Mede door een (opkomende) burn-out en een zware werkbelasting is het functioneren van een jeugdzorgwerker negatief beïnvloed. Onder intrekking van de maatregel van voorwaardelijke schorsing, legt het College van Beroep de maatregel van waarschuwing op. In deze beslissing geeft het College van Beroep ook een signaal af aan de beroepsgroep

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
de heer mr. A.P. van der Linden, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellant], ten tijde van het beklaagde handelen werkzaam als jeugdzorgwerker bij [instelling 1], hierna te noemen: [instelling 1], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant,

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerster], wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellant wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, werkzaam bij Terecht – Recht & Rede.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door [hoedanigheid gemachtigde], [naam].

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift van 15 december 2016, met bijlagen, ontvangen op 22 december 2016;
– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 21 maart 2017, met bijlagen, en aangevuld op 4 mei 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 16.170T van 17 augustus 2017;
– het door appellant ingestelde pro forma beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 11 oktober 2017, aangevuld op 25 oktober 2017, met bijlagen;
– het door verweerster ingestelde verweerschrift ontvangen op 21 december 2017, met bijlagen.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I, IV, en V gegrond, klachtonderdeel III deels gegrond en klachtonderdeel II ongegrond verklaard en aan appellant de maatregel van voorwaardelijke schorsing opgelegd. De schorsing treedt in werking en zal één jaar duren als appellant nalaat het supervisietraject te volgen en nalaat om binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing van het College van Toezicht het LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen aan het bestuur van SKJ.

1.3 Tegen deze beslissing is door appellant op 11 oktober 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door verweerster is op 21 december 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018 in aanwezigheid van appellant, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van appellant is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aanwezig geweest [gedragsdeskundige], gedragsdeskundige bij [instelling 1]. Als toehoorder van de zijde van verweerster is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aanwezig geweest [vertrouwenspersoon], werkzaam als onafhankelijk vertrouwenspersoon bij ZorgBelang [locatie].

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 19 april 2018 zal worden verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 Appellant is sinds [datum] 2015 als jeugdzorgwerker bij SKJ geregistreerd.

2.2 Verweerster is de moeder van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004, hierna te noemen: [minderjarige].

2.3 Verweerster en de vader van [minderjarige], hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, hebben een affectieve relatie gehad, welke in december 2013 is geëindigd. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].

2.4 De ouders hebben van september 2014 tot medio april 2015 begeleiding gehad van [instelling 2] in het kader van ‘Ouderschap blijft’.

2.5 Verweerster heeft op 18 juni 2015 aangifte gedaan tegen de vader wegens vermeend seksueel misbruik van [minderjarige]. Deze aangifte heeft uiteindelijk niet geleid tot strafvervolging van de vader.

2.6 Appellant is per 2 september 2015 als jeugdbeschermer aangesteld om een ‘drangtraject’ met de ouders op te pakken.

2.7 Bij mondelinge beslissing van 10 september 2015, en vastgelegd in de beschikking van 15 september 2015, van de kinderrechter in de rechtbank [arrondissement], zittingsplaats [locatie], is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van [instelling 1], tot 10 december 2015. Met het uitspreken van deze ondertoezichtstelling is het drangtraject beëindigd.

2.8 Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [arrondissement], zittingsplaats [locatie], van 27 november 2015, is [minderjarige] onder toezicht gesteld van [instelling 1] met ingang van 10 december 2015 tot 10 december 2016. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk voor zover bekend tot 10 december 2017.

2.9 Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [arrondissement], zittingsplaats [locatie], van 11 februari 2016, is – onder andere – de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bepaald bij verweerster en is tevens een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders vastgelegd.

2.10 Op 1 april 2016 heeft [instelling 1] aan ouders gemeld dat zij is vastgelopen in het traject met hen. Op 27 april 2016 zijn ouders overeengekomen dat de praktijk “[praktijknaam]” het beste aansluit bij de behoeften van [minderjarige]. Op 17 juni 2016 is er een beschikking jeugdhulp afgegeven voor [naam therapie].

2.11 Op 18 juli 2016 hebben de ouders aangegeven dat zij toch weer verder willen met gezamenlijke gesprekken bij [instelling 1]. Op 5 augustus 2016 heeft een gezamenlijk gesprek plaatsgevonden.

2.12 Op 8 augustus 2016 heeft verweerster aangegeven dat er vanwege haar zwangerschap tot eind januari 2017 geen gezamenlijke gesprekken met de vader meer gevoerd kunnen worden.

2.13 Op 8 september 2016 heeft een klachtgesprek plaatsgevonden met verweerster, de teamleider, de (andere) gezinsvoogd en appellant.

2.14 Op 21 oktober 2016 heeft appellant telefonisch overleg gevoerd met een vertrouwensarts van Veilig Thuis. Daarbij heeft appellant gevraagd welke termijn [instelling 1] kan hanteren om gezamenlijke gesprekken na een geplande keizersnede weer op te pakken.

2.15 Op 18 november 2016 heeft de vertrouwensarts per e-mail aangegeven dat over het algemeen een termijn van zes weken kan worden aangehouden als herstelperiode na een keizersnede. Afhankelijk van de klinische conditie van de kraamvrouw en wat de reden voor keizersnede is, kan van deze termijn worden afgeweken, aldus de vertrouwensarts. In het verzoekschrift van [instelling 1] aan de rechtbank is gevraagd te bepalen dat ouders vier weken na de bevalling van verweerster weer gezamenlijke gesprekken gaan voeren.

2.16 Op 15 december 2016 heeft verweerster een klacht ingediend bij de klachtencommissie van [instelling 1] over het handelen van [instelling 1]. Bij beslissing van 13 februari 2017 zijn van de negen ingediende klachten, vijf klachten (deels) gegrond en twee klachten ongegrond verklaard. Bij twee klachten heeft de klachtencommissie zich van een oordeel onthouden.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 17 augustus 2017 van de klachtonderdelen I, III, VI en V, die door het College van Toezicht (deels) gegrond zijn verklaard als gevolg waarvan aan appellant de maatregel van voorwaardelijke schorsing is opgelegd.

3.1.4

Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “[Appellant] heeft geen duidelijk Plan van Aanpak gemaakt, althans niet toegestuurd en besproken. In de eerste gesprekken heeft [verweerster] met de vader van [minderjarige] op een flap-over aan moeten geven waar zij naar toe wilden. In de twee daarop volgende gesprekken zijn de onderwerpen van de flap-over aangehaald, maar daarna is er niet meer over gesproken, noch zijn deze verwerkt in een Plan van Aanpak. Twee weken na het klachtgesprek van 8 september 2016 kreeg [verweerster] een uitgebreide drie kolommen structuur toegestuurd, met de mededeling dat dit het Plan van Aanpak was. Twee weken later ontving [verweerster] een nieuw Plan van Aanpak, dat totaal anders was dan de eerste versie. Haar werd medegedeeld dat de drie kolommen structuur was verlaten en dat [instelling 1] was overgegaan op het toegestuurde Plan van Aanpak. De werkwijze is hiermee onduidelijk.”

3.2.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] begrijpt dit klachtonderdeel aldus dat er voor [verweerster] onduidelijkheid was over de werkwijze met betrekking tot het Plan van Aanpak. [Appellant] heeft in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling verwoord dat de ouders geïnformeerd zijn, en derhalve op de hoogte waren van de werkwijze ten aanzien van het Plan van Aanpak. In deze casus heeft [appellant], zo begrijpt het College [van Toezicht], het standpunt ingenomen dat hij niet de gezinsvoogd is. Hij is slechts de gespreksleider/contactpersoon met ouders en daarom kan hij niet verantwoordelijk worden gehouden voor al datgene waarvoor een gezinsvoogd is aangesteld, waaronder het opstellen van het Plan van Aanpak. Dit is ook het beleid van [instelling 1]. In deze opvatting miskent [appellant] volgens het College [van Toezicht] dat hij wel degelijk ook in deze casus als gezinsvoogd zijn verantwoordelijkheden dient te nemen. Het verontrust het College [van Toezicht] dat [appellant] zo pertinent blijft zitten in de door hem benoemde beperkte functie, terwijl hij ook in zijn handtekening onder correspondentie aan de ouders staat vermeld als gezinsvoogd, zoals bijvoorbeeld onder de e-mails van 8 september 2015, 18 juli 2016 en 17 oktober 2016. Het kan volgens het College [van Toezicht] niet zo zijn dat twee jeugdprofessionals samen een casus krijgen toegewezen, en dat één jeugdprofessional geen verantwoordelijkheid draagt. Dit is onjuist en een standpunt wat [appellant] niet kan en mag innemen. Dit betekent dat [appellant] wel degelijk verantwoordelijk gesteld moet worden voor de verwarring die bij [verweerster] is ontstaan over de verschillende Plannen van Aanpak. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [appellant] hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Het klachtonderdeel is gegrond.”

