds conform de uitspraak van de rechter verlopen. De omgang die bij de pleegmoeder thuis plaatsvond, vond zelfs vaak wat langer plaats dan was overeengekomen.

4.1.4

Ook in dit klachtonderdeel herkent beklaagde zich niet. De school van de dochter maakte zich zorgen over het gedrag van de dochter. De school heeft vervolgens begeleiding ingezet van stichting [de instelling 4]. Deze begeleiding bleek goed aan te sluiten bij wat de dochter nodig had en verdere hulp is door [GI], dan wel de school niet nodig geacht.

Overigens heeft beklaagde aan klaagster diverse malen geadviseerd om tijdens de omgang met haar dochter videobegeleiding in te zetten. Klaagster heeft van dit aanbod echter geen gebruik willen maken.

4.1.5

Beklaagde wil in de eerste plaats opmerken dat het niet juist is dat zij vanaf de geboorte van de dochter betrokken is geweest, noch was zij bij de eerste uithuisplaatsing. Verder is wel degelijk het netwerk altijd betrokken. Voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op het niet betrekken van [naam pleegmoeder 3], merkt beklaagde op dat zij tot het raadsonderzoek naar een verderstrekkende maatregel niet bij [GI] in beeld was en door klaagster ook niet is genoemd als zijnde iemand die betrokken zou moeten worden.

Beklaagde is zodra zij in beeld is gekomen op huisbezoek geweest. In het gesprek kwam naar voren dat het verzoek van klaagster er vooral op gericht was om zelf meer omgang met haar dochter te hebben. Dit was de reden dat [GI] het verzoek van klaagster heeft afgewezen.

Beklaagde merkt op dat niet, dan wel onvoldoende is onderbouwd dat zij banden tussen de dochter en de familie niet zou hebben gestimuleerd.

4.1.6

De door klaagster aangehaalde ‘krachttermen’ zijn gebaseerd op bevindingen van onder meer [de instelling 5] en stichting [de instelling 2]. Dat klaagster het wellicht niet eens is met deze bevindingen, maakt niet dat daarmee gesteld kan worden dat beklaagde (ten onrechte) krachttermen zou hebben gebruikt om de problematiek te benoemen en te benadrukken.

4.1.7

De school wilde alleen gesprekken met klaagster als beklaagde of pleegmoeder hierbij aanwezig zou zijn. Beklaagde heeft daarom aan klaagster voorgesteld om samen een afspraak te maken met de school voor een gesprek. Van dit aanbod heeft klaagster echter geen gebruik willen maken. Voor zover klaagster van mening is dat de school haar onvoldoende heeft geïnformeerd, dient zij zich tot de school te richten.

4.1.8

Beklaagde herkent zich niet in de klacht dat zij klaagster zou hebben belet gebruik te maken van de interne klachtregeling. Door klaagster wordt ook niet, dan wel onvoldoende onderbouwd, waaruit dit zou blijken. Klaagster heeft in het verleden al een keer gebruik gemaakt van de interne klachtenregeling, en was dus bekend met deze procedure. Aan klaagster is verder een bemiddelingsgesprek aangeboden, maar hier wilde zij geen gebruik van maken. Ook dit klachtonderdeel dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I
Het College stelt vast dat de kern van het eerste klachtonderdeel behelst dat het voor klaagster niet duidelijk was waarom beklaagde een gezagsbeëindigende maatregel heeft aangevraagd, terwijl klaagster aan alle voorwaarden, waaronder het volgen van therapie en het verkrijgen van een eigen woning, tegemoet is gekomen. Het schriftelijke en mondelinge verweer van beklaagde komt er volgens het College in het kort op neer dat klaagster terecht alleen voor ogen heeft gehad haar dochter terug te krijgen, maar voorts selectief heeft geluisterd en niet transparant is geweest in hoeverre zij voldeed aan de voorwaarden, zoals gesteld in de aanwijzing van 4 februari 2014. Beklaagde heeft ter zitting nog opgemerkt dat zij van klaagster bijvoorbeeld geen toestemming kreeg informatie op te halen over de therapie die klaagster moest ondergaan, zodat de resultaten daarvan ongewis bleven en voorts dat het onderzoek van stichting [de instelling 2], waarvan de uitslag aan beklaagde had moeten worden overgelegd, door toedoen van klaagster niet tot stand gekomen. Bovendien is het klaagster vooraf duidelijk gemaakt dat indien zij zich niet aan de gestelde voorwaarden zou houden, [GI] genoodzaakt zou zijn een opvoedbesluit te nemen, inhoudende een verzoek aan de Raad onderzoek te doen naar een verderstrekkende maatregel. Zou zij wel voldoen aan de aanwijzing, dan zou dat niet automatisch betekenen dat de dochter zou worden teruggeplaatst, maar dat eerst onderzocht moest worden of een terugplaatsing in het belang van de dochter zou zijn. Omdat is vastgesteld dat het klaagster (toentertijd) niet is gelukt om binnen een voor de dochter aanvaardbare termijn aan de voorwaarden te voldoen, is op 9 september 2014 overgegaan tot het nemen van het opvoedbesluit. Beklaagde heeft ter zitting nogmaals herhaald wat zij ook in haar verweerschrift heeft opgenomen, namelijk dat zij zich kan voorstellen dat het voor klaagster een hard gelag is geweest.

Het College heeft zeker begrip voor de teleurstelling van klaagster, maar is van oordeel dat beklaagde gezien de omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen. Ondanks dat er twijfel was of de toekomst van [dochter] bij [naam pleegmoeder 2] lag, was [dochter] wel aan haar gehecht geraakt en was het perspectief bij klaagster op z’n minst genomen onzeker. Daarbij speelt onder andere mee dat in de periode die klaagster gesteld heeft gekregen om aan een aantal voorwaarden te voldoen, er onvoldoende zicht was op de ontwikkelingen, doordat klaagster, zo is het College gebleken, geen informatie heeft versterkt over haar therapie en eventuele vorderingen daarin. Op dat moment was ook nog niet duidelijk of klaagster in aanmerking zou komen voor een eigen woning. De urgentie kwam pas na het genomen opvoedbesluit. Al deze omstandigheden bij elkaar genomen, die door klaagster niet zijn ontkend, is het College van oordeel dat er op dat moment terecht gekozen is voor het opvoedbesluit. Dat besluit is genomen in het belang van de dochter; zij had er recht op om binnen een aanvaardbare termijn duidelijkheid te krijgen over haar toekomst. De aanvaardbare termijn was ruimschoots overschreden aangezien de dochter op 9 mei 2011 uit huis is geplaatst, het opvoedbesluit is genomen op 23 september 2014 en op 20 april 2015 het verzoek is gedaan voor een gezagsbeëindigende maatregel. Nu beklaagde onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen, is het College van oordeel dat zij is gebleven binnen de grenzen van wat van een jeugdprofessional verwacht mag worden, en door klaagster genoemde artikelen uit de Beroepscode niet zijn overtreden.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

II
Dit klachtonderdeel ziet erop toe dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan om het netwerk van klaagster te betrekken bij de plaatsing van [dochter]. Het College is echter van oordeel dat beklaagde zowel in haar verweer als tijdens de mondelinge behandeling voldoende heeft aangetoond dat zij op verschillende momenten het netwerk van klaagster heeft betrokken. Beklaagde heeft aangegeven dat er in eerste instantie is gekeken naar een neutraal gezin omdat er spanningen waren in de familie. Uiteindelijk is de band tussen klaagster, haar dochter en de familie sterk genoeg bevonden om [dochter] bij de familie te plaatsen. [dochter] heeft lange tijd bij [naam pleegmoeder 2] gewoond en toen zij aangaf de zorg niet langer te willen nemen, is [naam pleegmoeder 3] ingeschakeld. Daar woont [dochter] nu nog steeds, zo heeft het College begrepen. Uit de stukken is het College ook gebleken dat klaagster, ondanks het feit zij het liefste zelf voor haar dochter had willen zorgen, achter deze plaatsingen stond. Het College kan dan ook niet anders concluderen dat beklaagde heeft gehandeld in lijn met de Beroepscode. Dat beklaagde de in augustus 2015 door de familie georganiseerde EPB niet heeft bijgewoond, is onvoldoende om anders te concluderen. Toen [naam pleegmoeder 2] aangaf dat haar zorg zou stoppen, is daarna onderzocht of plaatsing bij [naam pleegmoeder 3] mogelijk was. Dat bleek mogelijk en daardoor is [dochter] dus twee keer conform de wens van de klaagster in het netwerk geplaatst, wat maakt dat beklaagde voldoende heeft gedaan om het netwerk van de moeder te betrekken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

III
Klaagster heeft in dit derde klachtonderdeel geklaagd over het feit dat één omgangsmoment dat twee uur zou duren slechts één uur heeft geduurd. Beklaagde heeft verklaard dat de omgang normaal gesproken bij [naam pleegmoeder 2] plaatsvond, maar omdat er sprake was van een verstoorde relatie, deze omgang één keer op het kantoor van [de instelling] is gehouden. Dat het een ad hoc beslissing was om moeder niet teleur te stellen en de continuïteit te waarborgen. Ter zitting heeft beklaagde nogmaals benadrukt dat de agenda van de pleegzorgbegeleider een langere omgang die dag niet toestond en dat zij niet de aangewezen persoon was om anders te bepalen. Het is het College gebleken dat dit omgangsmoment slechts éénmalig heeft plaatsgevonden bij de pleegzorginstelling en dat de begeleiding werd gedaan door de pleegzorgbegeleider. Uit het verweer en tijdens de mondelinge behandeling is voldoende duidelijk geworden dat beklaagde op het moment van de éénmalige verkorte omgang niet zelf aanwezig was en voorts daarna het een en ander in het werk heeft gesteld om de omgang bij [de instelling] terug te draaien, waarna de omgang weer thuis bij pleegmoeder kon plaatsvinden. Klaagster heeft deze gang van zaken ter zitting niet weersproken. Het College is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel beklaagde niet kan worden aangerekend.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

IV
In het vierde klachtonderdeel klaagt klaagster er over dat er voor haar dochter geen passende hulp is ingezet. Beklaagde stelt hier tegenover dat er op de eerste school van [dochter] ondersteuning is ingezet via stichting [de instelling 4] omdat er zorgen waren over haar gedrag. Voorts heeft beklaagde zelf voorgesteld om videobegeleiding in te zetten tijdens de omgangsmomenten van klaagster en haar dochter, wat door klaagster is tegengehouden. Het College is van oordeel dat klaagster onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij van mening was dat er geen passende hulp is ingezet voor [dochter]. Het College ziet dit door klaagster wel gesteld, maar het is haar onvoldoende gebleken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

V
In dit vijfde klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde onvoldoende activiteiten verricht te hebben om de banden tussen familieleden en de dochter te behouden, te stimuleren en/of te vergroten. Beklaagde stelt in haar verweer dat het niet juist is dat zij vanaf de geboorte van de dochter betrokken is geweest, noch was zij aanwezig bij de eerste uithuisplaatsing. Voorts stelt beklaagde dat klaagster onvoldoende heeft onderbouwd in welke zin beklaagde de banden tussen de dochter en de familie niet zou hebben gestimuleerd. Het netwerk is altijd betrokken geweest bij moeder en dochter. Voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op het niet betrekken van [naam pleegmoeder 3], merkt beklaagde op dat zij tot aan het raadsonderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel niet bij [GI] in beeld was en door klaagster ook niet is genoemd als zijnde iemand die betrokken zou kunnen worden. Zodra [naam pleegmoeder 3] in beeld was, is beklaagde op huisbezoek geweest en is zij betrokken. Het College is van oordeel dat dit klachtonderdeel aansluit bij klachtonderdeel III. Klaagster heeft onvoldoende onderbouwd dat beklaagde de banden tussen de familie en [dochter] niet zou willen behouden, dan wel niet te stimuleren. [dochter] is tot twee keer toe geplaatst binnen de familie, conform de wens van de klaagster, wat maakt dat beklaagde voldoende heeft gedaan om het netwerk van klaagster te betrekken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

VI
Dit klachtonderdeel bestaat uit twee delen.

Het eerste deel gaat over het gebruik van krachttermen, zoals Borderline, die door toedoen van beklaagde zijn opgenomen in het rapport van de Raad. Beklaagde heeft aangegeven de termen uit de rapportages van stichting [de instelling 2] en [de instelling 5] te hebben overgenomen. In het schriftelijk verweer van beklaagde, als ook tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat op 2 december 2013 een gesprek heeft plaatsgevonden bij [de instelling], waarbij onder andere klaagster, beklaagde en [de instelling 2] aanwezig waren. Tijdens dat gesprek is het IQ van klaagster besproken en is aan de orde gekomen dat er bij klaagster sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, cluster B. Klaagster heeft ter zitting bevestigd dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Het College is van oordeel dat het zorgvuldiger was geweest wanneer de term Borderline niet was genoemd, nu cluster B meer stoornissen omvat dan alleen Borderline. Beklaagde had kunnen spreken over een persoonlijkheidsstoornis. Het is beklaagde helaas ook niet gelukt de angst bij klaagster weg te nemen in een rapport terug te lezen wat er over haar wordt gezegd. Het College oordeelt, dat ondanks dat zij zich kan voorstellen dat de begrippen IQ en Borderline bij klaagster hard zijn aankomen, het handelen van beklaagde niet in strijd is met de Beroepscode. Daarbij weegt het College mee de omstandigheid dat klaagster geen uitslagen van onderzoeken met beklaagde wilde delen, en beklaagde door haar aanwezigheid bij eerder genoemd gesprek op de hoogte was van de uitkomst van het persoonlijkheidsonderzoek.

Het tweede deel van dit klachtonderdeel handelt over de gehechtheid van [dochter]. Dit zou volgens klaagster nergens op gebaseerd zijn maar wel in de rapportages van [GI] zijn opgenomen. Beklaagde heeft hierover ter zitting gezegd dat in het eindverslag van [de instelling 5] van 1 oktober 2012 wel degelijk staat beschreven dat er sprake was van een gedesorganiseerd hechtingspatroon en dat dat schadelijk was voor de dochter.

Beide delen van dit klachtonderdeel zijn ongegrond.

VII
Het zevende klachtonderdeel betreft dat er diverse gesprekken zijn geweest tussen beklaagde en school, terwijl klaagster hier niet van op de hoogte was. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling nogmaals uitgelegd dat klaagster een gesprek wilde op school, maar dat school dat alleen wilde als dat in bijzijn was van in ieder geval de pleegmoeder. Klaagster wilde dat niet en daarmee is het gesprek afgeketst. Klaagster heeft onvoldoende aangetoond dat de situatie anders lag en daarmee kan niet worden gesteld dat beklaagde buiten de grenzen van haar beroepsoefening heeft gehandeld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

VIII
In het achtste klachtonderdeel heeft klaagster gesteld dat zij een andere gezinsvoogd wenste en tevens meerdere malen aan beklaagde heeft aangegeven dat zij een klacht wilde indienen bij de leidinggevende van beklaagde, dat beklaagde haar dat heeft belet en dat zij daarom zelf de klachtroute heeft moeten uitzoeken. In het verweer heeft beklaagde vermeld dat zij zich hier niet in herkend, dat klaagster al eerder een klacht had ingediend en derhalve bekend was met de procedure, en bovendien zij klaagster wel heeft geïnformeerd over de gegevens van haar leidinggevende. Het College is allereerst van oordeel dat beklaagde zelf niet bevoegd is een nieuwe gezinsvoogd te benoemen. Die beslissing ligt bij [GI], en kan in het kader van deze procedure niet beoordeeld worden. Voorts constateert het College dat klaagster stelt dat zij geen informatie heeft gekregen en dat beklaagde verklaart deze informatie wel versterkt te hebben. Nu klaagster haar klacht niet verder heeft onderbouwd, kan het College de feitelijke gang van zaken op dit punt niet vaststellen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.3

Het College legt op:
Samenvattend overweegt het College dat niet kan worden gesteld dat beklaagde in strijd met enig artikel uit de Beroepscode heeft gehandeld. Zij heeft gehandeld zoals het een zorgvuldig handelend jeugdzorgwerker betaamt.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 10 augustus 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris