Een jeugdprofessional heeft een particuliere melding gedaan bij het AMK (nu: Veilig Thuis) over het kind van haar zwager

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter,
mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

[klaagster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht

tegen

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 22 januari 2016 met bijlagen;
– het verweerschrift d.d. 13 mei 2016 met bijlagen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 september 2016 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde.
Klaagster werd bijgestaan door haar advocaat mevrouw mr. A.B. Noordhof.
Beklaagde werd bijgestaan door haar advocaat mevrouw mr. J. Stappaerts-Zijlmans.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1 Klaagster is de moeder van [de jongste zoon], geboren in 1998, en [de oudste zoon], geboren in 1996. Klaagster en de vader zijn in 2002 gescheiden en hebben samen het gezag over [de jongste zoon]. [De oudste zoon] is inmiddels meerderjarig. Beide ouders hebben een andere partner. [De jongste zoon] heeft vanaf de scheiding in 2002 tot maart 2014 bij klaagster gewoond, samen met zijn oudere broer [de oudste zoon]. Vanaf maart 2014 woont [de jongste zoon] bij zijn vader en diens partner.
Beklaagde was in 2014 werkzaam bij [Bureau Jeugdzorg] te [plaats 1], als AMK-onderzoeker. Zij heeft een familierelatie met [de jongste zoon] doordat zij de schoonzuster is van zijn vader.

2.2 Beklaagde heeft op 17 april 2014 telefonisch bij het AMK (nu Veilig Thuis) te [plaats 2] een melding gedaan over [de jongste zoon]. [De jongste zoon] was toen bijna 16 jaar oud. Zij heeft de medewerker laten weten als particulier te melden. Zij heeft hem desgevraagd verteld dat zij werkzaam is bij [Bureau Jeugdzorg] te [plaats 1] als AMK-onderzoeker. Zij heeft hem gevraagd of het hem verstandig leek dat zij de moeder van [de jongste zoon] op de hoogte zou stellen van de melding. De medewerker heeft geantwoord dat hij de moeder van [de jongste zoon] daarover op de hoogte zou stellen. Beklaagde heeft desgevraagd aan de medewerker toestemming gegeven om de moeder van [de jongste zoon] van haar identiteit in kennis te stellen.
Beklaagde heeft de vader van [de jongste zoon] op de hoogte gesteld van haar melding. [De jongste zoon] en diens moeder heeft zij niet geïnformeerd.

2.3 Op 24 april 2014 heeft beklaagde op verzoek van de medewerker van AMK haar melding op schrift gezet.

2.4 Het formulier dat door beklaagde is ingevuld is een ‘Aanmeldformulier Meldingen van professionele derden bij het AMK […]’. Op de eerste pagina van het formulier heeft beklaagde bovenaan genoteerd: “Het betreft een particuliere melding”. In het formulier heeft zij op de vraag naar haar relatie tot de betrokkenen genoteerd: “Schoonzus van vader [naam vader].”

2.5 Op 14 mei 2014 heeft beklaagde een email aan de medewerker van AMK geschreven waarin zij hem dringend verzoekt om “de casus deze week op te starten”. Zij schrijft daarin voorts: “[de jongste zoon] komt steeds meer klem te zitten, is erg verdrietig en zit vol spanning zit en is geen makkelijke prater”.

2.6 Het AMK te [plaats 2] heeft de ouders van [de jongste zoon] en [de jongste zoon] gehoord en heeft het dossier tot nader order gesloten onder voorwaarde dat [de jongste zoon] in behandeling zou gaan bij een jeugdpsychiater.

2.7 Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

Klachtonderdeel 1

Beklaagde heeft op 17 april 2014 telefonisch een melding gedaan bij het AMK te [plaats 2]. Zij heeft daarbij vermeld zelf AMK-onderzoeker te zijn.

Klachtonderdeel 2

Beklaagde handelde onprofessioneel. De melding berust niet op eigen waarnemingen of op feiten maar op een verzonnen verhaal. Zij was daardoor geen fair witness. Beklaagde heeft geruchten, verkregen van haar zwager, op schrift gesteld. Zij heeft daardoor de hulpverleningsinstantie onjuist geïnformeerd. Zij heeft haar beroep misbruikt voor privéaangelegenheden.

Klachtonderdeel 3

Zij heeft geen overleg gevoerd met klaagster noch met [de jongste zoon] en zij heeft hen niet geïnformeerd over haar melding.

Klachtonderdeel 4

Beklaagde heeft niet oplossingsgericht gehandeld en heeft zelf niets gedaan voor [de jongste zoon].

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.
Beklaagde is van mening dat de klacht niet ontvankelijk dient te worden verklaard nu zij niet in hoedanigheid van professional heeft gehandeld. Op het handelen van beklaagde kan de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker (‘de Beroepscode’) dan ook niet van toepassing worden geacht.
Voor het geval de klacht wel ontvankelijk is voert beklaagde als verweer tegen de klachtonderdelen het volgende aan.

Klachtonderdeel 1

Beklaagde heeft op 17 april 2014 telefonisch een open melding gedaan bij het AMK te [plaats 2].
Een medewerker van AMK/Veilig Thuis dient volgens protocol de melder uit te leggen wat de werkwijze van AMK/Veilig Thuis is. Beklaagde heeft aan de medewerker gezegd de werkwijze te kennen gezien haar functie van AMK-onderzoeker bij [Bureau Jeugdzorg] te [plaats 1].
Tot haar verbazing ontving beklaagde op 22 april 2014 een email van de medewerker met daarin het verzoek om haar verhaal op te nemen in een bijgesloten meldingsformulier, bedoeld voor meldingen door professionele derden. Beklaagde heeft bovenaan dit formulier dikgedrukt en met hoofdletters geschreven dat het een particuliere melding betreft. Bij haar gegevens heeft zij genoteerd dat zij schoonzuster is van de vader van [de jongste zoon]. Zij heeft het formulier teruggemaild en daarbij vermeld dat zij enigszins verbaasd was, nu het een particuliere melding betrof.
Beklaagde heeft voldoende gedaan om te benadrukken dat het een particuliere melding betrof. Als dit door het AMK te [plaats 2] anders is gezien, kan haar dit niet worden verweten.

Klachtonderdeel 2

Het AMK/Veilig Thuis dient, op grond van protocol, bij de beoordeling van de melding verschillende bronnen te raadplegen en contextuele informatie te betrekken. Beklaagde is er van uitgegaan dat het AMK te [plaats 2] in de beoordeling zal hebben meegenomen dat beklaagde een familielid van [de jongste zoon] is en derhalve niet objectief is. Het is juist dat beklaagde [de jongste zoon] niet goed kent. Het is beklaagde echter wel bekend dat er tussen de ouders een moeizame echtscheiding tot stand is gekomen en dat de communicatie tussen hen niet soepel verloopt. Voorts is het een feit dat [de jongste zoon] van de ene op de andere dag in zijn eindexamen jaar verhuisde van zijn moeder naar zijn vader. Een kind kan in deze omstandigheden klem komen te zitten en daarom heeft beklaagde haar zorgen bij het AMK geuit.

Klachtonderdeel 3

Beklaagde heeft, na overleg met het AMK, geen contact gezocht met moeder en afgezien van vooraf praten met [de jongste zoon] omdat dit [de jongste zoon] extra zou kunnen belasten en hij zich dan mogelijk opnieuw gedwongen zou voelen partij te kiezen tussen zijn ouders.
Beklaagde heeft transparant willen zijn door niet anoniem te melden, direct haar relatie tot betrokkenen te vermelden en ook meermalen in het meldingsformulier aan te geven dat de informatie van de vader van [de jongste zoon] kwam.

Klachtonderdeel 4

Beklaagde heeft, voordat zij de melding deed, er bij de vader van [de jongste zoon] op aangedrongen dat hij stappen zou ondernemen. Vader nam echter een passieve houding aan. Omdat beklaagde vermoedde dat [de jongste zoon] klem zat tussen zijn ouders heeft zij de melding gedaan.

Met haar melding heeft beklaagde zich er juist van willen vergewissen dat [de jongste zoon] tot zijn recht zou komen. Zij heeft laten zien dat zij bereid is [de jongste zoon] de hulp te bieden die hij wellicht nodig heeft en zij heeft terecht geoordeeld dat zij hiervoor niet de juiste persoon is.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Met betrekking tot het meest verstrekkende verweer van beklaagde, aangaande de ontvankelijkheid van de klacht, overweegt het College als volgt.
Beklaagde heeft hiertoe aangevoerd dat zij de melding bij het AMK heeft gedaan als particulier en niet als jeugdprofessional en dat haar handelen daarom niet tuchtrechtelijk beoordeeld kan worden. Het College is van oordeel dat ter beantwoording van deze kwestie de complete handelwijze van beklaagde vervat in de klachten moeten worden beschouwd. De klachten betreffen immers niet alleen de enkele melding bij het AMK maar ook de handelingen die beklaagde daarna heeft verricht. Het feitencomplex dat aan de klachten ten grondslag ligt is zo verweven met de beroepswerkzaamheden van beklaagde dat het handelen van beklaagde niet los gezien kan worden van haar hoedanigheid als jeugdprofessional, ook al wordt er vanuit gegaan dat zij haar melding in eerste instantie niet in de uitoefening van die hoedanigheid deed.
Op grond hiervan is het College van oordeel dat de klacht ontvankelijk is.

Met betrekking tot de klachtonderdelen overweegt het College als volgt.

Klachtonderdeel 1

Het enkele feit dat beklaagde op 17 april 2014 een melding heeft gedaan bij het AMK/Veilig Thuis over [de jongste zoon], zoon van klaagster, kan haar niet tuchtrechtelijk worden verweten. Na beklaagdes toelichting in de stukken en op de zitting over haar beweegredenen de melding (als privépersoon) te doen, is dit, op zichzelf beschouwd, geen onbegrijpelijke actie en in elk geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel I is dan ook ongegrond.

Klachtonderdelen 2 en 3

Deze klachtonderdelen betreffen de verdere gang van zaken.
Het College stelt vast dat de professionele standaard, in het geval een jeugdprofessional voornemens is om een melding te doen, in de afweging waarvan de uitkomst kan zijn dat een melding noodzakelijk is, van de jeugdprofessional zorgvuldigheid verwacht, zoals tot uitdrukking komt in de stappen van de meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld.

Op grond daarvan acht het College van belang dat beklaagde de signalen die zij over [de jongste zoon] had verkregen uitsluitend afkomstig waren van de vader van [de jongste zoon]. Aan het College is niet gebleken of en zo ja, hoe zij deze signalen heeft geobjectiveerd, of zij zich daarbij rekenschap heeft gegeven van de complexiteit van de relaties tussen klaagster, [de jongste zoon], de vader van [de jongste zoon] en beklaagde zelf.

In dit verband is van de kant van klaagster naar voren gebracht dat beklaagde haar noch [de jongste zoon] (goed) kent, hetgeen beklaagde heeft beaamd. Evenmin is aan het College gebleken dat beklaagde haar afweging om te melden ter consultatie heeft voorgelegd aan een geëigende derde.

Wetende dat het aan haar voorgelegde vragenformulier alleen bestemd is voor professionele melders had zij zich bij de invulling daarvan moeten realiseren dat de door haar gegeven antwoorden op vragen niet dan wel verregaand onvoldoende tot uitdrukking brachten hoe zij de door haar verstrekte informatie had verkregen, te weten uitsluitend door mededelingen van de vader van [de jongste zoon] en niet uit eigen observatie. Dit klemt temeer nu beklaagde in het meldingsformulier eenmaal specifiek opmerkt “volgens vader” waarmee voor de overige informatie de suggestie wordt gewekt dat beklaagde daarvan zelf de bron is.

Dat beklaagde boven aan het formulier heeft geschreven dat het een melding van een particulier betrof doet hier niet aan af, noch het feit dat degene bij wie zij de melding had gedaan aandrong op invulling van het formulier. Beklaagde is als professional immers zelf verantwoordelijk voor haar handelen.

Ingevolge de hiervoor genoemde meldcode had voorts van beklaagde verwacht mogen worden dat zij alvorens de melding te doen klaagster en [de jongste zoon] had geïnformeerd over dit voornemen. [De jongste zoon] was op dat moment bijna 16 jaar. Gevolg hiervan is ook dat beklaagde zichzelf de mogelijkheid heeft ontnomen de andere kant(en) van de feiten te betrekken in haar besluitvorming. Ook hier geldt dat beklaagde een eigen verantwoordelijkheid heeft en dat het advies van degene bij wie zij de melding had gedaan hieraan niet afdoet.

Op grond van het voorgaande komt het College tot het oordeel dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld zodat deze klachtonderdelen gegrond zijn.

Klachtonderdeel 4

Met dit klachtonderdeel geeft klaagster een kwalificatie aan het handelen van beklaagde zoals omschreven in de overige klachtonderdelen. Dit onderdeel mist daarom zelfstandige betekenis en zal ongegrond worden verklaard.

De slotsom van het voorgaande is dat de klacht gedeeltelijk gegrond is (onderdeel 2 en 3).
Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het College dat enerzijds niet onbegrijpelijk is dat beklaagde als aangetrouwd familielid van vader heeft besloten in actie te komen, maar anderzijds dat beklaagde bij de (wijze van) uitvoering van haar actie niet gehandeld heeft zoals van een jeugdprofessional verwacht macht worden.
Op grond hiervan acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

Het College van Toezicht verklaart klachtonderdeel 2 en 3 gegrond en klachtonderdeel 1 en 4 ongegrond en legt aan beklaagde een waarschuwing op.

Aldus gedaan op 21 november 2016 door het College van Toezicht en op 21 november 2016 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. D.J. Markx
voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs
secretaris