3.2.3 Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellant erkend dat het fout was dat hij in de procedure bij het College van Toezicht heeft ontkend dat hij als gezinsvoogd heeft opgetreden. Hij heeft bevestigd dat hij dit wel degelijk heeft gedaan. Volgens de methodiek complexe scheidingen is er binnen [instelling 1] voor gekozen om met twee gezinsvoogden te werken. Eén gezinsvoogd voor de gesprekken met de ouders en één gezinsvoogd voor [minderjarige]. Appellant betreurt hoe de procedure bij het College van Toezicht is verlopen en begrijpt dat het voor verweerster heel naar is geweest dat hij tijdens de procedure bij het College van Toezicht in eerste instantie heeft ontkend dat hij gezinsvoogd was. In zijn visie is tijdens deze procedure een aantal zaken vervelend bij elkaar gekomen. Op dat moment liepen er meerdere klachtenprocedures, zowel intern als extern. Zowel de advocaat van [instelling 1] als de toenmalige gemachtigde van appellant, hadden aangegeven dat in de diverse procedures dezelfde gelijkluidende verweerschriften moesten worden ingediend.
Voorts merkt appellant op dat hij tijdens de procedure bij het College van Toezicht wegens een burn- out niet aan het werk was. Hij is van begin maart 2017 tot 1 november 2017 afwezig geweest. Achteraf bezien meent appellant dat hij beter aan het College van Toezicht had kunnen vragen om zijn zaak later te behandelen. Appellant denkt dat de (opkomende) burn-out invloed heeft gehad op zijn functioneren. De burn-out heeft hij aangepakt en hij heeft, met behulp van een psycholoog, de zaken op een rijtje gezet. Dit heeft diverse inzichten opgeleverd zoals: indien hij zichzelf niet serieus neemt, dan neemt hij zijn cliënten ook niet serieus. Daarnaast meent hij dat, ondanks wat het beleid van de instelling is, je zelf moet onderzoeken of het voor het proces belangrijk is om tijd te nemen voor het maken van beslissingen, bijvoorbeeld het al dan niet geven van een schriftelijke aanwijzing. Naar alle waarschijnlijkheid had de onderhavige situatie dan meer tijd in beslag genomen, maar waren deze (klacht)procedures mogelijk niet nodig geweest. Ten tijde van de onderhavige situatie stond de methodiek complexe scheidingen nog in de kinderschoenen en is hier door appellant en zijn collega’s teveel aan vastgehouden. Appellant stelt zich op het standpunt dat deze casus nodig is geweest om het beleid binnen [instelling 1] aan te scherpen/aan te passen.

3.2.4 Ten aanzien van het Plan van Aanpak heeft appellant tijdens de mondelinge behandeling van het beroep desgevraagd kenbaar gemaakt dat – met de kennis van nu – het Plan van Aanpak inderdaad niet aan de wettelijke vereisten voldeed. De ‘3 kolommen’ waren vrij snel na het uitspreken van de ondertoezichtstelling opgesteld en deze zijn ook bijgehouden. Onderling, tussen de gezinsvoogden, was afgesproken dat de gezinsvoogd van [minderjarige] het Plan van Aanpak zou maken. Uiteindelijk is dit blijven liggen. Appellant stelt dat er zoveel gesprekken zijn geweest met de ouders die waren gericht op ‘brandjes blussen’ van zaken die gebeurden in de relatie tussen de ouders en in de omgang tussen [minderjarige] en haar vader. Het Plan van Aanpak is ook voor een deel van het netvlies verdwenen in de waan van de dag, aldus appellant. Daarnaast heeft appellant desgevraagd kenbaar gemaakt dat hij zich er niet (voldoende) bewust van was dat het Plan van Aanpak er nog niet lag. Ten tijde van het handelen was hij verantwoordelijk voor een halve caseload (12/13 zaken) en voor de communicatie tussen ouders in circa 25 complexe scheidingszaken. Appellant stelt zich op het standpunt dat het voor hem niet mogelijk is geweest om al deze zaken te (blijven) monitoren. Concluderend stelt appellant dat het klachtonderdeel gegrond is en dat hij enkel heeft willen toelichten waarom het zo is verlopen.

3.2.5 Het College van Beroep stelt vast dat niet langer tussen partijen in geschil is dat er geen sprake is geweest van een door appellant opgesteld Plan van Aanpak en dat de werkwijze die werd gehanteerd onduidelijk was. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het klachtonderdeel door het College van Toezicht terecht gegrond is verklaard.

3.3 Klachtonderdeel III

3.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “[Appellant] handelt niet volgens de opdracht van de rechtbank waar het betreft de verdeling van de vakantie en feestdagen en de wisselingen tussen de ouders. De rechtbank heeft bepaald dat de gezinsvoogden in overleg met de ouders een verdeling moeten maken van vakantie en feestdagen. [Verweerster] heeft echter geen enkel voorstel ontvangen. Ook heeft de rechtbank gezegd dat er in het belang van [minderjarige] zo min mogelijk wisselingen tussen de ouders plaats dienen te vinden. Doordat [appellant] de kant van de vader heeft gekozen, is hieraan voorbij gegaan.”

3.3.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel – voor zover dit klachtonderdeel gegrond is verklaard – als volgt: “In het eerste deel van het derde klachtonderdeel beklaagt [verweerster] zich over het feit dat [appellant] niet is opgetreden daar waar een impasse ontstond tussen [verweerster] en haar ex-partner met betrekking tot de zorgregeling. Het College [van Toezicht] wijst in dit verband op de beschikking van de rechtbank van 11 februari 2016, waarin expliciet is beslist dat partijen in overleg met de gezinsvoogden een nadere verdeling moesten maken van de vakantie en feestdagen. Het verweer van [appellant] dat het noch aan [instelling 1], noch aan hemzelf is, om de regelingen tussen de ouders vast te stellen als zij er in onderling overleg niet uitkomen, houdt naar het oordeel van het College [van Toezicht] dan ook geen stand. [Appellant] als gezinsvoogd heeft hierin een duidelijke taak en heldere bevoegdheden. Het is het College [van Toezicht] niet gebleken dat [appellant] hierin actief is opgetreden. Zo beschikt het College [van Toezicht] niet over de schriftelijke aanwijzing die gegeven zou zijn in het kader van de zorgregeling, waarover [appellant] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [appellant] op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.”

3.3.3 Appellant betwist dat hij niet actief heeft opgetreden om de impasse in het overleg over de zorgregeling te doorbreken. Uitgangspunt is dat de beschikking van de rechtbank gevolgd moet worden. Daar waar de rechterlijke omgangsregeling ruimte laat voor aanvullende afspraken is hier, zowel in juridische zin alsook vanuit methodisch perspectief, in de eerste plaats een rol voor de ouders weggelegd. Appellant is van mening dat het van belang is dat hij terughoudend te werk gaat. Zijn rol spitst zich dan toe op het begeleiden van het gesprek, het interveniëren in de wijze waarop de ouders communiceren en het naar voren brengen van het belang van [minderjarige]. Appellant wil benadrukken dat hij tijdens de gesprekken altijd oog heeft gehad voor de belangen van [minderjarige] en dat hij na afloop van de gesprekken over de omgang telkens het overleg met een gedragsdeskundige heeft gezocht om te controleren of hij geen opties over het hoofd had gezien. Ten aanzien van de opmerking gemaakt door appellant over de verdeling van de zorgregeling erkent hij dat dit een ongelukkige uitdrukking is geweest. Het was zijn bedoeling om te constateren dat de omgang niet gelijkelijk verdeeld (50-50%) was. Een andere woordkeuze zou dit echter beter hebben weergeven. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in dat gesprek nog heeft toegelicht dat het niet zijn bedoeling was een waardeoordeel over (de verdeling van) de zorgregeling uit te spreken.
Tot slot stelt appellant zich op het standpunt dat hij zich heeft ingespannen de werkrelatie met beide ouders goed te houden. Zo heeft appellant na het klachtgesprek, in samenspraak met de gedragsdeskundige, geoordeeld dat het voor de voortgang beter zou zijn dat de gedragsdeskundige voortaan zou aansluiten bij gesprekken met de ouders. Naarmate de strijd tussen de ouders voortduurde werd het beroep dat werd gedaan op de gezinsvoogden echter groter. Het vraagt voortdurend koorddansen van de gezinsvoogden waarbij voor appellant de balans steeds werd gevonden door ervoor te zorgen dat [minderjarige] op de voorgrond bleef staan. Appellant heeft de zaak als bijzonder complex ervaren.

3.3.4 Verweerster stelt zich op het standpunt dat de opmerking van appellant over (de verdeling van) de zorgregeling partijdig overkwam en dit werd als ongepast ervaren. Verweerster betwist dat appellant dit heeft toegelicht. Verweerster stelt dat appellant in het klachtgesprek in september 2016 heeft aangegeven: “De verdeling is ook niet eerlijk, alles buiten de 50-50% is niet eerlijk.” Verweerster betwist voorts dat de gedragsdeskundige zich heeft aangesloten bij gesprekken. Dit is slechts in één gesprek het geval geweest. De andere gesprekken, begin 2017, waarbij de gedragsdeskundige aanwezig was, betroffen gesprekken waarbij appellant niet aanwezig is geweest. Ten aanzien van de impasse waarin appellant niet heeft opgetreden stelt verweerster het volgende. De impasse was aanwezig in de gesprekken in april 2016. Deze gesprekken zijn – tegen de zin in van verweerster – gestopt. Het eerste vervolggesprek heeft pas in augustus 2016 plaatsgevonden.

3.3.5 Het College van Beroep stelt allereerst vast dat tijdens de mondelinge behandeling van het beroep door appellant onbetwist is gesteld dat de invulling van de zorgregeling tijdens meerdere, doch in ieder geval drie gesprekken is besproken. Voorts staat ook vast tussen partijen dat, voor zover de zorgregeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen nog nader ingevuld diende te worden, de ouders er niet in geslaagd zijn hier, met behulp van appellant, uit te komen. Het College van Beroep overweegt dat er door appellant en [instelling 1] een bewuste afweging is gemaakt om de verantwoordelijkheid om nadere invulling aan de zorgregeling te geven bij ouders te laten. Het College van Beroep begrijpt en volgt dit standpunt en overweegt hiertoe als volgt.
Het College van Beroep merkt allereerst op dat in de beslissing van de kinderrechter in de rechtbank [arrondissement], zittingsplaats [locatie], van 11 februari 2016 het volgende is opgenomen:
‘ – de helft van de vakanties en feestdagen, partijen dienen in overleg met de gezinsvoogden een nadere verdeling te maken van de vakanties en feestdagen;’
Het College van Beroep leest hierin, evenals appellant, dat het de primaire verantwoordelijkheid is van ouders om een verdeling in vakanties en feestdagen te maken en dat zij hierover met de gezinsvoogden dienen te overleggen. Voor appellant, dan wel de andere gezinsvoogd, is hier geen primaire verantwoordelijkheid weggelegd om deze nadere invulling te bepalen en zij beiden zijn niet in de positie om hierover knopen door te hakken. Het College van Beroep overweegt, dat voor zover in het oorspronkelijke klachtonderdeel en de daaruit volgende beoordeling door het College van Toezicht is opgenomen dat het de taak van de gezinsvoogden was om een verdeling te maken, dit dan ook een onjuiste interpretatie is van voornoemde beslissing van de kinderrechter.
Ten aanzien van de gemaakte opmerking door appellant over de 50-50% zorgregeling, merkt het College van Beroep op dat dit – zoals appellant eveneens erkent – een ongelukkig geformuleerde opmerking is. Temeer in de situatie waar appellant naar eigen zeggen toch al het idee had dat hij niets meer goed kon doen en er wantrouwen jegens hem bestond. Het College van Beroep is er echter van overtuigd dat appellant zijn uitspraak heeft genuanceerd tegenover verweerster en dat hij geenszins met de door hem gemaakte opmerking een waardeoordeel uit heeft willen spreken, dan wel zich partijdig tegenover een van de ouders heeft willen opstellen. Concluderend is het College van Beroep, anders dan het College van Toezicht, van oordeel dat appellant wel degelijk actief is opgetreden doch bewuste afwegingen heeft gemaakt over hoe al dan niet te handelen ten aanzien van de ontstane impasse in de zorgregeling. Het College van Beroep verklaart het klachtonderdeel alsnog (in zijn geheel) ongegrond. De grief slaagt aldus.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel IV als volgt geformuleerd: “[Appellant] wekt bij de rechtbank een onjuiste indruk over de gezondheid van [verweerster]. Dit klachtonderdeel heeft betrekking op het advies dat [appellant] heeft gevraagd aan de vertrouwensarts van Veilig Thuis in het kader van het opstarten van de gezamenlijke gesprekken na de keizersnede.”

3.4.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “[Verweerster] beklaagt zich in dit vierde klachtonderdeel over het feit dat [appellant] zich niet juist heeft laten voorlichten omtrent haar gezondheid en de aankomende bevalling middels een keizersnede. Het College [van Toezicht] heeft aldus begrepen, dat [appellant] met het oog op het hervatten van de gezamenlijke gesprekken tussen de ouders in contact is getreden met een vertrouwensarts van Veilig Thuis. Het College [van Toezicht] begrijpt niet waarom in dit specifieke geval [appellant] niet eerst met [verweerster] heeft gesproken over haar fysieke gesteldheid en haar niet zelf de vraag heeft gesteld wanneer zij zichzelf weer in staat achtte om na haar keizersnede de gesprekken op te pakken. Zeker nu als algemeen bekend mag worden verondersteld dat het functioneren na een keizersnede afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Indien [appellant] getwijfeld zou hebben aan de juistheid van haar mogelijke antwoord had hij haar toestemming kunnen vragen om contact op te nemen met haar verloskundige/gynaecoloog. Nu [appellant] dit alles heeft nagelaten, is het College [van Toezicht] van oordeel dat [appellant] hier te kort is geschoten in zijn rol als gezinsvoogd. Het vierde klachtonderdeel is gegrond.”

3.4.3 Appellant voert tegen de beslissing van het College van Toezicht aan dat dit college bij het oordeel onvoldoende heeft betrokken dat het gedwongen karakter van de ondertoezichtstelling niet alleen voor de gezinsvoogden verplichtingen meebrengt, maar ook voor de ouders. Daarnaast lijkt het dat het College van Toezicht bij de beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat een gezinsvoogd met meerdere belangen rekening dient te houden, in casu de gevolgen die het honoreren van de wens van verweerster zou hebben voor [minderjarige] en de vader. Nu verweerster eind augustus 2016 bijzonder resoluut en ondubbelzinnig heeft aangegeven dat zij tot eind januari 2017, in verband met haar zwangerschap en bevalling, geen gesprekken meer wilde voeren, heeft appellant ouders gestimuleerd hierover samen te overleggen. Daarnaast is door appellant geopperd dat overleggen in een andere vorm, bijvoorbeeld per e-mail, een mogelijkheid zou kunnen zijn. Dit heeft niet tot een andere uitkomst geleid. Daarop zagen de gezinsvoogden zich, na overleg met de gedragsdeskundige, genoodzaakt om dit geschil voor te leggen aan de rechtbank. Om de neutraliteit te waarborgen is besloten om het advies van een niet bij de casus betrokken vertrouwensarts te vragen. Appellant wil hierbij opmerken dat hij de casus anoniem heeft voorgelegd aan de vertrouwensarts.

3.4.4 Verweerster vindt het onvoorstelbaar dat appellant nog steeds stelt dat verweerster geen gesprekken wilde voeren. Verweerster stelt dat zij duidelijk heeft aangegeven dat zij geen gesprekken meer mocht voeren, ingegeven door haar behandelend arts en verloskundige, in verband met complicaties tijdens de zwangerschap. Vervolgens heeft zij verschillende alternatieven aangeboden, ook het voeren van overleg per e-mail, welke door appellant werden afgewezen. Ten aanzien van het advies van de vertrouwensarts stelt verweerster dat de vertrouwensarts duidelijk per e-mail heeft aangegeven dat het advies van vier weken niet haar advies was. Appellant heeft daarop toegezegd dat de betreffende e-mail toegevoegd zou worden aan de stukken die aan de rechtbank werden gestuurd. Verweerster betwist dat deze e-mail zich daadwerkelijk bij de stukken bevond die aan de rechtbank zijn verzonden.

3.4.5 Het College van Beroep stelt vast dat appellant per e-mail van 15 augustus 2016 naar de ouders heeft gecommuniceerd dat er een patstelling dreigde te ontstaan in de gesprekken tussen de ouders en over [minderjarige], nu verweerster heeft aangegeven wegens haar zwangerschap tot januari 2017 geen gesprekken te kunnen voeren. Appellant heeft de ouders verzocht om samen tot een voorstel te komen hoe de gesprekken gevoerd zouden kunnen worden. Indien ouders niet tot overeenstemming zouden komen zou het aanhangig maken van een geschillenprocedure door [instelling 1] worden overwogen. Per e-mail van 23 augustus 2016 heeft appellant de ouders, nogmaals, verzocht om voor 28 augustus 2016 met een gezamenlijk voorstel te komen. Uit de brief van [instelling 1] van 13 september 2016 blijkt voorts dat er op 28 augustus 2016 geen overeenstemming tussen de ouders is bereikt over de te voeren gesprekken en dat het geschil door [instelling 1] aan de rechtbank zal worden voorgelegd. Uit het contactjournaal d.d. 21 oktober 2016 blijkt dat appellant de vertrouwensarts de situatie heeft voorgelegd en dat deze heeft aangegeven dat er een normale herstelperiode staat van zes weken voordat een kraamvrouw volledig is hersteld. Indien er geen complicaties zijn zou de kraamvrouw na vier weken in staat moeten zijn de gesprekken weer op te pakken. Per e-mail van 18 november 2016 heeft de vertrouwensarts gereageerd dat zij heeft begrepen dat [instelling 1] in de geschillenprocedure een termijn van vier weken wil hanteren. Door de manier van formuleren lijkt dit een keuze vanuit de vertrouwensarts, hetgeen onjuist is nu deze op basis van algemene uitgangspunten een beeld heeft willen schetsen. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat de geschillenprocedure op initiatief van [instelling 1] is ingetrokken.

3.4.6 Het College van Beroep overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt. Het oorspronkelijke klachtonderdeel ziet erop dat appellant de rechtbank ten aanzien van de herstelperiode van verweerster onjuist heeft voorgelicht. Anders dan verweerster is het College van Beroep van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de rechtbank onjuist is voorgelicht. Voor de informatie die opgenomen is in het verzoekschrift ten behoeve van de geschillenprocedure is appellant uitgegaan van algemene uitgangspunten welke hij heeft verkregen door de situatie anoniem aan de vertrouwensarts voor te leggen. Het College van Beroep kan dan ook niet concluderen dat appellant de rechtbank feitelijk onjuist heeft voorgelicht. Wat het College van Beroep appellant wel aanrekent is dat hij geen contact heeft gezocht met verweerster om haar zelf te vragen naar de verwachte herstelperiode. Dat appellant tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft aangegeven dat hij niet wist of deze ruimte er was, doet aan het voorgaande niet af. Het lag op de weg van appellant om, als individuele jeugdprofessional, toch te proberen het contact te leggen. Het College van Beroep is van oordeel dat doordat appellant dit heeft nagelaten er sprake is van schending van artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. De grief faalt aldus.

3.5 Klachtonderdeel V

3.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel V als volgt geformuleerd: “[Appellant] gaat bij de afwijzing van de overdracht naar jeugdbescherming in [plaatsnaam] voorbij aan de verhuizing van [verweerster] en de vertrouwensbreuk met beklaagde.”

3.5.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “In dit klachtonderdeel is [appellant] volgens [verweerster] bij de afwijzing van de overdracht naar jeugdbescherming regio [plaatsnaam] voorbij gegaan aan de verhuizing van [verweerster] en aan de vertrouwensbreuk met [appellant]. Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het College [van Toezicht] niet verwonderlijk dat [verweerster] na haar verhuizing naar [plaatsnaam] heeft verzocht om een andere gezinsvoogd. Het is dan ook niet te begrijpen dat [appellant] hieraan geen positief gevolg heeft gegeven. Uit het dossier, noch uit het behandelde ter zitting, is het College [van Toezicht] gebleken dat [appellant] dit bespreekbaar heeft gemaakt met zijn leidinggevende. De enkele mededeling dat een mogelijke overdracht niet in het belang was van [minderjarige] is naar het oordeel van het College [van Toezicht] in de onderhavige situatie onvoldoende gemotiveerd. Het vijfde klachtonderdeel is gegrond.”

3.5.3 Appellant wil ten aanzien van dit klachtonderdeel het volgende naar voren brengen. Verweerster heeft tweemaal een verzoek gedaan tot overdracht naar [instelling 1] [locatie]. Beide keren is dit verzoek als vraagstelling ingebracht door de betrokken gezinsvoogden in het casuïstiekteam. Bij de beoordeling van het eerste verzoek speelde primair de afweging dat vader duidelijk tegen de overdracht was; hij wilde verder met de mensen die hij nu kende. Daarnaast was het van belang dat de toenmalige gezinsvoogd van [minderjarige] (toen nog) een hele goede band met haar had.
Bij het tweede verzoek is de vraag in het casuïstiekteam gesteld of appellant nog de juiste hulpverlener was om met verweerster te spreken. De uitkomst hiervan was dat de gesprekken nog door hem gedaan konden worden en dat er een gedragsdeskundige zou aanschuiven bij de gesprekken met de ouders. Deze ongebruikelijke stap benadrukt hoe ingewikkeld de gesprekken verliepen, de mate van escalatie van de strijd tussen ouders, en hoe belangrijk [instelling 1] het vond dat de ouders met elkaar in overleg bleven.

3.5.4 Verweerster stelt dat zij op haar verzoeken tot overplaatsing, beide keren te horen heeft gekregen dat een overdracht niet in het belang van [minderjarige] zou zijn. Een onvolledige en onbegrijpelijke onderbouwing. In dat kader verwijst zij naar een uitspraak van de klachtencommissie van [instelling 1] waarin is geoordeeld dat het belang van [minderjarige] niet is onderbouwd, maar is gehanteerd als een zogenaamd containerbegrip. Door [instelling 1] is hier niets mee gedaan en deze afwijzingsgrond is bij het tweede verzoek gewoon herhaald. Vervolgens heeft verweerster van de voorzitter van de raad van bestuur van [instelling 1] een excuusbrief gekregen met de mededeling dat de zaken met de betreffende medewerkers besproken zouden worden om er lering uit te trekken. Het gedrag van appellant jegens verweerster is er na deze brief niet beter op geworden. Verweerster merkt dan ook op dat haar vertrouwen in appellant tot het nulpunt is gedaald.

3.5.5 Het College van Beroep stelt vast dat in beginsel, indien de ouder bij wie het kind feitelijk verblijft verhuist, het woonplaatsbeginsel van toepassing is. In beginsel zou de zaak derhalve overgedragen moeten worden naar een GI in de (nieuwe) woongemeente van de verweerster.
De gezinsvoogd, en de GI, kunnen echter gemotiveerd afwijken van dit beginsel en toch besluiten een zaak onder zich te houden. Tussen partijen is niet in geschil dat er tweemaal een verzoek is gedaan tot het overdragen van de zaak van [instelling 1] [locatie], naar [instelling 1] [locatie]. Het College van Beroep oordeelt, anders dan het College van Toezicht, dat vast is komen te staan dat de verzoeken tot overdracht door appellant zijn besproken in het casuïstiekteam. Gebleken is dat de beslissing om niet over te dragen procedureel gedegen tot stand is gekomen. Het College van Beroep is echter van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van appellant was, als gezinsvoogd, om de ouders te informeren over (de motivering van) het besluit, hetgeen hij heeft nagelaten dan wel onvoldoende heeft gedaan. Het valt appellant als individuele jeugdprofessional niet te verwijten dat het verzoek tweemaal is afgewezen, maar het valt hem wel te verwijten dat de afwijzing van deze verzoeken niet zorgvuldig naar de ouders is gecommuniceerd. Het College van Beroep oordeelt dan ook dat het klachtonderdeel terecht gegrond is verklaard door het College van Toezicht, zij het op andere gronden. Het College van Beroep oordeelt dat er sprake is van een schending van artikel D (bevorderen van vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. De grief faalt.

3.6 Conclusie

3.6.1 Het College van Beroep komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat appellant ten aanzien van de klachtonderdelen I, IV en V een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat er sprake is van schending van de artikelen D, F en G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.
Het College van Beroep wil er echter aan toevoegen dat het optreden van partijen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep een duidelijke impact heeft gehad. Het College van Beroep zag voor zich twee partijen die door de onderhavige situatie, die zeer gepolariseerd is geraakt, ernstig gekwetst zijn. Het College van Beroep betreurt deze gang van zaken ten zeerste. Appellant heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling een beeld geschetst van zijn werkzaamheden en de aan hem toebedeelde caseload, welke voor een groot gedeelte zag op (de communicatie in) complexe echtscheidingen. Deze caseload was voor hem veel te zwaar. Appellant heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep erkend dat achteraf gezien zijn (opkomende) burn-out invloed heeft gehad op zijn functioneren en dus ook op zijn handelen in de onderhavige situatie. Tussen partijen is niet langer in geschil dat er min of meer ernstige fouten zijn gemaakt door appellant. Het is het College van Beroep echter opgevallen dat de meeste beslissingen, genomen door appellant en zijn collega’s, wel gedegen tot stand zijn gekomen, maar dat appellant in de communicatie richting verweerster (ernstige) steken heeft laten vallen. Verweerster had recht op en behoefte aan deze communicatie en informatie. Het College van Beroep begrijpt dat haar frustratie hierdoor is vergroot en de strijd is verhard.

3.6.2 De vraag waar het College van Beroep zich aldus nog over dient te buigen is welke maatregel in de onderhavige situatie passend en geboden is. Het College van Beroep merkt hiertoe allereerst op dat het begrip heeft voor het oordeel van het College van Toezicht, dat een voorwaardelijke schorsing heeft opgelegd aan appellant. In de bestreden beslissing is het appellant – terecht – zwaar aangerekend dat hij heeft ontkend gezinsvoogd te zijn geweest in de onderhavige situatie. Het College van Beroep stelt echter vast dat er tijdens de mondelinge behandeling van het beroep feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de situatie. Appellant is herstellende van een burn-out, mede met behulp van een psycholoog. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft hij blijk gegeven wel degelijk in staat te zijn te reflecteren op zijn toenmalige handelen. Ook is gebleken dat appellant inmiddels heeft gekozen voor een nieuwe baan in de jeugdhulpverlening. Het College van Beroep neemt in het oordeel mee dat appellant zwaar is getroffen ten gevolge van zijn eigen handelen tijdens een burn-out en de verscheidenheid aan (klacht)procedures die daarmee samenhangen. Het College van Beroep ziet echter ook een professional die zich hard heeft ingespannen om zijn werkzame leven weer op de rit te krijgen. Rekening houdend met het voorgaande acht het College van Beroep het opleggen van de maatregel van waarschuwing in de gegeven situatie passend en geboden.

3.6.3 Tot slot wil het College van Beroep opmerken dat het verontrustend is dat appellant kennelijk niet tijdig kenbaar heeft kunnen maken dat de werkdruk te hoog werd en dat dit onmiddellijke invloed had op zijn handelen, met alle gevolgen van dien. Het College van Beroep wil dan ook een signaal afgeven aan de werkzame professionals en instellingen in het jeugddomein. Zeker in tijden waar de werkdruk hoog is en de maatschappelijke aandacht voor het werkgebied groot, dient er vanuit de organisatie voldoende rekening te worden gehouden met het welbevinden van collega’s en/of werknemers. In het bijzonder wil het College van Beroep daarbij wijzen op het belang van intervisie en supervisie voor de beroepsgroep.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel III alsnog ongegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 17 augustus 2017;
– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdelen I, IV en V, zij het met aanvulling van gronden;
– legt aan appellant, onder intrekking van de maatregel van voorwaardelijke schorsing, de maatregel van waarschuwing op.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 19 april 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris